Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:2322

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2104
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en gebruiken verleend voor het oprichten van 78 woningen. Parkeren.

De gevolgen van het project voor eisers wat betreft verkeersbewegingen, lichtinval en schaduwwerking worden niet (zozeer) veroorzaakt door verlening van de voorliggende omgevingsvergunning voor de activiteit gebruiken, maar door de maximale bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan ter plaatse reeds biedt.

De rechtbank is met eisers van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat aanleiding bestaat af te wijken van de volgens het Parkeernormenbeleid geldende breedtemaat van 2,50 meter voor parkeerplaatsen voor haaks parkeren. Het project genereert een parkeerbehoefte van 36 parkeerplaatsen. Thans zijn 45 parkeerplaatsen - en daarmee 9 parkeerplaatsen extra - voor haaks parkeren met een breedtemaat van 2,40 meter op eigen terrein ingetekend. Daarmee staat vast dat op eigen terrein (ook) ruimte is om minimaal 36 parkeerplaatsen met een breedte van minimaal 2,50 te realiseren in plaats van met een breedte van 2,40 meter. Reeds hierom bestond geen aanleiding van de op basis van het Parkeernormenbeleid 2015 geldende breedtemaat van 2,50 meter af te wijken. Verweerder kan reeds daarom geen toepassing geven aan artikel 4:84 Awb. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de 45 parkeerplaatsen die op eigen terrein zijn ingetekend, gelet op het Parkeernormenbeleid 2015, niet kunnen worden meegeteld bij het bepalen van de parkeercapaciteit van het project. Het project voorziet daarmee op eigen terrein thans niet in de benodigde parkeerbehoefte en is daarom in strijd met het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening.

Er bestaat aanleiding en ruimte zelf in de zaak te voorzien door middel van het aan de omgevingsvergunning verbinden van een aanvullend voorschrift teneinde te bewerkstelligen dat het project (wel) aan het eerste lid van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening voldoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 17/2104, HAA 17/2156 en HAA 17/2320

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 maart 2018 in de zaken tussen

HAA 17/2104

1 [eisers nr 1] ,te IJmuiden,

(gemachtigde: mr. G. Visser),

HAA 17/2156

2 [t/m 48 diverse eisers]

,

(gemachtigde: Y. [naam 2] ),

HAA 17/2320

49 [eisers nr 49] , te IJmuiden,

(gemachtigde: mr. T. van der Weijde),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen, verweerder

(gemachtigden: W. Dooijes en B. de Groot).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

1. De stichting Stichting Woningbedrijf Velsente Velsen;

2. De besloten vennootschap Bouwbedrijf [derde belanghebbende] B.V.te Warmenhuizen;

(gemachtigde: H.J. van der Hauw).

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij sub 1 omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en gebruiken verleend voor het oprichten van 78 woningen op het perceel Lange Nieuwstraat ongenummerd te IJmuiden.

Bij besluit van 28 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 6 november 2017 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaken geregistreerd onder de nummers HAA 17/4415, HAA 17/4210 en HAA 17/4168 de verzoeken om een voorlopige voorziening van eisers afgewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2018. [naam 1] is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Weijde, waarnemer van mr. G. Visser. Eisers sub 2 tot en met

48 zijn vertegenwoordigd door Y. van der Laan (Van der Laan). [naam 2] is tezamen met [naam 3] ook in haar eigen zaak verschenen, eveneens bijgestaan door mr. T. van der Weijde. Derde-partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde, bijgestaan door mr. F.W. Horstman. Voor derde-partij sub 1 zijn verder verschenen de heren [naam 4] en [naam 5] en mevrouw [naam 6] . Voor derde-partij sub 2 is verder verschenen [naam 7] .

Overwegingen

HAA 17/2156 en HAA 17/2320

1. De rechtbank stelt vast dat [naam 3] zowel in de zaak met het nummer HAA 17/2156 als in de zaak met het nummer HAA 17/2320 beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Een belanghebbende kan tegen een en hetzelfde besluit evenwel maar een keer beroep instellen. Ter zitting is gebleken dat [naam 3] in de zaak met het nummer HAA 17/2156 als woordvoerder optreedt en in de zaak met het nummer HAA 17/2320 opkomt voor zijn eigen belangen. De rechtbank vat het beroep van [naam 3] gelet hierop op als uitsluitend te zijn ingesteld in de zaak met het nummer HAA 17/2320.

HAA 17/2156

2.1

De rechtbank is gehouden de ontvankelijkheid van het beroep ambtshalve te beoordelen.

2.2

De rechtbank ziet zich in dat kader allereerst gesteld voor de vraag door wie beroep is ingesteld in deze zaak.

2.3

In het beroepschrift van 4 mei 2017 heeft gemachtigde Van der Laan aangegeven dat zij namens het buurtcomité Geleenstraat, Griftstraat en Vechtstraat (GGV) te IJmuiden een stem wil laten horen. Bij het beroepschrift zijn volmachten gevoegd van individuele bewoners van de genoemde straten.

Ter zitting heeft Van der Laan desgevraagd verklaard dat het beroep tegen het bestreden besluit moet worden opgevat als te zijn ingesteld door de individuele bewoners van de genoemde straten van wie volmachten bij het beroepschrift zijn gevoegd. Het beroepschrift borduurt volgens haar voort op het bezwaarschrift dat de individuele bewoners tegen het primaire besluit hebben ingediend. Het beroep tegen het bestreden besluit moet volgens haar niet worden opgevat als te zijn ingesteld door het Buurtcomité GGV.

2.4

De rechtbank vat het beroep in deze zaak, gelet op door Van der Laan ter zitting gegeven toelichting, op als te zijn ingesteld door de (in totaal 47) individuele bewoners van de Geleenstraat, Griftstraat en Vechtstraat te IJmuiden van wie de volmachten zijn bijgevoegd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de begeleidende brief van 30 maart 2017 behorende bij het bestreden besluit en uit het bestreden besluit zelf blijkt dat in het besluit op bezwaar beslist is op het bezwaar van de individuele bewoners van de genoemde straten.

