Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:3017

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
C/15/265897 / FA RK 17-6326
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontkenning vaderschap van overleden Nederlandse vader en vaststelling vaderschap van overleden Duitse vader

Het kind, inmiddels 75 jaar, vraagt ontkenning vaderschap van zijn (inmiddels overleden) huwelijkse vader, alsmede vaststelling vaderschap van zijn (inmiddels overleden) biologische vader.

In de eerste beschikking van de rechtbank zien de door de rechtbank te beantwoorden vragen o.a. op de tot standkoming van vaderschap in de jaren 40 van de 20e eeuw, waarbij begrippen als natuurlijk kind en wettiging een rol spelen. Het verzoek ontkenning is te laat ingediend: afwijking van deze termijn op grond van 8 EVRM. Toewijzing van het verzoek tot ontkenning van het vaderschap. In de tweede beschikking gaat het om vaststelling van het vaderschap van een Duitse vader die inmiddels is overleden. De enige dochter, ook op leeftijd en woonachtig in Duitsland, is belanghebbende. Zij verzet zich tegen eventueel op te dragen DNA-onderzoek. De rechtbank houdt de zaak meerdere malen aan om de dochter in de gelegenheid te stellen de vragen van de rechtbank te beantwoorden. De dochter geeft uiteindelijk via haar advocaat aan de vragen niet te willen en kunnen beantwoorden. De rechtbank doet de zaak op de stukken af en stelt het vaderschap gerechtelijk vast, omdat er geen reden tot twijfel is dat de man de verwekker is van verzoeker. Zie ECLI:NL:RBNHO:2019:4400

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

ontkenning vaderschap

zaak-/rekestnr.: C/15/265897 / FA RK 17-6326

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 11 april 2018

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [plaats] ,

hierna mede te noemen: verzoeker,

advocaat: mr. C.H.P. Groot-van Ederen, kantoorhoudende te Alkmaar,

strekkende tot gegrondverklaring van de ontkenning van het door huwelijk ontstaan vaderschap van:

[naam 1] ,

overleden op [datum] te [plaats] ,

hierna mede te noemen: [naam 1] ,

en voorts strekkende tot vaststelling van het vaderschap van:

[naam 2] ,

overleden op [datum] in [plaats] ,

hierna mede te noemen: [naam 2] .

waarbij in de zaak met betrekking tot de vaststelling van het vaderschap belanghebbende is:

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats] , Duitsland,

hierna mede noemen: [belanghebbende] , dochter van [naam 2] ,

advocaat: J. Praun, Rechtsanwalt te Chieming, Duitsland.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen van verzoeker, ingekomen op 30 oktober 2017;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van verzoeker van 7 november 2017;

- de brief, met bijlage, van de advocaat van [belanghebbende] van 13 december 2017, per fax ingekomen op 13 december 2018 en per post op 18 december 2017;

- de brief van deze rechtbank van 22 januari 2018 aan de advocaat van [belanghebbende] .

1.2

De behandeling van de zaak met betrekking tot het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 maart 2018 in aanwezigheid van verzoeker, bijgestaan door mr. C.H.P. Groot-van Ederen. Voorts zijn verschenen de echtgenote van verzoeker, [echtgenote van verzoeker] , de dochter van verzoeker, [dochter van verzoeker] , en de kleindochter van verzoeker, [kleindochter van verzoeker]

.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Verzoeker is op [datum] te [plaats] geboren uit de ongehuwde [de moeder] (hierna: de moeder). Van deze geboorte is ten tijde van de geboorte geen aangifte gedaan, noch een geboorteakte opgemaakt.

[naam 1] is op [datum] te [plaats] met de moeder gehuwd, bij welke gelegenheid verzoeker volgens het destijds geldende recht door [naam 1] en de moeder is erkend en door het huwelijk is gewettigd.

Bij beschikking van de rechtbank Alkmaar van 16 april 1949 heeft de rechtbank bevolen dat het lopende register der geboorten der gemeente [plaats] wordt aangevuld met een akte inhoudende, dat op [datum] te [plaats] , is geboren een kind van het mannelijk geslacht genaamd: [verzoeker] uit de ongehuwde [de moeder] .

Op [datum] is [naam 1] voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats] verschenen, alwaar [naam 1] genoemde beschikking ter inschrijving heeft aangeboden en de ambtenaar vervolgens de registers van de burgerlijke stand heeft aangevuld met de geboorte van verzoeker, onder vermelding van het huwelijk van [naam 1] en de moeder, waarbij verzoeker is erkend en gewettigd.

2.2

Uit de basisregistratie personen blijkt dat [naam 1] is overleden op [datum] te [plaats] .

3 Verzoeken

3.1

Verzoeker verzoekt gegrondverklaring van de ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap van [naam 1] , alsmede gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [naam 2] .

