Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:3310

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
22-05-2018
Zaaknummer
C/15/242780 / FA RK 16-2711
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn Nederlanders. De vrouw stelt dat partijen op [geboortdatum] in [plaats], Jordanië, zijn gehuwd en verzoekt o.a. echtscheiding. De man heeft het bestaan van het huwelijk bestreden. De rechtbank wijst de verzoeken van de vrouw af en verklaart voor recht dat partijen nimmer gehuwd zijn geweest. De vrouw wordt veroordeeld in de kosten van de procedure en de kosten van deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: C/15/242780 / FA RK 16-2711 en C/15/252585 / FA RK 16-7499

Beschikking d.d. 18 april 2018

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. S.D. Bhagwandin, gevestigd te Hoorn Nh,

tegen

[de man] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. E.F.E. Hoekstra, gevestigd te Heerhugowaard,

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 2 mei 2016;

- het bericht van 24 mei 2016 van mr. E.F.E. Hoekstra, betreffende het verzoek tot afgifte van de originele huwelijksakte;

- de reactie van mr. S.D. Bhagwandin, d.d. 26 mei 2016, op voormeld verzoek;

- het bericht van 15 juni 2016 van mr. S.D. Bhagwandin, met productie 5 en 6;

- het bericht van 20 juni 2016 van mr. S.D. Bhagwandin, met productie 7 en 8;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 20 juli 2016;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de zijde van de vrouw, ingekomen op 19 augustus 2016, met als bijlage productie 9;

- het bericht van 12 oktober 2016 van mr. S.D. Bhagwandin, met productie 10 en 11;

- het verzoek bevel deskundigenbericht ex artikel 194 Rv jo 203 Rv, van de zijde van de man, ingekomen op 16 november 2016;

- het bericht van 1 december 2016 van mr. E.F.E. Hoekstra, met productie 8;

- de reactie op het verzoek deskundigenonderzoek van de zijde van de vrouw, ingekomen op 9 december 2016;

- het bericht van 12 december 2016 van mr. E.F.E. Hoekstra, met productie 9 en 10;

- het proces-verbaal van de op 14 december 2016 gehouden zitting;

- de akte depot van 16 december 2016;

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 11 januari 2017;

- de akte uitlating bevel deskundigenonderzoek van de zijde van de vrouw, ingekomen op 24 januari 2017;

- de akte uitlating bevel deskundigenonderzoek van de zijde van de man, ingekomen op 25 januari 2017;

- de beschikking van deze rechtbank van 1 maart 2017 betreffende bevel deskundigenbericht ex. artikel 194 Rv;

- het deskundigenrapport, ingekomen op 12 juni 2017;

- het bericht van 12 juli 2017 van mr. S.D. Bhagwandin, houdende een reactie op het deskundigenbericht;

- het bericht van 20 juli 2917 van mr. E.F.E. Hoekstra, houdende een reactie op het deskundigenbericht;

- het verzoek tot bevel deskundigenbericht van de zijde van de man, ingekomen op 18 oktober 2017;

- het proces-verbaal van de op 27 oktober 2017 gehouden zitting;

- het bericht van 14 november 2017 van mr. S.D. Bhagwandin, met productie 12;

- het bericht van 15 november 2017 van mr. S.D. Bhagwandin, met als bijlage de beëdigde vertalingen van productie 12;

- het bericht van 28 november 2017 van mr. E.F.E. Hoekstra, met als bijlage een brief met onderliggende stukken;

- het bericht van 19 december 2017 van mr. E.F.E. Hoekstra, met als bijlage een brief houdende een reactie op de door de vrouw overgelegde stukken, alsmede met producties 10, 11 en 12;

- het bericht van 19 december 2017 van mr. S.D. Bhagwandin, met als bijlage een brief met onderliggende stukken;

- het bericht van 7 februari 2018 van mr. S.D. Bhagwandin, met als bijlage een brief houdende een reactie op de door de wederpartij overgelegde stukken;

- het bericht van 12 februari 2018 van mr. S.D. Bhagwandin, met productie 13;

- het bericht van 12 februari 2018 van mr. E.F.E. Hoekstra, met productie 13;

- het aanvullend verzoek van de man, ingekomen op 22 februari 2018.