2.5

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of genoemde 47 individuele bewoners voorafgaand aan het instellen van beroep tegen het bestreden besluit bezwaar hebben gemaakt tegen het primaire besluit. In artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover van belang, is namelijk bepaald dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.

2.6

De rechtbank stelt vast dat eisers sub 24 tot en met 48 beroep hebben ingesteld tegen het bestreden besluit zonder dat zij daaraan voorafgaand bezwaar hebben gemaakt tegen het primaire besluit.

2.7

De rechtbank is van oordeel dat eisers sub 24 tot en met 48 kan worden verweten dat zij geen bezwaar hebben gemaakt tegen het primaire besluit alvorens beroep in te stellen. Dat niet alle eisers in de bezwaarfase (tijdig) formulieren of lijsten hebben ingevuld en terug hebben gestuurd naar hun gemachtigde(n), zoals ter zitting is verklaard, betreft een omstandigheid die voor rekening en risico van die eisers dient te blijven.

2.8

Het voorgaande betekent dat het beroep voor zover het is ingesteld door eisers sub 24 tot en met 48 niet-ontvankelijk is. De rechtbank zal in deze zaak dan ook uitsluitend het beroep voor zover het is ingesteld door eisers sub 2 tot en met 23 inhoudelijk beoordelen.

3.1

Derde-partijen hebben ter zitting gesteld dat de stukken van eisers sub 2 tot en met 23 die zij bij brief van 2 november 2017 ten behoeve van het verzoek om een voorlopige voorziening aan de rechtbank hebben toegezonden geen onderdeel uitmaken van het beroepsdossier en dus buiten beschouwing moeten worden gelaten. Zij voeren daartoe aan dat die stukken zich niet bevinden tussen de stukken die zij in de beroepszaak van de rechtbank doorgestuurd hebben gekregen, maar dat die stukken zich uitsluitend bevinden tussen de stukken die zij in de voorlopige voorziening-zaak van de rechtbank doorgestuurd hebben gekregen. In de voorlopige voorziening-zaak zijn de stukken buiten beschouwing gelaten, omdat deze te laat waren ingediend. De stukken zijn volgens derde-partijen vervolgens niet opnieuw ingezonden in het kader van de beroepszaak.

3.2

Uit de zittingsaantekeningen die zijn opgemaakt van de zitting van 6 november 2017 waarop de verzoeken om voorlopige voorzieningen zijn behandeld volgt dat de voorzieningenrechter heeft besloten de bedoelde stukken in het kader van de verzoeken om voorlopige voorziening buiten behandeling te laten. De voorzieningenrechter heeft tijdens die zitting tevens aangegeven dat de stukken in het beroepsdossier zullen worden gevoegd. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding te besluiten dat deze stukken geen onderdeel uitmaken van het beroepsdossier. De stukken bevatten overigens geen nieuwe beroepsgronden, maar vormen slechts een nadere onderbouwing van een beroepsgrond die eisers sub 2 tot en met 23 reeds in hun initiële beroepschrift van 4 mei 2017 hebben aangevoerd.

4.1

Eisers sub 2 tot en met 23 betogen dat zij zich niet gehoord voelen door verweerder. Hun belangen zijn bij de besluitvorming niet zorgvuldig gewogen. Dat maakt dat de besluitvorming onzorgvuldig is.

4.2

Ter zitting hebben verweerder en derde-partijen onbetwist gesteld dat tijdens de besluitvormingsfase een informatie-avond is georganiseerd en dat gesprekken hebben plaatsgevonden met omwonenden. Verder heeft ten behoeve van de behandeling van de ingediende bezwaarschriften een hoorzitting plaatsgevonden waarop bezwaarmakers zijn gehoord. Dat eisers niet of onvoldoende gehoord of betrokken zijn bij de besluitvorming, is daarom onvoldoende aannemelijk geworden. Het dossier biedt ook overigens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.

4.3

Het betoog slaagt niet.

HAA 17/2104, HAA 17/2156 en HAA 17/2320

5.1

Voor het braakliggende plangebied aan de Lange Nieuwstraat, tussen het Marktplein en de Vechtstraat te IJmuiden, is in 2012 het bestemmingsplan “Lange Nieuwstraat NW” vastgesteld. Dit bestemmingsplan voorziet in directe bouwtitels voor een herstructurering van een omvang van 106 woningen (appartementen) en ongeveer 500 m2 commerciële ruimte. In 2012 is een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van het project genaamd “De Golfbreker”. Dit project voorzag in de bouw van 106 appartementen en circa 400 m2 aan bedrijfsruimte. Als gevolg van gewijzigde omstandigheden in het kader van de volkshuisvesting en de economische recessie is van de uitvoering van dit project afgezien.

5.2

Voor het hiervoor omschreven plangebied is een nieuw plan ontworpen, bestaande uit vier bouwblokken A, B, C en D, met in totaal 108 appartementen en ruimte voor kantoor, detailhandel en/of dienstverlening.

5.3

Het voorliggende project voorziet in het oprichten van de bouwblokken A, B en C. Deze blokken voorzien in totaal in 78 woningen voor sociale huur. Op eigen terrein zijn ten behoeve van het project 45 parkeerplaatsen ingetekend. In de openbare ruimte zijn 74 parkeerplaatsen ingetekend. Bij het primaire besluit is de omgevingsvergunning voor het project “De Golfbreker” ingetrokken.

Activiteit gebruiken

6.1

Ter plaatse vigeren op basis van het bestemmingsplan “Lange Nieuwstraat NW” (het bestemmingsplan) de bestemmingen “Verkeer-Verblijfsgebied” en “Wonen” en de dubbelbestemming “Waarde-archeologie”.

