Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:3119

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
26-11-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3134
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZW

Wetsverwijzingen
Ziektewet 29a
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Algemene wet bestuursrecht 8:51a
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats [woonplaats]

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/3134

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2018 in de zaak tussen

Stichting Esdégé-Reigersdaal, te Broek op Langedijk, eiseres

(gemachtigde: mr. A.C.M. Peperkamp),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Nicolai).

Met als derde-partij:

[derde partij/werkneemster] , te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat [derde partij/werkneemster] (hierna: de werkneemster) met ingang van 9 februari 2017 niet langer arbeidsongeschikt is als gevolg van zwangerschap of bevalling.

Bij besluit van 7 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2018. Eiseres is verschenen bij

[naam] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De werkneemster is ook verschenen.

Overwegingen

1.1

De werkneemster was laatstelijk werkzaam als cliëntbegeleider bij eiseres voor 24 uur per week. Met ingang van 31 augustus 2015 ontving zij een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), omdat zij ziek was geworden wegens zwangerschapsklachten. Met ingang van 1 januari 2016 ontving zij een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo). Op [datum] 2016 is zij bevallen. In aansluiting op haar bevallingsverlof heeft zij zich op 22 april 2016 weer ziek gemeld. Per die datum is zij arbeidsongeschikt geacht voor haar maatgevende functie als gevolg van zwangerschap en/of bevalling en heeft zij opnieuw een ZW-uitkering ontvangen.

1.2

Op 9 februari 2017 is zij door een verzekeringsarts onderzocht. Deze heeft geconcludeerd dat er geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid als direct gevolg van zwangerschap en/of bevalling. Op grond hiervan heeft verweerder het primaire besluit genomen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op de rapportages van de primaire verzekeringsarts van 13 februari 2017 en van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 juni 2017.

1.3

De primaire verzekeringsarts heeft als volgt overwogen. De bekkenklachten en de klachten van de onderrug zijn per 9 februari 2017 niet meer het gevolg van de zwangerschap. Het fysiologisch proces van het verweken van de banden en kapsels vindt plaats rondom de bevalling. Na de bevalling gaat de hormoonhuishouding weer naar het niveau van voor de bevalling. Hierbij zullen de banden en kapsels van de gewrichten weer verstevigen. Medisch gezien is het aannemelijk dat deze versteviging met ongeveer een jaar na de bevalling zeker op het niveau is van voor de zwangerschap. Na een jaar zal daarom geen instabiliteit in het bekken meer aanwezig zijn dat voor deze klachten zorgt. De klachten die de werkneemster aangeeft over gespannenheid in de bekkenbodem en pijn in de rug kunnen mogelijk worden geluxeerd door de verkregen bekkeninstabiliteit. De oorzaak van het aanhouden van de klachten moet meer gezocht worden in het omgaan met deze klachten en is daarmee niet meer het gevolg van de zwangerschap en/of bevalling.

1.4

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Gezien de standaard ‘Zwangerschap en bevalling’ dienen bij aanname van arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en/of bevalling de klachten in overwegende mate het rechtstreeks gevolg te zijn van de zwangerschap en/of bevalling zelf. Bij de werkneemster is de ontzwangering al geruime tijd achter de rug en kunnen hormonale factoren de klachten niet verklaren. Ook zijn er geen andere direct aan de zwangerschap gerelateerde aandoeningen meer aantoonbaar. Uit de uitgevoerde testen blijkt dat geen sprake is van bekkeninstabiliteit. Dit blijkt ook niet uit de ontvangen medische informatie. Uit deze informatie blijkt dat het overwegend gaat om spierklachten. Deze spierklachten kunnen niet meer als gevolg van zwangerschap en/of bevalling worden beschouwd.

2.1

Eiseres heeft in beroep gesteld dat de bekkenklachten van de werkneemster op 9 februari 2017 nog steeds het gevolg zijn van haar zwangerschap en/of bevalling. Door verweerder is onvoldoende gemotiveerd waarom dit per die datum niet meer het geval zou zijn. Eiseres heeft gewezen op het rapport van dr. J.A.M. Mens, orthopedisch geneeskundige, van 24 juli 2017. Mens heeft naar aanleiding van verschillende tests geconcludeerd dat de bekkenklachten van de werkneemster worden veroorzaakt door een sacro-iliacaal syndroom en dat moet worden aangenomen dat de klachten van werkneemster een direct verband houden met de doorgemaakte zwangerschap en/of bevalling. Het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanwijzingen voor bekkeninstabiliteit opgeleverd, omdat hij geen andere testen heeft gedaan dan de Ooievaarsstand en de actieve SLR. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de actieve SLR onjuist beoordeeld door uit te gaan van het aantal graden, terwijl deze test beoordeeld moet worden naar moeite (en eventueel pijn). Het argument dat hormonale factoren de klachten niet kunnen verklaren snijdt volgens Mens geen hout, omdat hormonale factoren buiten de zwangerschap nooit een rol van betekenis spelen, ook niet binnen het eerste jaar na de bevalling. Op de zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat verweerder gelet op de richtlijn voor verzekeringsartsen ‘zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid’ als voordeel van de twijfel had moeten aannemen dat er een causaal verband is tussen de arbeidsongeschiktheid en de zwangerschap/bevalling.