1.2.

De mondelinge behandeling is voortgezet op de zitting van 22 februari 2018. Ter zitting zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.3.

Na de mondelinge behandeling hebben partijen zich in opdracht van de rechtbank nog uitgelaten over het toepasselijk recht. De vrouw bij bericht van 15 maart 2018 en de man bij bericht van 19 maart 2018. Bij bericht van 27 maart 2018 heeft de man zich nog uitgelaten over de proceskosten. De vrouw heeft daarop gereageerd bij bericht van 3 april 2018.

2 De beoordeling

2.1.

De vrouw stelt dat partijen met elkaar zijn gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] , Jordanië. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Als nevenverzoek heeft de vrouw de rechtbank verzocht om een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud vast te stellen van € 500,00 per maand.

2.3.

De man heeft het bestaan van het door de vrouw gestelde huwelijk tussen partijen bestreden en hij heeft de rechtbank primair verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot echtscheiding. Subsidiair verzoek de man tussen partijen echtscheiding uit te spreken. Hij heeft verweer gevoerd tegen het nevenverzoek van de vrouw.

Bij wijze van zelfstandig verzoek heeft de man de rechtbank verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vrouw tot de kosten van het geding wordt veroordeeld.

Bij aanvullend verzoek van 22 februari 2018 heeft de man verzocht een verklaring voor recht af te geven, inhoudende dat partijen nimmer gehuwd zijn geweest.

2.4.

Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

2.5.

Alvorens toegekomen kan worden aan de beoordeling van het verzoek van de vrouw tot het uitspreken van de echtscheiding dient eerst een voorvraag te worden beantwoord, te weten de vraag of tussen de vrouw en de man een huwelijk tot stand is gekomen dat rechtsgeldig is gesloten volgens het recht van Jordanië en dat in Nederland moet worden erkend. Het verweer en de (voorwaardelijke) verzoeken van de man hebben hierop betrekking. Eerst na beantwoording van deze vraag kan eventueel worden toegekomen aan het nevenverzoek van de vrouw, aan het daartegen gevoerde verweer van de man en aan diens zelfstandige verzoeken.

2.6.

Artikel 10:31 lid 1 BW bepaalt dat een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, als zodanig erkend wordt. Voorts bepaalt het vierde lid van dit artikel dat een huwelijk vermoed wordt rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.

2.7.

Ter onderbouwing van haar stelling dat er tussen haar en de man op [huwelijksdatum] te [plaats] , Jordanië, een huwelijk tot stand is gekomen, heeft de vrouw in deze procedure de volgende stukken overgelegd:

-een originele in de Arabische taal opgestelde huwelijksverklaring, alsmede een vertaling van deze verklaring. Als dag van sluiting van het huwelijk staat in de verklaring [huwelijksdatum] genoteerd, als plaats van sluiting van het huwelijk is genoteerd [plaats] . De huwelijksverklaring is opgesteld ten overstaan van een “ [Court] Court in [plaats] ”. Op de verklaring staat de naam van de man met daaronder een handtekening;

-een kopie van een in de Arabische taal opgesteld “Bewijs vrij van beletselen voor een gescheiden man", alsmede een vertaling van dit document, opgesteld op [datum] , door de Hoogste rechter van de [Court] rechtbank te [plaats] ;

-een kopie van een in de Arabische taal opgesteld “Document thalassemieonderzoek voor het huwelijk”, opgesteld door het Ministerie van Gezondheid te [plaats] . Van dit document zijn twee vertalingen overgelegd. Uit de eerste vertaling blijkt dat het document is opgesteld op [datum] . Uit de tweede vertaling blijkt dat het document is opgesteld op [datum] ;

- een kopie van een in de Arabische taal opgesteld bewijs van inschrijving in de persoonsregisters alsmede een vertaling van dit document;

- een kopie van een in de Arabische taal opgesteld “Bewijs bevestiging Islam”, opgesteld uit naam van de man, alsmede een vertaling van dit document.

