Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:2644

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-02-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
15/871485-17 en 23/001402-15 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt beschuldigd van verschillende diefstallen van motoren en scooters. Verdachte komt in beeld omdat hij bij verschillende diefstallen op camerabeelden is te zien en ambtshalve door verschillende verbalisanten wordt herkend. De raadsman is van mening dat de enkele herkenning van verdachte door verbalisanten onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/871485-17 en 23/001402-15 (tul) (P)

Uitspraakdatum: 5 februari 2018

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 januari 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande,

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.N. Verlinden en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. M.M.J. Nuijten, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 21 mei 2017 te Zandvoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een motorfiets (merk Kawasaki, type Ninja 300 ABS en/of voorzien van het kenteken 12MGKF), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of dat (die) weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, zich met een pen, althans een hard en/of

puntig voorwerp, naar die motorfiets heeft begeven en/of (vervolgens) met voornoemd(e) pen, althans voorwerp, in het slot van die motorfiets heeft gewrikt en/of (aldus) heeft getracht het contactslot uit de motorfiets te trekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 2:

hij op of omstreeks 21 mei 2017 te Zandvoort met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een motorfiets (merk KTM, type SMC 690 en/of voorzien van het kenteken 02MDBG) en/of een witte (integraal)helm, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Feit 3:

hij op of omstreeks 07 juli 2017 te Noordwijk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (merk Piaggio, type Vespa en/of voorzien van het kenteken DGR34L) en/of een portemonnee en/of twee bankpassen (van de Rabobank en ING), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen bromfiets en/of portemonnee en/of bankpassen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Feit 4:

hij op of omstreeks 07 oktober 2017 te Zandvoort met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een motorfiets (merk Mv Agusta, type Brutale 800 RR en/of voorzien van het kenteken 47MGBN), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen motorfiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of vebreking.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de tenlastegelegde feiten en heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. Geen van de aangiftes bevat een omschrijving van de dader. De herkenning van verdachte door de verschillende verbalisanten gebeurt op basis van zogenaamde stills. Aan de hand van deze stills wordt door verschillende verbalisanten verdachte herkend als de dader van de diefstallen. Deze herkenning vindt echter plaats – blijkens de processen-verbaal van herkenning – aan de hand van generieke kenmerken. In geen van de herkenningen worden specifieke kenmerken genoemd die onlosmakelijk aan verdachte te koppelen zijn. Gelet op de thans geldende jurisprudentie omtrent herkenning aan de hand van foto’s zijn deze herkenningen door de verbalisanten onvoldoende om gebruikt te kunnen worden voor het bewijs. Voorts merkt de raadsman op dat de aangifte behorend bij feit 4 niet is ondertekend door de aangever. Hierdoor voldoet het niet aan de wettelijke eisen die aan een proces-verbaal worden gesteld en kan het niet worden gebruikt voor het bewijs en er alsdan niet voldaan wordt aan het bewijsminimum.

Om deze redenen meent de raadsman primair dat er onvoldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen – en dient verdachte ten aanzien van de gehele tenlastelegging vrijgesproken te worden. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat de overtuiging dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd ontbreekt.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Feiten 1 & 2:

Het proces-verbaal van aangifte d.d. 24 mei 2017, dossierpagina 48, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende als de verklaring van [slachtoffer] :

Op zondag 21 mei 2017 om 13:00 uur parkeerde ik mijn motor vlakbij de hoofdingang van de Market Dome. De Markt Dome is het centrale gebouw op het terrein van Center Parcs, gevestigd aan de Vondellaan 60, te Zandvoort. Ik had mijn motor ter degen afgesloten met het stuurslot en een remschijfslot.

Om 16:00 uur die dag kwam ik terug bij mijn motor. Ik zag dat er krasschade om het contactslot van mijn motor zat. Ik probeerde de sleutel in het contactslot te steken. Ik voelde dat dit niet ging. Ik keek in het contactslot. Ik zag dat daar iets van afgebroken pen in zat.

Het proces-verbaal van aangifte d.d. 21 mei 2017, dossierpagina 52, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende als de verklaring van [slachtoffer] :

Op zondag 21 mei 2017 omstreeks 13:30 uur, heb ik de motor geparkeerd op het parkeerterrein van Center Parcs, Vondellaan te Zandvoort. De motor stond aan de linkerzijde van het parkeerterrein.

Ik heb de motor afgesloten middels het stuurslot, een kettingslot door het voorwiel en een slot door het achterwiel, welke bevestigd is aan een lantaarnpaal. Ik heb gecontroleerd dat de motor was afgesloten. De sloten van de motor functioneren goed.

Toen ik vandaag zondag 21 mei 2017 omstreeks 16:00 uur de motor weer in gebruik wilde nemen zag ik dat de motor niet meer op de plaats stond waar ik de motor had achtergelaten.

Ik heb sporen ontdekt welke te maken kunnen hebben met de diefstal van de motor, er liggen 2 doorgeslepen schakels van het slot.

Het door [verbalisant] , hoofdagent van Politie Eenheid Noord-Holland, op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juni 2017, dossierpagina’s 70 – 72, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Middels een vordering verstrekking camerabeelden heb ik, verbalisant, camerabeelden ontvangen van Center Parcs te Zandvoort.

p. 70

Camera betaalautomaat, 2017/05/21, 15:05

Ik zie komende vanaf de Vondellaan en gaande in de richting van de hoofdingang van Centerparcs een persoon aankomen. Ik kan deze persoon als volgt omschrijven:

- Man

- 30/40 jaar oud

- Licht getint

- Licht tot matig gezet postuur

- Zwart/kort haar

- Wit T-shirt

- Spijkerbroek

- Witte sneakers

- Paarse rugzak

Hierna te noemen als NN1.

p. 70 – 71

Links onderin het camerabeeld zie ik een motor geparkeerd staan. Het betreft hier een donkerkleurige motor. Met de voorkennis van de gedane aangifte in registratie PL1100-2017106039 betreft dit de in die aangifte genoemde Kawasaki Ninja, groen van kleur.

Ik zie dat NN1 links onderin het camerabeeld een draaiende beweging met zijn rechterpols maakt ter hoogte van het contactslot van de motor. Ik zie dat NN1 kort hierna zijn gezicht weer naar de camera toe draait. Hierop heb ik meerdere processen-verbaal van herkenning gekregen waarbij telkens dezelfde persoon herkend werd. NN1 betreft: [verdachte] .

p. 71

Vervolgens zie ik [verdachte] gedurende enkele minuten afwisselend draaiende bewegingen met zijn pols (en gehele bovenlichaam) maken ter hoogte van het contactslot van de motor. Daarnaast zie ik [verdachte] enkele malen trekken. Het draaien en trekken herken ik vanuit mijn ervaring als politieambtenaar als een modus operandi om middels een schroef/pen in het contactslot te draaien en deze daarna eruit te trekken om de motorfiets daarna weg te kunnen nemen.

Camera chloorhok, 2017/05/21, 15:14:30

(…) Terwijl [verdachte] op en over het hekje stapt zie ik een rugzak in zijn linkerhand. Ik zie dat DIJKSTRA naar een motor loopt die tegen een lantaarnpaal aldaar staat. In registratie PL1100-2017103647 lees ik dat motor van aangever/benadeelde [slachtoffer] daar tegen een lantaarnpaal bevestigd was middels het stuurslot, een kettingslot door het voorwiel en een slot door het achterwiel welke bevestigd was aan de lantaarnpaal. Vanaf 15:17 zie ik dat [verdachte] wederom draaiende bewegingen met zijn rechterpols (en logischerwijs gevolgd door zijn onderarm en elleboog) maakt ter hoogte van het contactslot van de motor. Op 15:18:25 zie ik dat [verdachte] twee keer trekt en de tweede keer lijkt het alsof [verdachte] iets meetrekt. Ik concludeer dit aan de hand van de rechterarm van [verdachte] . De beweging de eerste keer verschilt duidelijk ten opzicht van de tweede keer waarbij de arm verder omhoog en naar achteren komt. Hierna zie ik ook dat het zogenaamde draaien en trekken stopt ter hoogte van het contactslot.

