Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:3181

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
15/870140-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling medeplegen voorbereidingshandelingen vervaardigen heroïne (organisatie transporten azijnzuuranhydride) en overtreding Wet voorkoming misbruik chemicaliën en hennepteelt en gewoontewitwassen. Strafoplegging 42 maanden gevangenisstraf met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/870140-17 (P)

Uitspraakdatum: 17 april 2018

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 april 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. T.M. Fikkers en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. M-J. Bouwman, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 30 december 2016 te Purmerend, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [pand 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1604, althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 2:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met 30 december 2016 te Purmerend, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (in een pand aan de [pand 1] ) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid of hoeveelheden elektriciteit, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan Liander, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

Feit 3:

hij op of omstreeks 18 april 2017 te Purmerend, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met en ander of anderen althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan (de) [pand 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 890, althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 4:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 maart 2017 tot en met 18 april 2017 te Purmerend, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (in een pand aan (de) [pand 2] ) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid of hoeveelheden elektriciteit, in elk geval enig goed,(telkens) geheel of ten dele toebehorende aan Liander, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

Feit 5:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 18 april 2017, te Zaandam, gemeente Zaanstad, en/of te Purmerend en/of te Heerhugowaard en/of te Noord-Beemster, gemeente Beemster, althans in Nederland en/of te Antwerpen, althans in België, en/of in Hamburg, althans in Duitsland en/of in Iran en/of in Afghanistan,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens):

om (een) of meer feit(en), bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk

- bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren

en/of

- vervaardigen en/of

- binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans een hoeveelheid van enig middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- ( een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft verschaft en/of getracht te verschaffen en/of

- ( een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)

(immers) hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s), een of meermalen, daartoe (telkens)

- een of meer (vracht)container(s) (onder andere met het/de nummer(s): CBXU 1897220 en/of BCHU 6709660 en/of INKU 6093511) gekocht en/of gehuurd en/of besteld en/of voorhanden gehad, en/of;

- ( die) (vracht)container(s) gevuld en/of doen en/of laten vullen met (een) (dek)lading(en) (schroot en/of (auto)onderdelen en/of (motor)olie) en/of (een of meer) (grote) hoeveelhe(i)d(en) (te weten: (ongeveer) 1900 liter en/of 750 liter en/of 1000 liter) azijnzuuranhydride en/of (1940 liter) zoutzuur, en/of

- ( die) (een of meer) (grote) hoeveelhe(i)d(en) azijnzuuranhydride en/of zoutzuur besteld, vervoerd, opgeslagen, verpakt, bereid, verwerkt, afgeleverd, verstrekt, gekocht, verkocht, gefinancierd, ter beschikking gesteld en/of voorhanden gehad en/of doen/laten bestellen, vervoeren, opslaan, verpakken, bereiden, bewerken, verwerken, afleveren, verstrekken, kopen, verkopen, financieren, ter beschikking stellen en/of voorhanden hebben en/of

- ( voornoemde) container(s) (met daarin (een) hoeveelhe(i)d(en) azijnzuuranhydride en/of zoutzuur) (door [transporteur 1] en/of [transporteur 2] en/of een andere transporteur) van en/of naar Hamburg, Duitsland, en/of naar Heerhugowaard en/of Noord-Beemster, Nederland en/of Antwerpen, België, en/of Bandar Abbas, Iran en/of Afghanistan (proberen te) laten vervoeren, en/of;

- ( daartoe) (medewerkers van) [transporteur 1] en/of [transporteur 2] veelvuldig, althans een of meermalen, (per e-mail of telefoon) (een) transportopdracht(en) gegeven en/of documenten die op dat/die transport(en) zagen toegestuurd (zoals: (een) foto(’s) van container(s), CGC(’s) en/of VGM-formulier(en) en/of paklijst(en) en/of uitvoerdocument(en) en/of weegbon(nen) en/of laaddocument(en)), en/of met die medewerker(s) en/of bedrij(f)(ven) overleg gevoerd en/of gesproken over (de) tarieven (van vervoer en/of uitvoer en/of laden) en/of over de (data van) (een) (boot)reservering(en)/boeking(en)/transport(en) en/of (de uitvoer-/vervoersopdracht(en), en/of;

- een of meer (plastic) fles(sen) en/of jerrycan(s) besteld en/of opgehaald en/of afgeleverd in Hamburg en/of gevuld en/of doen en/of laten vullen met azijnzuuranhydride en/of zoutzuur en/of motorolie, en/of die fles(sen)/jerrycan(s) bestempeld en/of beplakt en/of doen beplakken met (stickers bevattende) (valse) productinformatie (over (motor)olie), en/of die fles(sen)/jerrycan(s) verpakt in dozen bestempeld en/of beplakt met (stickers bevattende) (valse) productinformatie (over (motor)olie), en/of;

- ten aanzien van voornoemde container(s) (een) (vals(e) en/of onvolledig(e)) laaddocument(en) en/of paklijst(en) (“Paklist & Invoice”) opgemaakt en/of verstuurd en/of voorhanden gehad, en/of;

- ( telefonisch) overleg gevoerd met (een) medeverdachte(n)/zakenpartner(s) in Hamburg, Duitsland, en/of Iran en/of Afghanistan;

EN/OF

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 18 april 2017, te Zaandam, gemeente Zaanstad, en/of te Purmerend en/of te Heerhugowaard en/of te Noord-Beemster, gemeente Beemster, althans in Nederland en/of te Antwerpen, althans in België, en/of in Hamburg, althans in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens): als (in de Unie gevestigde) marktdeelnemer(s) opzettelijk de bevoegde instanties niet onverwijld in kennis heeft gesteld van een of meer voorval(len) met betrekking tot geregistreerde stoffen, als omschreven in bijlage(s) van de Verordeningen nrs. 273/2004 en/of 111/2005 van het

Europees Parlement en de Raad,

(te weten: (de invoer en/of uitvoer en/of verkoop en/of overdracht en/of een of meer (grote) hoeveelhe(i)d(en) azijnzuuranhydride), dat/die er op kan en/of kunnen en/of kon(den) wijzen dat deze in de handel te brengen en/of voor in- en/of uitvoer en/of intermediaire

activiteiten bestemde stof(fen) wellicht (zou(den) en/of zal en/of zullen) worden misbruikt om verdovende middelen en/of psychotrope stoffen (te weten: heroïne) op illegale wijze te vervaardigen),

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk een of meer (grote) hoeveelhe(i)d(en) azijnzuuranhydride, en/of andere stoffen, althans een of meer van de geregistreerde stoffen uit de hiervoor genoemde bijlage(s),verkocht en/of vervoerd en/of opgeslagen en/of voorhanden gehad;

Feit 6:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 18 april 2017, te Zaandam, gemeente Zaanstad, en/of te Purmerend en/of te Heerhugowaard, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een- of meerma(a)l(en) (telkens), een voorwerp, te weten een of meer (contant(e)) (hoge) geldbedrag(en) (opgeteld met een (minimale) hoogte van ongeveer EUR 40.615,52) (aan onder andere (contante) huursommen (van bedrijfspanden) en/of transportkosten en/of aankoop/-huurbedragen van containers en/of voertuigen en/of werktuigen), althans enig geldbedrag, heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt, en/of van dat/die (contante) geldbedrag(en), althans van enig geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, en/of heeft/hebben verborgen/verhuld wie de rechthebbende op dit/die geldbedrag(en) was en/of wie dit/die geldbedrag(en) voorhanden had, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had/hadden moet(en) vermoeden dat/die bovenomschreven voorwerp en/of geldbedrag(en - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en hij aldus van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie een

bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten gevorderd. Zakelijk weergegeven heeft de officier van justitie daartoe aangevoerd dat verdachte tezamen met anderen een hennepkwekerij in de [pand 1] te Purmerend en in de [pand 2] te Purmerend aanwezig heeft gehad en ten behoeve daarvan elektriciteit heeft gestolen (feiten 1 t/m 4). Verdachte heeft daarnaast een leidende rol gespeeld bij het vullen en het vervoeren van zeecontainers met daarin, behalve auto-onderdelen en motorolie, azijnzuuranhydride en/of zoutzuur zijnde verboden stoffen in de zin van de Opiumwet (feit 5). Nu verdachte wist wat er in de containers zat en deze stoffen niet bij de overheid heeft gemeld, heeft verdachte tevens de Wet voorkoming misbruik chemicaliën overtreden. Tot slot heeft verdachte na zijn faillissement minst genomen een bedrag van ruim € 40.000,- witgewassen. Verdachte heeft het gerezen witwasvermoeden niet met een concrete, min of meer verifieerbare en een niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring weersproken.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op gronden als vermeld in de pleitnota betoogd dat verdachte ter zake

van alle ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Zakelijk weergegeven heeft de raadsman daartoe aangevoerd dat verdachte geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van een hennepkwekerij dan wel diefstal van elektriciteit in een pand aan de [pand 1] te Purmerend (feiten 1 en 2) en evenmin aan de [pand 2] te Purmerend (feiten 3 en 4). Hij heeft deze panden respectievelijk aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] onderverhuurd.
Wat betreft feit 5 heeft verdachte verklaard uitsluitend het feitelijke transport van de zeecontainers te hebben verzorgd, met daarin auto-onderdelen en motorolie, waarbij hij geen weet heeft gehad van de aanwezigheid in die containers van azijnzuuranhydride en/of zoutzuur. De Wet voorkoming misbruik chemicaliën is niet op verdachte van toepassing, aangezien hij geen marktdeelnemer is in de zin van die wet. Verdachte stelt tot slot zich niet schuldig te hebben gemaakt aan witwassen van enig geldbedrag (feit 6), nu hij een concrete, min of meer verifieerbare en een niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geld. Bovendien kan niet worden vastgesteld dat het geld van enig misdrijf afkomstig is.

3.3.

Vrijspraak van de feiten 3 en 4
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten onder 3 en 4 heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

Op diverse momenten in maart 2017 worden er geen bedrijfsactiviteiten in of bij het pand aan de [pand 2] te Purmerend waargenomen. Op 16 maart 2017 en op 12 april 2017 geeft het pand bij een warmtemeting een afwijkend warmtebeeld aan in vergelijking met de omliggende panden. Op 18 april 2017 wordt er in het pand in twee kamers op de eerste verdieping een professionele inwerking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

[verbalisant 1] ziet op camerabeelden van 11 april 2017 die zijn opgenomen van het pand aan de [pand 2] te Purmerend, dat daar een vrachtauto parkeert waarna de bijrijder uitstapt en naar de voordeur van het pand loopt. Vervolgens ziet de verbalisant dat de deur van binnenuit voor de persoon wordt opengedaan en dat hij naar binnen gaat. De verbalisant ziet dezelfde persoon op de camerabeelden van 12 april 2017, waarbij hij tezamen met twee andere mannen het pand uitloopt. [verbalisant 2] en getuige [getuige 1] herkennen deze persoon als zijnde [betrokkene 2] .

Verdachte heeft verklaard dat hij het pand (namens zijn zoon) aan de [pand 2] te Purmerend aan [betrokkene 2] heeft onderverhuurd. Die verklaring vindt steun in voornoemde bewijsmiddelen. [betrokkene 2] is als getuige in de strafzaak tegen verdachte gehoord, doch hij heeft geen antwoord willen geven op alle gestelde vragen en zich op zijn verschoningsrecht

beroepen. Het (alternatieve) scenario zoals gesteld door verdachte, namelijk dat hij geen weet heeft gehad van de hennepkwekerij en van de diefstal van de elektriciteit, valt dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet in voldoende mate uit te sluiten.
Verdachte heeft wellicht, gelet op de inhoud van het dossier, de schijn tegen maar dat is onvoldoende voor de slotsom van wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van deze feiten.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 5 en 6 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 2

In het pand aan de [pand 1] te Purmerend is op 30 december 2016 een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Verdeeld over twee ruimtes stonden 1604 hennepplanten in potten met een lengte van 40 cm. Er zijn omstandigheden aangetroffen die duiden op één of meerdere oogsten.3 De huidige teelt was tenminste negen weken oud.4 Aan de zijkant van het pand stond op het afgesloten terrein een zeecontainer met daarin onder meer 107 vuilniszakken met potgrond en in totaal 2.482,4 stekblokjes.5 Dit betekent dat er (omgerekend naar de aangetroffen hoeveelheid planten) 1,55 eerdere oogsten zijn geweest.6

De fraudespecialist van Liander heeft geconstateerd dat de stroom ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. De zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken en er was buiten de elektriciteitsmeter om een illegale aansluiting gemaakt waardoor de voor de kwekerij afgenomen elektriciteit niet werd geregistreerd.7

In de nacht van 30 december 2016 worden [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] in een Volkswagen Polo, op naam gesteld van een persoon uit Zaandam, genaamd [naam verdachte] , aangehouden.8 [betrokkene 5] is in het bezit van sleutels die passen op de deur van het pand gelegen aan de [pand 1] te Purmerend.9

[betrokkene 5] heeft verklaard dat hij door de eigenaar van het pand, genaamd [bijnaam 1 verdachte] , op 30 december 2016 rond 20.00 uur met de auto naar het pand is gebracht om het pand te bewaken. Hij zou dat samen met twee andere jongens doen. Ze zouden € 50,- van [bijnaam 1 verdachte] krijgen. [bijnaam 1 verdachte] is een Afghaan, klein en woont in Zaandam. [bijnaam 1 verdachte] had tegen hem gezegd dat hij boven in zijn pand mocht slapen en als hij iets hoorde moest hij [bijnaam 1 verdachte] bellen en niet de politie. [bijnaam 1 verdachte] heeft hem de sleutels van de garage gegeven. [betrokkene 5] heeft het telefoonnummer van [bijnaam 1 verdachte] in zijn iPhone staan onder de naam [bijnaam 2 verdachte] .10

[betrokkene 3] heeft verklaard dat hij door [bijnaam 1 verdachte] naar het pand is gestuurd en dat hij daar een aantal nachten heeft geslapen. Hij werd daarheen gebracht omdat hij geen woning heeft. [bijnaam 1 verdachte] heeft een garagebedrijf. [betrokkene 5] had de sleutel van het pand. Dat pand staat op naam van [naam verdachte] .11

