Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:3112

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
C/15/256325 / HA ZA 17-193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzekeraar doet geslaagd beroep op uitsluiting dekking schadeverzekering. Verzekerde heeft onvoldoende milieuzorg betracht, zoals omschreven in de uitsluitingsclausule

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/256325 / HA ZA 17-193

Vonnis van 18 april 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE WITTE WIEVEN B.V.,

gevestigd te Nunspeet,

eiseres,

advocaat mr. G. Janssen te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Alkmaar,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

Partijen zullen hierna De Witte Wieven en Reaal genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 februari 2017, met producties 1 tot en met 20;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4;

  • -

    het tussenvonnis van 21 juni 2017;

  • -

    productie 5 van Reaal;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 december 2017;

  • -

    de brief van 30 januari 2018 van De Witte Wieven, met bijlage 3 (tevens kleurenkopie);

  • -

    de akte van 14 februari 2018, met productie 21, van De Witte Wieven;

  • -

    het faxbericht van 13 februari 2018 van Reaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Witte Wieven exploiteert bungalowpark-camping ‘De Witte Wieven’ te Nunspeet (hierna ook: het park). Op het park is omstreeks 1980 een onverwarmd buitenzwembad gerealiseerd. Teneinde het zwemwater te desinfecteren is omstreeks 1990 een technische installatie geplaatst, waarin zwavelzuur en natriumhypochloriet (hierna: chloorbleekloog) worden bewerkt en verwerkt.

2.2.

Voornoemde installatie is geplaatst in de aanbouw van een afzonderlijk stenen gebouw (paardenstal) met een golfplaten dak nabij het zwembad. De technische installatie bestaat onder andere uit een kunststof opslagtank met een inhoud van 800 liter met daarin chloorbleekloog. Deze tank is voorzien van een vaste vulaansluiting. Onder de tank is een aftapleiding bevestigd met een nippel en een kunststofdop.

2.3.

Voor het beheren van deze installatie is door de gemeente Nunspeet op grond van de Wet Milieubeheer op 10 juni 1996 aan De Witte Wieven een vergunning verleend. Voor zover relevant is onder XVI van de vergunningvoorschriften opgenomen:

“1. De opslag van de chloorbleekloog en zoutzuur mag uitsluitend plaatsvinden in de daartoe bestemde en als zodanig op de bij deze vergunning behorende tekening aangegeven bewaarplaats.

2. Beide bewaarplaatsen moeten vloeistof- en dampdicht van elkaar zijn gescheiden.

3. Beide bewaarplaatsen moeten zijn voorzien van een vloeistofdichte vloer met rondom opstaande randen die een vloeistofdichte bak vormen die de gehele opgeslagen voorraad vloeistoffen kunnen bevatten. De vloeistofdichte bakken moeten bestand zijn tegen de inwerking van chloorbleekloog en zoutzuur.”

2.4.

Daarnaast dient het zwembad, inclusief de technische installatie, te voldoen aan de Wet hygiëne en veiligheid van badinrichtingen en zwemgelegenheden van de provincie Gelderland (Whvbz). De gemeente en de provincie verrichten in dat kader inspecties.

2.5.

Tussen de Witte Wieven en Reaal is een milieuschadeverzekering (hierna ook: de verzekeringsovereenkomst) gesloten, ingaande op 9 april 2010. De premie bedroeg € 165,- per jaar. Voor zover van belang is in de Algemene Voorwaarden (hierna: de polisvoorwaarden) het volgende opgenomen:

“3 Dekkingsomvang

3.1

Omschrijving van de dekking

In geval van verontreiniging zijn verzekerd:

  • -

    De kosten van sanering van de verzekerde locatie en de locatie van derden;

  • -

    Schade en kosten die het gevolg zijn van de sanering;

  • -

    Zaakschade die het gevolg is van de verontreiniging;

een en ander indien en voor zover de verontreiniging het gevolg is van een emissie die zich voordoet tijdens de looptijd van de verzekering en de verwezenlijking van deze emissie zijn oorsprong vindt op de verzekerde locatie. (…)

4 Uitsluitingen

4.4

Milieuzorg

De verzekering biedt geen dekking voor schade en kosten ontstaan bij of als gevolg van handelingen of gedragingen waarbij de verzekerde onvoldoende milieuzorg heeft betracht.

Deze uitsluiting geldt evenwel niet indien en voor zover de verzekerde aantoont dat de schade en/of kosten ook zou(den) zijn ontstaan indien hij wel voldoende milieuzorg zou hebben betracht.

Een verzekerde wordt in ieder geval geacht onvoldoende milieuzorg te betrachten indien hij in strijd handelt met de milieuvergunning of een voor een bedrijf geldende AMvB, of indien hij, ingeval van werkzaamheden bij derden, niet werkt op basis van de toepasselijke proces- en productcertificatie op grond van de Wet Milieubeheer (…)”.

2.6.

Op 15 april 2014 is de opslagtank met chloorbleekloog gevuld. Daarbij hebben zich geen problemen voorgedaan. Ongeveer twee uur later is door een medewerker van De Witte Wieven lekkage geconstateerd en dat er product onder de deur stroomde. Het bleek dat uit de tank chloorbleekloog was vrijgekomen in de opslagruimte en daarbuiten.

2.7.

De Witte Wieven heeft de gang van zaken gemeld bij (de tussenpersoon van) Reaal. Deze heeft Cunningham Lindsey (expert schadelast- en risicobeheersing) ingeschakeld om onderzoek te doen naar de oorzaak en de omvang van de schade. Cunningham Lindsey heeft de schadelocatie op 16 april 2014 bezocht (rapport I van 9 mei 2014 en rapport II van 17 juni 2014). In de rapporten wordt onder meer het volgende vermeld:

“Voor wat betreft de oorzaak van het vrijkomen van product kan worden gesteld dat dit moet zijn veroorzaakt door het loslaten van een dop van een aftapleiding onder het opslagvat van chloorbleekloog. Bij verzekerde had men geen vermoeden dat een dergelijke aftapplug zomaar los kon geraken. (…)

Oorzaak

Op grond van de thans beschikbare informatie kan worden gesteld dat verzekerde erop mocht vertrouwen dat de ter plaatse aanwezige badinrichting en technische installatie voldoende is uitgerust en daarom ook als zodanig in het kader van de vergunningen in juiste staat verkeerde. Verzekerde is er nimmer op gewezen dat de betreffende opslagruimte niet voldeed aan de daaraan gestelde eisen.

De oorzaak van het vrijkomen van chloorbleekloog moet worden gezocht in het falen van

een aftapleiding waarop een dop spontaan is losgekomen. Het losraken van de dop heeft niets te maken met het vullen van de tank. In ieder geval werd na het vullen van de tank geen lekkage vastgesteld. De lekkage is ongeveer 2 uur na het bevoorraden van de tank opgemerkt door de betreffende medewerker van verzekerde. Op dat moment was nagenoeg de gehele opslagtank met chloorbleekloog leeg, dat resulteerde in het vrijkomen van circa 700 liter. (…)

Door het vrijkomen van chloorbleekloog is er ter plaatse een grond- en grondwaterverontreiniging opgetreden.(…) De verontreiniging heeft zich verspreid langs het bestaande gebouw.”

2.8.

De Witte Wieven heeft aannemingsbedrijf Van Werven ingeschakeld, die op haar beurt Almad Eco B.V. voor milieukundige begeleiding heeft ingeschakeld. In de periode vanaf 16 april tot en met 25 april 2014 heeft bodemsanering plaatsgevonden. Er is afgegraven tot ongeveer 2 meter onder het maaiveld, over een oppervlakte van 57 m2.

2.9.

Almad Eco B.V. heeft een bodemonderzoek uitgevoerd (rapport van 11 juli 2014).

2.10.

Nadat De Witte Wieven Reaal te kennen heeft gegeven dat zij zich niet kan vinden in de conclusies van Cunningham Lindsey, heeft Reaal de kwestie ter herbeoordeling voorgelegd aan de Nederlandse Milieupool (e-mail 23 oktober 2014 van de heer [naam] van Milieupool).

2.11.

Hierop heeft KLAP makelaars en assurantiën, de tussenpersoon van Witte Wieven, het bureau Q & S Experts ingeschakeld om contra-expertise te verrichten en daarover te rapporteren (rapport van 25 augustus, 2016).

3 Het geschil

3.1.

De Witte Wieven vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    te verklaren voor recht dat Reaal jegens De Witte Wieven toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens De Witte Wieven uit de tussen De Witte Wieven en Reaal gesloten milieuschadeverzekeringsovereenkomst door geen dekking te verlenen voor de schade en kosten die samenhangen met het schadeveroorzakende incident van 15 april 2014, te vermeerderen met de wettelijke rente over het te bepalen bedrag, te rekenen vanaf de dag dat de kosten zijn gemaakt tot en met de datum waarop deze kosten door Reaal worden vergoed;

  • -

    te bepalen dat de schade van De Witte Wieven zal worden opgemaakt bij staat en zal worden vereffend volgens de wet, een en ander met inbegrip van de deskundigenkosten, de kosten van de sanering en nog nader te bepalen buitengerechtelijke kosten;

  • -

    een en ander met veroordeling van Reaal in de kosten van deze procedure.

