Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:2184

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
16-03-2018
Zaaknummer
C/15/250681 / HA ZA 16-713
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

ernstig letsel leerling bij gymles; gymleraar heeft zorgplicht jegens leerling niet geschonden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/231
Onderwijs Totaal 2018/866
TvS&R 2018, afl. 2/3, p. 59
PS-Updates.nl 2018-0236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/250681 / HA ZA 16-713

Vonnis van 14 maart 2018

in de zaak van

1. [eiseres] voorheen in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger thans als lasthebber van [zoon] ,

2. [eiser] voorheen in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger thans als lasthebber van [zoon],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers bij dagvaarding van 24 oktober 2016,

advocaat mr. F.W. Huizinga te Haarlem,

tegen:

de stichting Dunamare Onderwijsgroep,

gevestigd en kantoor houdende te Haarlem,

gedaagde,

advocaat mr. B.M. Paijmans te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eisers] en Dunamare genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 de dagvaarding van 24 oktober 2016 met producties 1-6;

 de conclusie van antwoord met producties 1-7;

 het tussenvonnis van 4 januari 2017;

 het proces-verbaal van de comparitie van 13 september 2017 met de daarin vermelde gedingstukken (de situatieschets en de pleitnota van de zijde van [eisers] );

 de brief van 11 oktober 2017 van de zijde van Dunamare;

 de brief van 24 oktober 2017 van de zijde van [eisers] ;

 de brief van de rechtbank van 25 oktober 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Met ingang van het schooljaar 2014/2015 was de zoon van [eisers] , [zoon] , scholier aan het Technisch College Velsen, dat onderdeel is van de onderwijsgroep Dunamare.

2.2.

Op 14 november 2014 werd aan de klas waar [zoon] deel van uitmaakte gymles gegeven in de gymzaal van de school voor speciaal basis onderwijs de Boekanier in IJmuiden. De klas bestond uit 21 leerlingen. De gymleraar was de heer [naam] (hierna: de gymleraar). Hij is als gymleraar in dienst bij Dunamare.

2.3.

De gymleraar had besloten met de leerlingen het tikspel Pionnenroof (hierna: het tikspel) te spelen. Dit spel werd als volgt gespeeld. Twee teams stonden tegenover elkaar aan weerszijden (de korte zijden) van de zaal. Het verdedigende team stond achter de gele achterlijn die op 1 à 2 meter voor de muur van de gymzaal ligt. Op de witte lijn een paar meter daarvoor stonden zes pionnen. De aanvallende partij stond aan de overzijde en mocht op het fluitsignaal van de gymleraar de pionnen benaderen en moest proberen een pion te veroveren. De spelers van de verdedigende partij moesten, als zij het veld betraden, een leerling van de andere partij tikken, anders waren ze af. Zodra één of meer verdedigende spelers het veld instormden moesten de aanvallers direct terugrennen naar de achterlijn aan hun zijde. Daarachter was een zone waar zij ''veilig'' waren en niet meer getikt mochten worden. Iedereen die afgetikt werd moest aan de zijkant van de zaal op de bank plaatsnemen. Het spel zou doorgaan tot alle pionnen geroofd zouden zijn of alle aanvallers afgetikt zouden zijn.

2.4.

Bij het spel was [zoon] ingedeeld bij de verdedigers. Eén van de aanvallers wilde de pion pakken die door [zoon] werd verdedigd. [zoon] rende in volle vaart achter de aanvaller aan met de bedoeling om hem te tikken. Net toen [zoon] de aanvaller bij zijn schouder zou kunnen aantikken, week de aanvaller uit door zijn lichaam naar links te draaien. Hij raakte met zijn schouder de bekleding aan de wand maar [zoon] , die met zijn hoofd naar voren liep omdat hij zijn arm uitstrekte om te tikken, kwam met zijn hoofd tegen de muur. [zoon] heeft daardoor letsel opgelopen. Hij heeft zijn vijfde nekwervel gebroken en heeft als gevolg daarvan een incomplete dwarslaesie hoog C5.

2.5.

De muur waartegen [zoon] is aangelopen was bekleed met geluidsisolerend materiaal.

2.6.

[eisers] heeft Dunamare als werkgever van de gymleraar aansprakelijk gesteld voor de schade die [zoon] lijdt en nog zal lijden als gevolg van het ongeval. Dunamare heeft de aansprakelijkheid afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Dunamare veroordeelt aan [eisers] ten behoeve van hun zoon [zoon] [eisers] te vergoeden de door hem geleden en te lijden schade nader op te maken bij staat alsmede de kosten van de procedure. [eisers] legt aan zijn vordering tot veroordeling tot betaling van schadevergoeding ten grondslag dat de gymleraar jegens [zoon] onrechtmatig heeft gehandeld door de op hem rustende zorgplicht te schenden (artikel 6:162 BW), waarvoor Dunamare als werkgever van deze gymleraar aansprakelijk is (artikel 6:170 BW). Doordat de gymleraar niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht heeft [zoon] blijvend ernstig letsel opgelopen, aldus [eisers] .

3.2.

Dunamare heeft als verweer, kort gezegd, aangevoerd dat [eisers] niet ontvankelijk is omdat een machtiging van de kantonrechter om als eisers voor de minderjarige [zoon] in rechte op te treden ontbreekt, terwijl dat wel nodig is. Dunamare heeft verder betwist dat de gymleraar zijn zorgplicht jegens [zoon] heeft geschonden en een beroep op eigen schuld gedaan.

3.3.

[eisers] heeft erkend dat er geen machtiging van de kantonrechter is, maar voert aan dat [zoon] , thans meerderjarig, zijn ouders expliciet heeft gevraagd om hem in deze procedure te vertegenwoordigen op basis van lastgeving. Voor het overige heeft [eisers] zijn stellingen gehandhaafd en het verweer van Dunamare bestreden.

3.4.

Dunamare heeft zich daarna ten aanzien van de vraag of machtiging van de kantonrechter nodig is, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor het overige heeft Dunamare haar verweren gehandhaafd en de stellingen van [eisers] bestreden.

3.5.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De aanleiding voor de onderhavige zaak is, kort gezegd, een geschil tussen partijen naar aanleiding van het ongeval dat [zoon] tijdens een gymles op school is overkomen. De rechtbank merkt op, alvorens over te gaan tot de beoordeling van het geschil dat partijen verdeeld houdt, dat zij doordrongen is van het feit dat het ongeval zeer ernstige en blijvende gevolgen heeft voor [zoon] en dat zijn situatie en met name zijn toekomstperspectieven er blijvend door zijn veranderd. Het is desondanks de taak van de rechtbank om het geschil tussen partijen in juridische zin te beoordelen, en daar zal zij thans toe overgaan.

4.2.

Partijen hebben in hun brieven van 11 en 24 oktober 2017 opmerkingen gemaakt over de inhoud van het proces-verbaal van de comparitie van 13 september 2017. De rechtbank merkt ter zake van deze opmerkingen het volgende op. Het proces-verbaal van de comparitie betreft de waarneming van de rechtbank van het ter zitting behandelde. Niet wordt beoogd om alles wat gezegd wordt woordelijk vast te leggen. Van belang is dat in het proces-verbaal wordt vastgelegd wat voor het verdere verloop van de procedure en voor de beoordeling door de rechtbank relevant is. De opmerkingen van partijen in hun beider brieven zijn naar het oordeel van de rechtbank niet relevant voor de beslissing, komen niet overeen met de waarneming van de rechtbank, zijn parafraseringen van het proces-verbaal of zijn uitbreidingen van hetgeen in het proces-verbaal is opgenomen dan wel ter zitting is opgemerkt. De rechtbank verbindt daarom geen gevolgen aan de opmerkingen.

machtiging door kantonrechter?

4.3.

Partijen twisten allereerst over de vraag of [eisers] niet ontvankelijk is vanwege het ontbreken van een machtiging van de kantonrechter om als eisers voor hun zoon [zoon] te procederen.

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat ouders die zonder machtiging van de kantonrechter voor een minderjarige als eiser in rechte optreden, niet ontvankelijk worden verklaard (artikelen 349 lid 1 en 253 k van Boek 1 van het BW). Een dergelijke machtiging kan ook nog tijdens het geding worden verleend (HR 7 september 1984, HR 20 november 1987 en HR 16 juni 2006).

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat [zoon] ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding minderjarig was en dat er toen geen machtiging van de kantonrechter was. Ook is niet in geschil dat [zoon] in de loop van de procedure (vlak voor de comparitie) meerderjarig is geworden. Machtiging door de kantonrechter is onder die omstandigheden niet meer aan de orde, de kantonrechter kan ouders immers slechts machtigen ten behoeve van minderjarigen. [eisers] en zijn advocaat hebben ter zitting verklaard dat [zoon] , als meerderjarige, zijn ouders expliciet heeft verzocht en gemachtigd om ten behoeve van hem als eisers in de onderhavige procedure tegen Dunamare op te treden en schadevergoeding te vorderen. Dunamare heeft deze verklaring niet betwist en de rechtbank heeft geen enkele aanleiding om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van niet-ontvankelijkheid. De rechtbank zal thans overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het geschil.

zorgplicht

4.6.

De rechtbank zal thans beoordelen of, zoals [eisers] stelt, de gymleraar zijn zorgplicht jegens [zoon] heeft geschonden. Daarbij wordt vooropgesteld dat de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van een aan een gymles in het algemeen en een gymnastiekoefening in het bijzonder inherent gevaar, niet zonder meer tot de conclusie leidt dat er sprake is van onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig handelen. Enerzijds zijn gymnastiekoefeningen van belang – en gelet op de door de overheid geformuleerde kerndoelen ook verplicht – voor de lichamelijke vorming en ontwikkeling van kinderen, ook al is daaraan uit de aard der zaak een bepaalde mate van gevaar verbonden. Anderzijds dient een school een veilige omgeving te zijn waarin het risico van letsel zoveel als redelijkerwijs mogelijk dient te worden vermeden. Of het niet treffen van voorzorgsmaatregelen, het niet geven van extra specifieke veiligheidsinstructies of het laten deelnemen aan een gymnastiekoefening onrechtmatig is, hangt af van de aard van deze gymnastiekoefening, de ernst van de mogelijke gevolgen, de bezwaarlijkheid van voorzorgsmaatregelen en de kans op schade. In het onderhavige geval betekent dit concreet dat het niet treffen van voorzorgsmaatregelen, het niet geven van extra specifieke veiligheidsinstructies of het laten deelnemen aan een gymnastiekoefening slechts onrechtmatig is, indien de kans op een ongeval en/of letsel bij het tikspel zo groot was, dat de gymleraar ter voorkoming of beperking van het ongeval en/of letsel naar maatstaven van zorgvuldigheid extra veiligheidsmaatregelen had moeten treffen of dit tikspel niet had moeten laten plaatsvinden.

voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de met geluidsisolatie beklede muur

4.7.

[eisers] maakt de gymleraar in relatie tot de samenstelling van de muur van de sportzaal de volgende verwijten. Bij de keuze van het tikspel heeft de gymleraar geen rekening gehouden met de feitelijke ongeschiktheid van de zaal voor wat betreft de voorzieningen, meer precies het ontbreken van dikke valkussens op de muur. De zaal was hierdoor geschikt voor gebruik door leerlingen van een basisschool maar niet voor gebruik door leerlingen van de bovenbouw van een middelbare school. De gymleraar heeft bovendien niet gecontroleerd of de bekleding die op de muur was aangebracht voldoende bescherming bood voor de leerlingen wanneer zij, zoals bij dit spel te voorzien was, tegen de muur zouden botsen. Ook heeft de gymleraar niet zelf beschermende valkussens aangebracht. De gymleraar heeft de leerlingen er voorts niet voor gewaarschuwd dat de op de muur aangebrachte bekleding niet bestond uit beschermende valkussens maar uit geluidsisolatie, terwijl [zoon] in de veronderstelling verkeerde dat het beschermende valkussens waren en dat hij daar met een zekere snelheid tegenaan kon lopen.

4.8.

[eisers] heeft aanvankelijk ook de stelling ingenomen dat de gymzaal voor wat betreft de afmetingen ongeschikt zou zijn voor gebruik door leerlingen van de bovenbouw van de middelbare school, maar heeft deze stelling ter zitting niet langer gehandhaafd. De rechtbank zal deze stelling daarom niet bij de beoordeling betrekken.

4.9.

Dunamare heeft betwist dat de zaal voor wat betreft de voorzieningen ongeschikt was voor de leerlingen en voor het spel. Dunamare erkent dat de gymleraar niet heeft gecontroleerd of de bekleding op de muur bescherming bood tegen ongevallen zoals [zoon] is overkomen, dat hij geen valkussens heeft aangebracht en dat hij geen instructie heeft gegeven aan de leerlingen dat de bekleding op de muur geen valkussens waren maar geluidsisolatie, maar volgens Dunamare behoort dit alles ook niet tot de zorgplicht van de gymleraar.

4.10.

Aan de orde is de vraag of het tot de zorgplicht van de gymleraar behoorde om rekening te houden met de mogelijkheid dat een leerling tijdens het tikspel in volle vaart met zijn hoofd tegen de muur zou botsen, en daarom af te zien van het spel dan wel valkussens op de muur aan te brengen of de leerlingen ervoor te waarschuwen dat de op de muur aangebrachte bekleding geluidsisolatie betrof en geen beschermingsmateriaal tegen dat soort botsingen.

4.11.

Naar het oordeel van de rechtbank is de mate van waarschijnlijkheid dat een leerling, ook als hij, zoals [zoon] stelt, voor het eerst les heeft in de gymzaal en de bekleding op de muur ten onrechte houdt voor valkussens, bij het tikspel in volle vaart met zijn hoofd tegen een al dan niet beklede muur botst, niet zodanig groot dat gezegd kan worden dat de gymleraar ter voldoening van zijn zorgplicht gehouden was om af te zien van het spel, zelf valkussens op de muur aan te brengen of de leerlingen ervoor te waarschuwen dat de op de muur aangebrachte bekleding tegen dergelijke ongevallen geen bescherming bood. Uit productie 4 bij conclusie van antwoord, een print van een groot spellenboek met spellen voor kinderen van 4 tot 12 jaar, blijkt dat het tikspel ook door kinderen in het basisonderwijs wordt gespeeld en een overzichtelijk en gangbaar tikspel is, waarbij geen grote snelheden hoeven te worden bereikt. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat kinderen reeds op jonge leeftijd en zonder enige instructie tikspelletjes spelen. Het voorgaande betekent dat de verwijten die [eisers] maakt met betrekking tot de wandbekleding van de sportzaal niet tot het oordeel leiden dat de gymleraar zijn zorgplicht jegens [zoon] heeft geschonden en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld.

gespannen sfeer

4.12.

[eisers] stelt verder dat de gymleraar niet aan zijn zorgplicht jegens [zoon] heeft voldaan omdat hij van het spel af had moeten zien nadat er aan het begin van de les een gespannen sfeer was ontstaan doordat een aantal leerlingen zich had misdragen en de les uit was gestuurd, maar dat niet heeft gedaan.

4.13.

Dunamare heeft hiertegen aangevoerd dat het wegsturen van de leerlingen juist heeft bijgedragen aan het herstel van een ordelijke sfeer in de gymles, dat pas daarna het spel is aangevangen en dat het spel vervolgens aanvankelijk goed verliep.

4.14.

De rechtbank oordeelt als volgt. Om dit verwijt jegens Dunamare te laten slagen, is nodig dat komt vast te staan dat er sprake was van een gespannen sfeer en dat deze heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval (causaal verband). [eisers] heeft echter niet gesteld laat staan onderbouwd hoe de aanwezigheid van een gespannen sfeer – wat daar ook van zij – heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Reeds daarom heeft [eisers] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat de gymleraar op dit punt zijn zorgplicht jegens [zoon] heeft geschonden en daarmee de schade heeft veroorzaakt. De stelling wordt daarom verworpen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

instructie en antwoorden op vragen van [zoon]

4.15.

[eisers] heeft voorts gesteld dat de gymleraar [zoon] onvoldoende instructie over het spel heeft gegeven en geen acht heeft geslagen op de vragen die [zoon] hem voor aanvang van het spel heeft gesteld, terwijl [zoon] pas kort op deze school zat en het spel niet kende.

4.16.

Dunamare heeft hiertegen aangevoerd dat het spel en de spelregels goed zijn uitgelegd, dat aandacht is besteed aan de rol van de aanvaller, de rol van de verdediger, de betekenis van de witte en gele lijnen in de zaal voor het spel, en dat de instructie gegeven is dat het tikken rustig moest gebeuren en dat het niet was toegestaan om een leerling te duwen. Andere instructies waren voor dit tikspel, zo stelt Dunamare, niet vereist. Voorts is van de zijde van Dunamare opgemerkt dat de gymleraar altijd vragen van leerlingen beantwoordt en dat hij dat ook nu, hoewel het hem niet meer concreet bijstaat, gedaan zal hebben.

4.17.

[eisers] heeft dit verweer van Dunamare niet bestreden.

4.18.

De rechtbank oordeelt als volgt. Om dit verwijt jegens Dunamare te laten slagen is nodig dat komt vast te staan dat de leraar geen instructie en antwoorden aan [zoon] heeft gegeven en dat het nalaten daarvan heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval (causaal verband). [eisers] heeft niet gesteld laat staan onderbouwd welke instructies en antwoorden de gymleraar niet heeft gegeven en hoe dat heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Reeds daarom heeft [eisers] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat de gymleraar op dit punt zijn zorgplicht jegens [zoon] heeft geschonden en daarmee de schade heeft veroorzaakt. De stelling wordt daarom verworpen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

toezicht bij de uitvoering van het spel

4.19.

Tot slot verwijt [eisers] de gymleraar het spel niet actief te hebben begeleid en dat hij niets heeft gedaan om het ongeval te voorkomen. [eisers] stelt dat de gymleraar op een bank aan de zijkant van de zaal zat terwijl hij zich had moeten opstellen bij de gele lijn, de plek waar de leerlingen mogelijk risico zouden lopen. Hij was bezig met zijn laptop en hij heeft niet ''ho'' of ''stop'' geroepen vlak voor het ongeval, aldus [eisers] .

4.20.

Dunamare heeft hiertegen aangevoerd dat de gymleraar toezicht hield in het midden van de lange zijde van de zaal, dat hij lette op het gehele spel en ook op het stop-gedrag van de leerlingen. Hij erkent dat hij het ongeval niet heeft zien gebeuren. Hij betwist dat hij op dat moment een laptop bij zich had. Voorts voert hij aan dat het roepen van ''ho'' of ''stop'', gelet op de snelheid van [zoon] , waarschijnlijk geen zin meer had gehad.

4.21.

[eisers] heeft het verweer van Dunamare niet bestreden.

4.22.

De rechtbank stelt voorop dat in een sportzaal waarin een groep schoolkinderen in de leeftijd van ongeveer 15 jaar een tikspel speelt, een verantwoorde wijze van toezicht houden niet inhoudt dat steeds op elk kind en op elk aspect van het spel direct toezicht wordt gehouden, zodanig dat elke onregelmatigheid direct wordt opgemerkt en dat direct kan worden ingegrepen. Het stellen van een dergelijke eis aan de school en de gymleraar gaat te ver, gelet op de hier toe te passen maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm. De rechtbank acht de in dit geval uitgeoefende wijze van toezicht (een gymleraar die zich, dat staat tussen partijen niet ter discussie, positioneert in het midden van het spel), zeker nu het tikspel de gehele zaal bestreek, gebruikelijk en niet onverantwoord, ook al kan dit inhouden dat een onregelmatigheid niet direct wordt opgemerkt, omdat die zich buiten het zicht van de gymleraar afspeelt. De stelling van [eisers] dat de gymleraar zich bij de gele lijn in de nabijheid van de muur waar het ongeval plaatsvond had moeten positioneren stuit hierop af.

4.23.

De stelling van [eisers] dat de gymleraar bezig was met zijn laptop, en dus niet naar het spel keek, wordt verworpen. Dunamare heeft deze stelling gemotiveerd betwist. Gelet daarop had het op de weg gelegen van [eisers] om zijn eigen stelling nader te onderbouwen met feiten en omstandigheden. Dat heeft [eisers] niet gedaan. Dat betekent dat [eisers] zijn stelling, gelet op de gemotiveerde betwisting door Dunamare, onvoldoende heeft onderbouwd.

4.24.

Ten aanzien van de vraag of de gymleraar had moeten ingrijpen vlak voor het ongeval door ''ho'' of ''stop'' te roepen, zoals [eisers] betoogt, overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [zoon] met onverminderde snelheid richting de muur rende en daar tegenaan botste. De rechtbank ziet daarom niet in, en [eisers] heeft hiervan ook geen onderbouwing gegeven, dat de gymleraar, ook als hij dit op het moment zelf had waargenomen, voldoende tijd had gehad om in te grijpen en daarmee het ongeval had kunnen voorkomen.

4.25.

De rechtbank passeert ook de stelling van [eisers] dat de afmetingen van de veilige zone (zoals hierboven in r.o. 2.3 omschreven) te beperkt waren om tijdig voor de muur te kunnen stoppen, nu, daargelaten of feitelijk juist is wat [eisers] omtrent die afmetingen stelt, er vanuit gegaan moet worden dat [zoon] op geen enkel moment voordat hij de muur raakte vaart heeft geminderd. Gelet daarop komt aan de grootte van de veilige zone geen betekenis toe.

4.26.

Voormelde overwegingen leiden de rechtbank tot de slotsom dat de gymleraar bij de uitvoering van het spel heeft gehandeld binnen de grenzen van zijn zorgplicht. De stelling van [eisers] dat de gymleraar zijn zorgplicht jegens [zoon] heeft geschonden door tijdens het spel onvoldoende toezicht te houden wordt op grond van het voorgaande verworpen.

4.27.

Uit al het voorgaande volgt dat de vorderingen van [eisers] zullen worden afgewezen.

4.28.

[eisers] zal als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Dunamare worden veroordeeld. De proceskosten worden tot op heden begroot op een bedrag van € 904,– aan salaris advocaat (2 punten tarief 2) en € 619,– aan griffierechten, derhalve een totaal bedrag van € 1.523,–.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af.

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten van Dunamare, tot op heden begroot op het bedrag van € 1.523,–.

5.3.

verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate, mr. A.K. Korteweg en mr. W.A. Swildens en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2018.