Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:2362

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
30-03-2018
Zaaknummer
6144380
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

scholingsverplichting, recht op loon

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0391
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 6144380 \ CV EXPL 17-5011 (rvk)

Uitspraakdatum: 7 februari 2018

Vonnis in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: Flanderijn & van Eck

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Zorg Interim II B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Hoorn

gedaagde

verder te noemen: Zorg Interim

gemachtigde: mr. P. Heijnen.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 9 juni 2017 een vordering tegen Zorg Interim ingesteld. Zorg Interim heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 12 december 2017 heeft een zitting plaatsgevonden. [eiseres] is in persoon verschenen, vergezeld door haar gemachtigde. Namens Zorg Interim is verschenen mevr. [naam] vergezeld door de gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is als verpleegkundige in dienst bij Zorg Interim, aanvankelijk op basis van een uitzendovereenkomst, en sinds 21 januari 2004 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De arbeidsduur bedraagt minimaal 13 uur per periode van drie maanden (gemiddeld 1 uur per week). Het laatste salaris bedroeg € 16,24 bruto per uur.

2.2.

Op 6 december 2013 is de registratie in het BIG-register van [eiseres] als verpleegkundige verlengd tot en met 31 december 2018.

2.3.

Na week 50 van 2013 is [eiseres] niet meer voor arbeid opgeroepen.

2.4.

In april 2014 heeft Zorg Interim aan [eiseres] meegedeeld dat zij streeft naar een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

2.5.

Op 6 november 2015 heeft tussen Zorg Interim en [eiseres] een gesprek plaatsgevonden.

2.6.

Zorg Interim heeft naar aanleiding van dit gesprek een brief verzonden, waarin –onder meer- het volgende staat:

‘(…)

Uit het verslag van het jaargesprek 2012 en de bijbehorende scholingsbehoefte peiling blijkt dat u toendertijd nog bekwaam was en geen scholingsbehoefte had.

Aangezien er binnen Omring de regel gold dat u iedere twee jaar geschoold diende te zijn op uw bevoegdheden kunnen wij ervan uitgaan dat deze bevoegdheden medio 2014 waren verlopen. Vanaf dat moment was u voor ons niet meer inzetbaar als wijkverpleegkundige.

Uit het gesprek is gebleken dat u niet bereid bent om als Helpende te werken, het enige alternatief wat wij u kunnen bieden.

Om in alle redelijkheid en billijkheid deze ontstane situatie op te lossen stel ik u voor dat wij vanaf week 51 2013 tot en met einde 2014 uw loon uitbetalen.

Dit betreft een uitbetaling van 13 uur per kwartaal uurloon € 9,11, conform het contract.

Voor de toekomst zullen we afspraken moeten maken hoe we nu verder gaan, momenteel bent u voor ons niet inzetbaar.

U zou er voor kunnen kiezen binnen afzienbare tijd, ik stel voor een maand, certificaten aan ons te overleggen waaruit blijkt dat u de benodigde bijscholing heeft gevolgd en weer bekwaam bent voor al uw medische handelingen.

U zou er ook voor kunnen kiezen als helpende/ huishoudelijk medewerker aan het werk te gaan, dit maakt wel dat wij uw functie in uw contract zullen aanpassen.

Mochten bovenstaande opties voor u niet passend zijn dan stel ik voor dat wij middels een vaststellingsovereenkomst met wederzijds goedvinden uit elkaar gaan. (…)’

2.7.

Op 18 januari 2016 heeft Zorg Interim een brief geschreven met de volgende inhoud –voor zover van belang:

‘(…)

Naar aanleiding van uw schrijven heeft Zorg Interim zich bereid getoond het salaris van uw cliënte tot en met het jaar 2014 te voldoen.

Voorts heeft er op 6 november een gesprek plaatsgevonden waarbij Zorg Interim heeft aangegeven dat zij ervan uitgaat dat uw cliënte niet langer bevoegd is om als verpleegkundige te werken omdat zij de daarvoor vereiste scholing niet heeft bijgehouden. Uw cliënte heeft laten weten niet beschikbaar te zijn om in afwachting van het herkrijgen van haar bevoegdheid als helpende te gaan werken.