2.2

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 3 oktober 2017 aangegeven dat, los van het al dan niet positief zijn van de SLR-test, geen sprake is van instabiliteit. Dit is namelijk tijdens het onderzoek niet waargenomen. Niet ter discussie staat dat de werkneemster op de datum in geding sacro-iliacale pijn heeft. Dit kan veel oorzaken hebben. Door het ontbreken van instabiliteit is vooral nog sprake van pijn- en spierklachten. Dit is aspecifiek. De fysiotherapeut heeft de klachten toegeschreven aan verkeerd gebruik van spieren.

2.3

Eiseres heeft een aanvullende rapportage van dr. Mens ingebracht. Het belangrijkste argument van Mens om te veronderstellen dat bij de werkneemster sprake is van bekken-instabiliteit, is omdat sprake is van een sacro-iliacaal syndroom waarbij een bekkenband een sterke invloed heeft op pijn en kracht.

2.4

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 23 november 2017 nogmaals het standpunt ingenomen dat bekkeninstabiliteit door hem en de primaire verzekeringsarts niet is waargenomen en ook niet door de fysiotherapeut is beschreven. Bij datum onderzoek was sprake van sacro-iliacale pijnklachten. Dit kan vele oorzaken hebben.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1

Ingevolge artikel 29a, vierde lid, van de ZW heeft - kort weergegeven - recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon de vrouwelijke verzekerde, indien zij aansluitend op het recht op uitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg in verband met bevalling ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap. Vereist is daarom een direct causaal verband met de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap.

3.2.

In het kader van de beoordeling van aanspraken op grond van artikel 29a, vierde lid, van de ZW is de genoemde richtlijn van toepassing. De richtlijn beschrijft de werkwijze en de criteria die de verzekeringsarts hanteert bij de beantwoording van de vraag of de ongeschiktheid van een vrouw voor haar arbeid het gevolg is van zwangerschap en/of bevalling. Om te beoordelen of de klachten van de vrouw het gevolg zijn van zwangerschap of bevalling worden in de richtlijn onder punt 3.1 twee afwegingen gemaakt: een afweging op basis van oorzaken en een afweging op basis van meer algemene criteria. Deze afwegingen vullen elkaar aan. In de richtlijn staan zes (niet limitatieve) indelingen in categorieën van oorzaken (onder punt 3.1.1) voor mogelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en bevalling. Categorie I betreft aandoeningen die uitsluitend het gevolg kunnen zijn van zwangerschap, bevalling of kraambed. Als een van deze aandoeningen aan de orde is èn rechtstreeks arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft, wordt het causale verband tussen arbeidsongeschiktheid en zwangerschap/bevalling zonder meer aangenomen.

Als de klacht, stoornis of beperking behoort tot één van de categorieën II t/m VI is het causale verband tussen arbeidsongeschiktheid en zwangerschap/bevalling niet zonder meer duidelijk. Hier dient dan een toets met behulp van de algemene criteria plaats te vinden (onder punt 3.1.2). De algemene criteria zijn:

1. Is de klacht, stoornis of beperking ontstaan tijdens de zwangerschap/kraamperiode?

2. Heeft de klacht, stoornis of beperking een relatie met (direct) bij de zwangerschap/bevalling betrokken organen en/of de hormonale veranderingen als gevolg van de zwangerschap/bevalling?

3. Maakt het tijdstip van optreden van de klacht, stoornis of beperking in relatie tot de duur van de zwangerschap/kraamperiode het verband tussen klacht en zwangerschap/bevalling aannemelijk(er)?

4. Is de klacht, stoornis of beperking verergerd tijdens de zwangerschap/kraamperiode?

Voor de oordeelsvorming beschrijft punt 3.1.3. de procedure. Zoals vermeld, wordt het causale verband aangenomen als sprake is van categorie 1. Als de anderen categorieën aan de orde zijn, dan dient een nadere afweging te worden gemaakt aan de hand van de algemene criteria. Als vervolgens nog twijfel is, dan is het mogelijk om ‘als voordeel van de twijfel’ een causaal verband met de zwangerschap en/of bevallen aan te nemen. Daarvoor geldt het volgende:

1. Beoordeel of de klachten in overwegende mate het gevolg zijn van de

zwangerschap/bevalling. Is het antwoord hierop ja, dan is de beoordeling afgerond.

2. Indien niet 1, beoordeel dan of de klachten in overwegende mate het gevolg zijn van (een ) andere oorz(a)ak(en). Is het antwoorder hierop ja, dan is de beoordeling afgerond. De arbeidsongeschiktheid is dan dus niet aan te merken als gevolg van zwangerschap of bevalling.

3. Indien geoordeeld wordt dat de klachten niet doorslaggevend onder 1 noch onder 2 vallen, dan wordt als voordeel van de twijfel aangenomen dat er een causaal verband is tussen de arbeidsongeschiktheid en de zwangerschap.

3.3

Deze beoordeling geschiedt analoog aan de beoordeling zoals die is voorgeschreven om vast te stellen of toegenomen arbeidsongeschiktheid uit ‘dezelfde oorzaak’ voortvloeit. Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3078) dient in dit verband buiten twijfel te staan dat de arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak. In de toelichting op de richtlijn onder het kopje: “Bijzondere situaties, Combinatie oorzaken voor arbeidsongeschiktheid?” staat vermeld dat de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de zwangerschap prevaleert als er sprake is van meerdere oorzaken voor arbeidsongeschiktheid.

4.1

De rechtbank stelt vast dat in de richtlijn lage rugklachten en pijn in de bekkenregio als voorbeelden bij categorie II genoemd worden. Hiervan uitgaande is volgens de richtlijn het causale verband tussen arbeidsongeschiktheid en zwangerschap/bevalling niet zonder meer duidelijk en dient een toets met behulp van de algemene criteria plaats te vinden.

4.2

De verzekeringsartsen zijn tot de conclusie gekomen dat de klachten van de werkneemster niet in overwegende mate het gevolg zijn van de zwangerschap/bevalling en zijn ervan uitgegaan dat sprake is van een andere oorzaak van de klachten, te weten een verkeerd gebruik van de spieren. Naar het oordeel van de rechtbank betekent het feit dat de klachten van de werkneemster mogelijk het gevolg zijn vanwege een verkeerd gebruik van haar spieren, nog niet dat dit in overwegende mate kan worden aangemerkt als een andere oorzaak. Zowel uit de informatie van de fysiotherapeut als van Mens volgt dat sprake is van bekkenproblemen. Van een duidelijke andere oorzaak voor de klachten van de werkneemster is niet gebleken. In dit verband is nog van belang dat vóór de zwangerschap

niet reeds sprake was van bekken- en/of rugklachten. Ook het op algemene uitgangpunten gebaseerde standpunt van de verzekeringsartsen dat na een jaar na de bevalling het niet aannemelijk is dat de bestaande klachten het gevolg zijn van zwangerschap en/of bevalling, is onvoldoende om ervan uit te gaan dat de ongeschiktheid van de werkneemster niet haar oorzaak vond in haar zwangerschap en/of bevalling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat, voor zover al de klachten niet in doorslaggevende mate als gevolg van de zwangerschap en/of bevalling zijn aan te merken, als voordeel van de twijfel had moeten worden aangenomen dat er een causaal verband is tussen de arbeidsongeschiktheid en de zwangerschap.

4.3

Het voorgaande betekent dat verweerder had moeten aannemen dat er een causaal verband bestaat tussen de arbeidsongeschiktheid en de zwangerschap en/of bevalling.

5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:51a van de Awb in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen, omdat nadere medische informatie over de situatie van de werkneemster op de datum in geding niet waarschijnlijk is. Omdat eiseres inmiddels is bevallen van een tweede kind, is ook een nader medisch onderzoek niet opportuun. De rechtbank ziet daarom aanleiding zelf in de zaak te voorzien en herroept met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb het primaire besluit. Daarmee vervalt de beëindiging van de ZW-uitkering.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu de gemachtigde werkzaam is bij eiseres. Een als gemachtigde optredende werknemer is geen derde in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaatst treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 333,- aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Fortuin, rechter, in aanwezigheid van I.M. Wijnker-Duiven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.