p. 71 – 72

Camera chloorhok, 2017/05/21, 15:25

Ik zie dat [verdachte] een donkerkleurig vest met lange mouwen heeft aangetrokken. Verder is [verdachte] nog steeds te herkennen aan zijn witte T-shirt, afstekende huidskleur, haardracht en postuur. Ik zie dat [verdachte] meteen naar het voorwiel van de motor loopt en niet meer duidelijk te zien is. Dit wordt veroorzaakt door een geparkeerd voertuig wat het zicht daar belemmert. Als [verdachte] om 15:27:30 weer omhoog komt en weer zichtbaar in beeld is, zie ik dat hij een witte helm op zijn hoofd heeft. In het proces-verbaal van aangever van aangever/benadeelde [slachtoffer] is te lezen dat hij samen met een vriend was en deze een witte helm door een kettingslot van het voorwiel had achtergelaten bij de motor van [slachtoffer] . Om 15:29:30 zie ik dat [verdachte] de witte helm weer heeft afgezet en richting de heg loopt. Ik zie [verdachte] hier iets bij de heg doen en erna weer terug naar de motor lopen. Om 15:30:30 zie ik [verdachte] een draaiende beweging ter hoogte van het contactslot van de motor maken en de witte helm vanaf de grond op zijn hoofd zetten. Hierna zie ik dat [verdachte] op de motor stapt en ermee wegrijdt. Kennelijk is de hiervoor waargenomen draaiende beweging een startende beweging van de motor geweest.

Het door [verbalisant] , brigadier van politie Eenheid Noord-Holland, op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar d.d. 23 mei 2017, dossierpagina 80, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Op dinsdag 23 mei 2017 omstreeks 15.40 uur was ik vanuit mijn functie als wijkagent op het vakantiepark Centerparcs Park Zandvoort, Vondellaan 60 te Zandvoort. Een van de beveiligingsmedewerkers van het park liet mij videobeelden zien, waarop een poging diefstal van een motor en vervolgens diefstal van een andere motor waren te zien.

De persoon op de videobeelden herken ik als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] .

Ik, verbalisant, ken de bovengenoemde persoon ambtshalve. Ik ken verdachte van gesprekken die ik met hem heb gevoerd vanuit mijn functie als wijkagent. Ik herkende [verdachte] aan zijn postuur, uiterlijk, gezicht en hoge haarlijn. Ik herkende de persoon onmiddellijk toen ik de videobeelden zag. Over zijn identiteit was mij door anderen geen informatie verstrekt.

Het door [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Noord-Holland, op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar d.d. 2 juni 2017, dossierpagina 83, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Op woensdag 24 mei 2017 zag ik een aandachtvestiging van recherche Zandvoort, waarin afbeeldingen werden getoond van een persoon en de volgende informatie werd gegeven:

Ik, verbalisant, kreeg in verband met een gepleegde diefstal bij Center Parcs, gelegen aan de Vondellaan 60 te Zandvoort, een aantal schermafdrukken van de beveiligingscamera’s aldaar te zien. De persoon die te zien was zou de diefstal gepleegd hebben.

De persoon op de afbeeldingen herken ik als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] .

Ik, verbalisant, ken de bovengenoemde persoon ambtshalve. Tijdens mijn werkzaamheden bij de Politie Kennemerland ben ik een aantal keer met verdachte in aanmerking (de rechtbank begrijpt: aanraking) gekomen. Zo heb ik de verdachte verschillende keren op de dagelijkse briefing zien staan. Daarnaast zie ik verdachte regelmatig in Zandvoort

lopen. Ik heb tijdens mijn werkzaamheden ook een keer met verdachte staan praten. Ik herken verdachte aan zijn gezicht, opvallend hoge haargrens en zijn postuur. Ik herkende de persoon onmiddellijk toen ik de afbeeldingen zag. Over zijn identiteit was mij door anderen geen informatie verstrekt.

Feit 3:

Het proces-verbaal van aangifte d.d. 10 juli 2017, dossierpagina 109 – 110, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende als de verklaring van [slachtoffer] :

p. 109

Proces-verbaalnummer: PL1500-2017194501-1.

Ik doe aangifte van diefstal van mijn bromfiets. Op donderdag 06 juli omstreeks 22:00 uur heb ik mijn bromfiets afgesloten neergezet op de Grent te Noordwijk. Mijn bromfiets was terdege afgesloten door middel van het stuurslot.