Het lijkt niet waarschijnlijk dat uw cliënte niet op de hoogte is van haar verplichting om te voldoen aan bevoegdheidseisen en urennormen. Niet alleen is het vanaf het begin van haar dienstverband de gangbare praktijk geweest dat periodiek vanwege Zorg Interim op de scholingsbehoefte is gewezen en dat dit ook is gefaciliteerd, doch bovendien vloeien uit de BIG registratie van uw cliënte voor haar de nodige verplichtingen voort, zeker nu zij de uren norm die aan de BIG registratie is gekoppeld (2080 uur in 5 jaar) niet lijkt te halen Op 5 juli 2012 heeft er voor het laatst een gesprek plaatsgevonden waarbij de scholingsbehoefte van uw cliënten is geïnventariseerd. Hierbij is door uw cliënte een formulier ingevuld waarop zij zelf vermeld voor welke onderdelen zij op dat moment bevoegd is. De bevoegdheidseisen zijn haar dus wel degelijk bekend.

De verpleegkundige dient uiteraard zelf bij te houden of zij nog bevoegd is. De werkgever vraagt daar geregeld naar en stelt haar in voorkomend geval in de gelegenheid noodzakelijk opleidingen te volgen. Ook aan de BIG registratie zijn voor een verpleegkundige eisen verbonden die zij zelf dient bij te houden.

Omdat er na juli 2012 voorzover bij Zorg Interim bekend geen scholing meer heeft plaatsgevonden mag zij er in alle redelijkheid van uitgaan dat de bevoegdheid om als verpleegkundige te werken eind 2014 is verlopen.

Voorzover deze aanname niet juist zou zijn verzoek ik uw cliënte dit aan te tonen. (…)’

2.8.

De gemachtigde van [eiseres] heeft hierop geantwoord dat de registratie in het BIG-register loopt tot en met december 2018 en dat [eiseres] zich beschikbaar houdt voor arbeid.

2.9.

Zorg Interim heeft in een brief van 25 februari 2016 onder andere het volgende geschreven:

‘Het is goed om goed en duidelijk een onderscheid te maken m.b.t. tot de bevoegd en bekwaamheid. Het is ons niet duidelijk hoe mevrouw de verlenging van haar BIG registratie (bevoegdheid) heeft geregeld, omdat het daarvoor vereiste gewerkte uren aantal niet in de tussentijd bij Zorg Interim is behaald. De bekwaamheid is voornamelijk ook de verantwoordelijkheid van de mevrouw zelf om bekwaam te blijven in alle verpleegtechnische handelingen.

In het d.d. gesprek van 6 november gaf mevrouw ook aan in eerste instantie niet als helpende aan de slag te willen gaan.

Toch willen we graag aan het benoemde verzoek van u schrijven van d.d. 15 februari 2016 voldoen.

Dat wil zeggen dat we mevrouw graag willen oproepen om aan de slag te gaan als helpende.

En tevens willen we graag met mevrouw afspraken maken m.b.t, scholing en de verdere financiële afhandeling.

Met ingang van week 9 zullen we mevrouw gaan oproepen om aan de slag te gaan als helpende.

(…)’

2.10.

Zorg Interim heeft in een brief van 8 april 2016 onder andere het volgende geschreven:

‘Mevrouw [eiseres] is inderdaad in dienst als verpleegkundige. Om als zodanig te kunnen werken dient zij te voldoen aan de bekwaamheidseisen die door Zorg Interim aan bij haar werkzame verpleegkundigen worden gesteld.

De bekwaamheid wordt niet op peil gebracht door te werken, maar door het volgen van opleidingen en cursussen. Zoals mevrouw [eiseres] weet, wordt de behoefte aan bijscholing vastgesteld aan de hand van een door de werknemer periodiek in te vullen bekwaamheidslijst. Op 5 juli 2012 heeft zij voor het laatst zo’n lijst ingevuld. De beoogde scholing wordt aan de hand van de lijst vastgesteld en door de werkgever gefaciliteerd. De zorg voor het op peil houden van de eigen bekwaamheid ligt primair bij de betreffende werknemer.

Ik stel vast dat mevrouw [eiseres] recent niet heeft aangetoond aan de bekwaamheidseisen te kunnen voldoen. Ook is er vanaf 5 juli 2012 tot nu toe geen ingevulde bekwaamheidslijst en/of een verzoek om scholing ontvangen.

Zorg Interim is uiteraard bereid het loon van mevrouw [eiseres] door te betalen over de periode dat zij niet heeft gewerkt terwijl zij wel voldeed aan de bekwaamheidsvereisten.

Vanaf het moment dat dit niet meer het geval was (medio 2014) en zij eveneens weigerde vervangend werk te doen totdat zij haar bekwaamheid weer op peil zal hebben gebracht (gesprek 16 november 2015), bestaat er geen rechtop doorbetaling van het loon.’