3.2.

Reaal concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van De Witte Wieven in haar vorderingen, dan wel tot ongegrondverklaring, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van De Witte Wieven in de proceskosten, inclusief de nakosten, aan de zijde van Reaal.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen staat ter discussie of Reaal gehouden is om op grond van artikel 3.1 van de polisvoorwaarden dekking te verlenen voor de door De Witte Wieven ten gevolge van het incident op 15 april 2014 geleden schade en gemaakte kosten.

4.2.

Reaal acht zich daartoe niet gehouden en beroept zich op de uitsluiting van de dekking zoals vermeld in artikel 4.4 van de polisvoorwaarden. Reaal stelt dat De Witte Wieven onvoldoende milieuzorg, zoals omschreven in artikel 4.4. van de polisvoorwaarden, heeft betracht.

4.3.

De Witte Wieven betwist dat zij onvoldoende milieuzorg heeft betracht. Dat de vloer van opslagruimte vloeistof doorlatend zou zijn geweest is nooit onderzocht en dit kan ook nergens uit worden afgeleid. Volgens De Witte Wieven blijkt uit de rapportage van Almad Eco B.V. dat een niet-vloeistofdichte vloer in dit geval de chloorbleekloog tot onder het gebouw zou doen hebben laten wegstromen, hetgeen niet het geval is geweest. De lekkage heeft geen verontreiniging van de bodem onder het pand veroorzaakt. Het chloorbleekloog is kennelijk uit de opslagruimte weggevloeid naar buiten en heeft de om het gebouw liggende grond verontreinigd.

Bovendien was op het moment van de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst de voorwaarde van een vloeistofdichte vloer al komen te vervallen. Naar aanleiding van de controle van 12 december 2007 door de milieudienst van de gemeente Nunspeet is in de brief van de gemeente van 17 december 2007 het volgende opgenomen:

“4. Omdat de vloer visueel vloeistof kerend is en u voldoende opvangcapaciteit heeft (hierdoor sluit u de verplichting voor vloeistofdichtheid uit) moet u volgens voorschrift 3.3.3. een procedure voor incidentenmanagement aanwezig hebben.(…)”

Dit bericht moet volgens De Witte Wieven als bindend worden aangemerkt. Aangetoond is dat de procedure voor incidentenmanagement sedertdien aanwezig was en is gebleven. Verdere controles hebben niet geleid tot kritische opmerkingen omtrent de opslag van chloorbleekloog. Door de verschillende experts is geconstateerd dat De Witte Wieven erop mocht vertrouwen dat de ter plaatse aanwezige badinrichting en technische installatie voldoende is/was uitgerust en daarom ook als zodanig in het kader van de geldende vergunning in juiste staat verkeerde, aldus De Witte Wieven.

4.4.

Reaal stelt dat De Witte Wieven in strijd met de milieuvergunningsvoorschriften heeft gehandeld doordat de vloer van de opslagplaats niet vloeistofdicht en vloeistof kerend was. Dit leidt Reaal af uit het feit dat er chloorbleekloog in de grond is aangetroffen. De stellingen van De Witte Wieven over onder andere het vertrouwen dat zij mocht ontlenen aan het bericht van 17 december 2007 van de gemeente Nunspeet en alle maatregelen die zij in het kader van milieuzorg stelt te hebben genomen zijn niet relevant voor de beoordeling van de dekking.

Uit rapport I van Cunningham Lindsey blijkt dat het chloorbleekloog wel degelijk in korte tijd tot het grondwater is gezakt en dat dit zich ook bevond onder (een deel) van de opslagplaats. Als de vloer vloeistofdicht en vloeistof kerend zou zijn geweest en er voldoende opvangcapaciteit was, zou dit niet zijn gebeurd. Het lijkt erop dat de gemeente het in 2007 voldoende vond dat de vloer visueel vloeistof kerend was en het niet nodig vond verder onderzoek te verrichten. Dit laat echter onverlet dat de voorschriften bij de door de gemeente verleende vergunning vereisen dat de vloer daadwerkelijk vloeistofdicht is. Ook overigens zonder deze vergunningsvoorschriften zou De Witte Wieven onvoldoende milieuzorg hebben betracht, aldus Reaal.