6.2

Tussen partijen is niet in geschil dat het project in strijd is met het bestemmingsplan, omdat de kopse kant van blok B aan de westzijde het bouwvlak met 0,65 meter overschrijdt.

6.3

Verweerder heeft voor het project met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang bezien met artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), omgevingsvergunning verleend voor de activiteit gebruiken in strijd met het bestemmingsplan.

6.4

De beslissing om al dan niet omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit gebruiken in strijd met het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo behoort tot de bevoegdheden van verweerder, waarbij verweerder beleidsvrijheid heeft en de rechter terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

6.5

Verweerder is bereid van het bestemmingsplan af te wijken op het punt van overschrijding van het bouwvlak met 0,65 meter aan de kopse kant van blok B aan de westzijde. De positie van de Griftstraat wordt volgens verweerder door de afwijking exact in lijn gebracht met de aan de overzijde van de Lange Nieuwstraat liggende Eemstraat. Daarnaast kan door de afwijking aan beide zijden van de Griftstraat, tussen de blokken B en C, langsparkeren worden gerealiseerd om te voldoen aan de verlangde parkeerfaciliteit. Het straatprofiel tussen de blokken B en C maakt de afwijking van het bestemmingsplan nodig en wenselijk, aldus verweerder.

6.6.1

Eisers sub 2 tot en met 23 en eisers sub 49 betogen dat op geen enkele wijze rekening is gehouden met de verkeerssituatie. Er is volgens eisers sub 2 tot en met 23 geen onderzoek gedaan naar de huidige of toekomstige verkeerssituatie. Door verweerder wordt slechts aangenomen dat er een geringe toename is van voertuigbewegingen. De hoofdingang is naar achteren verplaatst, net als de meeste parkeerplaatsen. Dit zorgt voor een toename van verkeersbewegingen wat de veiligheid niet ten goede komt. Daarbij moet volgens eisers sub 2 tot en met 23 worden opgeteld het vrachtverkeer en de smalle straatjes en de toename van fijnstof.

Eisers sub 49 betogen daarnaast dat in het bestreden besluit geen dan wel onvoldoende rekening is gehouden met de verminderde lichtinval en toegenomen schaduwwerking op hun perceel als gevolg van het project. Door de hoogte van het nieuwe gebouw, alsmede de plaatsing buiten het bouwvlak, zullen eisers sub 49 minder zonlicht en warmte ontvangen in hun tuin en in huis. Er had een nieuwe bezonningsstudie moeten worden uitgevoerd nu een nieuw, hoger plan wordt gerealiseerd ten opzichte van het project “De Golfbreker”.

6.6.2

De rechtbank overweegt als volgt. Beoordeeld moet worden of eisers ten gevolge van het voorliggende project onevenredige gevolgen wat betreft verkeersbewegingen, lichtinval en schaduwwerking zullen ondervinden. Ten behoeve van die beoordeling moet een vergelijking worden gemaakt tussen de gevolgen die de voorliggende omgevingsvergunning wat betreft die aspecten kan veroorzaken en de gevolgen die het bestemmingsplan wat betreft die aspecten kan veroorzaken indien de daarin opgenomen bouwmogelijkheden maximaal zouden zijn benut. Bij het vaststellen van het bestemmingsplan moet namelijk geacht worden al rekening te zijn gehouden met de gevolgen die door de bouw van op grond van het bestemmingsplan toegestane woningen maximaal kunnen worden veroorzaakt. Anders dan eisers sub 49 hebben verondersteld, moeten de gevolgen die het voorliggende project kan hebben dus niet worden vergeleken met en worden afgezet tegen de gevolgen die het project “De Golfbreker”, waarvoor in een eerder stadium vergunning is verleend, wat betreft verkeersbewegingen, lichtinval en schaduwwerking, veroorzaakt zou kunnen hebben.

6.6.3

De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan “Lange Nieuwstraat NW” de bouw van woningen met een hoogte van 20 meter mogelijk maakt binnen de drie bouwvlakken waar thans de blokken A tot en met C zijn beoogd. De woningen binnen het voorliggende project hebben een hoogte van 18,21 meter. Het voorliggende project wijkt slechts af van het bestemmingsplan voor zover het bouwvlak bij blok B aan de westzijde met 0,65 meter wordt overschreden. Het voorliggende project wijkt aldus slechts in geringe mate af van de maximale bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan reeds biedt. De woningen binnen het voorliggende project zijn bovendien een stuk lager dan die op grond van het bestemmingsplan zijn toegestaan. Dit betekent dat de gevolgen wat betreft verkeersbewegingen, lichtinval en schaduwwerking bij de woningen van eisers als gevolg van het voorliggende project, hetzelfde, mogelijk zelfs minder ingrijpend, zijn dan wanneer bebouwing zou zijn opgericht die op grond van het bestemmingsplan – en daarmee zonder omgevingsvergunning voor de activiteit gebruiken – maximaal is toegestaan.

De gevolgen van het project voor eisers wat betreft verkeersbewegingen, lichtinval en schaduwwerking worden dus niet (zozeer) veroorzaakt door verlening van de voorliggende omgevingsvergunning voor de activiteit gebruiken, maar door de maximale bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan ter plaatse reeds biedt. De maximale bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt moeten in de voorliggende procedure als een vaststaand gegeven worden beschouwd.

6.6.4

De betogen slagen niet.

