Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:2641

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
15/810197-17 & 15/810326-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

winkeldiefstal; bekennende verdachte; tenuitvoerlegging voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/810197-17 en 15/810326-15 (tul)

Uitspraakdatum: 13 maart 2018

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 februari 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op 27 februari 1980 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande,

thans gedetineerd in Detentiecentrum Schiphol HvB.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.M. Brugman en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.A. Bloemberg, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 november 2017 in de gemeente Heemskerk in/uit een winkel (Dekamarkt, gelegen aan de Kerkweg) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (onder meer) varkenshaas en/of boter en/of Red Bull en/of fruitsalade, in elk geval een hoeveelheid levensmiddelen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan

de Dekamarkt, in elk geval aan een ander, toebehoorde.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 18 november 2017 (proces-verbaalnummer PL1100-2017237315-1);

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten een landelijk aangifteformulier d.d. 18 november 2017 en de bijbehorende kassabon.

3.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 18 november 2017 in de gemeente Heemskerk uit een winkel (Dekamarkt, gelegen aan de Kerkweg) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen onder meer varkenshaas en boter en Red Bull en fruitsalade, toebehorende aan de Dekamarkt.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: diefstal

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één 1 maand, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte is van mening dat gelet op de geringe waarde van de gestolen goederen, de bekennende verklaring van verdachte, de reden van de diefstal in combinatie met de justitiële documentatie van verdachte en de LOVS-oriëntatiepunten een straf gelijk aan het voorarrest meer dan passend is.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal uit de Dekamarkt en heeft hierbij een aantal etenswaren gestolen. Winkeldiefstallen zijn voor de betreffende bedrijven hinderlijke feiten, die naast schade in de vorm van omzetderving vooral ook overlast en ergernis veroorzaken.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op

het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 18 januari 2018, waaruit blijkt dat verdachte reeds veelvuldig terzake van vermogensdelicten onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld. Dit heeft verdachte niet weerhouden te recidiveren. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van verdachte mee bij de straftoemeting.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij op tegenspraak gewezen vonnis van 1 april 2016 in de zaak met parketnummer 15/810326-15 heeft de rechtbank te Haarlem verdachte ter zake van (gekwalificeerde) diefstal, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op drie jaren bepaald onder (onder andere) de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 19 april 2016 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 16 april 2016 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat tenuitvoerlegging van de ISD- maatregel disproportioneel is, mede in het licht van de omstandigheid dat (nog) geen invulling was gegeven aan de aan de proeftijd verbonden bijzondere voorwaarden. Subsidiair bepleit de verdediging de gedeeltelijke tenuitvoerlegging voor de duur van één jaar en met een tussentijdse beoordeling na een half jaar.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor toewijzing in aanmerking komt, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Daarnaast neemt de rechtbank in ogenschouw dat bij een eerdere zitting op 30 maart 2017 in een andere strafzaak de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel ook al aan de orde is geweest. De rechtbank heeft destijds besloten – bij wijze van allerlaatste kans – niet tot tenuitvoerlegging over te gaan. Nu verdachte zich desondanks wederom schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel volledig dient te worden toegewezen. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat een tussentijdse beoordeling binnen een jaar dient plaats te vinden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven.

Bepaalt dat het onder 3.3 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ÉÉN [1] MAAND.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/810326-15 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde ISD-maatregel voor de duur van 2 jaar, opgelegd bij vonnis van de rechtbank d.d. 1 april 2016.

Bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen één jaar na de aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel de rechtbank zal berichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. W. Veldhuijzen van Zanten, voorzitter,

mr. C.A.M. van der Heijden en mr C.A.J. van Yperen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.J. Meuldijk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 maart 2018.

mr. W. Veldhuijzen van Zanten is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.