[betrokkene 4] heeft verklaard dat hij door [naam verdachte] naar de [pand 1] te Purmerend is gebracht in de Polo waarin de politie hem later heeft aangehouden. [naam verdachte] had iemand nodig voor beveiliging en hij kon boven slapen. [betrokkene 4] heeft verdachte van een door de politie aan hem getoonde foto herkend als de man die hem naar Purmerend heeft gebracht. [naam verdachte] heeft een autobedrijf.12 [betrokkene 4] zei [bijnaam 2 verdachte] ’ tegen hem. [bijnaam 2 verdachte] kwam hem ophalen, nam hem mee en zei dat hij boven moest blijven.13

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij gebruik maakt van de telefoonnummers 062665270214 en 31643560348.15 In de bij [betrokkene 5] inbeslaggenomen iPhone is onder de naam [bijnaam 2 verdachte] het telefoonnummer 0626652702 aangetroffen alsmede, eveneens onder de naam [bijnaam 2 verdachte] , het telefoonnummer 0643560348.16 Onder de contactgegevens staat vermeld dat [betrokkene 5] 175 keer contact heeft gehad met het telefoonnummer 31643560348 en 13 keer met het telefoonnummer 31626652702. De mobiele telefoon van [betrokkene 5] heeft vanaf 2 september 2016 tot en met 30 december 2016 1135 keer een zendmast aan de [adres] te Purmerend aangestraald. De mobiele telefoon van [betrokkene 3] heeft vanaf 22 november 2016 tot en met 30 december 2016 38 keer een zendmast aangestraald aan de [adres] te Purmerend.17 Internetraadpleging leert de rechtbank dat de ANWB routeplanner de afstand tussen de [adres] en de [pand 1] te Purmerend berekent op 310 meter. Verdachte heeft verklaard dat hij [naam verdachte] heet, maar door sommige Afghanen [bijnaam 1 verdachte] wordt genoemd.18

Getuige [getuige 2] is samen met haar man eigenaar van het pand aan de [pand 1] te Purmerend. Zij heeft het pand vanaf 22 april 2015 tot en met 30 april 2017 met een koopoptie aan verdachte verhuurd. De huurprijs bedroeg € 3.025,- per maand. Verdachte had hen verteld dat hij er een autobedrijf wilde exploiteren. Op 25 juli 2016 is een definitief koopcontract ondertekend met financieringsvoorbehoud. Nadien is [getuige 2] geregeld langs het pand gereden. Het viel op dat er wel personenauto’s bij het pand stonden, maar in het pand zelf stond niets.19 Na de inval van de politie heeft [getuige 2] het pand en het terrein moeten opruimen. Zij trof toen in de op het terrein staande auto’s allerlei hennepgerelateerde goederen aan, zoals groeimiddelen, laarzen, plastic zeil en grond.20

Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hennepteelt in het pand aan de [pand 1] te Purmerend en dat verdachte ten behoeve daarvan elektriciteit heeft gestolen. Zoals hieronder zal blijken treffen de verweren van verdachte geen doel.
Nu er sprake is geweest van minst genomen één eerdere oogst, neemt de rechtbank 1 september 2016 als aanvangsdatum voor de diefstal van de elektriciteit, aangezien voorafgaand aan de aangetroffen teelt van negen weken oud vanaf de begindatum van een eerdere oogst elektriciteit moet zijn afgenomen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen, nu de betrokkenheid van [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] zoals deze uit het dossier naar voren komt onvoldoende wordt geacht voor een bewezenverklaring van een nauwe en bewuste samenwerking.

Betrouwbaarheid verklaringen van de getuigen

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [betrokkene 3] aantoonbaar onjuist is, nu verdachte niet degene kan zijn geweest die hen naar het pand aan de [pand 1] te Purmerend zou hebben gebracht, omdat verdachte op dat moment niet in Nederland was. De verklaring van verdachte wordt op dat onderdeel volgens de raadsman ondersteund door zijn telefoongegevens en een verkeersboete van 31 december 2016 om 17.09 uur in Oostenrijk. De rechtbank gaat niet mee in dat betoog, reeds omdat de auto – van de zoon van verdachte – is geflitst bijna een etmaal na de rit waar [betrokkene 3] over heeft verklaard.

De raadsman van verdachte heeft verder gesteld dat de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 5] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt omdat deze verklaringen niet betrouwbaar zijn, nu zij zelf eerder bij hennepkwekerijen betrokken zijn geweest. De rechtbank heeft deze verklaringen alsmede die van [betrokkene 4] inderdaad met de nodige behoedzaamheid voor het bewijs gebezigd, nu zij er als verdachten belang bij kunnen hebben om hun eigen rol te minimaliseren. Hun verklaringen vinden echter op belangrijke onderdelen steun in ander bewijsmateriaal en worden voldoende betrouwbaar geacht om voor het bewijs te worden gebruikt op de wijze als door de rechtbank is gedaan.

Niet door verdediging gehoorde getuigen

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de verklaringen van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ook anderszins niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, nu deze verklaringen het enige belastende bewijsmateriaal is en de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om hen nader te bevragen.

De rechtbank stelt vast dat, ondanks inspanningen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, het niet is gelukt om [betrokkene 3] en [betrokkene 5] in deze strafzaak als getuigen te horen.

Het gebruik van een getuigenverklaring voor het bewijs, waarbij de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om die getuige te horen is geoorloofd indien die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dat steunbewijs moet dan betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist (zie ook ECLI:NL:HR:2015:1709). In dit geval is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een situatie waarin het bewijs alleen of in overwegende mate is gebaseerd op de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 5] , nu deze verklaringen in belangrijke mate steun vinden in andere bewijsmiddelen zoals hierboven is weergegeven. Met name is hier ook van belang dat uit de telecomgegevens blijkt dat verdachte in elk geval met [betrokkene 5] veelvuldig telefonisch contact heeft gehad, terwijl verdachte iedere betrokkenheid bij hem/hen betwist. Gelet op het voorgaande kunnen de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 5] naar het oordeel van de rechtbank dus voor het bewijs worden gebruikt, zonder dat dit strijdig is met artikel 6, eerste en derde lid aanhef en onder d, van het EVRM.