Activiteit bouwen

Bouwverordening (parkeren)

7. Op grond van artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening 2012 van de gemeente Velsen (de Bouwverordening) moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Op grond van artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de Bouwverordening kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

8. Verweerder stelt zich, zoals hij ter zitting nader heeft toegelicht en ook uit het bestreden besluit volgt, op het standpunt dat het voorliggende project een parkeerbehoefte van 36 parkeerplaatsen genereert. Verweerder is daarbij uitgegaan van een parkeerbehoefte in de nieuwe situatie van 109 parkeerplaatsen en een parkeerbehoefte in de oude situatie van 83 parkeerplaatsen, die verrekend kan worden (109-83=26). Omdat als gevolg van het realiseren van het voorliggende project 10 bestaande parkeerplaatsen vervallen, zijn voorts 10 parkeerplaatsen nodig ter compensatie (26+10=36). Verweerder heeft bij zijn berekening het in de Nota Parkeernormenbeleid 2015 van de gemeente Velsen (het Parkeernormenbeleid 2015) neergelegde beleid gehanteerd.

Op eigen terrein wordt in tenminste 36 parkeerplaatsen voorzien, zodat volgens verweerder is voldaan aan het eerste lid van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening. Aan de vraag of op andere wijze dan op eigen terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien, als bedoeld in het vierde lid van datzelfde artikel, wordt, zo heeft verweerder verder ter zitting verduidelijkt, wat hem betreft dus niet toegekomen. Hij heeft geen gebruik gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid neergelegd in het vierde lid.

De (overige) 9 parkeerplaatsen die op eigen terrein zijn ingetekend en de (overige) 74 parkeerplaatsen die in de openbare ruimte zijn ingetekend, zijn volgens verweerder ingetekend met het door hem nagestreefde doel de parkeersituatie in de openbare ruimte te verbeteren en deze te herstructureren. Tot het intekenen van deze parkeerplaatsen bestond volgens verweerder op basis van de Bouwverordening evenwel geen verplichting.

9. Eisers betogen dat het project in strijd is met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening, omdat het in onvoldoende parkeerplaatsen voorziet en dus zal zorgen voor enorme parkeeroverlast. Zij voeren daartoe verschillende argumenten aan.

10.1

Volgens eisers sub 1 is in de nieuwe situatie ten onrechte uitgegaan van een norm van 1,3 parkeerplaats voor een deel van de appartementen. Er dient te worden uitgegaan van 1,5 parkeerplaats per appartement, omdat in de omgeving al sprake is van een enorme parkeerdruk.

Volgens eisers sub 49 is verweerder, gelet op de parkeerdruk, ten onrechte uitgegaan van een norm van 1,5 parkeerplaats per appartement. Er had van een hoger gemiddelde moeten worden uitgegaan. De CROW-richtlijn kent een onderverdeling voor parkeernormen naar aanleiding van het karakter van de wijk en ook een minimum- en maximumnorm voor het aantal parkeerplaatsen per woning. Door uit te gaan van een norm van 1,5 is de nuance die de CROW-richtlijn biedt om rekening te houden met plaatselijke verschillen verdwenen. Het beleid pakt bij deze wijze van normeren volgens eisers sub 1 en 49, zoals zij ter zitting nader hebben toegelicht, onredelijk uit, zodat verweerder van het beleid had moeten afwijken. Verder is volgens eisers sub 1 bij de normering ten onrechte geen rekening gehouden met het bezoekersdeel.

10.2

Verweerder heeft bij de berekening van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie, afhankelijk van de grootte van de woningen, normen van respectievelijk 1,3, 1,5 en 1,7 per woning gehanteerd, overeenkomstig het Parkeernormenbeleid 2015.

In paragraaf 2 “Parkeernormen in de gemeente Velsen” van het Parkeernormenbeleid 2015 is aangegeven dat de parkeernormen die de gemeente Velsen hanteert zijn gebaseerd op de parkeerkencijfers zoals het CROW die heeft opgenomen in publicatie 317 “kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” van oktober 2012. Deze kencijfers worden vertaald naar gemeentelijke parkeernormen door de stedelijkheidsgraad vast te stellen. De gemeente Velsen is ingedeeld in de categorie “sterk stedelijk”. Vervolgens, zo staat verder in het beleid vermeld, is er de mogelijkheid om binnen de gemeente op basis van locatiespecifieke kenmerken onderscheid te maken in typering van de stedelijke zone. Omdat de gemeente Velsen nauwelijks sturend parkeerbeleid (bijvoorbeeld betaald parkeren) kent en omdat tussen de verschillende gebieden binnen de gemeente geen sprake is van grote verschillen in aanbod van openbaar vervoer, is ervoor gekozen om per functie één parkeernorm vast te stellen die in de gehele gemeente van toepassing is.

10.3

De rechtbank acht de in het Parkeernormenbeleid 2015 gemaakte keuze om binnen de gemeente per functie één parkeernorm vast te stellen, gelet op de in het beleid daarvoor gegeven toelichting, niet onredelijk.

Zo al sprake is van een bestaand tekort en daarmee gepaard gaande hoge parkeerdruk, zoals eisers sub 1 en 49 stellen, vormt dat geen grond voor de conclusie dat verweerder om die reden de normen uit het Parkeernormenbeleid 2015 niet heeft mogen hanteren. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2755, behoort bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid namelijk alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan en kan een eventueel bestaand tekort als regel buiten beschouwing worden gelaten.

Eisers hebben hun stelling dat de keuze van verweerder voor het hanteren van de genoemde normen van 1.3, 1.5 en 1.7 in dit geval onredelijk uitpakt verder niet concreet onderbouwd, zodat de rechtbank eisers hen daarin reeds daarom niet volgt.

10.4

De rechtbank overweegt verder dat in het Parkeernormenbeleid 2015 een percentage van de parkeernorm, in dit geval respectievelijk 0,3 en 0,4, is aangeduid als bezoekersdeel. De rechtbank begrijpt dat dit percentage deel uitmaakt van de in het beleid opgenomen parkeernormen en dat die normen dus, anders dan eisers sub 1 hebben verondersteld, inclusief bezoekersparkeren, zijn.

10.5

Verweerder heeft gelet op het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank bij het berekenen van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie kunnen uitgaan van de normen van respectievelijk 1,3, 1,5 en 1,7 zoals die in het Parkeernormenbeleid 2015 zijn opgenomen. De betogen slagen niet.