3.2

Ter onderbouwing van zijn verzoeken heeft verzoeker onder meer het volgende aangevoerd.

De moeder was ten tijde van de geboorte van verzoeker 18 jaar oud. Verzoeker woonde met de moeder bij zijn grootouders op [plaats] . Hij werd destijds ‘ [roepnaam] ’ genoemd. Nadat de moeder in 1948 met [naam 1] trouwde, werd hij [roepnaam] genoemd. Uit de inschrijving van de geboorte van verzoeker is hem recentelijk gebleken dat hij pas in 1949 in de registers is ingeschreven. Uit de beschikking van de rechtbank Alkmaar van 16 april 1949 is gebleken dat dit door de rechtbank op verzoek van [naam 1] is gelast. Blijkens die beschikking en het daarbij behorende dossier moest de geboorte van verzoeker destijds door getuigenbewijs worden bevestigd. Verzoeker heeft eerst op 10 oktober 2017 kennis genomen van genoemde beschikking, die door zijn advocaat is opgevraagd uit het archief. Uit het dossier is gebleken dat van de geboorte van verzoeker nimmer aangifte is gedaan en dat dit dus pas door [naam 1] in 1949 is gedaan.

Verzoeker heeft aangevoerd dat hij zich nooit thuis heeft gevoeld bij [naam 1] . Verzoeker leek niet op [naam 1] , noch op zijn twee halfbroers. Ook vond verzoeker het altijd vreemd dat hij “ [roepnaam] ” werd genoemd. [naam 1] was een tiran en duldde geen tegenspraak. In de jaren tachtig heeft de tante van verzoeker hem een brief geschreven waarin zij aangeeft dat [naam 1] niet zijn biologische vader is. De moeder kreeg destijds een relatie met een officier van de Wehrmacht, [naam 2] , die in het huis van haar ouders op [plaats] was ingekwartierd. [naam 2] kwam in krijgsgevangenschap terecht en keerde pas in 1947 in Duitsland terug. De bedoeling van [naam 2] was om de moeder en verzoeker naar Duitsland te laten komen, maar dat heeft grootvader [naam 2] verhinderd door de moeder een brief te schrijven dat zij beter op [plaats] kon blijven, omdat het daar qua eten beter gesteld was en er bij de [naam 2] familieleden inwoonden. Kort daarna leerde de moeder [naam 1] kennen, met wie zij vervolgens is gehuwd. De moeder heeft het verhaal van de tante eerst lange tijd ontkend. Pas later heeft zij het verhaal van de tante bevestigd en verzoeker foto’s laten zien van [naam 2] . Verzoeker heeft [naam 2] na lang zoeken in Duitsland gevonden, waar hij een openbare functie bekleedde, te weten die van burgemeester. In september 1986 heeft [naam 2] een korte brief aan verzoeker geschreven en daarbij een aantal oude foto’s van hemzelf gevoegd. Verzoeker is vervolgens jaarlijks bij [naam 2] op bezoek gegaan, tot aan diens dood in 2015. De moeder heeft in 1987 een brief aan [naam 2] geschreven, waarvan verzoeker de inhoud niet kent. Wel heeft verzoeker de brief in bezit die [naam 2] als antwoord op die brief aan de moeder heeft geschreven, waarin [naam 2] aan de moeder aangeeft dat het zo anders had kunnen lopen, maar dat het lot anders bepaalde en dat hij niets wist van de brief die zijn vader kort na de oorlog aan de moeder had geschreven. [naam 2] geeft in de brief aan blij te zijn met het contact met verzoeker. Maar omdat [naam 2] niet vrij en onbevangen kan handelen zonder onvrede te veroorzaken, moesten ze maar verstandig alles overdenken, zoals [naam 2] schrijft.

Verzoeker is van mening dat vaststaat dat [naam 1] niet zijn biologische vader is, zodat niets de ontkenning vaderschap in de weg staat. Er is geen belang om nog aan de juridische werkelijkheid vast te houden, nu [naam 1] niet meer leeft en verzoeker geen enkel contact heeft met zijn halfbroers. Verzoeker was door zijn kindheid en jeugd zwaar getraumatiseerd en kon daardoor niet eerder de stap nemen om het vaderschap van [naam 1] te ontkennen. Ook wilde verzoeker de goede band met [naam 2] niet in gevaar brengen door van het vaderschap een zaak te maken. Voor verzoeker is het evenwel van groot emotioneel belang dat het vaderschap van [naam 1] -de grote leugen, de tirannie- een einde neemt. Verzoeker is een kind van de destijds Duitse bezetter en daarover moest later gezwegen worden. Verzoeker wilde zijn moeder beschermen en heeft lange tijd nodig gehad om het verzoek in te dienen. Verzoeker heeft veel te verwerken gehad. Zelfs zijn oorspronkelijke naam [roepnaam] (naar de gesneuvelde broer van [naam 2] ) is gewijzigd in [roepnaam] . Verzoeker had met [naam 2] een emotionele band en stelt recht te hebben op bescherming van ‘family life’ zoals neergelegd in artikel 8 EVRM. Weliswaar is het verzoek te laat ingediend, maar het vasthouden aan die termijn betekent een niet te rechtvaardigen inmenging in het familylife van verzoeker. Ook vanuit het oogpunt van geschiedvervalsing dient de juridische waarheid in overeenstemming te worden gebracht met de sociale en feitelijke werkelijkheid.