Verwerping alternatief scenario gegeven door verdachte

Verdachte heeft verklaard het pand aan de [pand 1] te Purmerend op 1 september 2016 te hebben onderverhuurd aan [betrokkene 1] , wonende aan de [adres] te Den Haag, en dat hij aan hem tevens de zeecontainer had verkocht waarin later het hennepafval is aangetroffen. De rechtbank volgt verdachte hier niet in en overweegt daartoe als volgt.
[betrokkene 1] heeft bij de politie verklaard dat hij slechts eenmaal in het pand in Purmerend is geweest. Hij heeft toen een huurcontract getekend, waarvoor hij een kleine vergoeding heeft ontvangen. Daarna zegt hij er nooit meer te zijn geweest. Dit wordt ondersteund door de historische verkeersgegevens van de drie bij [betrokkene 1] in gebruik zijnde telefoonnummers. Die telefoons hebben in de periode van 27 november 2016 tot en met 27 februari 2017 geen enkele telefoonmast in of rondom Purmerend aangestraald maar juist voornamelijk in Zuid-Holland. De verklaring van verdachte vindt ook geen steun in de overige inhoud van het dossier. Daarnaast acht de rechtbank het door verdachte gegeven scenario ook volstrekt onaannemelijk. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn auto (de Polo) kort voordat de hennepkwekerij ontdekt werd ter reparatie door [betrokkene 1] in het betreffende pand heeft geplaatst. Dat er geen bedrijfsactiviteiten in en rond het pand waren en dat de bedrijfshal (op een andere auto van verdachte na) nagenoeg leeg was, maar [betrokkene 1] volgens verdachte desondanks in staat zou zijn gebleken om vier maanden huur à € 3.000,- contant aan hem te betalen, zou bij verdachte niet tot enige vragen hebben geleid. Zo ook niet het feit dat [betrokkene 1] in het met verdachte gesloten onderhuurcontract het adres van de verslavingszorg in Den Haag heeft opgegeven. Ten slotte is het scenario strijdig met de verklaringen van de drie hierboven genoemde getuigen, door de politie aangetroffen in de auto van verdachte, die [betrokkene 1] niet kennen en hun instructies van verdachte hebben gekregen. De rechtbank volgt dan ook de officier van justitie in diens standpunt dat [betrokkene 1] door verdachte als zogenaamde katvanger is ingezet.

Ten aanzien van feit 5

Verdachte heeft ten aanzien van de zeecontainers BCHU 6709660, CBXU 1897220 en INKU 6093511 het transport geregeld. De (beoogde) eindbestemming was steeds Afghanistan. [medeverdachte 1] , een handelsrelatie uit Hamburg, was in twee gevallen de opdrachtgever. In het geval van de lading uit Polen (CBXU 1897220) was de opdrachtgever een bekende van [medeverdachte 1] voornoemd.21

Container INKU 6093511 22

In Afghanistan zijn op 2 januari 2017, in een container met nummer INKU 6093511 achter auto-onderdelen, 300 flessen met 1000 liter azijnzuuranhydride en 1940 liter zoutzuur aangetroffen. De “Packlist and Invoice” was van [bedrijfsnaam verdachte] , gevestigd [adres] te Purmerend.23 Uit de administratie van [transporteur 1] is gebleken dat verdachte op 26 oktober 2016 voornoemd bedrijf heeft verzocht de container INKU 6093511 op te halen van de [adres] in Hamburg. De container is vervolgens naar het terrein van [transporteur 1] in Noord-Beemster gebracht en op 7 november 2016 door [transporteur 2] naar Antwerpen vervoerd. Volgens het uitreisdocument was de eindbestemming van de container Herat in Afghanistan.24 Via een mailbericht heeft verdachte op 28 oktober 2016 aan [transporteur 1] het adres in Hamburg doorgegeven met de mededeling: “Ik ben zelf hier”.25 De chauffeur van [transporteur 1] heeft verdachte tijdens het laden van de container in Hamburg gezien.26

Container CBXU 1897220 27

Verdachte heeft de container met nummer CBXU 1897220 zelf in Heerhugowaard ingeladen.28 Het inladen vond plaats op 28 maart 2017.29 De chauffeur van [transporteur 1] . heeft vervolgens de container verzegeld en vervoerd naar het terrein van voornoemd bedrijf te Noord-Beemster.30 Op 12 april 2017 is de container door [transporteur 1] naar Antwerpen vervoerd.31 De container zou op 5 mei 2017 van Antwerpen naar Bandar Abbas (Iran) door [transporteur 2] worden verscheept.32 Op verzoek van de Nederlandse autoriteiten is door de Belgische autoriteiten op 13 april 2017 de container in Antwerpen gecontroleerd. De container bevatte, naast dozen met flessen gevuld met olie, 95 dozen met ieder 4 flessen van 5 liter, elk gevuld met azijnzuuranhydride, zijnde in totaal 1900 liter azijnzuuranhydride.33 Volgens het boekingsdocument zou de container echter geladen moeten zijn met “bumper en parts”. Volgens het etiket op de dozen en flessen zouden deze gevuld zijn met “Diesel Truck oil”. Uit niets blijkt dat deze “Diesel Truck oil” een bestaand product is.34 De door verdachte opgestelde “packlist and invoice”35 had als omschrijving van de lading “1680 packages of engiene oil”, hetgeen niet overeenkwam met de daadwerkelijke lading. Tevens stond op de “packlist and invoice” vermeld “Shipper [bedrijfsnaam verdachte] ” terwijl dit bedrijf in 2013 reeds was opgeheven. Daarnaast was het document voorzien van een stempel van “ [bedrijfsnaam verdachte] ”, terwijl verdachte in eind 2016 failliet was verklaard en hij voornoemd bedrijf per 25 oktober 2016 had verkocht.36 De iPhone van verdachte is uitgelezen en in de ‘used dictionary’ van de telefoon werd de term azijnzuur gevonden. De gebruiker van de telefoon moet deze term hebben ingevoerd.37

Container BCHU 6709660 38

Op 30 maart 2017 is verdachte in een zwarte Citroën naar Groningen gereden en heeft daar de door hem bestelde 200 zilverkleurige plastic flessen opgehaald.39 Deze door verdachte bestuurde auto is vervolgens doorgereden naar de [adres] in Hamburg.40 In deze auto is een parkeerkaartje van een parkeergarage uit Hamburg aangetroffen gedateerd 1 april 2017, 18.34 uur.41 Uit een analyse van de zendmastgegevens is gebleken dat het mobiele telefoonnummer van verdachte tussen 30 maart 2017 omstreeks 15.50 uur tot en met 1 april 2017 omstreeks 19.33 uur uitsluitend zendmasten in Hamburg registreerde. Op 2 april omstreeks 18.20 uur wordt er voor het eerst weer een zendmast in Nederland geregistreerd.42 Op 3 april 2017 heeft verdachte bij [transporteur 1] verzocht om een container in Hamburg af te leveren.43 Een chauffeur van [transporteur 1] heeft op 5 april 2017 de container met nummer BCHU 6709660 op de [adres] in Hamburg neergezet, waarna meerdere mannen deze met diverse auto-onderdelen hebben ingeladen. Diezelfde dag is de chauffeur met de container naar het terrein van [transporteur 1] in Noord-Beemster gereden. Daar is de container gestald in afwachting van het transport naar Antwerpen.44

Op 18 april 2017 is de container op het terrein van [transporteur 1] door de politie gecontroleerd.45 In een groot aantal auto-onderdelen bleken jerrycans te zijn verstopt. De container bevatte in totaal 150 met vloeistof gevulde flessen met een inhoud van 5 liter.46 De flessen waren gevuld met azijnzuuranhydride.47 De 150 flessen die zijn aangetroffen in de container kwamen qua uiterlijke kenmerken en kleur exact overeen met de 200 flessen die verdachte naar Hamburg had gebracht.48

Uit opgenomen en uitgeluisterde gesprekken bleek dat verdachte op 11 april 2017 een telefoongesprek heeft gevoerd met een man in het Dari met voor zover van belang de volgende inhoud:

“Verdachte zegt tegen NN-man:

Dat ding is geregeld, als het goed is krijg ik vandaag de boeking en vervolgens zal ik de container sturen.