11.1

Eisers sub 2 tot en met 23 betogen verder dat de buurt recht heeft op meer dan de te realiseren 10 ‘coulance parkeerplaatsen’. Objectief bezien heeft de buurt recht op minimaal nog 6 ‘coulance parkeerplaatsen’, indien verweerder voor de parkeerbehoefte van de buurt ook gerekend zou hebben aan de hand van de huidige norm.

11.2

Verweerder stelt in het bestreden besluit dat, omdat door het realiseren van haakse parkeervakken ter plaatse van de Geleenstraat de mogelijkheid vervalt van langsparkeren, er 10 parkeerplaatsen vervallen die gecompenseerd dienen te worden.

11.3

Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers sub 2 tot en met 23 desgevraagd verklaard dat het wenselijk is dat uit coulance bovenop de 10 parkeerplaatsen die reeds zullen worden gerealiseerd ter compensatie nog eens 6 parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd, maar dat wordt erkend dat, anders dan ten aanzien van genoemde 10 parkeerplaatsen, geen aanspraak bestaat op realisatie van het aantal van 6 extra parkeerplaatsen. De rechtbank laat dit betoog om die reden verder buiten bespreking.

12.1

Eisers sub 1 en eisers sub 2 tot en met 23 betogen verder dat verweerder de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie ten onrechte dan wel onjuist heeft gesaldeerd met de parkeerbehoefte in de oude situatie.

Volgens eisers sub 1 is al lange tijd sprake van een braakliggend terrein en is geenszins inzichtelijk gemaakt of sprake is van een acceptabele loopafstand. In het beleid staat vermeld dat in het geval een ontwikkellocatie al jaren braak ligt of niet meer in gebruik is verweerder kan besluiten dat er geen aftrek van parkeerbehoefte mogelijk is. Ter zitting hebben eisers sub 1 en 49 gesteld dat geen sprake is van vervangende nieuwbouw.

Volgens eisers sub 2 tot en met 23 geeft het fictief aantal parkeerplaatsen van 83 voor de oude flats dat voor het salderen is gebruikt bovendien een volledig vertekend beeld. Dat aantal parkeerplaatsen was in het gehele plangebied in de oude situatie niet voorhanden. Ten onrechte heeft verweerder een norm van 1,3 per appartement voor de oude flats gehanteerd. Eisers sub 2 tot en met 23 betogen verder dat verweerder 9 van de 83 parkeerplaatsen ten onrechte schaart als behorende bij de parkeerplaatsen die toebehoorden aan de oude flats. 9 plaatsen zijn volgens hen officieel toegekend aan de Vechtstraat. Ter zitting hebben deze eisers toegelicht dat wat hen betreft in zoverre ten onrechte sprake is van dubbelgebruik.

12.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening hoeft te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het project. De parkeerbehoefte in de oude situatie (62 woningen en 1 winkel) bedraagt volgens verweerder 83 parkeerplaatsen. Hierbij is verweerder uitgegaan van de huidige parkeernormen van 1,3 per woning en die van 3,6/100m2 voor de winkel. Afgezet tegen de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie ontstaat, aldus verweerder, als gevolg van het project een extra parkeerbehoefte van 26 parkeerplaatsen (109 – 83). Vanwege de 10 te compenseren parkeerplaatsen wordt, aldus verweerder, in totaal op een minimaal vereist aantal van 36 parkeerplaatsen uitgekomen.

12.3

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3449, kan bij vervangende nieuwbouw een eventueel bestaand tekort aan parkeerplaatsen als regel buiten beschouwing worden gelaten. Er dient slechts rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte vanwege het te slopen pand. Leegstand van dat pand gedurende een periode is daarbij niet relevant.

12.4

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van vervangende nieuwbouw. Zij neemt hierbij in aanmerking dat, zoals ter zitting is komen vast te staan, de oude flats op het terrein in 2011 zijn gesloopt teneinde het project “De Golfbreker” mogelijk te maken, voor welk project, als overwogen, in 2012 omgevingsvergunning is verleend. Het voorliggende project vervangt het project “De Golfbreker”. Daarmee is het voorliggende nieuwbouwproject aan te merken als een project dat de gesloopte oude flats vervangt.

Zoals uit de aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 13 december 2017 volgt, brengt de omstandigheid dat het terrein een aantal jaren braak heeft gelegen, anders dan eisers hebben verondersteld, verder niet met zich dat niet gesaldeerd mag worden met de parkeerbehoefte in de oude situatie zoals verweerder in dit geval heeft gedaan.

12.5

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder bij de berekening van de parkeerbehoefte in de oude situatie in redelijkheid aansluiting heeft kunnen zoeken bij de huidige in het Parkeernormenbeleid 2015 opgenomen parkeernormen. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. In het Parkeernomenbeleid 2015 is aangegeven dat indien onduidelijk is hoeveel openbare parkeerplaatsen werden gebruikt ten behoeve van de oude functie, de huidige parkeernormen als uitgangspunt worden gehanteerd. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat niet kon worden berekend hoeveel parkeerplaatsen precies behoorden bij de oude situatie, omdat het een stedelijke omgeving betreft en de Lange Nieuwstraat een drukke winkelstraat is. Eisers hebben de stelling van verweerder dat hij mocht uitgaan van de huidige in het Parkeerbeleid 2015 opgenomen normen niet concreet weersproken.

12.6

De rechtbank ziet voorts geen aanleiding de berekening van verweerder van de parkeerbehoefte in de oude situatie voor onjuist te houden. De berekening is, zoals uit het voorgaande volgt, gebaseerd op een theoretisch uitgangspunt en dus niet aan de hand van de feitelijke situatie ter plaatse gemaakt omdat dit niet mogelijk was. De door eisers opgeworpen vragen of parkeerplaatsen in de oude situatie op een acceptabele loopafstand waren gelegen van de oude flats en of parkeerplaatsen gesitueerd in de Vechtstraat bij de berekening van de parkeerbehoefte in de oude situatie mochten worden betrokken kunnen dan ook buiten beschouwing blijven. Deze vragen zouden slechts een rol spelen indien verweerder een berekening aan de hand van de feitelijke situatie zou hebben gemaakt.

De normen die verweerder bij de theoretische berekening van de parkeerbehoefte in de oude situatie heeft gehanteerd zijn conform het Parkeernormenbeleid 2015. Een bestaand tekort aan parkeerplaatsen in de oude situatie, wat daar ook van zij, vormt, gelet op genoemde uitspraak van de Afdeling van 13 december 2017, evenmin grond voor de conclusie dat de berekening van de parkeerbehoefte in de oude situatie onjuist is.

12.7

Ook deze betogen slagen niet. Dat betekent dat verweerders conclusie dat de parkeerbehoefte van het project 36 parkeerplaatsen betreft stand houdt.

13.1

Verweerder heeft zich, zoals onder 8 is overwogen, op het standpunt gesteld dat in genoemde parkeerbehoefte die het project genereert kan worden voorzien op eigen terrein.

Volgt de vraag of het project, zoals verweerder betoogt, voorziet in die parkeerplaatsen op eigen terrein.

13.2

Bij de beoordeling daarvan komt de rechtbank daarom niet toe aan bespreking van de argumenten van eisers die verband houden met in de openbare ruimte ingetekende parkeerplaatsen. Het gaat om de betogen dat in totaal niet 119 parkeerplaatsen zijn ingetekend, dat parkeerplaatsen tegenover het bouwplan zijn ingetekend terwijl dit feitelijk niet mogelijk is, dat geen onderzoek is gedaan naar de feitelijke parkeerdruk in de omgeving en het betoog dat tussen de parkeerplaatsen in de openbare ruimte en de woningen geen sprake is van een acceptabele loopafstand.

13.3

De rechtbank komt daarbij evenmin toe aan het betoog van eisers sub 2 tot en met 23 dat 3 parkeerplaatsen zijn beoogd op plaatsen waar deze niet zijn toegestaan. Daarvoor is het volgende redengevend. Ter zitting is gebleken dat een van de parkeerplaatsen waarop eisers doelen weliswaar bij de blokken A, B en C behoort, maar zich in de openbare ruimte bevindt. De overige twee parkeerplaatsen waar eisers op doelen behoren bij blok D, zo is eveneens ter zitting komen vast te staan. In deze zaak ligt de omgevingsvergunning voor de blokken A tot en met C voor, zodat het betoog met betrekking tot deze twee parkeerplaatsen buiten de omvang van het geding valt.

14.1

Volgens eisers zijn de parkeerplaatsen voor haaks parkeren te krap (2,40 meter breed in plaats van 2,50 meter), zodat deze parkeerplaatsen, gelet op het Parkeernormbeleid 2015, niet mogen worden meegeteld bij de parkeercapaciteit van het project. Het project voorziet daarmee niet in de berekende parkeerbehoefte.
Volgens eisers sub 1 is een parkeerplaats met een breedte van 2,40 meter niet meer van deze tijd. Auto’s zijn veel breder geworden en daarom is deze breedtenorm destijds ook gewijzigd. De breedtemaat van 2,40 meter zal in de praktijk tot de nodige problemen leiden en parkeerplaatsen zullen hierdoor onbenut blijven. Het commerciële belang is belangrijker geacht dan de leefbaarheid van de wijk. Het beleid ten aanzien van de breedtematen is ten onrechte terzijde geschoven. Deze toepassing leidt tot ongewenste precedentwerking. Eisers sub 2 tot en met 23 voeren aan dat het CROW onderzoek pleegt te verrichten naar de ontwikkelingen op het gebied van vervoer en dat is geconstateerd dat de laatste jaren meer en meer wordt gekozen voor een grote gezinswagen. Het door verweerder gebezigde argument van het maatschappelijk belang om af te wijken van het beleid gaat volgens eisers sub 2 tot en met 23 en 49 niet op. Evenals de omstandigheid dat er te weinig ruimte is parkeerplaatsen met de juiste breedtemaat aan te leggen.

14.2

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat aanleiding bestaat ten behoeve van de parkeerplaatsen voor haaks parkeren, waaronder alle parkeerplaatsen op eigen terrein, af te wijken van de breedtemaat die op basis van het Parkeernormenbeleid 2015 voor dat soort parkeerplaatsen moet worden aangehouden. Op basis van het beleid dienen parkeerplaatsen qua afmeting te voldoen aan de door het CROW gegeven richtlijnen. Op basis van deze richtlijnen wordt voor parkeerplaatsen voor haaks parkeren een breedtemaat van 2,50 meter aangehouden. Verweerder is bereid van de breedtemaat van 2,50 meter af te wijken en acht een breedtemaat van 2,40 aanvaardbaar. Verweerder voert daartoe in het bestreden besluit een viertal argumenten aan. Ten eerste gingen de CROW-richtlijnen volgens verweerder tot 2012 ook uit van een breedtemaat van 2,40 meter, zodat die breedtemaat niet wezensvreemd is. Ten tweede stelt verweerder dat de parkeerplaatsen in de toekomst zullen worden benut door bewoners van de desbetreffende woningen. Dit type wordt aangeduid als lang parkeren. Langparkeerders raken vertrouwd met de afmeting van de parkeervakken, waardoor het niet aannemelijk is dat de parkeerplaatsen onbenut blijven. Ten derde kan, indien een breedtemaat van 2,50 meter wordt gehanteerd, niet het minimaal vereiste aantal parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Ten vierde is sprake van een zwaarwegend maatschappelijk belang bij het realiseren van de woningen om te voldoen aan de woningbehoefte.

