Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:360

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
29-01-2018
Zaaknummer
5845416 CV EXPL 17-3060
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak. Mist bij geplande vertrektijd. Geannuleerde vlucht is een operationele keuze geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/78
NTHR 2018, afl. 2, p. 115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 5845416 CV EXPL 17-3060

Uitspraakdatum: 24 januari 2018

Beschikking in de zaak van:

1 [eiseres sub 1]

2. [eiser sub 2]

3. [eiseres sub 3],

te [adres] (passagier 1) respectievelijk [adres] (passagiers 2 en 3)

verzoekende partij

verder gezamenlijk te noemen: de passagiers, dan wel afzonderlijk passagier 1, 2 en 3

gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff & mr. M.J.R. Hannink (EUclaim B.V.)

tegen

de rechtspersoon naar het recht van het land van haar vestiging

Air France,

te Roissy CDG Cedex (Frankrijk)

verwerende partij

verder te noemen: Air France

gemachtigde: P. Frühling

1 Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 21 maart 2017;

  • -

    het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 14 juni 2017;

  • -

    het op verzoek van de passagiers gehouden pleidooi d.d. 13 december 2017, de tevoren door de passagiers en door Air France toegezonden producties evenals de door de passagiers overgelegde pleitaantekeningen.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben met Air France een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Air France de passagiers zou vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport (Nederland) naar Charles De Gaulle Airport (Frankrijk) op 10 april 2015 met vlucht AF 1241, hierna: de vlucht. Passagiers 2 en 3 zouden volgens overeenkomst daarna doorvliegen met vlucht AF 1816 naar Dublin Airport (Ierland).

2.2.

De vlucht heeft meer dan drie uur vertraging opgelopen. Passagier 1 is 3 uur en 55 minuten en passagiers 2 en 3 zijn 4 uur en 43 minuten later aangekomen op de overeengekomen eindbestemming.

2.3.

De passagiers hebben compensatie van Air France gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.4.

Air France heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 Het verzoek

3.1.

De passagiers verzoeken Air France te veroordelen tot betaling van:

- € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;
- primair € 181,50 subsidiair € 112,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 8 mei 2015;
- de proceskosten en nakosten.

3.2.

De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), waaronder het Sturgeon-arrest van
19 november 2009 (C-402/07).

3.3.

De passagiers stellen dat Air France vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 250,00 per passagier. Daarnaast maken de passagiers aanspraak op betaling door Air France van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.

4 Het verweer

4.1.

Air France betwist de verschuldigdheid van de gevorderde hoofdsom. Zij voert daartoe aan dat zij geen compensatie verschuldigd is omdat de vlucht is geannuleerd vanwege slechte weersomstandigheden, te weten dichte mist, te Amsterdam. De ontstane vertraging is een gevolg van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft Air France een drietal documenten overgelegd. Hieruit blijkt, aldus Air France, dat zij het hoofd diende te bieden aan slechte zichtbaarheid ten gevolge van mist te Amsterdam waardoor de uitvoering van de onderhavige vlucht werd belemmerd. Air France kon met alle beschikbare materiële en persoonsmiddelen niet vermijden dat de weersomstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd tot de annulering van de vlucht zou leiden. De passagiers zijn omgeboekt naar andere vluchten om zo op hun eindbestemming aan te komen. Air France betwist daarnaast de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente verschuldigd te zijn.

5 De beoordeling

5.1.

Ten aanzien van het beroep van Air France op de aanwezigheid van buitengewone omstandigheden geldt (in algemene zin) het volgende. In punt 14 en 15 van de considerans van de Verordening heeft de gemeenschapswetgever erop gewezen dat dergelijke omstandigheden zich onder meer kunnen voordoen in geval van weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen en wanneer een besluit van het luchtverkeerbeheer voor een specifiek vliegtuig een langdurige vertraging veroorzaakt. Een beroep op buitengewone omstandigheden faalt als die omstandigheden door redelijke voorzorgsmaatregelen hadden kunnen worden voorkomen.

5.2.