Verdachte zegt tegen NN-man:

Het systeem die wij hebben voor die auto onderdelen is erg goed. Het is helemaal probleemloos. Dit is het beste systeem. Wij hebben hiervoor veel moeite gedaan. Als het allemaal aankomt zal ik je zeggen dat dat inderdaad het alle beste is. Ik heb er veel moeite voor moeten doen. De vellen van mijn handen zijn eraf.

Verdachte zegt tegen NN-man:

Ten eerste stuur ik vandaag of morgen de container. Want deze zaak is zo goed als af. (…) Op deze manier kunnen we jaren met elkaar samenwerken.

NN-man zegt tegen verdachte:

Ik hoop dat die twee containers aankomen.

Verdachte zegt tegen NN-man:

Het zal fijn zijn als we nog een of twee kunnen laden. We gaan met dit werk door zolang we nog leven.

Verdachte zegt tegen NN-man:

Die andere taak heeft toen vier maanden geduurd. Terwijl wij dat binnen drie dagen wisten te regelen. Alles heeft drie a vier dagen geduurd. Wij gingen zelf daar naar toe en wij hebben de auto geladen. Dat hebben zonder enige angst kunnen doen. God heeft ons geholpen. Wij gingen daar naar toe. Wij hebben het gekocht en toen hebben wij het geladen. Het zal bij jou aankomen.

Verdachte zegt tegen NN-man:

En jij gaat vervolgens de spullen op een nette manier daar verkopen. En jij zal mij bellen en vragen dat je een klant hebt gevonden die de auto voor 100 of 150 [duizend] wilt kopen en je vraagt mij of je dat moet verkopen tegen die prijs. In dat geval zal ik dan gewoon ja zeggen en vervolgens ga jij het allemaal afhandelen en dan zeg je tegen mij dat is het geld van je auto.” 49

Verdachte heeft verklaard dat hij dit gesprek heeft gevoerd met [medeverdachte 2] .50[medeverdachte 2] verblijft in Afghanistan.51

En in een ander telefoongesprek: “Verdachte zegt tegen NN-man:

Wij zijn met vieren. Wij gaan dat delen door vier.” 52

Verdachte heeft verklaard met “vier” te doelen op [medeverdachte 1] , zijnde een handelsrelatie in Hamburg, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en zichzelf.53

Op 14 april 2017 heeft verdachte eveneens in het Dari een telefoongesprek gevoerd met een man die zich [betrokkene 6] noemt met de volgende inhoud:

“Verdachte tegen [betrokkene 6] :

Kan je even voor mij daar informeren of het mogelijk is om vanuit daar een container naar Afghanistan te sturen en zo ja hoeveel kost het. Er is iemand die een container onderdelen via die route sturen. (…) Want het gaat ook om flessen. Je weet toch het zijn onderdelen en je hebt van alles en nog wat er bij. (…) Het is niet echt veel. Het betreft 100 tot 200 stuks. Verder heb je motoren, deuren en dashboards en dergelijk. Je moet vragen hoeveel het kost om het in Tor Ghondi te krijgen. Dit is een plaats in Afghanistan.” 54

Bewijsoverwegingen

Kennelijk leugenachtige verklaring

Bij de bewijsconstructie heeft de rechtbank mede rekening gehouden met de kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte met betrekking tot container BCHU 6709660, inhoudende dat hij op 30 maart 2017 200 flessen heeft gekocht en hiermee naar Hamburg is gereden ter doorverkoop daarvan voor een opbrengst van € 150,- waarna hij diezelfde dag weer zou zijn teruggereden. Verdachte heeft, nadat hij ter terechtzitting opnieuw is geconfronteerd met de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen waaruit volgt dat hij tot 2 april 2017 in Hamburg moet zijn gebleven, eenvoudigweg in deze verklaring volhard. Verdachte heeft daarbij overigens evenmin een verklaring gegeven voor het kort daarop door hem gevoerde telefoongesprek waarin hij kort gezegd aangeeft “het werk binnen drie dagen zonder angst te hebben weten te regelen” waarbij het om “flessen” ging.
De rechtbank constateert dat verdachte door deze kennelijke leugen over zijn beperkte bemoeienis met de door hem afgeleverde flessen en directe terugkeer naar Nederland de waarheid heeft willen bemantelen. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte met deze verklaring heeft getracht te verhullen dat hij tussen 30 maart 2017 en 2 april 2017 de door hem gekochte flessen met/door anderen met azijnzuuranhydride heeft gevuld/ laten vullen, deze in auto-onderdelen heeft verstopt/ laten verstoppen en heeft verpakt/ laten verpakken en deze nadien door anderen in de container BCHU 6709660 heeft laten stoppen.

Opzet

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wist dat de drie containers azijnzuuranhydride en/of zoutzuur bevatte en overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft blijkens de bewijsmiddelen – in korte tijd – drie transporten met onder meer azijnzuuranhydride verzorgd, waarvan de eerste container daadwerkelijk is vervoerd naar en onderschept in Afghanistan. In de hierboven weergegeven telefoongesprekken heeft verdachte gesproken over twee containers die nog moeten aankomen, hetgeen correspondeert met de twee laatste containers die op het punt stonden door verdachte te worden verscheept. Verdachte heeft verklaard het transport van container CBXU 1897220 te hebben georganiseerd in opdracht van een persoon in Polen, zijnde een vriend van [medeverdachte 1] , en de transporten van de andere twee containers te hebben georganiseerd in opdracht van [medeverdachte 1] , maar hij kan van geen van deze personen nadere gegevens verstrekken. Verdachte heeft ten aanzien van de container CBXU 1897220 de transportdocumenten opgesteld waarbij de packlist and invoice vals was en hij is bij het (laten) inladen van de containers CBXU 1897220 en BCHU 6709660 betrokken geweest. Weliswaar heeft verdachte eigenhandig alleen container CBXU 1897220 ingeladen, maar uit de bewijsmiddelen volgt afdoende dat verdachte bij het voortraject van het feitelijk inladen van container BCHU 6709660 nauw betrokken is geweest. Verdachte is immers met flessen naar Hamburg gereden en blijkens de telefoongesprekken heeft hij zich de paar dagen vlak voor het inladen van die container “de vellen van zijn handen gewerkt” waarna de eerder door hem aangeschafte flessen gevuld met azijnzuuranhydride in die container zijn aangetroffen. Bij het inladen van container INKU 6093511 is verdachte feitelijk aanwezig geweest waarbij gesteld noch gebleken is dat hij enig onderzoek naar de lading van deze container heeft verricht, hetgeen bij een dergelijk internationaal transport voor de hand had gelegen.

Medeplegen

De rechtbank acht ten aanzien van alle containers bewezen dat verdachte tezamen met anderen heeft gehandeld, waaronder [medeverdachte 1] (voor wat betreft de containers BCHU 6709660 en INKU 6093511), een vriend van [medeverdachte 1] (voor wat betreft container CBXU 1897220) en (voor wat betreft de containers BCHU 6709660 en INKU 6093511) de in de gesprekken genoemde mededaders [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Om met meerdere personen, werkend vanuit meerdere landen, containers in en uit Nederland te vervoeren die onder andere grote hoeveelheden verboden stoffen bevatten, dienen bepaalde afspraken te zijn gemaakt die ook duiden op een nauwe en bewuste samenwerking.

Opiumwet lijst I

Azijnzuuranhydride is een belangrijke stof voor het productieproces van drugs en van drugsprecursoren.55 Azijnzuuranhydride wordt meestal in relatie gebracht met de productie van heroïne in Afghanistan.56 Er is ook geen legale behoefte aan invoer van azijnzuuranhydride in Afghanistan, de invoer is dan ook verboden.57 Zoutzuur is een chemische stof welke verschillende toepassingen heeft in het productieproces van drugs.58

De rechtbank acht gelet daarop wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door het (proberen te) vervoeren van azijnzuuranhydride en/of zoutzuur naar Afghanistan, het opzet heeft gehad op de voorbereiding van het bereiden van enig middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Wet voorkoming misbruik chemicaliën

Nu uit het voorgaande volgt dat verdachte stoffen die kunnen worden gebruikt voor de vervaardiging of bewerking van drugs (in grote hoeveelheden) heeft vervoerd ten behoeve van verder onbekend gebleven afnemers, acht de rechtbank tevens bewezen dat verdachte tezamen met anderen ‘marktdeelnemer’ was in de zin van Verordening 273/2004, aangezien verdachte betrokken was bij het in de handel brengen van geregistreerde stoffen. Nu verdachte de bevoegde instanties daarvan niet (onverwijld) in kennis heeft gesteld, heeft verdachte tevens artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën overtreden.

Ten aanzien van feit 6 59

Op 15 november 2016 is het faillissement van verdachte als eigenaar van de eenmanszaak [bedrijfsnaam verdachte] van verdachte uitgesproken. De curator heeft verklaard dat de boedel leeg was. Ondanks dat verdachte niet meer over vermogen zou kunnen beschikken heeft hij, na zijn faillissement, diverse huurpanden gehad waarvoor hij huur betaalde. Verdachte heeft van november 2016 tot en met december 2016 in totaal € 5.280,- aan huur betaald voor het pand aan de [pand 1] te Purmerend. Van december 2016 tot en met februari 2017 heeft verdachte in totaal € 14.616,- aan huur betaald voor het pand aan de [pand 3] te Heerhugowaard. Verdachte heeft van december 2016 tot en met maart 2017 € 6.532,- aan huur betaald voor [pand 2] te Purmerend. Ook de huur en de borg van het pand aan de [pand 4] te Purmerend, werd door verdachte betaald voor in totaal

€ 4.149,50. Voornoemde bedragen opgeteld heeft verdachte in de periode november 2016 tot en met 1 maart 2017 een bedrag van € 30.577,50 betaald.

Uit de administratie van verdachte is gebleken dat hij in totaal € 9.600,- aan transportkosten voor de door hem georganiseerde containertransporten heeft betaald. Voor de flessen die verdachte heeft gekocht heeft hij een bedrag van € 438,02 betaald. Geconcludeerd kan worden dat verdachte na zijn faillissement op 15 november 2016 in totaal een bedrag van

€ 40.615,52 heeft uitgegeven.60

Op grond van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen zodat van verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken.

Uit het onder 1 bewezenverklaarde volgt dat de rechtbank de verklaring van verdachte ten aanzien van de onderverhuur van de [pand 1] te Purmerend niet geloofwaardig acht. Op de vraag waar verdachte het geld voor de huur van dit pand vandaan haalde, is dan ook niet afdoende door hem verklaard.

Wat betreft de [pand 2] te Purmerend geldt dat verdachte door het huren van het pand op naam van het bedrijf van zijn zoon en het vervolgens onderverhuren daarvan aan een derde, hij de inkomsten die hij daaruit heeft verkregen heeft witgewassen.

Verdachte heeft gewezen op een bedrag van € 60.000,- dat hij van de gemeente Zaanstad heeft ontvangen alsook op een belastingteruggave die hij heeft gehad ter hoogte van een bedrag van € 8.672,-. Blijkens de door verdachte overgelegde bankafschriften heeft hij op 24 oktober 2014 een bedrag van € 30.000,- en op 31 december 2014 een bedrag van € 30.000,- van de gemeente Zaanstad (ter leen) ontvangen. De belastingteruggave dateert van 19 mei 2016. Die inkomsten hebben derhalve geruime tijd voor het intreden van het faillissement van verdachte plaatsgevonden en derhalve voor de constatering van de curator dat de boedel leeg was. Gelet daarop kunnen deze bedragen de uitgaven in de laste gelegde periode niet verklaren.

Verdachte heeft verder aangevoerd dat hij een bedrag van € 1.500,- van een vriend heeft geleend en dat een oom een bedrag van € 15.000,- aan de zoon van verdachte heeft geleend ten behoeve van bedrijfsactiviteiten. De rechtbank merkt ten aanzien van dit laatst genoemde bedrag op dat verdachte daarover wisselend heeft verklaard, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid daarvan. Zo heeft verdachte eerst verklaard dat de lening aan zijn zoon zou zijn verstrekt door zijn grootvader en ter terechtzitting dat het om een oom zou gaan genaamd ‘ [naam] ’. Daarnaast zijn voornoemde gestelde inkomsten niet met enig bewijsstuk gestaafd. De rechtbank acht derhalve ten aanzien van deze bedragen geen sprake van een verklaring die concreet en min of meer verifieerbaar is.

Verdachte heeft tot slot aangevoerd dat hij op 25 oktober 2016 een bedrag van € 5.000,- heeft ontvangen in het kader van de overdracht van zijn bedrijf en dat de vader van zijn echtgenote € 13.000,- aan haar heeft geleend. In het dossier bevindt zich een notariële akte waaruit volgt dat verdachte zijn bedrijf [bedrijfsnaam verdachte] op 25 oktober 2016 voor een bedrag van € 5.000,-. heeft verkocht. Op de terechtzitting heeft verdachte tevens stukken overgelegd waarmee voornoemde lening aan zijn echtgenote is onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte ten aanzien van deze bedragen dan ook een min of meer verifieerbare verklaring gegeven, zodat hij voor het bedrag van € 18.000,- van witwassen zal worden vrijgesproken.

Voor het overige, te weten een bedrag van € 22.615,52, is de rechtbank, al het voorgaande in overweging nemende, van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen waarmee verdachte zijn uitgaven aan huren en het organiseren van transporten heeft bekostigd, middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dat wist. Gezien de frequentie van de transacties over een tijdsbestek van ruim vijf maanden acht de rechtbank sprake van gewoontewitwassen. Het ten laste gelegde is aldus wettig en overtuigend bewezen te achten.