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat hij artikel 4:84 van de Awb heeft toegepast om van de breedtemaat van 2,50 meter volgend uit het Parkeernormenbeleid 2015 af te wijken. Verweerder heeft ter zitting verder desgevraagd verklaard dat het vasthouden aan de breedtemaat van 2,50 meter volgens hem onevenredige gevolgen heeft voor de toekomstige bewoners van de woningen, omdat anders niet voorzien kan worden in de benodigde parkeerbehoefte en dus niet gebouwd kan worden, en dat die bewoners zijns inziens als belanghebbenden in de zin van de Awb zijn te beschouwen.

14.3

Op grond van artikel 2.5.30, tweede lid, aanhef en onder b, van de Bouwverordening moet de in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen.

Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

14.4

Vaststaat dat voor parkeerplaatsen voor haaks parkeren op basis van het Parkeernormbeleid 2015, via de verwijzing daarin naar de CROW-richtlijnen, een breedtemaat geldt van 2,50 meter en dat het beleid daarmee een bredere breedtemaat voorschrijft dan de Bouwverordening.

Niet in geschil is dat de parkeerplaatsen voor haaks parkeren die op eigen terrein zijn beoogd, te weten 45, een breedtemaat van 2,40 meter hebben en daarmee in zoverre in strijd zijn met het Parkeernormenbeleid 2015.

14.5

Uit artikel 4:84 van de Awb volgt dat verweerder in beginsel moet handelen overeenkomstig het in het Parkeernormenbeleid 2015 neergelegde beleid en daar slechts onder omstandigheden gemotiveerd van kan afwijken. Verweerder dient terughoudend om te gaan met gebruikmaking van deze afwijkingsbevoegdheid.

14.6

De rechtbank is met eisers van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat aanleiding bestaat af te wijken van de volgens het Parkeernormenbeleid geldende breedtemaat van 2,50 meter voor parkeerplaatsen voor haaks parkeren. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Het project genereert, zoals volgt uit het voorgaande, een parkeerbehoefte van 36 parkeerplaatsen. Thans zijn 45 parkeerplaatsen - en daarmee 9 parkeerplaatsen extra - voor haaks parkeren met een breedtemaat van 2,40 meter op eigen terrein ingetekend op de bij de omgevingsvergunning behorende tekening B1030 “Situatie blokken A, B en C” van 28 oktober 2016. Daarmee staat vast dat op eigen terrein (ook) ruimte is om minimaal 36 parkeerplaatsen met een breedte van minimaal 2,50 te realiseren in plaats van met een breedte van 2,40 meter. Reeds hierom bestond geen aanleiding van de op basis van het Parkeernormenbeleid 2015 geldende breedtemaat van 2,50 meter af te wijken. Verweerder kan reeds daarom geen toepassing geven aan artikel 4:84 Awb. De vraag of toekomstige bewoners zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van de Awb en of de door verweerder in het bestreden besluit naar voren gebrachte en hiervoor weergegeven vier argumenten houdbaar zijn, kan daarom in het midden blijven.

Het bestreden besluit is gelet op het voorgaande in strijd met het bepaalde in artikel 4:84 Awb.

14.7

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de 45 parkeerplaatsen die op eigen terrein zijn ingetekend, gelet op het Parkeernormenbeleid 2015, niet kunnen worden meegeteld bij het bepalen van de parkeercapaciteit van het project, omdat deze parkeerplaatsen niet voldoen aan de breedtemaat van 2,50 meter. Daarmee is geen sprake van parkeerplaatsen op eigen terrein, zodat het project thans op eigen terrein niet voorziet in de benodigde parkeerbehoefte. Het project is daarom in strijd met het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening. Het betoog van eisers slaagt.

Welstand

15.1

Eisers sub 49 betogen dat het project ook niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het advies van de welstandscommissie is onzorgvuldig tot stand gekomen nu hierin geen dan wel onvoldoende aandacht is geschonken aan de beoogde donkere steenkleur aan de noordzijde van de woonblokken. Volgens eisers sub 49 voldoen de “licht rode gemêleerde bakstenen” niet aan de eisen van de welstandsnota, nu hierin is vermeld dat (portiek)flats gevels hebben van gele of bruine bakstenen. Ook zijn de bakstenen niet te kwalificeren als terughoudend en afgestemd op de belendingen. Ten onrechte is hieromtrent geen nader advies van de welstandscommissie gevraagd.

15.2

Verweerder betoogt in het bestreden besluit dat uit de aanvraag om omgevingsvergunning van 13 juli 2016 blijkt dat alle gevels worden uitgevoerd in licht rode gemêleerde bakstenen. Uit de term “licht” blijkt volgens verweerder dat geen donkere kleuren worden gebruikt voor de gevels van de aangevraagde appartementenblokken.

Daarnaast heeft de Commissie Stedelijk Schoon Velsen (de welstandscommissie) op 18 augustus 2016 over de welstandsaspecten van het project geadviseerd. Uit het advies blijkt dat het project voldoet aan redelijke eisen van welstand, onder de voorwaarde dat de hoogte van de plint vanuit de voorzijde wordt doorgezet en dat de raampartijen met hekwerken hierin in snijden. Aan die voorwaarde is volgens verweerder voldaan. In het advies van 18 augustus 2016 zijn geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de kleur van de gevels, zodat kan worden geconcludeerd dat het project wat betreft de kleur voldoet aan redelijke eisen van welstand en in overeenstemming is met de welstandsnota 2015. De licht rode gemêleerde kleur kan gezien worden als terughoudend, rustig en sober en als overeenkomstig aan de kleuren die in het omliggende gebied aanwezig zijn.