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter Zorg Interim veroordeelt tot:

  1. betaling van het loon van € 16,24 bruto per uur over 13 uren per 3 maanden ad € 211,12 per 3 maanden over het jaar 2014;

  2. betaling van het loon van € 16,24 bruto per uur over 13 uren per 3 maanden ad € 211,12 per 3 maanden vanaf 1 december 2015 tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

  3. betaling van de vakantietoeslag van 8% over het salaris vanaf 2014 tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd. Met aftrek van € 180,32;

  4. betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, te weten 50% van het onder sub a gevorderde;

  5. betaling van de wettelijke rente over het onder sub a en b gevorderde vanaf de dag van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening;

  6. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 190,-;

  7. het met terugwerkende kracht hervatten van pensioenafdrachten over het in sub a en b gevorderde, althans voor zover niet voldaan;

  8. [eiseres] , behoudens arbeidsongeschiktheid, zonder belemmering, weder te werk te stellen en toe te laten c.q. in staat te stellen haar gebruikelijke werkzaamheden als verpleegkundige te verrichten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag in het geval niet aan deze veroordeling wordt voldaan;

  9. betaling van de proceskosten.

3.2.

[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat Zorg Interim op grond van de arbeidsovereenkomst gehouden is haar voor het verrichten van arbeid op te roepen en het loon door te betalen, ook al heeft [eiseres] niet gewerkt. [eiseres] heeft zich immers beschikbaar gehouden en zij was bevoegd haar werkzaamheden te verrichten en voor het grootste deel van de taken als verpleegkundige ook bekwaam. Dat [eiseres] niet meer is opgeroepen is een omstandigheid die voor rekening van Zorg Interim moet komen.

3.3.

Gelet op het verzuim maakt [eiseres] voorts aanspraak op de wettelijke rente en de wettelijke verhoging.

3.4.

Omdat Zorg Interim ondanks verzoeken niet tot betaling overging, is [eiseres] genoodzaakt geweest haar incassogemachtigde in te schakelen en vordert zij vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ad € 190,-.

4 Het verweer

4.1.

Zorg Interim betwist de vordering gedeeltelijk. Zorg Interim erkent dat zij het salaris over het jaar 2014 en tot december 2015 verschuldigd is. Voor het overige voert zij voert aan – samengevat – dat in december 2015 aan [eiseres] is duidelijk gemaakt dat zij gegevens moet verstrekken over haar opleiding en bekwaamheid. Omdat [eiseres] daaraan niet heeft meegewerkt hoefde Zorg Interim haar (met ingang van december 2015) niet meer op te roepen en geen salaris meer te betalen. Het is de verantwoordelijkheid van [eiseres] om haar vakbekwaamheid op peil te houden.

5 De beoordeling

5.1.

Gelet op de erkenning van Zorg Interim ter zitting dat het loon over 2014 verschuldigd is, is de vordering op dat punt toewijsbaar. Tegen de gevorderde vakantietoeslag over 2014 is door Zorg Interim geen bezwaar gemaakt, zodat de vordering ook op dat punt toewijsbaar is.

5.2.

Vervolgens is aan de orde of Zorg Interim ook het loon (en de vakantietoeslag) over de periode na 1 december 2015 moet voldoen.

5.3.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat het loon voldaan moet worden omdat zij bereid en beschikbaar was de werkzaamheden te verrichten. Dat Zorg Interim haar niet heeft opgeroepen is een omstandigheid die op grond van artikel 7:628 Burgerlijk Wetboek (BW) voor rekening van Zorg Interim moet komen, aldus [eiseres] . Zorg Interim brengt daartegenin dat er vanuit gegaan moest worden dat [eiseres] niet vakbekwaam was omdat zij ondanks verzoeken niet heeft aangegeven wat haar scholingsbehoefte was. Dat zij niet werd opgeroepen heeft [eiseres] dus aan zich zelf te wijten.

5.4.

De kantonrechter stelt voorop dat in artikel 7:628 BW is bepaald dat de werknemer het recht op loon behoudt indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen.

5.5.

Vastgesteld kan worden dat [eiseres] voldoet aan de eisen op het gebied van bevoegdheid die de wet BIG voorschrijft. Haar registratie in het BIG-register als verpleegkundige is immers verlengd tot en met december 2018.

5.6.

Eveneens kan worden vastgesteld dat [eiseres] niet voldeed aan de eisen van vakbekwaamheid. Zij heeft immers, en dat is niet betwist, voor het laatst scholing gevolg in 2012. Dat daarmee haar vakkennis niet meer volledig bij de tijd was, is onvoldoende gemotiveerd betwist door [eiseres] . [eiseres] was dus niet als verpleegkundige inzetbaar voor Zorg Interim. De vraag die beantwoord moet worden is of dat een omstandigheid is die voor rekening van Zorg Interim moet komen. Daarbij is van belang dat Zorg Interim als werkgever gehouden om haar werknemers in staat te stellen scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie. Deze scholingsverplichting is met ingang van 1 juli 2015 expliciet neergelegd in artikel 7:611a BW, maar volgde naar het oordeel van de kantonrechter ook al vóór 1 juli 2015 uit de eis van goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW.