Ik heb mijn bromfiets nog wel op vrijdag 07 juli 2017 omstreeks 02:15 uur zien staan. Ik ben toen de kroeg uitgegaan en heb een taxi gepakt omdat ik iets teveel had gedronken. De bromfiets moet dus zijn weggenomen tussen vrijdag 07 juli 02:15 uur en vrijdag 07 juli omstreeks 15:30 uur in de middag.

p. 109 - 110

Samen met mijn bromfiets zijn de volgende goederen gestolen:

- Bromfiets-voertuigen, Piaggio, Vespa sprint, kenteken DGR34L

- Portemonnee, grijs, merk onbekend (1 stuk)

- Pas-bankbescheiden, Rabobank (1)

- Pas-bankbescheiden, ING (1)

Het door [verbalisant] , brigadier van Politie Eenheid Noord-Holland, op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 oktober 2017, dossierpagina’s 115, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

p. 115

Naar aanleiding van de diefstal bromfiets op 7 juli 2017 aan de Grent te Noordwijk zijn de bewakingscamera’s die gericht staan op de Grent uitgekeken.

14:46:04 uur: (de rechtbank begrijpt: 13:46:04 uur)

Verdachte loopt naar het steegje naast de “19”. Kijkt het steegje in, kennelijk ook om te zien of daar personen aanwezig zijn. Bijlage foto 2. Loopt dan terug naar de bromfiets, loopt achter langs en gaat rechts naast de bromfiets staan en voert daar iets uit. Wat hij daar precies doet is niet waar te nemen. Bijlage foto 3.

13:46:42:

Te zien is dat verdachte met kracht iets los trekt van de bromfiets. Na twee keer lukt dat hem kennelijk. Niet te zien is wat hij van de bromfiets aftrekt. Bijlage foto 3. Hierna knielt de verdachte naast de bromfiets, maar ook nu is niet te zien wat hij precies aan het uitvoeren is. Bijlage foto 4.

13:47:14 uur:

Verdachte buigt voorover over de bromfiets. Stapt vervolgens op de bromfiets en rijdt daarmee weg in de richting van het Palaceplein. Bijlage foto 5, 6 en 7

Het door [verbalisant] , brigadier van politie Eenheid Noord-Holland, op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar d.d. 9 augustus 2017, los bijgevoegd, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Op woensdag 9 augustus 2017 zag ik een aandachtsvestiging van politie eenheid Den Haag, basisteam Noordwijk, waarin een afbeelding werd getoond van een persoon en waarbij de informatie werd gegeven dat de afgebeelde persoon verdachte is van een diefstal van een snorfiets in registratie: PL1500-2017194501.

De persoon op de afbeelding herken ik als: [verdachte] , geboren [geboortedatum] .

Ik, verbalisant, ken de bovengenoemde persoon ambtshalve. Ik ken verdachte van de vele gesprekken en ontmoetingen die ik met hem heb gevoerd vanuit mijn functie als wijkagent. Ik herkende [verdachte] aan zijn postuur, uiterlijk, manier van lopen, gezichtsuitdrukking en hoge haarlijn. Mijn laatste ontmoeting met [verdachte] heeft plaats gevonden op 23 juni 2017. Ik heb [verdachte] toen aangehouden naar aanleiding van een mishandeling. Ik herkende de persoon onmiddellijk toen ik de afbeelding zag. Ik ben vervolgens de volledige opnames gaan uitkijken. Hierdoor werd mijn eerste waarneming bevestigd. Over zijn identiteit was mij door anderen geen informatie verstrekt.


Als bijlagen zijn bij dit proces-verbaal gevoegd:

  • -

    2 afbeeldingen uit de aandachtsvestiging

  • -

    (…)

Feit 4:

Een schriftelijk bescheid, te weten het niet ondertekende proces-verbaal van aangifte d.d. 8 oktober 2017, dossierpagina 123, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende als de verklaring van [slachtoffer] :

Proces-verbaalnummer: PL1100-2017208318-1

Mijn motorfiets stond geparkeerd in de parkeergarage onder mijn woning aan het Verzetsplein 26 te Zandvoort op mijn privé parkeerplaats. Ik heb de motorfiets afgesloten middels het stuurslot, een ART goedgekeurd kettingslot en een ART goedgekeurd schijfremslot. Toen ik op zondag 08 oktober 2017 omstreeks 20:00 uur thuiskwam met de auto zag ik dat mijn motorfiets door onbekende(n) was weggenomen. Normaal gesproken parkeer ik de auto voor mijn motorfiets en controleer ik altijd of de auto niet te dicht op de motorfiets staat. De laatste keer dat ik dit gedaan heb was op vrijdag 06 oktober 2017 omstreeks 17:00. Hierbij is mij niet opgevallen dat de motorfiets weg was en ik vermoed dus ook dat deze er toen nog stond.

