Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:3465

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
AWB 18/940 en 18/995
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor een yurt is bezwaar gemaakt door omwonenden. Het college van burgemeester en wethouders heeft het bezwaar gegrond verklaard en de van rechtswege verleende vergunning herroepen, ingetrokken en alsnog geweigerd omdat de yurt in strijd is met het bestemmingsplan. De eigenaren van de yurt hebben vervolgens beroep ingesteld. Dit beroep is met deze uitspraak ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft het standpunt van het college gevolgd. Verder is het beroep van verzoekers op het vertrouwensbeginsel verworpen. Door gemeenteambtenaren en de wethouder zijn geen concrete toezeggingen gedaan dat de yurt zonder omgevingsvergunning mocht blijven staan. Conclusie is dat de omgevingsvergunning voor het plaatsen van de yurt alsnog terecht is geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummers : HAA 18/940 en HAA 18/995

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 april 2018 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers] , te [woonplaats 1] , verzoekers,

(gemachtigde: mr. X. Wentink),

en

het college van burgemeester en wethouders van Texel, verweerder,

(gemachtigden: mr. M. Oosterdijk en mr. C.H. Witte ).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

Vereniging " [derde belanghebbende 1] ", te [woonplaats 1] ,

[derde belanghebbende 2] en [derde belanghebbende 3] , te [woonplaats 2] ,

[derde belanghebbende 4] en [derde belanghebbende 5] , te [woonplaats 2] ,

[derde belanghebbende 6] en [derde belanghebbende 7] , te [woonplaats 2] ,

Procesverloop

Bij brief van 13 oktober 2017 heeft verweerder aan verzoekers meegedeeld dat zij een omgevingsvergunning van rechtswege hebben verkregen voor de plaatsing van een yurt op het perceel [perceel] (hierna: het perceel).

Vereniging " [derde belanghebbende 1] ", [derde belanghebbende 6] , [derde belanghebbende 7] , [derde belanghebbende 4] , [derde belanghebbende 5] [derde belanghebbende 3] en [derde belanghebbende 2] hebben bezwaar gemaakt tegen deze omgevingsvergunning van rechtswege.

Bij besluit van 23 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, de van rechtswege verleende omgevingsvergunning herroepen en de omgevingsvergunning ingetrokken en alsnog geweigerd.

Verzoekers Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2018. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegen-woordigen door zijn gemachtigden. Voorts zijn verschenen [derde belanghebbende 4] en [derde belanghebbende 5] . Namens de Vereniging “ [derde belanghebbende 1] ” is verschenen [naam 1] , secretaris en [naam 2] , lid.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. Met de van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van een yurt op het perceel heeft verweerder uitvoering gegeven aan de uitspraak van deze rechtbank van 5 oktober 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RBNHO:2017:8088. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat voor de plaatsing van de yurt een omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan. Tegen die uitspraak is hoger beroep ingesteld.

3.1

Verweerder heeft na bezwaar alsnog de omgevingsvergunning geweigerd. Aan deze weigering heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de yurt in strijd is met het bestemmingsplan Buitengebied 2013. Het gedeelte waar de yurt is gesitueerd, heeft de bestemming ‘Bedrijf’. Gelet op artikel 8.1 sub c van de planregels zou verblijfsrecreatie op het perceel mogelijk zijn, voor zover in de maatvoering ‘maximum aantal recreatieve opstallen’ op de verbeelding is opgenomen dat een of meer recreatieve opstallen aanwezig mogen zijn. Dit is echter niet het geval. Omdat de yurt op het voorerf is gelegen, wordt ook niet voldaan aan de mogelijkheid volgens de planregels om strijdig gebruik van gronden en bouwwerken toe te staan. Die mogelijk bestaat immers alleen voor kamperen op het achtererf. In het bestemmingsplan is geen mogelijkheid opgenomen om af te wijken van de planregels. Medewerking op grond van artikel 4 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) heeft verweerder afgewezen. Aan het oprichten van nieuwe losse recreatieve opstallen in agrarische en bedrijfsbestemmingen wordt geen medewerking verleend. Verder past de yurt niet bij de gebiedskenmerken en het Texelse landschap, zoals opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Texel. Het Hogeberggebied heeft een hoge mate van bescherming. De yurt detoneert aan dit specifieke Texelse landschap en is landschappelijk niet inpasbaar. Daarnaast is verweerder van mening dat het gebruik van de yurt zal leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van de direct omwonenden.

3.2

Verder heeft verweerder aangegeven dat het beroep van verzoekers op het vertrouwensbeginsel niet opgaat. Ten tijde van de bouw van een nieuwe bedrijfsruimte door verzoekers, is tijdelijk het plaatsen van een yurt op het perceel toegestaan en daarvoor was een omgevingsvergunning verleend. De yurt stond toen op een andere plek. Tijdens een bezoek op 23 februari 2016 door de wethouder [naam 3] , [naam 4] en afdelingshoofd, mevrouw [naam 5] van de gemeente Texel op het perceel van verzoekers is de yurt weliswaar ter sprake gekomen, maar niet is toegezegd dat de yurt in de vorm van een semi-permanent, plaatsgebonden bouwwerk zonder vergunning zou zijn toegestaan. Op het moment van het bezoek is ervan uitgegaan dat het ging om een kampeermiddel in de zin van het bestemmingsplan. Naderhand is echter vastgesteld dat de yurt geen kampeermiddel is, maar een bouwwerk tevens gebouw.

4.1

Verzoekers hebben verzocht om het bestreden besluit te schorsen in afwachting van de uitspraak op het hoger beroep van verweerder gericht tegen genoemde uitspraak van 5 oktober 2017. Zij hebben een spoedeisend belang, aangezien zij diverse verhuurverplichtingen zijn aangegaan voor de yurt en zij daarom niet alleen financiële schade lijden als zij deze verplichtingen niet kunnen nakomen, maar ook reputatieschade en klanten zullen verliezen. De derde-belanghebbenden worden door schorsing van het bestreden besluit niet in hun rechten en belangen aangetast. Er zijn geen feitelijke constateringen waaruit dit blijkt.

4.2

Verweerder heeft erkend dat de yurt als kampeermiddel kan worden beschouwd en dat hiervoor een regeling in het bestemmingsplan is opgenomen. Verzoekers verwijzen in dit verband verwijzen naar het gesprek tussen hen en de wethouder en gemeenteambtenaren op 23 februari 2016 en naar de emailcorrespondentie tussen verzoekers en [naam 4] van 22, 24, 25 en 26 februari 2016 over de plaatsing van de yurt. Verzoekers hebben op grond van dit gesprek en deze mails ten tijde van het plaatsen van de yurt er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat de plaatsing van de yurt conform geldende regelgeving was geschied. Zij betwisten dat verweerder er vanuit zou zijn gegaan dat de yurt na realisatie van de bedrijfsruimte zou worden verwijderd. Verzoekers hebben in dit verband verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1946.

4.3

Verder wijzen verzoekers erop dat de yurt functioneel is verbonden met het zich op het perceel bevindende hoofdgebouw. Het standpunt van verweerder dat de yurt niet functioneel verbonden is met het gedeelte van het hoofdgebouw met de bestemming bedrijf en daarom geen omgevingsvergunning op grond van artikel 4, eerste lid van bijlage II van het Bor kan worden verleend, is volgens hen dan ook onjuist.

5. De derde-partijen hebben aangegeven dat de weigering van de omgevingsvergunning op goede gronden is geschied en zijn met verweerder van mening dat deze weigering in stand dient te blijven.

6.1

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Verweerder had in de stukken aangegeven dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben, omdat de weigering van de omgevingsvergunning van rechtswege rechtmatig is en geen onevenredig nadelige gevolgen voor verzoekers heeft. Bovendien was eventuele schade voorzienbaar, omdat verweerder verzoekers al bij brief van 31 mei 2016 heeft meegedeeld dat voor de yurt geen vergunning zou worden verleend. Verweerder heeft echter op de zitting opgemerkt dat op dit moment niet handhavend wordt opgetreden, maar dat dit elk moment anders kan zijn. Gelet hierop neemt de voorzieningenrechter een spoedeisend belang aan.

6.2

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen in afwachting van de uitspraak op het hoger beroep van verweerder gericht tegen genoemde uitspraak van 5 oktober 2017. Thans is immers sprake van een nieuwe andere situatie, waarbij de van rechtswege verleende omgevingsvergunning alsnog na bezwaar door de derde-belanghebbenden is geweigerd. In dit verband is nog relevant dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij brief van 12 maart 2018 heeft laten weten dat de Afdeling niet bevoegd is kennis te nemen van onderhavige beroep- en verzoekschrift.