4.5.

Reaal beroept zich op uitsluiting van de dekking, zoals omschreven in artikel 4.4 van de polisvoorwaarden, stellende dat De Witte Wieven onvoldoende milieuzorg heeft betracht. De Witte Wieven heeft die stelling gemotiveerd betwist. Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv berust de bewijslast van haar stelling op Reaal.

4.6.

Voor de beoordeling van het bewijs is van belang welke milieuvoorschriften voor De Witte Wieven golden ten tijde van het incident. Regio Noord-Veluwe heeft op verzoek van de gemeente Nunspeet op 12 december 2007 een bedrijfsbezoek aan De Witte Wieven gebracht. Doel van het bezoek was onder meer om na te gaan in hoeverre werd voldaan aan de voorschriften uit de vergunning van de gemeente uit 1996. Hiervoor is onder 4.3 aangehaald, wat door De Witte Wieven uit het verslag van 17 december 2007 van Regio Noord-Veluwe is geciteerd. De volledige tekst van het desbetreffende onderdeel van dat bericht luidt als volgt:

“XVI Voorschriften voor de zweminrichting

(…)

In voorschrift XVI. 3 staat dat beide bewaarplaatsen moeten zijn voorzien van een

vloeistofdichte vloer met rondom opstaande randen. De opslagplaatsen van chloorbleekloog en zoutzuur dienen te voldoen aan de PGS 15. In de PGS 15 staan voorschriften waaraan deze opslagplaatsen moeten voldoen. De volgende opmerkingen zijn hierover te plaatsen:

  1. De opslagruimten zijn niet voldoende brandwerend, namelijk de deuren hebben geen WBDBO van minimaal 60 seconden. Ook de dakconstructie is niet voldoende brandwerend (VS 3.2). In de PGS 15 wordt vermeld dat in bestaande situaties de eisen uit de vigerende bouw en milieuvergunningen gelden. Hierdoor zijn er geen veranderingen noodzakelijk vanuit bouwkundig oogpunt. Als advies willen wij meegeven dat de conditie waarin de opslag op dit moment plaatsvindt niet onze voorkeur geniet.

  2. De ventilatie / afzuiging van de opslagplaats is niet voldoende (vs 3.7.1).

  3. Er zijn geen brandblusmiddelen in de nabijheid aanwezig (vs 3.15.2).

  4. Omdat de vloer visueel vloeistofkerend en u voldoende opvangcapaciteit heeft (hierdoor sluit u de verplichting voor vloeistofdichtheid uit) moet u volgens voorschrift 3.3.3 een procedure voor incidentenmanagement aanwezig hebben.
    Helaas hebben wij dit bij het controlebezoek niet aangetroffen.

Door de provincie Gelderland is op 28 augustus 2007 een inspectie uitgevoerd bij uw

zwembad. Ten tijde van deze inspectie is geconstateerd dat de badinrichting aan alle

voorschriften van het besluit Hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden

(Bhvbz) voldeed. Wij willen benadrukken dat deze inspectie alleen betrekking had op de

kwaliteit van het zwemwater en de veiligheid van het zwembad. Deze inspectie is niet

uitgevoerd op de opslagruimte met betrekking tot zoutzuur en chloorbleekloog.”

De onder 4. vermelde opmerking ziet op het niet aantreffen van een procedure voor incidentenmanagement. Uit die opmerking kan en mag niet worden afgeleid dat het vergunningsvoorschrift van het hebben van een vloeistofdichte vloer zou zijn vervallen. Anders dan De Witte Wieven als verweer aanvoert, is daarom naar het oordeel van de rechtbank het bericht van Regio Noord-Veluwe van 17 december 2007 onvoldoende om aan te nemen dat de vergunningsvoorschriften uit 1996 bindend zijn gewijzigd.

4.7.