Het door [verbalisant] , brigadier van Politie Eenheid Noord-Holland, op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 oktober 2017, dossierpagina’s 127 – 128, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

p. 127

Ik, verbalisant [verbalisant] , heb beelden gevorderd (…) en heb deze uitgekeken van de parkeergarage op het Verzetsplein te Zandvoort. Deze beelden zijn gevorderd omdat er op deze beelden de diefstal van een motorfiets op vrijdag 7 oktober 2017 tussen 16.58 uur en 17.46 uur te zien is.

Op de beelden van de bewakingscamera “Inrit RK” is het volgende te zien:

16:58:35 Een personenauto rijdt de garage in, de garageroldeur staat nog open. Vervolgens komt er een persoon de garage in lopen, deze persoon blijkt later de verdachte. Er is te zien dat de verdachte in het donker gekleed is en een capuchon op zijn hoofd draagt. Hij draagt een grijze rugtas op zijn rug en loopt met zijn handen in zijn zakken naar beneden de garage in. Ik zie het vooraanzicht van de verdachte. Ik kan de verdachte op de beelden als volgt omschrijven:

- fors van postuur

- Zwarte jas

- Donkerblauwe trui met capuchon

- Zwarte broek

- Zwarte schoenen met witte zool

- Grijze rugtas

17:45:00: De verdachte rent met een rood met wit kleurige motorfiets de helling op richting de uitgang van de parkeergarage. Boven voor het roldeur blijft hij staan. Ik zie het achteraanzicht van de verdachte.

17:46:00: De verdachte draait de motor om en rolt hem de helling af. Ik zie het vooraanzicht van de verdachte.

p. 128

17:46:45: De verdachte komt voor de tweede keer met dezelfde motorfiets naar boven rennen en verlaat, om 17:46:03, via de roldeur aan de zijkant van de roldeur de parkeergarage. Ik zie het achteraanzicht van de verdachte.

Op bewakingscamera “Bocht” is het volgende te zien:

17:20:59: De verdachte loopt in de richting van de camera. Zijn donkerblauwe capuchon heeft hij niet meer op en daardoor is zijn gezicht zichtbaar. Ik zie de verdachte op deze beelden beter in beeld. Ik zie het vooraanzicht van de verdachte. Ik kan hem als volgt omschrijven:

- Licht getint

- 35-40 jaar oud

- Zwart kort haar

- fors postuur

- Op de donkerblauwe trui die hij aanheeft is nu een witte letter E te zien met daaronder een wit logo, onbekend wat er op het witte logo staat.

17:44:24: Verdachte komt met een rood met wit kleurige motorfiets aanlopen. Ik zie het vooraanzicht van de verdachte.

Op bewakingscamera “Inrit RK” is het volgende te zien:

17:44:33 Verdachte komt met de rood met wit kleurige motorfiets aanlopen, in eerste instantie is de koplamp van de motorfiets brandend maar deze word uitgezet. Ik zie het vooraanzicht van de verdachte.

17:44:57 Verdachte gaat rennen met de motorfiets in de richting van de helling/uitgang. Ik zie het vooraanzicht van de verdachte.

17:46:06 Verdachte komt terug met de motorfiets, nu is het kenteken van de motorfiets goed in beeld en daarop is te zien dat het om de gestolen motorfiets gaat voorzien van het kenteken 47-MG-BN. De verlichting van de motorfiets staat aan. Deze zet de verdachte uit wanneer hij voor de tweede keer gaat rennen met de motorfiets naar de helling/uitgang.

Het door [verbalisant] , hoofdagent van Politie Eenheid Noord-Holland, op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 oktober 2017, dossierpagina’s 134, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Omstreeks 11.30 uur ontving ik van collega [verbalisant] een e-mail met een bijlage bestaande uit acht foto’s met een verzoek tot herkenning van de persoon die op de foto’s stond afgebeeld. Deze persoon zou betrokken zijn bij de diefstal van een motorfiets, gepleegd op 07 oktober 2017 te Verzetsplein in Zandvoort.

