Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:2089

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
C/15/265243 / FA RK 17-5987
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meerderjarigenadoptie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

Zaak-/rekestnr.: C/15/265243 / FA RK 17-5987

beschikking van 14 maart 2018 betreffende adoptie

gegeven op het verzoek van:

1 [verzoeker] ,

2. [verzoekster] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoekers,

advocaat: mr. E.B. Warmerdam-Wolfs, kantoorhoudende te Alkmaar.

1 Verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen, van verzoekers, ingekomen op 11 oktober 2017;

  • -

    de brieven van de advocaat van verzoekers, ingekomen op 13 december 2017 met bijlagen, op 22 december 2017 met bijlagen en op 12 februari 2018.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 februari 2018 in aanwezigheid van verzoekers bijgestaan door mr. E.B. Warmerdam-Wolfs en mr. L.S. Zomers, de te adopteren personen [kind 1] en [kind 2] , alsmede de hierna te noemen [kind 3] en [kind 4] .

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Uit de relatie van [de moeder] (verder: de moeder) en [de vader] (verder: de vader) zijn geboren de kinderen [kind 1 en kind 2] :

a. [kind 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats]

b. [kind 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats]

[kind 1] en [kind 2] zijn bij de geboorte erkend door de vader.

2.2

De moeder en de vader zijn gehuwd op [huwelijksdatum] .

2.3

Verzoekers zijn gehuwd op [huwelijksdatum] in [plaats] .

2.4

Uit het huwelijk van verzoekers zijn geboren de kinderen [kind 3 en kind 4] :

a. [kind 3] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

b. [kind 4] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] .

2.5

Verzoekers en de moeder en de vader hebben in 1992 middels hun testament elkaar wederzijds tot voogd benoemd over de ten tijde van hun overlijden nog minderjarige kinderen van het andere echtpaar.

2.6

Als gevolg van een ernstig auto-ongeluk in Frankrijk is de moeder overleden op [datum] te [plaats] , Frankrijk en is de vader overleden op [datum] te [plaats] , Frankrijk.

Bij dit ongeluk zijn [kind 1] en [kind 2] ernstig gewond geraakt.

3 Verzoek

3.1

Verzoekers hebben verzocht de adoptie uit te spreken van [kind 1] en [kind 2] door hen.

3.2

Verzoekers hebben aan het verzoek het volgende ten grondslag gelegd. Het auto-ongeluk, waarbij de ouders van [kind 1] en [kind 2] zijn omgekomen, heeft een enorme impact gehad op alle betrokkenen. Na het overlijden van de moeder en de vader hebben verzoekers de verzorging en opvoeding op zich genomen van [kind 1] en [kind 2] conform het testament van de moeder en de vader. In de beginperiode na het ongeluk kwam er vanuit de familie van de moeder en de vader verzet tegen het feit dat verzoekers de verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] voor hun rekening namen, omdat de familie van de moeder en de vader niet van deze wens en het testament op de hoogte was. Toen de kinderen volwassen werden en de familie van de vader en de moeder de situatie hadden geaccepteerd, hebben verzoekers in 2011 middels een testament [kind 3] , [kind 4] , [kind 1] en [kind 2] aangewezen als hun erfgenaam, zodat alle kinderen, voor zover dit kon, gelijk werd getrokken.

Na afronding van zakelijke en verzekeringsvraagstukken en het proces van traumaverwerking, revalidatie, acceptatie, gezinsvorming en het uitgroeien tot zelfstandige volwassenen, ontbreekt echter nog één cruciaal punt en dat is dat zij op juridisch vlak niet met elkaar verbonden zijn.

Dit voelt voor alle betrokkenen als onjuist, onrechtvaardig en in strijd met hun recht om een familie te vormen en als gezin naar buiten te kunnen treden. Verzoekers, [kind 3] , [kind 4] , [kind 1] en [kind 2] hebben de wens dat de verzochte adoptie wordt uitgesproken, hetgeen zij zien als hun recht op bekroning van hun gezinsleven, zowel in de relatie tussen verzoekers en [kind 2] en [kind 1] als in de relatie tussen de kinderen onderling. Desgevraagd hebben verzoekers ter zitting aangegeven dat zij bewust niet om adoptie hebben verzocht ten tijde van de minderjarigheid van [kind 2] en [kind 1] , omdat een dergelijk verzoek op dat moment het proces waarin [kind 1] en [kind 2] zaten zou hebben geschaad. De beide grootouders van [kind 2] en [kind 1] leefden op dat moment nog en een dergelijk verzoek zou ten koste van de met hen opgebouwde band zijn gegaan. Bovendien wilden verzoekers [kind 2] en [kind 1] niet vragen een keuze te moeten maken. Pas nadat verzoeker in 2015 met hartklachten werd geconfronteerd en daarvoor een ziekenhuisopname volgde, is het idee van adoptie serieus geworden.