3.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

hij omstreeks 30 december 2016 te Purmerend opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [pand 1] een hoeveelheid van in totaal 1604 hennepplanten;

Feit 2:

hij in de periode van 1 september 2016 tot en met 30 december 2016 te Purmerend in een pand aan de [pand 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit toebehorende aan Liander, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

Feit 5:

hij op tijdstippen in de periode van 26 oktober 2016 tot en met 18 april 2017, te Purmerend en/of te Heerhugowaard en/of te Noord-Beemster, gemeente Beemster, althans in Nederland, en/of te Antwerpen, althans in België, en/of in Hamburg, althans in Duitsland, en/of in Iran en/of in Afghanistan,

tezamen en in vereniging met anderen, meermalen feiten, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,


te weten het opzettelijk

- bereiden, vervoeren en/of

- vervaardigen en/of

- binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van enig middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
voor te bereiden en/of te bevorderen, telkens stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten

immers hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s), daartoe

- containers met de nummers CBXU 1897220 en/of BCHU 6709660 en/of INKU 6093511 voorhanden gehad en

- die containers gevuld en/of doen en/of laten vullen met een lading auto-onderdelen en/of olie en/of grote hoeveelheden, te weten 1900 liter en/of 750 liter en/of 1000 liter azijnzuuranhydride en/of 1940 liter zoutzuur, en/of

- die grote hoeveelheden azijnzuuranhydride en/of zoutzuur vervoerd en voorhanden gehad en/of doen/laten vervoeren en/of

- voornoemde containers met daarin hoeveelheden azijnzuuranhydride en/of zoutzuur door [transporteur 1] en/of [transporteur 2] en/of een andere transporteur van en/of naar Hamburg, Duitsland, en/of naar Heerhugowaard en/of Noord-Beemster, Nederland, en/of Antwerpen, België, en/of Bandar Abbas, Iran en/of Afghanistan (proberen te) laten vervoeren, en/of

- daartoe (medewerkers van) [transporteur 1] en/of [transporteur 2] meermalen, per e-mail of telefoon transportopdrachten gegeven en/of documenten die op die transporten zagen toegestuurd

- plastic flessen/jerrycans besteld en opgehaald en afgeleverd in Hamburg en/of gevuld en/of doen en/of laten vullen met azijnzuuranhydride en/of zoutzuur en/of olie, en/of die flessen/jerrycans beplakt en/of doen beplakken met etiketten bevattende valse productinformatie over olie, en/of die flessen/jerrycans verpakt in dozen beplakt met etiketten bevattende valse productinformatie over olie, en/of

- een valse “Packlist & Invoice” opgemaakt en verstuurd en voorhanden gehad, en/of

- telefonisch overleg gevoerd met medeverdachten/zakenpartner(s) in Hamburg, Duitsland, en/of Afghanistan;

EN

hij op tijdstippen in de periode van 26 oktober 2016 tot en met 18 april 2017, te Purmerend en/of te Heerhugowaard en/of te Noord-Beemster, gemeente Beemster, althans in Nederland, en/of te Antwerpen, althans in België, en/of in Hamburg, althans in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, als marktdeelnemers opzettelijk de bevoegde instanties niet onverwijld in kennis heeft gesteld van voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen, als omschreven in bijlage(s) van de Verordeningen nrs. 273/2004 en 111/2005 van het Europees Parlement en de Raad, te weten de invoer en uitvoer van grote hoeveelheden azijnzuuranhydride, die er op kunnen en/of konden wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht zullen worden misbruikt om verdovende middelen op illegale wijze te vervaardigen, hebbende hij, verdachte en zijn mededaders telkens opzettelijk grote hoeveelheden azijnzuuranhydride vervoerd en voorhanden gehad;

Feit 6:

hij op tijdstippen in de periode van 15 november 2016 tot en met 18 april 2017, te Purmerend en/of te Heerhugowaard, althans in Nederland, telkens een voorwerp, te weten geldbedragen opgeteld met een hoogte van EUR 22.615,52 aan huursommen van bedrijfspanden en/of transportkosten voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde geldbedragen gebruik heeft gemaakt, en/of van die geldbedragen, de werkelijke aard en de herkomst heeft verborgen en/of verhuld, terwijl hij wist dat die bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij aldus van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 2:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Feit 5:

Medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.

EN

Medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, artikel 2 onder a, meermalen gepleegd.

Feit 6:

Gewoontewitwassen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot de maximale gevangenisstraf, namelijk voor de duur van acht jaren.

6.2.

Standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank komt tot enige bewezenverklaring heeft de raadsman ten aanzien van de hennepteelt aangevoerd dat uit de LOVS-oriëntatiepunten in dergelijke zaken wordt geadviseerd een korte gevangenisstraf op te leggen. Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 5 heeft de raadsman bepleit dat het feit dat verdachte geen enkele rol heeft gespeeld bij het daadwerkelijke productieproces van drugs strafmatigend zou moeten werken. Uitgaande van het LOVS-oriëntatiepunt fraude zou voor het witwassen een gevangenisstraf van drie maanden of een taakstraf van 200 uren passend zijn.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, samen met anderen, voorbereidingshandelingen verricht die gericht waren op de productie van heroïne. Daartoe werd azijnzuuranhydride in (zee)containers verstopt om op deze wijze de stof Nederland uit te voeren. De eindbestemming van de transporten was Afghanistan, waar ook een container met azijnzuuranhydride en zoutzuur is onderschept. Vanwege het risico op ongeoorloofd gebruik van de stof is de in- en uitvoer aan strenge wet- en regelgeving gebonden, welke verdachte heeft overtreden. De invoer van azijnzuuranhydride is ook in Afghanistan verboden. De illegale handel is dan ook zeer lucratief. Uiteindelijk vindt de geproduceerde heroïne weer zijn weg naar een illegale afzetmarkt en de gebruikers van heroïne. Heroïne is een stof die een groot gevaar voor de volksgezondheid oplevert.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan hennepteelt en daarbij illegaal elektriciteit afgenomen. Hennepteelt levert een softdrug op die bij langdurig gebruik kan leiden tot schade voor de gezondheid.

Zowel voor de handel in heroïne als hennep geldt dat deze gepaard gaan met vele andere vormen van criminaliteit en vormen daarmee een bron van overlast voor de samenleving. Verdachte heeft zich laten drijven door winstbejag, zonder zich te bekommeren om de negatieve gevolgen van zijn handelen.

Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt witwassen, hetgeen een ernstige bedreiging vormt van de legale economie en de integriteit van het financieel en economisch verkeer aantast. Geld verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 21 juli 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 29 december 2017 van [reclasseringswerker] , als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank ziet aanleiding bij de straftoemeting af te wijken van wat door de officier van justitie is geëist, nu die eis niet in verhouding staat tot de straffen die in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd.

7 Beslissing omtrent inbeslaggenomen en niet teruggeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten 4 jerrycans gevuld met olie, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 5 bewezen verklaarde feit met behulp van die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 33, 33a, 47, 57, 311, 420ter van het Wetboek van Strafrecht;

artikel 3, 10, 10a van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst I;

artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 3 en 4 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd: 4 jerrycans olie.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. H.E.C. de Wit en mr. R.P. Boon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 april 2018.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 De onder 1 en 2 aangehaalde paginanummers verwijzen naar het proces-verbaal zaaksdossier [pand 1] te Purmerend, zo niet anders vermeld.

3 Proces-verbaal met nummer PL1100-2016286915-1 d.d. 2 januari 2017 inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , p. 28-31.

4 Proces-verbaal van aangifte d.d. 11 januari 2017 inhoudende de verklaring van [aangever 1] namens de benadeelde Liander N.V., p. 85-87.