Op 13 oktober 2017 om 04.15 uur had ik, verbalisant [verbalisant] , samen met collega [verbalisant] tijdens een verkeerscontrole een persoon staande (gehouden) die voldeed aan de uiterlijke kenmerken van de persoon die is afgebeeld op de foto’s. Deze persoon is genaamd: [verdachte] geboren op [geboortedatum] . Ik herken de man op de foto’s voor 100% als genoemde [verdachte] .

Het door [verbalisant] , hoofdagent van Politie Eenheid Noord-Holland, op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 oktober 2017, dossierpagina’s 144, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Proces-verbaalnummer: PL1100-2017208318-6

Op dinsdag 17 oktober 2017 kreeg ik, verbalisant, middels een e-mail het verzoek tot herkenning van een persoon die werd verdacht van het wegnemen van een motor. Ik zag dat er bij deze e-mail een fotobijlage zat.

Ik zag dat de fotobijlage uit 8 foto’s bestond en op foto 8 zag ik een persoon die ik, herkende als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . Ik heb in het verleden [verdachte] diverse keren als verdachte gehoord en ben hem tijdens mijn werkzaamheden op straat regelmatig tegengekomen.

3.4.

Bewijsoverweging

Bij de beoordeling van hetgeen door de raadsman van verdachte naar voren is gebracht stelt de rechtbank voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met herkenningen van foto’s en camerabeelden en de bewijskracht daarvan. Dit geldt temeer als deze herkenningen de belangrijkste bewijsmiddelen zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij het hem tenlastegelegde kunnen aantonen, zoals in de onderhavige zaak het geval is.

Met betrekking tot de processen-verbaal van herkenning ten aanzien van de aan verdachte tenlastegelegde feiten overweegt de rechtbank dat deze, zonder uitzondering, zijn gedaan door verbalisanten die uit hoofde van hun functie veelvuldig in aanraking zijn gekomen met verdachte, al dan niet in dezelfde periode als de gepleegde diefstallen, of de poging daartoe. De herkenning heeft dus niet aan de hand van het vergelijken van foto’s plaatsgevonden.

De betreffende verbalisanten kenden verdachte allemaal persoonlijk en hebben hier hun herkenning op gebaseerd. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de foto’s waarop de herkenningen zijn gebaseerd van voldoende kwaliteit zijn om een herkenning op te kunnen baseren. Tevens zijn er verbalisanten geweest die naast foto’s van de dader, ook de bijbehorende videobeelden hebben bekeken. Zij hebben hun herkenning ook op deze beelden gebaseerd. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat daarnaast door diverse verbalisanten voldoende specifieke kenmerken worden genoemd waaraan zij verdachte zeggen te herkennen. Dat hierbij slechts sprake zou zijn van een “kale” herkenning zoals door de raadsman naar voren is gebracht, deelt de rechtbank niet. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de herkenning door de verschillende verbalisanten wel degelijk aan de daaraan gestelde eisen voldoet en aldus kunnen dienen als bewijsmiddel.

Met betrekking tot het ten aanzien van feit 4 niet ondertekende proces-verbaal van aangifte overweegt de rechtbank dat het enkel niet-ondertekenen van het proces-verbaal niet met zich meebrengt dat dit proces-verbaal in zijn geheel niet meer bruikbaar is als bewijsmiddel. Het kan immers worden gebruikt als schriftelijk bescheid ex. artikel 339 lid 1 ahf, sub 5 Sv. Er moet in dat geval echter wel sprake zijn van een ander bewijsmiddel dat de inhoud van het schriftelijke bescheid ondersteunt. In het onderhavige geval is hiervan sprake, nu er een proces-verbaal van bevindingen is waarbij de diefstal van de motor wordt beschreven aan de hand van camerabeelden. Ook dit verweer wordt aldus door de rechtbank verworpen.