Dat betekent dat op 15 april 2014 nog het vergunningsvoorschrift gold dat De Witte Wieven ervoor diende te zorgen dat de vloer van de opslagruimte was voorzien van een vloeistofdichte vloer met rondom opstaande randen die een vloeistofdichte bak vormen die de gehele opgeslagen voorraad vloeistoffen kunnen bevatten. Deze vloeistofdichte bak moest bestand zijn tegen de inwerking van chloorbleekloog en zoutzuur.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Reaal haar stelling, dat hier geen sprake van was, voorshands bewezen. Vast staat immers dat er chloorbleekloog in de grond en het grondwater is terechtgekomen. Indien de vloer vloeistofdicht zou zijn geweest (met rondom opstaande randen die een vloeistofdichte bak zouden hebben gevormd), dan zou de chloorbleekloog nooit in de bodem kunnen zijn doorgedrongen. Geen van partijen heeft een opmerking gemaakt over de (hoogte van) de opstaande rand, maar gelet op het vorenstaande is ook niet relevant om na te gaan of de opstaande rand voldeed. De vloer en de opstaande randen hebben kennelijk samen geen vloeistofdichte bak gevormd die de gehele voorraad vloeistof kon bevatten. De rechtbank concludeert dan ook dat De Witte Wieven het geldende vergunningsvoorschrift niet heeft nageleefd.

4.8.

De rechtbank wil zonder meer aannemen dat De Witte Wieven te goeder trouw is geweest en geen aanleiding had om te veronderstellen dat de vloer niet aan de vergunningsvoorwaarden voldeed. Dat maakt het voorgaande echter niet anders. Allereerst moet worden opgemerkt dat de visuele controle door Regio Noord-Veluwe meer dan zes jaar voor het incident heeft plaatsgevonden. Belangrijker is echter dat de controle door instanties De Witte Wieven niet ontslaat van haar eigen verplichting om aan de voorschriften te voldoen. Gezien het incident is dat kennelijk niet (voldoende) het geval geweest. Reaal stelt terecht dat het de eigen verantwoordelijkheid van De Witte Wieven als verzekerde is om te handelen conform de volgens de polis vereiste milieuzorg.

4.9.

De rechter heeft tijdens de comparitie van 20 december 2017 aangegeven dat De Witte Wieven desgewenst in de gelegenheid zal worden gesteld tot het leveren van tegenbewijs. De advocaat van De Witte Wieven heeft vervolgens verklaard te gaan onderzoeken of er aanknopingspunten zijn waarmee aangetoond kan worden dat er een andere oorzaak is geweest waardoor de vloeistof buiten het gebouw is terechtgekomen.

4.10.

Bij akte van 14 februari 2018 verzoekt De Witte Wieven de rechtbank vervolgens haar de gelegenheid te bieden (nader) bewijs te leveren met betrekking tot de zorg die zij aan de dag heeft gelegd om een incident, zoals dat op 15 april 2014 heeft plaatsgevonden, te voorkomen. Als uitgangspunt verwijst De Witte Wieven naar de offerte van 14 oktober 1999 en de opdrachtbevestiging van 30 augustus 2000, met betrekking tot de opslag van chemicaliën, waarbij is overeengekomen dat in

‘de chloorruimte een muur moet worden gemetseld, zodat de inhoud van de tank opgevangen kan worden.

De chloor en zwavelzuurruimte’s moeten betegeld worden, zodat de inhoud niet door de vloer c.q. wanden kan weg vloeien’.

Volgens De Witte Wieven is de opslagruimte als zodanig uitgevoerd. Zij wenst een aantal nader genoemde getuigen te laten horen.

4.11.

De rechtbank is met Reaal van oordeel dat dit verzoek van De Witte Wieven moet worden afgewezen. De Witte Wieven had de gelegenheid en zou gaan onderzoeken of er aanknopingspunten zijn waarmee aangetoond kan worden dat er een andere oorzaak is geweest waardoor de vloeistof buiten het gebouw is terechtgekomen. Daarop gaat zij in haar akte echter niet in.

Het bewijs dat nu wordt aangeboden ziet op de zorg die De Witte Wieven aan de dag heeft gelegd om een dergelijk incident te voorkomen. Gelet op wat de rechtbank ter zitting en hiervoor in dit vonnis heeft overwogen, is dat niet relevant voor de beantwoording van de vraag of De Witte Wieven op 15 april 2014 aan de vergunningsvoorschriften voldeed.

4.12.

De rechtbank concludeert derhalve dat Reaal terecht een beroep doet op de uitsluiting van artikel 4.4 van de polisvoorwaarden.

Dat leidt ertoe dat de vorderingen van De Witte Wieven zullen worden afgewezen.

4.13.

De Witte Wieven B.V. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Reaal worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.522,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van De Witte Wieven af,

5.2.

veroordeelt de Witte Wieven in de proceskosten, aan de zijde van Reaal tot op heden begroot op € 1.522,00,

5.3.

veroordeelt De Witte Wieven in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat De Witte Wieven niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling (5.2 en 5.3) uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2018.1

1 type: RvD coll: LJS