5 Proces-verbaal met nummer 170111.1624.0353 d.d. 11 januari 2017 inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , p. 115.

6 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art. 36e lid 2 Sr, p. 139.

7 Proces-verbaal van aangifte d.d. 11 januari 2017 inhoudende de verklaring van [aangever 1] namens de benadeelde Liander N.V., p. 85-87.

8 Proces-verbaal met nummer PL1100-2016286915-1 d.d. 2 januari 2017 inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , p. 28-30.

9 Proces-verbaal met nummer PL1100-2016286915-3 d.d. 30 december 2016 inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , p. 23.

10 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2016286915-50 d.d. 30 december 2016 inhoudende de verklaring van [betrokkene 5] , persoonsdossier [betrokkene 5] , p. 20-21.

11 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2016286915-64 d.d. 31 december 2016 inhoudende de verklaring van [betrokkene 3] , persoonsdossier [betrokkene 3] , p. 26-27.

12 Proces-verbaal van verhoor met nummer 20170615.13.55.0011 d.d. 15 juni 2017 inhoudende de verklaring van [betrokkene 4] , persoonsdossier [betrokkene 4] , p. 29-30 en 34.

13 Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 8 december 2017, blad 2, inhoudende de verklaring van [betrokkene 4] .

14 Proces-verbaal met nummer 20170419.1123.0011 d.d. 19 april 2017 inhoudende de verklaring van verdachte, persoonsdossier [verdachte] , p. 41.

15 Proces-verbaal met nummer 20170426.1101.0011 d.d. 26 april 2017 inhoudende de verklaring van verdachte, persoonsdossier [verdachte] , p. 62.

16 Proces-verbaal met nummer 170312.1152.0353 d.d. 14 maart 2017, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , p. 165.

17 Proces-verbaal printlijsten met nummer 20170220.0910.9523 d.d. 20 februari 2017, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] , p. 173-174.

18 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

19 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2016286915-89 d.d. 4 januari 2017 inhoudende de verklaring van [getuige 2] , getuigendossier, p. 152-153 met bijlage.

20 Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 30 maart 2018 inhoudende de verklaring van [getuige 2] .

21 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

22 De onder “Container INKU 6093511” aangehaalde paginanummers verwijzen naar het proces-verbaal zaaksdossier Container Afghanistan, zo niet anders vermeld.

23 Proces-verbaal met nummer 277 d.d. 4 oktober 2017 inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] , p. 7-8 met bijlagen, p. 13.

24 Proces-verbaal met nummer 152 d.d. 3 mei 2017 inhoudende de bevindingen van [verbalisant 8] , p. 20-21 met bijlagen en Proces-verbaal container INKU-6093511 van 7 november 2017 inhoudende de verklaring van [transporteur 1] .

25 Bijlage bij proces-verbaal met nummer 152 d.d. 3 mei 2017, p. 23.

26 Proces-verbaal van verhoor met nummer 236 d.d. 8 juli 2017 inhoudende de verklaring van [getuige 5] getuigendossier p. 40.

27 De onder “Container CBXU 1897220” aangehaalde paginanummers verwijzen naar het proces-verbaal zaaksdossier ZD04 Container CBXU 1897220 van Heerhugowaard naar Antwerpen, zo niet anders vermeld.

28 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

29 Proces-verbaal van verhoor met nummer 160 d.d. 9 mei 2017 inhoudende de verklaring van getuige [getuige 3] , proces-verbaal getuigendossier p. 24-25.

30 Proces-verbaal van verhoor met nummer 236 d.d. 8 juli 2017 inhoudende de verklaring van getuige [getuige 5] , proces-verbaal getuigendossier p. 42.

31 Proces-verbaal container CBXU 1897220 d.d. 10 januari 2018 inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] , p. 7.

32 Proces-verbaal verhoor met nummer 244 d.d. 19 juli 2017 inhoudende de verklaring van getuige [getuige 4] , getuigendossier, p. 48 en 49.

33 Proces-verbaal container CBXU 1897220 d.d. 10 januari 2018 inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] , p. 8 en Deskundigenrapport d.d. 27 april 2017 Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, afdeling drugs en toxicologie, te Antwerpen, p. 151.

34 Proces-verbaal container CBXU 1897220 d.d. 10 januari 2018 inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] , p. 7 en 10.

35 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 december 2016, p. 137 met bijlage 1.

36 Proces-verbaal container CBXU 1897220 d.d. 10 januari 2018 inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] , p. 10.

37 Proces-verbaal met nummer 167 d.d. 10 mei 2017 inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , p. 205.

38 De onder “Container BCHU 6709660” aangehaalde paginanummers verwijzen naar het proces-verbaal zaaksdossier Container BCHU 6709660 van Hamburg naar terrein [transporteur 1] , zo niet anders vermeld.

39 Verklaring verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

40 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 20 april 2017, p. 52 bovenaan en proces-verbaal container BCHU 6709660 d.d. 3 mei 2017, p. 6.

41 Proces-verbaal met nummer 143 d.d. 26 april 2017 inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] en [verbalisant 10] , p. 173-174.

42 Proces-verbaal met nummer 257 d.d. 3 augustus 2017, p. 99-100 en proces-verbaal met nummer 299 d.d. 20 december 2017, p. 101-102, beide inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] .

43 Proces-verbaal container BCHU 6709660 d.d. 3 mei 2017, p. 6.

44 Proces-verbaal van verhoor met nummer 170708.1412.0353 d.d. 8 juli 2017, inhoudende de verklaring van [getuige 5] , getuigendossier, p. 40-42.

45 Proces-verbaal met nummer 128 d.d. 20 april 2017 inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 11] , p. 150.

46 Proces-verbaal met nummer 185 d.d. 23 mei 2017 inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 11] , p. 160-161.

47 Proces-verbaal container BCXU 6709660 d.d. 17 januari 2018 inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] , p. 8 en Rapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 3 mei 2017, p. 167-170.

48 Proces-verbaal met nummer 255 d.d. 2 augustus 2017, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] , p. 190.

49 Proces-verbaal met nummer 156 d.d. 23 mei 2017, p. 134-136.

50 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 december 2017, persoonsdossier verdachte, p. 143.

51 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

52 Tapgesprek 47444 d.d. 11 april 2017, p. 145 halverwege.

53 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

54 Proces-verbaal met nummer 282 d.d. 5 november 2017, p. 139.

55 Drugsprecursoren, informatieblad november 2016, Douane, separaat bijgevoegd, p. 2 en 4.

56 Proces-verbaal algemene info azijnzuuranhydride, van 22 mei 2017, opgesteld door verbalisant [verbalisant 12] , zaaksdossier container BCHU 6709660, p. 207.

57 Bericht van United Nations International Narcotics Control Board d.d. 22 januari 2009, bijlage 1 bij proces-verbaal met nummer 312 d.d. 31 maart 2018, losbladig.

58 Drugsprecursoren, informatieblad november 2016, Douane, separaat bijgevoegd, p. 2 en 4.

59 De onder feit 6 aangehaalde paginanummers verwijzen naar het proces-verbaal zaaksdossier Witwassen, zo niet anders vermeld.

60 Proces-verbaal met nummer 307 d.d. 22 maart 2018 inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 14] , separaat bijgevoegd, p. 1-5.