De rechtbank acht voldoende wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

hij op 21 mei 2017 te Zandvoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een motorfiets (merk Kawasaki, type Ninja 300 ABS en voorzien van het kenteken 12MGKF), toebehorende aan [slachtoffer] , en dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, zich met een pen, althans een hard en

puntig voorwerp, naar die motorfiets heeft begeven en vervolgens met voornoemd(e) pen, althans voorwerp, in het slot van die motorfiets heeft gewrikt en aldus heeft getracht het contactslot uit de motorfiets te trekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 2:

hij op 21 mei 2017 te Zandvoort met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een motorfiets (merk KTM, type SMC 690 en voorzien van het kenteken 02MDBG) en een witte (integraal)helm, toebehorende aan [slachtoffer] en/of [slachtoffer] , waarbij verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Feit 3:

hij op 07 juli 2017 te Noordwijk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (merk Piaggio, type Vespa en voorzien van het kenteken DGR34L) en een portemonnee en twee bankpassen (van de Rabobank en ING), toebehorende aan [slachtoffer] , waarbij verdachte die weg te nemen bromfiets en portemonnee en bankpassen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Feit 4:

hij op 07 oktober 2017 te Zandvoort met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een motorfiets (merk Mv Agusta, type Brutale 800 RR en voorzien van het kenteken 47MGBN), toebehorende aan [slachtoffer] , waarbij verdachte die weg te nemen motorfiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: poging diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak/verbreking;

Feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak/verbreking;

Feit 3: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak/verbreking;

Feit 4: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak/verbreking.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest.

6.2.

Standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de raadsman van verdachte dat de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat aansluiting zoekt bij de LOVS-oriëntatiepunten.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee motordiefstallen, een diefstal van een scooter en een poging diefstal van een motor. Diefstallen en ook pogingen daartoe veroorzaken doorgaans veel overlast en brengen voor slachtoffers financiële schade met zich mee. Daarnaast blijkt uit de toelichting op de vordering van aangever [slachtoffer] dat ook het motorseizoen van hem is gestolen en de diefstal hem nog erg bezighoudt. Verdachte heeft door het gemak waarmee hij in een korte periode meerdere goederen op klaarlichte dag heeft gestolen, er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen en zich enkel te laten leiden door zijn eigen financiële gewin. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

Uit het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 18 december 2017, blijkt dat verdachte eerder voor vermogensdelicten is veroordeeld tot onherroepelijke vrijheidsstraffen, terwijl verdachte bovendien nog in een proeftijd liep van een eerder aan hem opgelegde voorwaardelijke straf. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen.

Bij het bepalen van de strafmaat zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten. Noch in de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding daarvan af te wijken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist, nu de rechtbank de ernst van de feiten anders waardeert dan de officier van justitie.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Feit 1: W.R. de Greef

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 150,00 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit:

- Eigen risico verzekering € 150,00

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezenverklaarde feit en dat de vordering voldoende is onderbouwd. Voorts is namens verdachte de schadepost niet betwist en zal de vordering aldus worden toegewezen.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 3.5 bewezen verklaarde handelen [kort: poging diefstal door middel van braak/verbreking] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Feit 2: M.L. Jonkers

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 8.850,00 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit:

  • -

    KTM SMC-R 690: € 5.490,00

  • -

    Kosten gemaakt t.b.v. opknappen motor + helm + 2 sloten: € 3.060,00

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezenverklaarde feit en voor wat betreft de schadepost ‘KTM SMC-R 690’ voldoende is onderbouwd middels de aankoopnota. Ten aanzien van de schadepost ‘Kosten gemaakt t.b.v. opknappen motor + helm + 2 sloten’ heeft de benadeelde partij volstaan met een schatting van de verschillende onderdelen, nu de benadeelde partij geen beschikking (meer) heeft over de aankoopnota’s. De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij opgegeven bedragen redelijk en billijk zijn. Voorts is namens verdachte de inhoud van de vordering niet betwist en zal de vordering aldus worden toegewezen.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 3.5 bewezen verklaarde handelen [kort: diefstal met braak/verbreking] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij arrest van 18 maart 2016 in de zaak met parketnummer 23/001402-15 heeft het Gerechtshof te Amsterdam verdachte ter zake van gekwalificeerde diefstal veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 7 april 2016 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd arrest vastgestelde proeftijd is ingegaan op 2 april 2016 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 45, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 3.5 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van NEGEN [9] MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer]

geleden schade tot een bedrag van € 150,00, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 150,00, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 3 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 8.850,00, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.850,00, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 79 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 23/001402-15 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand, opgelegd bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam d.d. 18 maart 2016.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Francke, voorzitter,

mr. J.J.M. Uitermark en mr. E.M. van Poecke, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.J. Meuldijk

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 februari 2018.