2.8.

De vrouw heeft als productie 9 overgelegd een niet gedateerde rapportage van het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI) te ’s-Gravenhage waarin de gang van zaken rondom een in Jordanië te sluiten huwelijk wordt beschreven.

De man heeft ter uitleg van de gang van zaken rondom de sluiting van een Islamitisch huwelijk in Jordanië als productie 8 overgelegd een rapportage d.d. 25 november 2016 van Femmes for Freedom.

Partijen hebben over en weer de bevindingen van het IJI en Femmes for Freedom niet, althans onvoldoende betwist.

2.9.

Omdat uit de door de vrouw overgelegde huwelijksverklaring volgt dat de verklaring is opgesteld door een man en een vrouw die de islam aanhangen, gaat de rechtbank er, evenals het IJI, vanuit dat het islamitische personen- en familierecht van Jordanië op de huwelijkssluiting van toepassing is. Regelgeving met betrekking tot het huwelijk is gebaseerd op de islamitische sharia. Van het huwelijk wordt in Jordanië op last van de islamitische rechtbank een huwelijksakte opgemaakt.

2.10.

Aan de hand van de rapportage van Femmes for Freedom gaat de rechtbank er van uit dat voor het sluiten van een huwelijk in Jordanië een verblijfsvergunning voor Jordanië noodzakelijk is. Partijen hebben ter zitting verklaard dat zij nimmer een Jordaanse verblijfsvergunning hebben gehad.

2.11.

Aan de hand van informatie op de door de Nederlandse overheid opgestelde website www.nederlandwereldwijd.nl, gaat de rechtbank er vanuit dat een Nederlander die in Jordanië wil trouwen te Jordanië een afschrift van een echtscheidingsakte moet overleggen als er sprake is van eerder gehuwd zijn.

2.12.

Aan de hand van de kennisbank Personen en Familierecht – Landeninformatie – Jordanië, gaat de rechtbank er van uit:

- dat een in Jordanië tot stand gekomen huwelijk moet worden ingeschreven in het register van huwelijken in het district waar de huwelijksovereenkomst is gesloten (artikel 14 Wet op het Personeel statuut);

- dat een vrouw, ongeacht haar leeftijd, voor haar eerste huwelijk altijd toestemming nodig heeft van haar huwelijksvoogd, dit is de naaste bloedverwant van vaderszijde: vader, grootvader, broer, oom, en verder (artikel 9 Wet op het Personeel statuut).

2.13.

De man heeft aangetoond dat hij tot [datum] gehuwd is geweest met [naam] . De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in het daartoe bestemde register van de gemeente [plaats] . In het door de vrouw overgelegde “Bewijs vrij van beletselen voor een gescheiden man" staat genoteerd dat de man heeft verklaard dat hij gescheiden is van de persoon genaamd [naam] overeenkomstig de scheidingsbevestiging van een definitieve echtscheiding uitgegeven te Nederland door de gemeente [plaats] in 2003.

De rechtbank stelt vast dat er geen scheidingsbevestiging van een definitieve echtscheiding uitgegeven te Nederland door de gemeente [plaats] in 2003, aanwezig is.

2.14.

De vrouw heeft ter zitting verklaard dat het door haar gestelde huwelijk haar eerste huwelijk is geweest. De vrouw heeft bevestigd dat er geen toestemming voor het door haar gestelde huwelijk is gegeven door een huwelijksvoogd. De rechtbank stelt vast dat uit productie 11 en 12 van de vrouw blijkt dat de vrouw een broer heeft.

2.15.

De vrouw heeft niet aangetoond dat het huwelijk is ingeschreven in het register van huwelijken in het district waar de huwelijksovereenkomst is gesloten.

2.16.

Nu voor de rechtbank in ieder geval vaststaat dat de vrouw voor het door haar gestelde huwelijk geen toestemming heeft gekregen van een huwelijksvoogd, voldoet het huwelijk reeds om die reden niet aan een vormvereiste van het islamitische personen- en familierecht van Jordanië. Daarnaast heeft de vrouw niet aangetoond dat het huwelijk is ingeschreven in het register van huwelijken in het district waar de huwelijksovereenkomst is gesloten. Ten slotte is de huwelijksverklaring afgegeven op basis van een feitelijk onjuist “Bewijs vrij van beletselen voor een gescheiden man".

2.17.

Daarnaast acht de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden, welke als niet dan wel onvoldoende bestreden zijn komen vast te staan, van belang.

2.18.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zij hebben samengewoond. Tussen partijen is op [datum] ten overstaan van een notaris een samenlevingsovereenkomst gesloten. De samenlevingsovereenkomst is in 2011 ontbonden. In 2013 is de relatie tussen partijen definitief beëindigd. Bij dagvaarding van 6 augustus 2015 is de vrouw een procedure gestart om tot een afwikkeling van de samenlevingsovereenkomst te komen. De man heeft in die procedure verweer gevoerd. Bij gelegenheid van een comparitie van partijen op 26 januari 2016 heeft de vrouw verklaard “we hebben acht jaar een relatie gehad en we hebben verre reizen gemaakt (..).”. Tijdens de comparitie heeft de vrouw plots het standpunt ingenomen dat zij en de man gehuwd waren. Ondanks deze kennelijk bij de vrouw aanwezige wetenschap van het bestaan van het huwelijk is zij vooreerst geen echtscheidingsprocedure gestart.

2.19.

De vrouw en de man zijn vanwege het vermoeden van het plegen van bijstandsfraude op 13 april 2010 verhoord door medewerkers van de Sociale Recherche Noord-Holland Noord. De datum van verhoor is gelegen na de door de vrouw gestelde datum van het te [plaats] gesloten huwelijk.

2.20.

Uit het proces-verbaal van het 1e verhoor op 13 april 2010 van de vrouw blijkt dat zij onder meer heeft verklaard:

“Ik begrijp het niet. Ik pleeg geen fraude. Ik heb bij de sociale dienst doorgegeven dat ik 1 juli a.s. ga trouwen. En dat ik bij hem logeer omdat ik niet in mijn eigen huis kan verblijven”

(..)

“Nee dat klopt niet. Ik heb een relatie met [de man] , maar ik was niet zeker of deze relatie zou doorgaan of niet. Tot 5 maanden geleden had ik het plan om terug te gaan naar mijn eigen huis. Mijn plan was om in juli te gaan trouwen. Dat was een verrassing voor [de man] .

(..)

En ik ga weg bij [de man] .

(..)

Nadat verdachte [de vrouw] haar verklaring had gelezen, volhardde zij daarbij en ondertekende deze.”

2.21.

Uit het proces-verbaal van het 1e verhoor op 13 april 2010 van de man blijkt dat hij onder meer heeft verklaard:

“Het is al een tijdje dat ik haar ken een jaar of drie vier.

(..)

Zij heeft wel eens gezegd dat ze wil trouwen maar er is nog helemaal niets geregeld. Geen ondertrouw geen datum niets.

(..)

[de vrouw] heeft gezegd dat ze over een paar maanden wil trouwen?

Ja daar hebben we het over gehad maar ik ben al een keer gescheiden en heb daar nog steeds de lasten van.

(..)

We hebben weinig vrienden. (..) Ze weten dat we niet getrouwd zijn.

(..)

Nadat verdachte [de man] zijn verklaring had gelezen, volhardde hij daarbij en ondertekende deze.

2.22.

De huwelijksverklaring is door de vrouw niet ter inschrijving aangeboden aan de gemeente [plaats] . De vrouw heeft de huwelijksverklaring van [datum] pas medio maart 2016 ter verwerking aangeboden aan de gemeente [plaats] . De gemeente heeft de huwelijksverklaring vervolgens ter onderzoek aangeboden aan het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Bij brief van 24 maart 2016 heeft de IND de huwelijksverklaring retour gezonden aan de gemeente met de volgende bevinding:

Het document is technisch onderzocht en positief beoordeeld. Over de autorisaties en invulling (opmaak en afgifte) is op dit moment onvoldoende of geen betrouwbaar vergelijkingsmateriaal bij het bureau Documenten beschikbaar. Daarom wordt geen uitspraak over de op het document aanwezige autorisaties gedaan.

Bij beslissing van 1 april 2016 heeft de gemeente een besluit genomen inhoudende dat de huwelijksverklaring van [datum] door de gemeente is verwerkt op [datum] . De man heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. De bezwaarschriftprocedure is aangehouden in afwachting van de uitkomst van onderhavige procedure.

2.23.

Uit productie 10 van de man blijkt dat de vrouw op 17 juni 2016 aan de ambassade van Jordanië een e-mail heeft gestuurd met de volgende vraag: ik wil graag informatie over een plan om te trouwen in [plaats] en ik wil graag weten welke documenten u nodig heeft om te trouwen in [plaats] . Wij zijn Nederland’s paspoort houders.

2.24.

De man spreekt en leest geen Arabisch, zodat, als hij wél bij het afleggen van de door de vrouw overgelegde verklaringen aanwezig is geweest, hij niet heeft kunnen verstaan en kunnen begrijpen wat er ten overstaan van de sharia rechtbank werd verklaard. Indien de man wél bij de procedurele handelingen te [plaats] aanwezig is geweest, is niet gebleken dat de man bijstand had van een tolk en/of dat de man kon beschikken over vertalingen van de aan hem voorgelegde documenten.

2.25.

Op de huwelijksverklaring van [datum] staat onder de handgeschreven naam van de man een handtekening die overeenkomt met de handtekening van de man. Ook op andere door de vrouw overgelegde in Jordanië opgemaakte documenten staat de handgeschreven naam van de man met een handtekening die overeenkomt met de handtekening van de man. De man heeft betwist dat zijn naam en de handtekening door hem op de huwelijksverklaringen en de andere documenten zijn geplaats. Hij stelt dat zijn naam en handtekening zijn vervalst.

2.26.

De hierboven onder punt 2.22. weergegeven bevinding van Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst geeft geen antwoord op de vraag of de naam en de handtekening op de huwelijksverklaring van [datum] al dan niet door de man is geplaatst.

2.27.

De door de rechtbank benoemde deskundige [deskundige] , gerechtelijk deskundige voor handschriftonderzoek, ingeschreven bij het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen, heeft op 9 juni 2017 een rapport uitgebracht over het door hem uitgevoerde forensisch schriftonderzoek. De deskundige komt samengevat tot de conclusie dat:

De resultaten van het vergelijkend schriftonderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer de hypothese H1 (de betwiste handtekening en de naam op de huwelijksakte zijn door [de man] op dit document geplaatst) waar is, dan wanneer de contrahypothese H2 (de betwiste schrijfproducties zijn het product van nabootsing) waar is.

2.28.

De man heeft de conclusie van deskundige [deskundige] in twijfel getrokken. De man heeft op persoonlijke titel op 27 juni 2017 forensisch deskundige [forensisch deskundige] benaderd, eveneens een forensisch deskundige, met het verzoek om de conclusie van deskundige [deskundige] en de gronden waarop de conclusie berust, tegen het licht te houden. Deskundige [forensisch deskundige] heeft de advocaat van de man op 14 juli 2017 als volgt bericht:

Zoals aangegeven kan een volledige contra-expertise enkel worden verricht indien de aan [deskundige] ter beschikking gestelde originele documentatie tevens aan ons kantoor ter beschikking wordt gesteld.