15.3

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1112, kan verweerder, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

15.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich bij het nemen van het bestreden besluit op het welstandsadvies heeft mogen baseren en zich op het standpunt kon stellen dat de aangevraagde omgevingsvergunning voor het project niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Hoewel de welstandscommissie zich in haar advies van 18 augustus 2016 niet expliciet heeft uitgelaten over de aanvaardbaarheid van de beoogde kleurstelling van de gevels, heeft zij het project blijkens het advies wel getoetst aan de voor het project geldende welstandseisen. Verweerder heeft ervan mogen uitgaan dat de welstandscommissie dus ook acht heeft geslagen op de kleurstelling van de gevels en die kleurstelling niet in strijd met redelijke eisen van welstand heeft bevonden. Eisers hebben voorts niet concreet onderbouwd waarom de licht rode gemêleerde kleur niet kan worden gezien als terughoudend, rustig en sober en als overeenkomstig aan de kleuren die in het omliggende gebied aanwezig zijn.

Verder valt niet in te zien dat met licht rood gemêleerde bakstenen, meer dan bij op basis van de welstandsnota expliciet toegestane bruin gekleurde bakstenen, sprake zal zijn van een door eisers gevreesd donker complex.

15.5

Het betoog slaagt niet.

16.1

Gelet op het onder 14 overwogene zijn de beroepen van eisers sub 1 en sub 49 gegrond. Dit geldt ook voor het beroep voor zover het is ingesteld door eisers sub 2 tot en met 23. Het bestreden besluit komt wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 4:84 Awb en 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening voor vernietiging in aanmerking.

16.2

De rechtbank ziet aanleiding en ruimte om met toepassing van artikel 8:72, derde lid en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Zij overweegt daartoe als volgt.

Zoals hiervoor is overwogen, kan verweerder gevolgd worden in zijn standpunt dat het project een parkeerbehoefte van 36 parkeerplaatsen genereert en is op eigen terrein ruimte om te voorzien in 36 parkeerplaatsen die voldoen aan de in het Parkeernormenbeleid 2015 neergelegde (breedte)maten. Daaruit volgt dat de vastgestelde strijd met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening ongedaan kan worden gemaakt met toepassing van artikel 8:72, derde lid en onder b, van de Awb. De rechtbank betrekt daarbij dat niet is gebleken dat toepassing van het per 29 december 2017 gewijzigde Parkeernormenbeleid 2015 leidt tot een andere uitkomst van de berekening van de parkeerbehoefte die het project genereert, alsmede dat de op de tekening B1030 “Situatie blokken A, B en C” van 28 oktober 2016 ingetekende parkeerplaatsen geen deel uitmaken van de verleende omgevingsvergunning.

Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding en ruimte om door middel van het aan de omgevingsvergunning verbinden van een aanvullend voorschrift te bewerkstelligen dat het project (wel) aan het eerste lid van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening voldoet.

De rechtbank zal de bezwaren van eisers sub 1, eisers sub 2 tot en met 23 en eisers sub 49 gericht tegen het primaire besluit daartoe gegrond verklaren en omdat het primaire besluit gewijzigd moet worden, dat besluit herroepen, in die zin dat het besluit wordt gewijzigd door daaraan het volgende aanvullende voorschrift te verbinden: “teneinde aan artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening 2012 van de gemeente Velsen te voldoen, dienen op eigen terrein tenminste 36 parkeerplaatsen voor haaks parkeren met een breedte van minimaal 2,50 meter te worden gerealiseerd”. De rechtbank zal bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen bestreden besluit. Het primaire besluit blijft, op het daaraan verbinden van het aanvullende voorschrift na, dus gehandhaafd.

16.3

De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder, hoewel onverplicht, zijn ter zitting toegelichte doel om de parkeersituatie in de omgeving van het project te herstructureren en te verbeteren blijft nastreven. De rechtbank gaat er gelet hierop van uit dat verweerder zich er voor zal blijven inzetten dat – bovenop de door derde-partij sub 1 verplicht op eigen terrein te realiseren 36 parkeerplaatsen – al dan niet in de openbare ruimte feitelijk tenminste nog 83 (74+9) parkeerplaatsen gerealiseerd (blijven) worden.

17. Omdat de rechtbank de beroepen van eisers sub 1 en 49, alsmede het beroep voor zover het is ingesteld door eisers sub 2 tot en met 23, gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan elk van die eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt (3 x
€ 168,00 (totaal € 504,00)).

18.1

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers sub 1 gemaakte proceskosten in beroep en bezwaar. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.503,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 501,00 en een wegingsfactor 1). De omstandigheid dat de gemachtigde van eisers sub 49 ter zitting zowel heeft opgetreden voor die eisers als voor eisers sub 1 staat niet aan het toekennen van 1 punt voor het verschijnen ter zitting in de weg in de zaak van eisers sub 1.

18.2

Van proceskosten aan de zijde van eisers sub 2 tot en met 23 die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

18.3

De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eisers sub 49 gemaakte proceskosten in beroep en bezwaar. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.004,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 501,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep voor zover het is ingesteld door eisers sub 24 tot en met 48 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van eisers sub 1 gegrond;

- verklaart het beroep voor zover het is ingesteld door eisers sub 2 tot en met 23 gegrond;

- verklaart het beroep van eisers sub 49 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart de bezwaren van eisers sub 1, eisers sub 2 tot en met 23 en eisers sub 49 gericht tegen het primaire besluit gegrond en herroept dat besluit in die zin dat het wordt gewijzigd door daaraan het volgende aanvullende voorschrift te verbinden: “teneinde aan artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening 2012 van de gemeente Velsen te voldoen, dienen op eigen terrein tenminste 36 parkeerplaatsen voor haaks parkeren met een breedte van minimaal 2,50 meter te worden gerealiseerd”;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan eisers sub 1 te vergoeden;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan eisers sub 2 tot en met 23 te vergoeden;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan eisers sub 49 te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers sub 1 tot een bedrag van
€ 1.503,00;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers sub 49 tot een bedrag van
€ 2.004,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries - van den Heuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
15 maart 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.