De overgangstermijn van drie jaar (volgens het overgangsrecht eindigend in 2001) kan in dit geval buiten toepassing worden gelaten, nu de toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Voorts heeft verzoeker recht op en belang bij de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [naam 2] . Verzoeker wil zijn naam dragen en zijn afstamming niet langer verloochenen. Gezien de broze band van verzoeker met [naam 2] en de positie van [naam 2] in zijn publieke functie, was het niet mogelijk om zonder verstoring en wellicht zelfs het verbreken van de band met [naam 2] , gerechtelijke vaststelling vaderschap te verzoeken.

Verzoeker stelt dat middels de brieven van [naam 2] is bewezen hij zijn biologische vader is, reden waarom verzoeker de rechtbank verzoekt geen DNA-onderzoek te gelasten en tot vaststelling van het vaderschap over te gaan.

4 Verweer

4.1

Namens de dochter van [naam 2] , mevrouw [belanghebbende] , is bij brief van 13 december 2017 gereageerd op de verzoeken van verzoeker. Daarbij is het volgende aangevoerd.

[belanghebbende] ontbeert de kennis ten aanzien van het vaderschap van [naam 1] met betrekking tot verzoeker. [belanghebbende] is de dochter van [naam 2] en geboren in 1957, dus na verzoeker, die in 1943 is geboren. [belanghebbende] is van mening dat verzoeker zijn verzoek tot vaststelling van het vaderschap had kunnen indienen tijdens het leven van [naam 2] en zich tot [naam 2] zelf had moeten wenden. [belanghebbende] is strikt tegen het gelasten van een DNA-onderzoek. Voorts heeft [belanghebbende] aangevoerd dat het enige geld dat [naam 2] heeft nagelaten is gebruikt voor boedelschulden. Het stuk grond dat [naam 2] in bezit had is reeds in 2003 aan [belanghebbende] overgedragen.

5 Beoordeling

5.1

De rechtbank zal als eerste stap het verzoek van verzoeker tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap met betrekking tot [naam 1] behandelen. Dit omdat een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap met betrekking tot [naam 2] eerst kan worden behandeld indien er een toewijzende beslissing is inzake de ontkenning van het vaderschap van [naam 1] , die in kracht van gewijsde is gegaan.

5.2

Om over te kunnen gaan tot ontkenning van een door het huwelijk ontstaan vaderschap dient eerst vast te komen staan dat er sprake is van een door huwelijk ontstaan vaderschap. Dit dient te worden beoordeeld aan de hand van de wetgeving, geldend in jaren 1943 tot en met 1949. Verzoeker is geboren uit de moeder. Zij was destijds ongehuwd. Gesteld noch gebleken is dat er sprake was van bloedschennis of overspel. Verzoeker heeft dan ook vanaf zijn geboorte te gelden als een natuurlijk kind. Een natuurlijk kind kon destijds worden erkend en vervolgens worden gewettigd door het huwelijk. In het onderhavige geval is de erkenning door zowel de moeder als [naam 1] gedaan op de dag van hun huwelijk, [datum] , waarbij verzoeker tevens de achternaam van [naam 1] heeft gekregen. Verzoeker is op grond van de toen geldende wetgeving door dit huwelijk gewettigd en heeft daarbij dezelfde status verkregen als een kind dat staande het huwelijk is geboren. Derhalve is de juiste weg om het vaderschap te laten beëindigen de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap te verzoeken.

5.3

In artikel 1:200 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat het door huwelijk ontstaan vaderschap kan worden ontkend door het kind op de grond dat de man niet de biologische vader is van het kind. Het kind dient het verzoek in te dienen binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is.

5.4

De rechtbank stelt vast dat verzoeker zijn verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap te laat heeft ingediend. Genoemde mogelijkheid voor een kind om een door het huwelijk ontstaan vaderschap aan te tasten, is echter eerst op 1 april 1998 in de wet opgenomen. Hoewel verzoeker reeds in de jaren ’80 heeft vernomen dat [naam 1] vermoedelijk zijn biologische vader niet is, bestond er voor hem op dat moment geen mogelijkheid dit vaderschap te ontkennen. Gelet op het destijds geldende overgangsrecht bestond voor verzoeker slechts de mogelijkheid om van 1 april 1998 tot 1 april 2001 een verzoek in te dienen om het vaderschap te ontkennen. De rechtbank dient derhalve de vraag te beantwoorden of een niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding achterwege dient te blijven, omdat het vasthouden aan deze termijnen een ongerechtvaardigde inmenging in het family life van betrokkene oplevert en in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Ter zitting heeft verzoeker aangegeven dat in het gezin van vader [naam 1] waarin hij opgroeide sprake was van tirannie en angst. Verzoeker heeft nimmer vragen durven stellen over de dingen die hij voelde of niet begreep. Verzoeker heeft ernstig te leiden gehad onder de tirannie en de leugens, ontwikkelde een minderwaardigheidscomplex, was depressief en had suïcidale gedachten. De ontmoeting met zijn huidige echtgenote en het krijgen van een eigen gezin heeft verzoeker er weer bovenop geholpen. Er kwam echter nooit antwoord op de vragen waarom hij ook [roepnaam] werd genoemd en waarom hij tot zijn zesde jaar bij zijn opa en oma opgroeide. De oorlog had binnen de familie veel invloed en allerlei zaken werden verzwegen. Nadat verzoeker op latere leeftijd toch meer vragen ging stellen, viel hem op dat [naam 1] pas na de oorlog uit Polen terug was gekeerd, terwijl verzoeker in 1943 is geboren. Verdere antwoorden bleven echter uit.

Verzoeker heeft, nadat hij [naam 2] in Duitsland had gevonden, ook een goed contact opgebouwd met mevrouw [belanghebbende] , de dochter van [naam 2] . Zij heeft verzoeker op Facebook zelf aangeduid als ‘broertje’. Verzoeker heeft, ook samen met zijn gezin, [belanghebbende] regelmatig in Duitsland bezocht, ook nadat [naam 2] was overleden. Verzoeker heeft benadrukt dat het contact met [belanghebbende] hem dierbaar is, en dat het hem in deze procedure nadrukkelijk niet te doen is om een mogelijke erfenis te verkrijgen.

De rechtbank merkt op dat het stellen van termijnen in beginsel gerechtvaardigd is (EHRM, zaak Rasmussen, 29 november 1984 NJ 1986, 4). De wetgever heeft bij artikel 1:200 BW gekozen voor een termijnstelling vanuit het oogpunt van rechtszekerheid (Kamerstukken II, 24 649, nr. 3. blz. 17). De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak geen belang is gediend bij handhaving van de gestelde termijn. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat [naam 1] niet de biologische vader van verzoeker kan zijn. Niet valt in te zien dat de termijn in deze zaak dient ter bescherming van de belangen van het kind, zijnde verzoeker. Integendeel, zijn belangen verzetten zich juist tegen de termijnstelling. Evenmin valt in te zien welk belang de rechtszekerheid dient, nu [naam 1] is overleden en er verder niemand is die wenst dat de wettelijke presumptie van vaderschap blijft gehandhaafd, terwijl er ook anderszins geen zwaarwegende redenen zijn die de aantasting van het vaderschap in de weg staan. De rechtbank acht dan ook voldoende rechtvaardiging aanwezig om van de gestelde termijn af te wijken en verzoeker ontvankelijk te achten in zijn verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap.

5.5

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek als op de wet gegrond kan worden toegewezen.

5.6

De ontkenning van het vaderschap werkt terug tot de geboorte. Nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, zal verzoeker dan ook alleen in een familierechtelijke betrekking staan tot zijn moeder en haar geslachtsnaam dragen: [geslachtsnaam] .

5.7

De rechtbank zal de zaak met betrekking tot het verzoek van verzoeker om vaststelling van het vaderschap ten aanzien van [naam 2] aanhouden totdat de beslissing inzake de ontkenning van het vaderschap met betrekking tot [naam 1] in kracht van gewijsde is gegaan. De rechtbank zal vervolgens beslissen over de verdere voortgang van de procedure.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

verklaart gegrond de ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap van [naam 1] , geboren op [datum] te [plaats] , overleden op [datum] te [plaats] , met betrekking tot:

- [verzoeker], geboren op [datum] te [plaats];

6.2

draagt de griffier - op grond van artikel 1:20 e lid 1 BW - op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking -en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld- een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats];

6.3

houdt de behandeling van de zaak met betrekking tot het verzoek van verzoeker tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap aan tot een nader te bepalen datum, nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, in tegenwoordigheid van H.M. Zonneveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2018.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.