Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:2492

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
5853440 \ CV EXPL 17-3198
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim (EPGV-zaak). Vertraging van bus voor vervoeren van passagiers met beperkte mobiliteit vormt geen buitengewone omstandigheid. Niet duidelijk waardoor de bus was vertraagd en of dit wel/niet was veroorzaakt door een technisch mankement en een toestelwissel. Busvervoer van passagiers (al dan niet gehandicapt of met beperkte mobiliteit) op luchthaven Charles de Gaulle is inherent aan de normale uitoefening van de activiteit van de luchtvaartmaatschappij. Vertraging in verband met verplichtingen op grond van Verordening (EG) nr. 1107/2006 komt niet voor rekening van passagier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2018/110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 5853440 \ CV EXPL 17-3198

Uitspraakdatum: 4 april 2018

Beschikking in de zaak van:

[passagier]

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: de passagier

gemachtigden: mr. I.G.B. Maertzdorff en M.A.P. Duinkerke LL.B.

tegen

de rechtspersoon naar Frans recht

Air France S.A.,

gevestigd te CDG Cedex (Frankrijk)

verwerende partij

verder te noemen: Air France

gemachtigde: P. Frühling

1 Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 24 maart 2017;

  • -

    het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 31 oktober 2017;

  • -

    het op verzoek van de passagier gehouden pleidooi d.d. 8 februari 2018, de tevoren door de passagier toegezonden producties evenals de door de passagier overgelegde pleitaantekeningen. Bij het pleidooi is de passagier vertegenwoordigd door de heer

P. Vaneker, mevrouw mr. I.G.B. Maertzdorff en mevrouw mr. M.J.R. Hannink en is Air France vertegenwoordigd door mevrouw C.C. Grando en mevrouw E. Decat.

2 De feiten

2.1.

De passagier heeft met Air France een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Air France de passagier diende te vervoeren van Amsterdam (Amsterdam-Schiphol Airport) naar Parijs (Charles De Gaulle Airport) op 4 mei 2016 (vluchtnummer AF8227) met als vertrektijd 7:15 uur (lokale tijd) en aankomsttijd 08:40 uur (lokale tijd) en vervolgens van Parijs naar Teheran (Imam Khomeini Airport) eveneens op 4 mei 2016 (vluchtnummer AF738) met als vertrektijd 12:20 uur (lokale tijd) en aankomsttijd 20:20 uur (lokale tijd), hierna: de vlucht. De afstand van de vlucht bedroeg 4.598 kilometer.

2.2.

Het deel van de vlucht vanaf Parijs is op 4 mei 2016 vanuit Parijs vertrokken om 16:21 uur (lokale tijd) en aangekomen in Teheran op 5 mei 2016 om 00:06 uur (lokale tijd). De passagier is hierdoor meer dan 3 uur later op de eindbestemming Teheran aangekomen dan volgens het oorspronkelijke vluchtschema was gepland.

2.3.

De passagier heeft compensatie van Air France gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.4.

Air France heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De passagier verzoekt Air France te veroordelen tot betaling van:

- € 300,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;
- primair € 90,75 en subsidiair € 45,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 17 mei 2016;
- de proceskosten en de nakosten.

3.2.

De passagier baseert zijn vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).

3.3.

De passagier stelt dat Air France vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hem te compenseren en vordert een bedrag van € 300,00. Daarnaast maakt de passagier aanspraak op betaling door Air France van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.

3.4.

Air France betwist de vordering. Op haar verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Air France is gevestigd in het buitenland. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. De kantonrechter stelt vast dat hij op grond van het bepaalde in artikel 26 van de Brussel I bis-Verordening (nr. 1215/2012) bevoegd is om van de onderhavige vordering kennis te nemen, nu Air France in de onderhavige procedure is verschenen en de bevoegdheid niet heeft betwist.

4.2.

Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen op de eindbestemming te Teheran, zodat Air France op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien Air France kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening.

4.3.

Air France heeft aangevoerd dat de vertraging is veroorzaakt door twee factoren. Ten eerste was er sprake van een technisch probleem en een hierop volgende toestelwijziging (duur vertraging 1 uur en 25 minuten) er ten tweede moest worden gewacht op een bus die passagiers met beperkte mobiliteit naar het vliegtuig moest brengen (duur vertraging 2 uur en 20 minuten). Het vertraagde busvervoer is volgens Air France aan te merken als een buitengewone omstandigheid. Air France is daarvoor niet verantwoordelijk, maar het luchthavenbeheer van Charles de Gaulle, te weten Aéroports de Paris (ADP). Dit volgt volgens Air France uit artikel 7 en bijlage I van de Verordening (EG) nr. 1107/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 inzake de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen (hierna: Verordening nr. 1107/2006). Air France heeft ter onderbouwing een vluchtfiche overgelegd, waaruit blijkt dat de vlucht is vertraagd wegens het inschepen van personen met beperkte mobiliteit. Voorts heeft Air France een rapport van de Chef de Quart van 4 mei 2016 en een intern rapport overgelegd. Volgens Air France blijkt uit het interne rapport dat de bus op tijd was besteld en dat de bus onder verantwoordelijkheid van ADP valt.

