Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:2360

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
23-03-2018
Zaaknummer
6607401 / AO VERZ 18-9
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak in arbeidszaak. Het verzoek van de werknemer om vernietiging van de opzegging/beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever wordt toegewezen. Als wordt uitgegaan van het standpunt van de werknemer dat een ontslag op staande voet is gegeven, moet dat ontslag worden vernietigd, omdat niet is gebleken van een dringende reden voor dat ontslag en de werkgever zo’n reden ook niet heeft genoemd of meegedeeld. Als wordt uitgegaan van het standpunt van de werkgever dat partijen met wederzijds goedvinden zijn overeengekomen dat het dienstverband wordt beëindigd, moet die beëindigingsovereenkomst ook worden vernietigd of nietig verklaard, omdat de wet (artikel 7:670b lid 1 BW) vereist dat zo’n beëindigingsovereenkomst schriftelijk wordt aangegaan en dat is niet gebeurd. Het resultaat is in beide gevallen dat de arbeidsovereenkomst voortduurt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0361
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 6607401 / AO VERZ 18-9

Uitspraakdatum: 13 maart 2018

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in de zaak van:

[verzoekster]

die woont in [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [verzoekster]

gemachtigde: mr. W.L. Sieval

tegen

[verweerster]

die handelt onder de naam Wijnbeld Netwerk Notarissen

die is gevestigd in Warmenhuizen

verwerende partij

verder te noemen: Wijnbeld

gemachtigde: geen

1 De gronden van de beslissing

1.1.

[verzoekster] is op 1 april 2016 in dienst gekomen bij Wijnbeld. Er zijn drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gesloten, de eerste voor zeven maanden, de tweede voor een jaar en de derde voor vier maanden. De laatste arbeidsovereenkomst liep tot 28 februari 2018.

1.2.

[verzoekster] heeft de arbeidsovereenkomst met een brief van 31 oktober 2017 opgezegd per 1 december 2017. Wijnbeld heeft in reactie daarop aan [verzoekster] laten weten dat zij niet akkoord ging met de opzegging. Daarbij heeft Wijnbeld tegen [verzoekster] gezegd dat een tussentijdse opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet is toegestaan, maar dat zo’n arbeidsovereenkomst alleen met wederzijds goedvinden kan worden beëindigd. Ook vond Wijnbeld het niet goed dat [verzoekster] met het oog op de komende drukke maand december al per 1 december zou vertrekken. Wijnbeld zou erover nadenken en overleggen met een collega, en er daarna op terugkomen bij [verzoekster] .

1.3.

Wijnbeld en [verzoekster] hebben op 27 november 2017 opnieuw een gesprek gehad. Daarbij heeft Wijnbeld tegen [verzoekster] gezegd dat Wijnbeld toch akkoord kon gaan met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 december 2017. In het verweerschrift heeft Wijnbeld benadrukt dat dit een beëindiging met wederzijds goedvinden was. Op de zitting heeft Wijnbeld dit herhaald en bevestigd.

1.4.

[verzoekster] vindt dat sprake is van een ontslag op staande voet, een eenzijdige beëindiging of opzegging van de arbeidsovereenkomst op 27 november 2017 door Wijnbeld, en dat dit ontslag vernietigbaar is.

1.5.

Als de kantonrechter uitgaat van wat Wijnbeld zegt, namelijk dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd per 1 december 2017, is die beëindiging inderdaad vernietigbaar en nietig. De kantonrechter moet zelf zo nodig rechtsgronden aanvullen, dat wil zeggen het juiste ‘juridisch etiket plakken’ op de feiten, stellingen of vorderingen van partijen. De kantonrechter ziet dan dat in de wet, artikel 7:670b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, staat dat een overeenkomst waarmee een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, alleen geldig is als deze schriftelijk is aangegaan. Een beëindiging met wederzijds goedvinden is hetzelfde als een beëindigingsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:670b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. De door Wijnbeld gestelde beëindiging met wederzijds goedvinden van de arbeidsovereenkomst per 1 december 2017 is niet schriftelijk vastgelegd. Die overeenkomst tot beëindiging met wederzijds goedvinden is daarom nietig. Die nietigheid volgt uit de wet, namelijk uit artikel 3:39 van het Burgerlijk Wetboek. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst na 1 december 2017 gewoon doorloopt.

1.6.

Als de kantonrechter uitgaat van wat [verzoekster] zegt, te weten dat op 27 november 2017 sprake is geweest van een ongeldig ontslag op staande voet of een ongeldige opzegging door Wijnbeld, is het resultaat hetzelfde. Dat ontslag of die opzegging is in dat geval namelijk vernietigbaar, omdat voor zo’n ontslag een dringende reden is vereist en die is er niet. Wijnbeld heeft zo’n dringende reden ook niet genoemd of meegedeeld. Er is ook geen schriftelijke instemming van [verzoekster] met het ontslag of de opzegging. De vernietigbaarheid van het ontslag of de opzegging volgt in dit geval uit de door [verzoekster] genoemde wettelijke regels (artikel 7:671 lid 1 BW en artikel 7:681 lid 1 BW). Ook dan is het resultaat dat de arbeidsovereenkomst doorloopt na 1 december 2017.

1.7.

Omdat de arbeidsovereenkomst doorloopt na 1 december 2017 heeft [verzoekster] recht op doorbetaling van loon. Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval is geëindigd per 28 februari 2018, doordat de derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd toen is afgelopen. Tot 1 december 2017 is gewoon loon betaald. Dat betekent dat [verzoekster] nog recht heeft op drie maanden loon, over de periode van 1 december 2017 tot en met 28 februari 2018, in totaal een bedrag van € 4.874,40 bruto (drie keer het overeengekomen maandloon van € 1.624,80 bruto). Dat moet Wijnbeld nog betalen en daartoe zal zij worden veroordeeld. De vordering van vertragingsschade en wettelijke rente wordt ook toegewezen, omdat Wijnbeld te laat heeft betaald. De vertragingsschade wordt gematigd tot 10%, ook omdat geen sprake is geweest van bewust of opzettelijk te laat betalen.

1.8.

De vordering van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat niet is gebleken dat [verzoekster] die kosten heeft gemaakt.

1.9.

De proceskosten van [verzoekster] in deze zaak moeten worden vergoed door Wijnbeld, omdat Wijnbeld ongelijk krijgt. Die kosten worden vastgesteld op € 226,00 aan griffierecht en
€ 400,00 aan kosten voor de gemachtigde van [verzoekster] .

2 De beslissing

De kantonrechter:

2.1.

vernietigt de opzegging door Wijnbeld op 27 november 2017, voor zover daarvan sprake is geweest, en verklaart zo nodig de beëindigingsovereenkomst van diezelfde datum nietig, en veroordeelt Wijnbeld tot betaling van € 4.874,40 bruto aan loon, vermeerderd met 8% vakantiegeld, met de wettelijke rente, en met de wettelijke verhoging vanaf het moment van opeisbaar worden tot de gehele voldoening, waarbij de wettelijke verhoging wordt toegewezen tot maximaal 10%;

2.2.

veroordeelt Wijnbeld tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [verzoekster] worden vastgesteld op € 226,00 aan griffierecht en € 400,00 aan kosten voor de gemachtigde van [verzoekster] ;

2.3.

bepaalt dat de veroordeling onder 2.1 en 2.2. uitvoerbaar bij voorraad is;

2.4.

wijst wat meer of anders verzocht is af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter