Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:2225

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
C/15/258261 / FA RK 17-2427
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging partnerbijdrage: winst uit onderneming man al jarenlang (slechts) dalend: voor draagkracht uitgegaan van winst uit laatst beschikbare kalenderjaar, 2017; (ambtshalve) beslissing rechtbank om toekomstige indexering uit te sluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/15/258261 / FA RK 17-2427

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 21 maart 2018

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.A. Comley, kantoorhoudende te Utrecht,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. D.H. Bialkowski, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 26 april 2017;

- het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 5 juli 2017;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 27 oktober 2017;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 29 januari 2018;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 1 februari 2018;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 12 februari 2018.

1.2.

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 februari 2018 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten.

De advocaten hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.

2 Feiten en omstandigheden

2.1.

Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 8 juli 2015.

2.2.

Bij de hiervoor genoemde beschikking is bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partnerbijdrage) van € 1.658 per maand moet voldoen.

2.3.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de partnerbijdrage met ingang van 1 januari 2017 € 1.715 per maand.

3 Verzoek

Met als grondslag dat de hierboven genoemde beschikking door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan wettelijke maatstaven, verzoekt de man primair de beschikking te wijzigen in die zin dat de partnerbijdrage wordt bepaald op nihil met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, 26 april 2017.

Subsidiair verzoekt hij de bijdrage te verminderen tot € 952 per maand.

4 Verweer

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5 Beoordeling

behoefte

5.1.

De hoogte van de behoefte van de vrouw is niet in geschil.

behoeftigheid

5.2.

De man heeft aangevoerd dat de vrouw geacht moet worden zelf in haar levensonderhoud te voorzien. De man heeft gewezen op recente jurisprudentie, waaruit blijkt dat de onderhoudsgerechtigde inspanningen moet verrichten om na de echtscheiding zelf (volledig) in eigen levensonderhoud te voorzien, omdat de door het huwelijk opgebouwde lotsverbondenheid die de grondslag vormt voor partneralimentatie na de echtscheiding afneemt. Volgens hem heeft de vrouw niet aan deze inspanningsverplichting voldaan.

5.3.

De vrouw heeft betwist dat sprake is van onbenutte verdiencapaciteit. Na de echtscheiding is een eind gekomen aan haar betrokkenheid bij de onderneming van de man. Zij is nog parttime werkzaam als verkoopster in een winkel, zoals ook tijdens het huwelijk. Op haar vrije dag past ze op de kleinkinderen. De vrouw stelt dat uitbreiding van het aantal uren niet mogelijk is en dat haar positie op de arbeidsmarkt maakt dat zij geen ander werk heeft noch zal kunnen krijgen.

5.4.

Het echtscheidingsconvenant, waarin de alimentatieregeling is opgenomen, is door partijen ondertekend in juni 2015.
De rechtbank acht de verstreken periode niet een zodanig lange termijn dat daaruit verminderde lotsverbondenheid zou voortvloeien en de behoefte van de vrouw om die reden reeds zou zijn verminderd.

5.5.

De door de vrouw verstrekt informatie over haar in pogingen haar werkzaamheden uit te breiden, is summier. Zo blijkt niet dat gericht op bestaande vacatures is gereageerd en reacties van potentiële werkgevers op gedane sollicitaties ontbreken vaak.
Gelet op de leeftijd van de vrouw kan echter niet van haar verwacht worden dat zij thans geheel in haar eigen levensonderhoud voorziet. Voor zover het verzoek van de man op deze stelling is gebaseerd, zal het dus worden afgewezen.

draagkracht man

5.6.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op het in aanmerking te nemen inkomen van de man.
De man heeft aangevoerd dat het resultaat uit zijn onderneming al jarenlang daalt. Destijds is uitgegaan van de gemiddelde omzet in de jaren 2012 tot en met 2014 van € 68.933 per jaar. Het bedrijfsresultaat is inmiddels substantieel lager: in 2016 € 53.883 en in 2017 € 49.985. Hij bepleit dat voor de draagkrachtberekening uit moet worden gegaan van de winst uit onderneming van het jaar 2017 van € 49.985.

5.7.

De vrouw heeft aanvankelijk aangevoerd dat de omzet uit de onderneming
de afgelopen jaren ongeveer gelijk is gebleven en dat de man de noodzaak van de toege-nomen (personeels)kosten niet heeft aangetoond. Volgens haar is geen sprake van een structurele daling van het inkomen. Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw erkend dat zij waar het betreft de (personeels)kosten een foutieve berekening heeft gemaakt, en dat inderdaad sprake is van een dalende trend. Zij heeft bepleit uit te gaan van een gemiddelde winst uit onderneming in de drie jaren 2014, 2015 en 2016 van € 59.110.

5.8.

Volgens de richtlijnen van het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen dient de draagkracht van een ondernemer te worden berekend aan de hand van het bedrag dat de ondernemer, vanaf het moment van de vaststelling van zijn onderhoudsverplichting, mag worden geacht te kunnen onttrekken aan de onderneming. Dat kan een bedrag zijn ter hoogte van het resultaat voor het lopende jaar (geschat op basis van de resultaten van de afgelopen jaren), maar het kan ook een bedrag aan geschatte onttrekkingen zijn, als niet alle of juist meer middelen aan de onderneming kunnen of zullen worden onttrokken. De omvang van de bedragen dient zodanig te zijn dat de continuïteit van de onderneming niet in gevaar komt.

Het ligt op de weg van de ondernemer om inzicht te verschaffen in zijn bedrijfsvoering en actuele financiële positie.

5.9.

De rechtbank constateert dat de winst uit de onderneming van de man de afgelopen jaren slechts is afgenomen. Er is geen sprake (meer) van fluctuerende resultaten van de onderneming. Daarom is het redelijk om het bedrag dat de man vanaf het moment van de vaststelling van zijn onderhoudsverplichting geacht mag worden te kunnen onttrekken aan de onderneming, te relateren aan de winst uit onderneming in het jaar 2017 en te bepalen op
€ 49.985.

5.10.

De man heeft een draagkrachtberekening overgelegd, waarbij hij is uitgegaan van een beschikbare winst uit onderneming van € 49.985. Volgens deze berekening is zijn draagkracht voor partnerbijdrage € 952.

5.11.

De vrouw heeft een tweetal kanttekeningen bij deze berekening geplaatst.
Zij heeft aangevoerd dat niet met de opgevoerde lijfrentepremie rekening gehouden moet worden, omdat deze een niet noodzakelijke inkomensvoorziening is.
Dit standpunt wordt verworpen. Uit de draagkrachtberekening die tot de huidige alimentatieafspraak heeft geleid, blijkt dat de man de lijfrentepremie destijds ook betaalde en dat partijen deze volledig in aanmerking hebben genomen.

De vrouw heeft voorts gesteld dat de man mogelijk in aanmerking komt voor meewerk-aftrek. Omdat dit niet nader is toegelicht of inhoudelijk onderbouwd, wordt aan die stelling voorbijgegaan.

5.12.

De rechtbank zal de (uitgangspunten van de) berekening van de man volgen, en concludeert dat een partnerbijdrage van € 952 per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is. Aldus zal worden beslist.

5.13.

Voor de ingangsdatum van de wijziging wordt aangesloten bij de datum van indiening van het verzoekschrift, 26 april 2017, aangezien daartegen geen verweer is gevoerd.

indexering

5.14.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:402a lid 5 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de wijziging van rechtswege bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst geheel of voor een bepaalde tijdsduur worden uitgesloten. Uitgangspunt is dat de uitsluiting van de wettelijke indexering door de rechter gebaseerd dient te zijn op de omstandigheid dat de veronderstelling waarvan de wet in artikel 1:402a lid 1 BW uitgaat - te weten dat het inkomen van de alimentatieplichtige bij overigens gelijkblijvende omstandigheden wijziging ondergaat overeenkomstig het daar vermelde algemene indexcijfer – in het door de rechter te beslissen individuele geval niet opgaat (HR 7 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1481, NJ 1995/61).

5.15.

Gelet op de in de voorgaande rechtsoverwegingen beschreven trend van de winst uit de onderneming van de man, ziet de rechtbank aanleiding om ambtshalve te beslissen dat de wettelijke indexering van de vast te stellen bijdrage wordt uitgesloten.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1.

Bepaalt, met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van deze rechtbank van 8 juli 2015 en het daarin opgenomen convenant, dat de man aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud dient te voldoen € 952 per maand, met ingang van 26 april 2017 en voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen.

6.2.

Sluit de wettelijke indexering van de hiervoor vastgestelde bijdrage uit.

6.3.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.4.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.L. Diender, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. J.C.M. Kroon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2018.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.