6.3

De voorzieningenrechter stelt vast dat in de genoemde uitspraak van 5 oktober 2017 reeds is geoordeeld dat de yurt in strijd is met het bestemmingsplan en dat de yurt als een niet vergunningsvrij bouwwerk in de zin van het Bor moet worden aangemerkt. Er is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen reden om daar in deze zaak anders over te oordelen. Verweerder heeft naar aanleiding van de ingediende bezwaren in heroverweging de van rechtswege verleende omgevingsvergunning herroepen en alsnog geweigerd, omdat hij van mening is dat de yurt niet past bij de gebiedskenmerken en het Texelse landschap zoals opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Texel. Het Hogeberggebied heeft een hoge mate van bescherming. De yurt detoneert aan dit specifieke Texelse landschap en is landschappelijk niet inpasbaar. Dit standpunt hebben verzoekers niet gemotiveerd bestreden.

6.4

Verzoekers hebben betoogd dat de derde-belanghebbenden niet in hun rechten en belangen worden aangetast. Voor zover verzoekers hiermee bedoeld hebben te betogen dat verweerder de omgevingsvergunning niet had mogen herroepen in bezwaar, volgt de voorzieningenrechter hen hierin niet. Op de zitting is genoegzaam naar voren gekomen dat de derde-belanghebbenden bezwaar hebben gemaakt tegen de omgevingsvergunning, omdat zij - net als verweerder - van mening zijn dat de yurt niet landschappelijk inpasbaar is en tot een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat leidt.

6.5

De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verweerder op grond van de gegeven motivering de omgevingsvergunning van rechtswege in redelijkheid in bezwaar heeft mogen herroepen, intrekken en alsnog heeft mogen weigeren, omdat deze in strijd is met het bestemmingsplan. De vraag of de yurt al dan niet functioneel is verbonden met het op het perceel staande hoofdgebouw, komt eerst aan de orde, indien verweerder bereid zou zijn de omgevingsvergunning van rechtswege in afwijking van het bestemmingsplan te handhaven. Daarbij zou het dan gaan om de vraag of artikel 4, eerste lid van bijlage II van het Bor als rechtsgrondslag kan dienen voor afwijking van het bestemmingsplan. Aan die vraag is verweerder niet toegekomen.

7. Omtrent het beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter kan op basis van de stukken en hetgeen partijen naar voren hebben gebracht niet vaststellen dat op 23 februari 2016 dan wel op enig ander moment door of namens verweerder aan verzoekers een concrete, ondubbelzinnige toezegging is gedaan dat plaatsing van de yurt op de plek, waar hij thans is geplaatst, en de in de vorm, waarin hij thans is opgericht, is toegestaan. De vermelding in de brief van 31 mei 2016, inhoudende dat de wethouder op 23 februari 2016 heeft gezegd dat in beginsel de plaatsing van een yurt aanvaardbaar is en geen strijd oplevert met regelgeving of beleid, behelst, gelet op de omstandigheden van dit geval, naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet een dergelijke concrete, ondubbelzinnige toezegging. Ten tijde van het bezoek van 23 februari 2016 was de yurt niet opgebouwd. Ook was er geen fundering van de yurt aanwezig. Blijkens de email van 22 februari 2016 zijn de ambtenaren van de gemeente en de wethouder ervan uitgegaan dat de yurt een kampeermiddel was. In genoemde email is immers gesproken over een yurt als kampeermiddel en is zelfs de begripsbepaling van een kampeermiddel opgenomen, te weten ‘een tent, een tentwagen, een camper, een caravan, dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf’. De naderhand opgerichte yurt kan echter niet als een kampeermiddel worden beschouwd. Zoals in de brief van 31 mei 2016 is vermeld, is de yurt namelijk geheel ter plaatse gebouwd en rust op funderingspalen en een speciaal daarvoor aangelegd schelpenbed, is de yurt hierdoor niet dan wel niet eenvoudig te verplaatsen en bevat de yurt voorzieningen die niet passen in een kampeermiddel of tent. Hiermee wordt de yurt een bouwwerk. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat de ter plaatse opgerichte yurt niet (tevens) als een kampeermiddel kan worden aangemerkt. Gelet op het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de mededeling van de wethouder op 23 februari 2016, zoals vermeld in de brief van 31 mei 2016, dient te worden bezien in het licht van de daags ervoor aan verzoekers verstuurde email van 22 februari 2016 en dat uitsluitend werd gesproken over een kampeermiddel. Ook uit de emailwisseling na het bezoek van 23 februari 2016 kan geen concrete toezegging namens verweerder over het zonder vergunning toestaan van plaatsing van de thans opgerichte yurt worden afgeleid. Gelet op het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake van een vergelijkbare situatie als in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1946. Het beroep van verzoekers op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

8. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Fortuin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak – voor zover daarbij op het beroep is beslist – kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.