Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:2899

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4169
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag politiemedewerker wegens dronken rijden houdt stand. Niet geloofwaardig dat iemand anders zou hebben gereden. Het ontslag is niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim, gelet op de betekenis hiervan voor het functioneren van betrokkene binnen de politiedienst en de terecht gestelde eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid van politieambtenaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/4169

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. van der Steeg),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. I.E.H. Versteijlen).

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser per direct de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Subsidiair heeft verweerder eiser ontslag verleend wegens het ontberen van de vereiste geschiktheid, mentaliteit of instelling voor het door hem beklede ambt.

Bij besluit van 2 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en C. Spel.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser was sinds 2000 werkzaam als hoofdagent. Op 4 september 2015, om 04.45 uur is eiser door politieambtenaren naast zijn auto langs de Ringweg A10 aangetroffen. Zijn auto lag op zijn kant tegen een boom. Eiser is meegenomen naar het politiebureau voor een blaastest. Daaruit bleek dat eiser te veel alcohol had gedronken om een auto te besturen (585 Ug/l).

1.2

Eiser heeft zijn leidinggevende op 7 september 2015 op de hoogte gesteld van het gebeurde. Verweerder heeft vervolgens een intern onderzoek gestart. De afdeling Veiligheid Integriteit en Klachten (VIK) heeft op 29 oktober 2015 rapport uitgebracht.

1.3

Op 9 maart 2016 heeft verweerder eiser meegedeeld voornemens te zijn hem strafontslag op te leggen. Tevens is eiser met onmiddellijke ingang geschorst. Eiser heeft een zienswijze ingediend en bezwaar gemaakt tegen de schorsing. Vervolgens heeft verweerder besloten zoals hiervoor vermeld onder Procesverloop.

2. Verweerder heeft het strafontslag gebaseerd op het standpunt dat eiser ernstig plichtsverzuim te verwijten valt, bestaande uit het onder invloed van alcohol zijn auto besturen, doorgaand gedrag ten aanzien van alcohol in het verkeer, het zich recalcitrant gedragen tegenover collega’s en het niet transparant zijn door niet onmiddellijk bij de leidinggevende melding te maken van het incident.

3. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat niet hij, maar [naam 1] de auto heeft bestuurd. [naam 1] had hij de avond ervoor in het café leren kennen. Deze [naam 1] is na het ongeluk weggerend. Eiser heeft erop gewezen dat hij strafrechtelijk is vrijgesproken, omdat er geen dan wel onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was voor de verdenking dat eiser onder invloed van alcoholhoudende dranken een auto zou hebben bestuurd. Nu het bij de strafrechter ging om een beoordeling van hetzelfde feitencomplex getuigt het van onzorgvuldige besluitvorming dat verweerder het oordeel van het OM (dat vrijspraak had gevraagd) en de strafrechter naast zich neerlegt. Daarnaast biedt het dossier onvoldoende grond voor de overtuiging dat eiser voorafgaande aan het ongeval de auto heeft bestuurd. Eiser heeft er in dit kader op gewezen dat door toedoen van verweerder bewijs voor het gestelde plichtsverzuim dan wel de ontkenning daarvan verloren is gegaan. Met betrekking tot de verklaring van [naam 2] (eigenaar café “ [naam 3] ”) heeft eiser opgemerkt dat deze zich sommige dingen wel en andere niet herinnert. Dat mag niet in het nadeel van eiser werken.

Eiser heeft voorts betoogd dat het onderzoek van verweerder onvoldoende zorgvuldig en onvolledig is geweest, terwijl hij vanaf het begin af een alternatief scenario heeft geschetst. Het ligt niet in de macht van eiser camerabeelden op te vragen, of onderzoek te laten verrichten aan zijn auto. De feiten waarvan hij verdacht wordt zijn volgens hem niet onomstotelijk dan wel onvoldoende vast komen te staan.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van eiser dat niet hij maar ene [naam 1] heeft gereden niet geloofwaardig is. Verweerder heeft daarbij onder meer gewezen op de omstandigheid dat de (auto)sleutels van eiser werden gevonden in de buurt van de auto, in de tegenovergestelde richting van de richting waarin [naam 1] volgens eiser was weggerend. Verder acht verweerder het niet geloofwaardig dat eiser zijn auto zo maar ter beschikking zou stellen aan een vreemde om mee naar Amsterdam te rijden. Voorts heeft de café-eigenaar verklaard dat hij geen [naam 1] kent als (vaste) klant en dat hij niet weet of eiser het café samen met iemand heeft verlaten. Met betrekking tot de vrijspraak heeft verweerder erop gewezen dat de Officier van Justitie en de strafrechter niet de beschikking hadden over de interne onderzoeksresultaten.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van de CRvB van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) gelden in het ambtenarentuchtrecht niet die strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven is wel noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Het gegeven dat eiser door de strafrechter wegens gebrek aan bewijs is vrijgesproken van het hem ten laste gelegde betekent volgens eveneens vaste rechtspraak van de CRvB (uitspraak van 15 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0297) niet dat geen sprake kan zijn van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven. De bestuursrechter beoordeelt de merites van het door verweerder gestelde plichtsverzuim van eiser in beginsel los van wat de rechter in het strafproces heeft geoordeeld en overwogen. Daarbij komt dat in het onderhavige geval uit het (mondelinge) vonnis van de politierechter niets kan worden afgeleid over de reden van vrijspraak.

5.2

De vraag of de overtuiging is verkregen dat eiser met te veel alcohol op een auto bestuurd heeft, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Daartoe is het volgende redengevend.