Op grond van een bestudering van het rapport van [deskundige] kan ik u (beknopt) als volgt informeren:

De heer [deskundige] stelt dat de vergelijkingshandtekeningen van [de man] een homogeen en consistent geheel vormen. Onze visie daarentegen is dat de vergelijkingshandtekeningen van [de man] wel degelijk variatie en spreiding vertonen. Dit gegeven is naar onze mening onvoldoende betrokken bij de beschrijving van de onderzoeksbevindingen en de formulering van de conclusie in relatie tot de betwiste handtekening.

Voorts is de grafische complexiteit van het naamschrift uiterst beperkt en is de omvang van het aangeleverde vergelijkingshandschrift marginaal. Derhalve kleven er beperkingen aan de onderzoeksmogelijkheden en is voorzichtigheid geboden bij het genereren van de conclusie. De waarschijnlijkheidsgraad die door de heer [deskundige] toegekend wordt aan het naamschrift wordt, op basis van de reproducties die ons ter beschikking zijn gesteld, niet volkomen gedeeld. De gekozen term “veel waarschijnlijker” is naar onze mening te zwaar.

2.29.

Gelet op de bevindingen van deskundige [forensisch deskundige] is de rechtbank van oordeel dat het door deskundige [deskundige] uitgevoerde schriftonderzoek niet voldoende is om de echtheid van de handtekening van de man op de huwelijksverklaring vast te stellen.

2.30.

Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat indien de naam en de handtekening op de huwelijksverklaring wél door de man zijn geplaatst, dit niets af doet aan de constatering van de rechtbank onder punt 2.16 dat het huwelijk reeds vanwege het ontbreken van de toestemming van de huwelijksvoogd van de vrouw niet aan een vormvereiste van het islamitische personen- en familierecht van Jordanië voldoet.

2.31.

Al het voorgaande in aanmerking nemend komt de rechtbank tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat tussen de man en de vrouw op [datum] te [plaats] , Jordanië, een rechtsgeldig huwelijk naar het islamitische personen- en familierecht van Jordanië tot stand is gekomen. De rechtbank zal dat huwelijk derhalve niet erkennen.

2.32.

Dit heeft tot gevolg dat het verweer van de man slaagt en dat alle verzoeken van de vrouw moeten worden afgewezen. De man heeft geen belang meer bij zijn verzoek van 17 oktober 2017 om een bevel deskundigenonderzoek, bij de rechtbank geadministreerd onder nummer C/15/252585 / FA RK 16-7499, zodat de rechtbank dit verzoek zal afwijzen.

Verklaring voor recht

2.33.

Met betrekking tot het verzoek van de man om een verklaring voor recht, inhoudende dat partijen nimmer gehuwd zijn geweest, overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen dit verzoek, anders dan dat zij heeft verwezen naar de reeds eerder door haar in deze procedure ingenomen standpunten. De rechtbank is van oordeel dat de man belang heeft bij de door hem verzochte verklaring voor recht. Dit verzoek van de man wordt derhalve toegewezen.

Proceskosten

2.34.

De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

Bij brief van 27 maart 2018 heeft de man onder overlegging van specificaties de proceskosten aan zijn kant als volgt begroot:

-kosten advocaat inzake de echtscheiding van € 2.491,64;

-kosten opvragen bewijsstukken ad € 192,39;

-kosten van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau ad € 1.442,93

Totaal € 4.126,96

2.35.

De vrouw heeft aangevoerd dat de rechtbank buiten het debat van partijen is getreden door de man te verzoeken zijn proceskosten te onderbouwen. De rechtbank wijst er op dat zij op grond van artikel 22 Rv de vrijheid heeft om partijen op te dragen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. Nu de proceskosten onderdeel uitmaken van het debat van partijen is de rechtbank daar niet buiten getreden door de man te verzoeken zijn proceskosten te onderbouwen. De rechtbank heeft de vrouw niet verzocht om haar proceskosten te begroten omdat de vrouw niet heeft verzocht om veroordeling van de man in de proceskosten.