4.4.

De passagier heeft ter zitting gesteld dat niet duidelijk is geworden wat de vertraging van de bus heeft veroorzaakt. De passagier meent dat een technisch mankement geen buitengewone omstandigheid oplevert en dat indien dit de vertraging van de bus tot gevolg heeft gehad, dit gevolg evenmin een buitengewone omstandigheid vormt. De gemachtigde van Air France heeft hiertegen ingebracht dat er op basis van de stukken vanuit moet worden gegaan dat de bus op tijd bij de juiste gate aanwezig was op het moment dat de vlucht uitgevoerd moest worden. Volgens haar is de vertraging opgelopen tijdens het in- en uitstappen en het vervoer van de passagiers met beperkte mobiliteit.

4.5.

De gemachtigde van Air France heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat naar de exacte feitelijke gang van zaken met betrekking tot de vertraging van de bus (nog) geen navraag is gedaan. De kantonrechter is van oordeel dat uit de door Air France verstrekte informatie niet kan worden opgemaakt of de bus hoe dan ook vertraagd was of dat dit (mede) zijn oorzaak vindt in de toestelwissel als gevolg van een technisch mankement. Reeds om die reden heeft Air France naar het oordeel van de kantonrechter te weinig aangevoerd om het bestaan van een buitengewone omstandigheid aan te tonen. Echter, ook indien zou zijn komen vast te staan dat de bus wel tijdig bij de juiste gate aanwezig was en het technisch mankement niet ten grondslag lag aan de vertraging van de bus, wordt het busvervoer van passagiers (met beperkte mobiliteit) op de luchthaven van Charles de Gaulle inherent geacht aan de normale uitoefening van de activiteit van de luchtvaartmaatschappij. Dit wordt niet anders doordat het beheersorgaan van de luchthaven op grond van Verordening nr. 1107/2006 verantwoordelijk is voor het verzekeren van bijstand aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit. Daarbij wordt voorts in aanmerking genomen dat - zoals door Air France ter zitting is bevestigd - ook passagiers zonder beperkte mobiliteit op Charles de Gaulle altijd per bus worden vervoerd. Air France heeft voorts aangevoerd dat zij er bewust voor heeft gekozen conform de doelstelling van de Verordening nr. 1107/2006 te handelen en dat haar niet kan worden verweten dat zij heeft gewacht op de groep met passagiers met beperkte mobiliteit. De kantonrechter overweegt dat in de preambule van Verordening nr. 1107/2006 is bepaald dat deze verordening geen invloed mag hebben op de passagiersrechten die in de communautaire wetgeving zijn vastgesteld, en met name in - voor zover hier van belang - de Verordening. Gelet hierop oordeelt de kantonrechter dat het op zich zo kan zijn dat Air France op grond van Verordening nr. 1107/2006 de specifieke bescherming van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit diende te waarborgen, maar dat dit niet betekent dat indien dit tot vertraging leidt, deze vertraging voor rekening van de passagier moet komen. De conclusie is dat het beroep van Air France op buitengewone omstandigheden moet worden verworpen en daarom komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van de vraag of Air France voldoende maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen.

4.6.

Nu Air France voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering tot betaling van de hoofdsom worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.

4.7.

De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Air France heeft deze vordering betwist. Nu de onderhavige vordering geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De kantonrechter acht voldoende aannemelijk gemaakt dat de passagier buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten dient te worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit buitengerechtelijke incassokosten in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, nu de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit geacht worden redelijk te zijn. Omdat het subsidiair gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot een bedrag van € 45,00. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald.

4.8.

De proceskosten komen voor rekening van Air France, omdat zij ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt.

4.9.

Op verzoek van de passagier zal een certificaat betreffende een beslissing in de Europese procedure voor geringe vorderingen (formulier D van bijlage IV van de verordening) aan deze beschikking worden gehecht.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt Air France tot betaling aan de passagier van € 345,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 300,00 vanaf 4 mei 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt Air France tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op € 78,00 aan griffierecht en € 120,00 aan salaris gemachtigde en veroordeelt Air France tot betaling van € 30,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt;

5.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gewezen door mr. J. Candido, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open