Air France heeft ter nadere onderbouwing van haar verweer stukken in het geding gebracht te weten een vluchtfiche van de vlucht waarop de code CSE WEAT staat. Blijkens de toelichting van Air France staat deze code voor (vrij vertaald): annulering veroorzaakt door weersomstandigheden. Daarnaast heeft Air France het rapport van het CCO (Centre de Controle des Opérations, ofwel het Controlecentrum van de operaties) overgelegd. Hierin wordt, blijkens de door Air France gegeven toelichting, expliciet gesteld dat vlucht AF1241 van 10 april 2015 werd vertraagd wegens de mist te Amsterdam (Ces vols sont annulés en raison du brouillard à AMS). Ook heeft Air France een rapport van Wunderground.com overgelegd met de weershistorie van 10 april 2015 waarin, aldus Air France, wordt bevestigd dat sprake was van mist op de datum van de litigieuze vlucht.

5.3.

De vraag die voorligt is of Air France met de door haar overgelegde, hiervoor genoemde, documenten en haar toelichting daarop, voldoende heeft aangetoond dat de vertraging van de vlucht in de onderhavige zaak het gevolg is geweest van weersomstandigheden, die uitvoering van de vlucht in kwestie hebben verhinderd, en dat zij de vertraging heeft kunnen voorkomen. De kantonrechter is van oordeel dat zij daarin niet is geslaagd. Anders dan door Air France wordt aangevoerd, volgt uit de overgelegde stukken niet, althans onvoldoende, dat luchtverkeerbeheer op Schiphol een besluit heeft genomen waardoor de onderhavige vlucht een langdurige vertraging heeft opgelopen als bedoeld in de Verordening. Uit die stukken blijkt wel dat Air France heeft besloten om de vlucht te annuleren in verband met de weersomstandigheden, te weten mist.

5.4.

De passagiers hebben ter zitting een schema overgelegd waaruit blijkt dat op de datum en rond het uur van de geplande vlucht op luchthaven Schiphol wel andere vliegtuigen zijn vertrokken. Een beperking van het aantal vliegbewegingen per uur impliceert dat er ondanks het weer wel vliegtuigen konden vertrekken vanaf luchthaven Schiphol. Dat Air France de vlucht heeft geannuleerd is dan ook een operationele keuze geweest. Niet is komen vast te staan dat de vlucht in kwestie niet mocht vertrekken. In een dergelijke situatie kan niet worden gesproken van een buitengewone omstandigheid in de zin van de Verordening. Het verweer op dit punt faalt dan ook. De door Air France, voorafgaand aan het pleidooi, overgelegde beschikking van 23 augustus 2017 maakt dat niet anders, alleen al omdat het in de onderhavige zaak gaat om een vertrekkende vlucht en in de door Air France overgelegde zaak om een aankomende vlucht.

5.5.

De gevorderde compensatie zal, gelet op de duur van de vertraging en de afstand van de vlucht, worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.6.

Nu de onderhavige vordering niet ziet op een verbintenis uit overeenkomst tot betaling van een geldsom of een verbintenis tot vergoeding van schade, vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst of een verbintenis tot betaling van een geldsom omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding in de zin van artikel 6:87 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dient voor de vaststelling van de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten te worden aangeknoopt bij het Rapport Voorwerk II. De kantonrechter acht voldoende aannemelijk gemaakt dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben verricht dan wel hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten dient te worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit buitengerechtelijke incassokosten in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, nu de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit geacht worden redelijk te zijn. Het subsidiair gevorderde bedrag van € 112,50 zal daarom worden toegewezen.

5.7.

De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is eveneens toewijsbaar. Nu de passagiers niet hebben gesteld op welke datum de buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk zijn betaald, zal de kantonrechter de rente toewijzen vanaf de dag dat het vorderingsformulier A door de griffie is ontvangen, zijnde 21 maart 2017.

5.8.

Air France zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Ook de nakosten komen voor rekening van Air France, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.

5.9.

Op verzoek van de passagiers zal een certificaat betreffende een beslissing in de Europese procedure voor geringe vorderingen (formulier D van bijlage IV van de verordening) aan deze beschikking worden gehecht.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt Air France tot betaling aan de passagiers van € 862,50 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 750,00 vanaf 10 april 2015 en over € 112,50 vanaf 21 maart 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

6.2.

veroordeelt Air France tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 223,00 aan griffierecht en € 200,00 aan salaris gemachtigde en veroordeelt Air France tot betaling van € 50,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt;

6.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gewezen door mr. C.E. van Oosten-van Smaalen, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open