2.36.

De vrouw stelt voorts dat zij geen proceskosten behoeft te betalen aan de man omdat er wel degelijk een huwelijk is gesloten. Uit al het voorafgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat er geen huwelijk is gesloten.

2.37.

De vrouw stelt verder dat de door de man overgelegde declaraties van zijn advocaat niet kloppen, onder meer omdat deze betrekking hebben op de periode van voor indiening verzoek echtscheiding door de man. Verder had de man volgens de vrouw kunnen procederen op basis van gefinancierde rechtsbijstand, nu hij dit niet heeft gedaan worden te hoge kosten afgewenteld op de vrouw.

2.38.

Indien de man al in aanmerking zou kunnen komen voor gefinancierde rechtsbijstand, hetgeen de rechtbank niet is gebleken, dan is het de vrije keuze van de man om al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand. Het risico om al dan niet te procederen op basis van gefinancierde rechtsbijstand ligt bij de man.

2.39.

De rechtbank stelt vast dat de door de man overgelegde declaratie van zijn advocaat van 4 mei 2016 betrekking heeft op de periode tot 30 april 2016. Onderhavige procedure is aangevangen in mei 2016. Het is de rechtbank niet gebleken dat de declaratie van 4 mei 2016 betrekking heeft op onderhavige procedure, zodat de rechtbank die declaratie buiten beschouwing laat. Daarmee kunnen de kosten advocaat inzake de echtscheiding worden gesteld op € 1.414,71.

2.40.

In haar beschikking van 1 maart 2017 heeft de rechtbank onder punt 2.4. ter zake de kosten van deskundige [deskundige] , begroot op € 2.420,00, overwogen dat de uiteindelijke kosten van het onderzoek door de in het ongelijk gestelde partij dienen te worden voldaan. De man heeft de kosten van de deskundige bij wijze van voorschot voldaan. De rechtbank zal de vrouw als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen tot betaling van het bedrag van € 2.420,00 aan de man.

2.41.

Wat betreft de overige kosten overweegt de rechtbank als volgt. In familiezaken wordt in het algemeen besloten tot compensatie van de proceskosten, hetgeen inhoudt dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen. Er kunnen zich echter gevallen voordoen waarbij het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om de proceskosten te compenseren. Wil sprake zijn van een dergelijke situatie, dan dient sprake te zijn van het nodeloos in rechte betrekken van de wederpartij. De rechtbank is van oordeel dat daarvan met betrekking tot de verzoeken van de vrouw sprake is. De rechtbank zal dan ook, overeenkomstig het verzoek van de man, de vrouw veroordelen in de proceskosten van de man, door de rechtbank vastgesteld op:

-kosten advocaat inzake de echtscheiding van € 1.414,71;

-kosten opvragen bewijsstukken ad € 192,39;

-kosten van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau ad € 1.442,93

Totaal: € 3.050,03

3 De beslissing

De rechtbank:

in zaak C/15/242780 / FA RK 16-2711

3.1.

wijst af de verzoeken van de vrouw;

3.2.

verklaart voor recht dat partijen nimmer gehuwd zijn geweest;

3.3.

veroordeelt de vrouw in de kosten van deze procedure aan de zijde van de man begroot op € 2.420,00 aan kosten deskundige en op € 3.050,03 op overige kosten zoals hierboven vastgesteld onder punt 2.41;

3.4.

verklaart de beslissingen onder 3.2 en 3.3. uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst het meer of anders verzochte af;

in zaak C/15/252585 / FA RK 16-7499

3.6.

wijst af het verzoek van de man om een bevel deskundigenonderzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier D.J. Witsen op 18 april 2018.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..