5.7.

Zorg Interim stelt zich in dit verband op het standpunt dat zij meermaals aan [eiseres] heeft gevraagd om aan te geven op welk punt zij scholing nodig had, maar dat [eiseres] daarop nooit een antwoord heeft gegeven, zodat er geen sprake is van een omstandigheid die in redelijkheid voor rekening van de werkgever moet komen. De kantonrechter volgt Zorg Interim hierin ten dele. Zorg Interim heeft weliswaar in diverse brieven gevraagd aan [eiseres] om haar op de hoogte te brengen van haar behoefte aan scholing. Echter, pas in de brief van 8 april 2015 staat voldoende duidelijk omschreven wat precies van [eiseres] verlangd wordt (het invullen van toegestuurde bekwaamheidslijsten) en wat de consequenties zijn als zij die lijsten niet invult. Pas op dat moment heeft Zorg Interim voldoende inhoud gegeven aan haar scholingsverplichting. Het mag zo zijn dat [eiseres] gelet op haar opleidingsniveau (HBO - V) geacht kan worden op de hoogte te zijn van de eis haar bekwaamheid op peil te houden, maar aan de andere kant mag van Zorg Interim verwacht worden indien zij een werknemer niet oproept om redenen van bekwaamheid, zij concreet aangeeft waarop die weigering is gebaseerd. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter pas gebeurd in de brief van 8 april 2016. Omdat [eiseres] ook na de ontvangst van die brief niet heeft voldaan aan het verzoek van Zorg Interim om aan te geven wat haar scholingsbehoefte is, is binnen korte tijd na dat moment geen sprake meer van een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever dient te komen. De kantonrechter acht een termijn van ongeveer drie weken voor [eiseres] om haar scholingsbehoefte door te geven, dan wel daarover in contact te treden met Zorg Interim redelijk.

5.8.

Het voorgaande betekent dat de vordering van [eiseres] over de periode vanaf 1 december 2015 tot en met 30 april 2016 toewijsbaar is, evenals het vakantiegeld over die periode omdat daartegen geen verweer is gevoerd.

5.9.

Tegen de gevorderde hervatting (met terugwerkende kracht en voor zover niet voldaan) van de pensioenafdrachten is geen verweer gevoerd, zodat ook deze vordering toewijsbaar is.

5.10.

Gelet op het verzuim is Zorg Interim over het toe te wijzen deel van het loon over 2014, de wettelijke verhoging verschuldigd. De kantonrechter zal deze wettelijke verhoging gelet op de omstandigheid dat er geen sprake lijkt te zijn van betalingsonwil, maar van een achteraf onjuist gebleken juridisch standpunt, maximeren tot 25%.

5.11.

Tegen de wettelijke rente is geen verweer gevoerd zodat deze toewijsbaar is.

5.12.

De buitengerechtelijke incassokosten zijn eveneens toewijsbaar. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is bovendien in overeenstemming met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief.

5.13.

Omdat [eiseres] op dit moment niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid, zal de gevorderde wedertewerkstelling (en de daaraan gekoppelde dwangsom) worden afgewezen.

5.14.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt Zorg Interim tot betaling aan [eiseres] van het loon van € 16,24 bruto per uur over 13 uren per 3 maanden ad € 211,12 per 3 maanden over het jaar 2014;

6.2.

veroordeelt Zorg Interim tot betaling van het loon van € 16,24 bruto per uur over 13 uren per 3 maanden ad € 211,12 per 3 maanden vanaf 1 december 2015 tot en met 30 april 2016;

6.3.

veroordeelt Zorg Interim tot betaling van de vakantietoeslag van 8% over het salaris vanaf 2014 tot en met 30 april 2016, onder aftrek van € 180,32;

6.4.

veroordeelt Zorg Interim tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, met een maximum van 25% over hetgeen is toegewezen onder 6.1.;

6.5.

veroordeelt Zorg Interim tot betaling van de wettelijke rente over hetgeen onder 6.1. en 6.2 is toegewezen, vanaf de dag van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening;

6.6.

veroordeelt Zorg Interim tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 190,-;

6.7.

veroordeelt Zorg Interim tot het met terugwerkende kracht hervatten van de pensioenafdrachten over hetgeen is toegewezen onder 6.1. en 6.2., althans voor zover niet voldaan;

6.8.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.9.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.10.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Liefting-Voogd en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter