Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:3571

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
15.201329.17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, destijds 28 jaar oud, heeft zich gedurende een periode van vijf maanden schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van ontuchtige handelingen (tongzoenen) met zijn buurmeisje, destijds 13 jaar oud. Gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk en een taakstraf voor de duur van 200 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15-201329-17 (P)

Uitspraakdatum: 19 april 2018

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

5 april 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres ( [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.G.T. Kramer en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. B.A. Zevenbergen, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2016 tot en met 27 september 2016 te Beverwijk en/of (elders in) Nederland, (telkens) met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2003, die toen (telkens) de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd,

bestaande uit

- het (tong)zoenen van die [slachtoffer] en/of

- het betasten en/of vastpakken van de blote rug en/of heupen en/of de (blote) bil(len) van die [slachtoffer] .

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft bepleit dat alleen een bewezenverklaring kan volgen voor het zoenen en dat verdachte van het overige ten laste gelegde moet worden vrijgesproken nu verdachte dit ontkent, de verklaring van [slachtoffer] (hierna ook genoemd: [slachtoffer] ) hierover op zich zelf staat en de overige zich in het dossier bevindende verklaringen ‘de auditu verklaringen’ betreffen.

3.3.

Partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode april 2016 tot en met 27 september 2016 zich schuldig heeft gemaakt aan het betasten en/of vastpakken van de blote rug en/of heupen en/of billen van [slachtoffer] en spreekt hem van dat onderdeel vrij. Ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging staat de verklaring van [slachtoffer] op zich zelf en vindt deze geen dan wel onvoldoende steun in de overige bewijsmiddelen.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Het geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering, is slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 5 april 2018 heeft afgelegd, houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Ik heb [slachtoffer] gedurende een langere periode meerdere keren per week op haar mond gekust. Het kan kloppen dat dit in april 2016 voor het eerst was. Ik wist hoe oud [slachtoffer] was. Het zou kunnen dat ik haar heb gezegd dat zij het niet tegen haar moeder moest zeggen. Ik heb inderdaad spijt getoond in een WhatsAppgesprek omdat ik mij heel schuldig voelde.

Een proces-verbaal van verhoor (pagina 27 e.v.). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 20 april 2017 door benadeelde [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] , wonende [adres] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

V: Kun je nu, en probeer dat in volgorde van tijd te doen, vertellen wat er tussen jou en [verdachte] is gebeurd?

A: Vorig jaar in februari kwamen [verdachte] en zijn vriendin [persoon] naast ons wonen. De band tussen mij en [verdachte] werd sterker.

V: Wanneer was het dat hij jou voor het eerst heeft gezoend en wat waren de

omstandigheden waarin dit gebeurde?

A: De eerste keer was rond april mei 2016. Hij kwam naar me toe en gaf me een kus op de mond. Ik voelde zijn tong in mijn mond.

V: Hoe zoende hij jou die eerste keer?

A: Hij tongzoende mij.

V: Bij welke situaties heeft [verdachte] jou gezoend en wat waren dat voor zoenen?

A: Meestal als we de honden gingen uitlaten. In de keuken bij [verdachte] thuis. Het

gebeurde ook wel eens in de tuin. Het waren tongzoenen.

V: Weet jij hoe lang de periode heeft geduurd dat jullie met elkaar hebben gezoend en

wanneer dat was?

A: Het heeft ongeveer 5 maanden geduurd, vanaf april mei. 27 september 2016 was de

laatste keer in het ziekenhuis.

V: Als je alles terug denkt, hoe vaak hebben jullie met elkaar gezoend?

A: Niet elke dag, maar wel een paar keer week, 5 maanden lang.

Een proces-verbaal van aangifte (pagina 20 e.v.). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 3 april 2017 door aangever [aangever] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

Op 6 oktober 2016 vertelde [slachtoffer] dat zij met [verdachte] had gezoend. Hij had tegen [slachtoffer] gezegd dat zij er niets over mocht zeggen tegen mij. Ik kreeg een appje van [verdachte] dat hij het niet had mogen doen en dat hij spijt had.

Een geschrift, inhoudende een de geprinte tekst van een WhattsApp gesprek (pagina 26). Dit geschrift houdt onder meer in:

WhatsApp-chat met [verdachte] Buur.txt (de rechtbank begrijpt: een WhatsApp gesprek tussen verdachte [verdachte] en aangever [aangever] )

07-10-16, 08:52 - To the moon and back»: [slachtoffer] is 13 en jij bent 28!! Jij had dit nooit mogen laten gebeuren en jij bent begonnen met tongen!!!! wordt er misselijk van!!! En is niet 1 keer gebeurd!!

07-10-16, 08:53 - [verdachte] Buur: Het had ook nooit mogen gebeuren mam het spijt mij echt heel erg en [slachtoffer] zocht mij ook op

07-10-16, 08:53 - [verdachte] Buur: We zijn heel stom geweest

07-10-16, 08:54 - [verdachte] Buur: ik had de wijste moeten zijn

3.5.

Bewijsoverweging

Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer] heeft getongzoend. Hij heeft verklaard dat hij haar alleen op haar mond heeft gezoend en ter terechtzitting aangegeven dat hij het zoenen op de mond als volstrekt normaal zag, zoals je een familielid ook zoent. Verdachte heeft echter, zowel bij de politie als ter terechtzitting, aangegeven dat het fout is geweest, het nooit had mogen gebeuren, dat het te ver is gegaan tussen hem en [slachtoffer] en dat hij spijt heeft. Dit wordt ook bevestigd in een WhatsApp gesprek op 7 oktober 2016 tussen verdachte en [aangever] , de moeder van [slachtoffer] , waarin die [aangever] expliciet refereert aan het tongzoenen en verdachte vervolgens als reactie geeft dat het nooit had mogen gebeuren en dat het hem heel erg spijt. Dat verdachte - zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard - over het woord “tongzoenen” in het bericht heen zou hebben gelezen, acht de rechtbank onaannemelijk.

Gelet op het voorgaande en de genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tongzoenen van het slachtoffer.

3.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode van 1 april 2016 tot en met 27 september 2016 te Beverwijk en/of elders in Nederland, telkens met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2003, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit

- het tongzoenen van die [slachtoffer] .

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van 240 uren.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht een lagere werkstraf op te leggen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte, destijds 28 jaar oud, heeft zich gedurende een periode van vijf maanden schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van ontuchtige handelingen met zijn buurmeisje [slachtoffer] , destijds 13 jaar oud. Deze ontuchtige handelingen bestonden uit het tongzoenen van het meisje. Het uitgangspunt van de wetgever is dat kinderen beneden de 16 jaar op grond van de uit hun nog niet voltooide seksuele en emotionele ontwikkeling voortvloeiende kwetsbaarheid moeten worden beschermd. In het onderhavige geval komt daarbij dat verdachte ervan op de hoogte was dat zijn buurmeisje door eerdere voorvallen in haar nog jonge leven mogelijk extra kwetsbaar was. Door deze handelwijze heeft verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en een normale en gezonde seksuele ontwikkeling van het slachtoffer in een kwetsbare periode van haar leven nadelig beïnvloed. Ten nadele van verdachte heeft de rechtbank voorts in aanmerking genomen dat verdachte door zijn grotendeels ontkennende houding, ervan blijk gegeven heeft het laakbare van zijn handelen niet dan wel onvoldoende in te (willen) zien.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 22 februari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van een zedendelict is veroordeeld;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 23 januari 2018 van [reclasseringswerkster] , als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland. Uit dit rapport komt naar voren dat hoewel verdachte zijn gedrag enigszins bagatelliseert, de reclassering geen meerwaarde ziet in een reclasseringstraject met een behandeling, gelet op de lage inschatting van het recidiverisico en de mate van behandelintensiteit die daar bij hoort.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

7 Vordering benadeelde partij

[aangever] heeft als wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij [slachtoffer] een vordering tot schadevergoeding van € 1.100,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 100,00, omdat de aard van de ontuchtige handelingen van geringe ernst is en sprake was van consensualiteit tussen verdachte en het slachtoffer.

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd. Met zijn gedragingen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Daarmee is voldaan aan de wettelijke vereisten, zoals genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Naar maatstaven van billijkheid, rekening houdend met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te wijzen, acht de rechtbank toekenning van een bedrag van € 350,00 op zijn plaats, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor zover de vordering van de benadeelde partij het hiervoor genoemde bedrag van € 350,00 te boven gaat, ziet de rechtbank onvoldoende onderbouwing. Nadere bewijslevering ten aanzien van het meer gevorderde levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering worden verklaard.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikel 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 200 (tweehonderd) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro), als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Hoendervoogt, voorzitter,

mr. J.M. Sassenburg en mr. E.M. van Poecke, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Dommershuijzen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 april 2018.

mr. Sassenburg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.