5.2.1

Eiser heeft verklaard dat hij de avond van 3 september 2015 in café “ [naam 3] ” voetbal heeft gekeken en flink heeft gedronken. Hij raakte in gesprek met “ [naam 1] ” die hem op enig moment heeft gevraagd of hij een auto had, omdat hij een vriend wilde ophalen uit Amsterdam. Eiser heeft verklaard dat hij erin heeft toegestemd dat ze met zijn auto deze vriend zouden gaan ophalen en dat [naam 1] zou rijden, omdat hijzelf te veel gedronken had. Verder heeft eiser verklaard dat [naam 1] na het ongeluk is weggerend, in de richting van het VUmc. Eiser heeft er voor gekozen niet verder achter hem aan te gaan, maar bij zijn auto te blijven in afwachting van de politie. Eiser heeft ook verklaard dat hij [naam 2] enige dagen na het gebeurde gevraagd heeft of hij zich kon herinneren of eiser alleen of met iemand het café heeft verlaten en dat [naam 2] hem heeft verteld dat hij heeft gezien dat hij samen met [naam 1] het café heeft verlaten.

5.2.2

Het relaas van eiser acht de rechtbank niet geloofwaardig. Er is naast de eigen verklaring van eiser geen enkele aanwijzing dat hij samen met [naam 1] het café heeft verlaten en dat deze [naam 1] de auto van eiser zou hebben bestuurd. Weliswaar heeft eiser verklaard dat [naam 2] jegens hem zou hebben bevestigd dat hij gezien heeft dat eiser met [naam 1] het café zou hebben verlaten, maar tegenover de onderzoekers van de afdeling VIK heeft [naam 2] anders verklaard, namelijk dat hij niet weet of eiser op de avond van 3 september 2015 alleen is weggegaan of met iemand samen. Daarnaast ondersteunt ook de omstandigheid, dat de autosleutels van eiser zijn teruggevonden in de tegenovergestelde richting dan waarin [naam 1] zou zijn weggerend, het relaas van eiser niet. Met verweerder acht ook de rechtbank niet geloofwaardig geworden dat eiser onder de door hem gestelde omstandigheden een voor hem onbekende persoon in zijn auto naar Amsterdam heeft laten rijden, te minder nu eiser deze [naam 1] nauwelijks kan beschrijven en hem naar eigen zeggen daarom ook niet zou herkennen, als hij hem weer tegen zou komen.

5.2.3

Ten aanzien van de beroepsgrond van eiser dat verweerder te weinig onderzoek heeft verricht, bijvoorbeeld door na te laten tijdig camerabeelden van Rijkswaterstaat op te vragen, overweegt de rechtbank dat verweerder ter zitting heeft opgemerkt dat met die camera’s (boven de snelweg) alleen de auto’s te zien zijn en niet of er mensen in zitten. Onvoldoende aannemelijk is daarom geworden dat de eventuele beschikbaarheid van deze beelden zou hebben bijgedragen aan de waarheidsvinding. Ten aanzien van het achterwege blijven van een onderzoek aan de auto van eiser merkt de rechtbank op dat eiser een dergelijk onderzoek zelf had kunnen initiëren. Zoals ter zitting is besproken heeft verweerder de auto niet in beslag genomen en (dus) ook niet de opdracht tot vernietiging van de auto gegeven. Indien eiser van mening was dat in de auto sporen hadden kunnen worden aangetroffen die zijn verhaal zouden kunnen ondersteunen, had het op zijn weg gelegen hier onderzoek naar te laten verrichten. Eiser heeft dit evenwel nagelaten hetgeen naar het oordeel van de rechtbank voor zijn rekening en risico dient te worden gebracht.

5.2.4

Het als politiemedewerker onder invloed van alcohol besturen van een auto is zonder meer als plichtsverzuim te kwalificeren. Er is geen grond voor het oordeel dat het gedrag eiser niet valt toe te rekenen. Verweerder was dan ook bevoegd een sanctie op te leggen.

6. Eiser heeft voorts aangevoerd dat het opgelegde strafontslag niet evenredig is. Eiser heeft er daarbij op gewezen dat de politie geen imagoschade heeft opgelopen, omdat het incident niet bekend geworden is. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij tot 9 maart 2016 gewoon heeft doorgewerkt, terwijl het interne onderzoek al op 29 oktober 2015 was afgesloten. Kennelijk vond verweerder de positie van eiser op de werkvloer niet onhoudbaar en eiser kan niet inzien waarom dat op een later tijdstip wel zo zou zijn.

7. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Als strafverzwarende omstandigheid geldt dat eiser zich in 2003 en 2013 ook al schuldig heeft gemaakt aan rijden onder invloed.

8. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

8.1

De disciplinaire maatregel van ontslag is niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim, gelet op de betekenis hiervan voor het functioneren van eiser binnen de politiedienst en de terecht gestelde eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid van politieambtenaren. De omstandigheid dat er geen imagoschade voor de politie zou zijn, maakt het feit niet minder ernstig. De omstandigheid dat verweerder eiser heeft laten doorwerken is evenmin grond voor het oordeel dat er sprake zou zijn van onevenredigheid. Verder weegt mee het feit dat eiser twee keer eerder al was aangehouden is voor dronken rijden en dat eiser daarop is aangesproken en hiervoor een berisping heeft gekregen. Hij was dus een gewaarschuwd mens.

8.2

Nu de aan eiser verweten gedraging van het onder invloed van alcohol besturen van een auto de disciplinaire maatregel van ontslag zelfstandig kan dragen, behoeven de overige verweten gedragingen geen bespreking meer.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter, en mr. S. Mac Donald en mr. A. Buiskool, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.