4 Beoordeling

4.1

Ingevolge artikel 1:228, eerste lid, aanhef en onder a. van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een verzoek tot adoptie alleen worden uitgesproken indien het kind op de dag van indiening van het verzoek tot adoptie minderjarig is. De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak niet aan deze voorwaarde is voldaan. Verzoekers hebben echter aangevoerd dat onverkorte toepassing van deze voorwaarde in dit geval zou leiden tot een onaanvaardbare doorkruising van het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op familieleven.

4.2

In dit kader stelt de rechtbank voorop dat eerst beoordeeld dient te worden of sprake is van door artikel 8 EVRM beschermd familieleven tussen verzoekers en de kinderen, nu van bloedverwantschap tussen de betrokkenen geen sprake is. Een uitzondering is op basis van een beoordeling van de concrete feiten en omstandigheden van het geval mogelijk, als er sprake is van nauwe persoonlijke betrekkingen tussen de betrokkenen. Uit de rechtspraak van het EHRM over pleegouders en pleegkinderen blijkt (Moretti and Benedetti t. Italië, verzoeknummer 16318/07, §§ 48-52) dat het daarbij aankomt op de tijd die de betrokkenen met elkaar hebben doorgebracht, de kwaliteit van de relaties en de rol van de pleegouder naar het kind toe. In casu komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 EVRM, gelet op voormelde feiten en omstandigheden en hetgeen verzoekers aan het verzoek ten grondslag hebben gelegd. Daarbij speelt een belangrijke rol dat verzoekers vanaf het moment dat [kind 1] 11 jaar oud was en [kind 2] 9 jaar oud de kinderen in het gezin als gezinslid hebben opgenomen. Ook hebben verzoekers een cruciale rol gespeeld in het verwerken van het trauma door [kind 1] en [kind 2] van het overlijden van hun moeder en vader en het trauma van de gezondheidsschade die het ongeluk ook voor [kind 1] en [kind 2] heeft meegebracht. Daarnaast is sprake van langdurige en intensieve zorg voor de kinderen, resulterend in de vorming van een nieuw, hecht en harmonisch gezin (ook blijkend uit de gekozen nieuwe maatschappelijke achternaam van het gezin “ [achternaam] ”) waarbij voor de gezinsleden geen onderscheid meer bestond tussen de vier kinderen.

Eenmaal gevestigd familieleven wordt slechts in uitzonderlijke omstandigheden verbroken. Hiervan is in casu geen sprake, gelet op het feit dat ook thans nog sprake is van zeer nauwe persoonlijke betrekkingen.

4.3

Het in artikel 8 EVRM besloten liggend recht op respect voor familie-en gezinsleven houdt evenwel nog geen recht in om te adopteren of een recht om geadopteerd te worden.

De rechtbank stelt hierbij voorop dat uit artikel 8 EVRM geen recht op adoptie voortvloeit volgens vaste rechtspraak van het EHRM (zie onder meer EHRM 26 februari 2002, NJ 2002/553; E.B. t. Frankrijk, verzoeknummer 43546/02). De omstandigheid dat adoptie niet mogelijk is als niet is voldaan aan de voorwaarden die de nationale wet aan een adoptie stelt, kan in beginsel niet worden aangemerkt als een ongeoorloofde inmenging in de zin van voornoemde bepaling (HR 24 september 2004, NJ 2005/16). Het enkele feit dat door de weigering van de adoptie een feitelijk gezinsverband niet wordt omgezet in een juridisch familieverband levert derhalve geen inbreuk op artikel 8 EVRM op.

In casu gaat het om de dwingende wetsbepaling van artikel 1:228, eerste lid, aanhef en onder a BW, die als voorwaarde voor adoptie stelt dat het kind op het tijdstip van indiening van het verzoekschrift, minderjarig is. Deze leeftijd zijn de kinderen zeer ruim voorbij ( [kind 1] is 30 jaar en [kind 2] is 28 jaar). De vraag die voorligt is of deze bepaling in dit geval een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het familieleven. Het EHRM heeft zich hierover niet specifiek uitgesproken, maar als hoofdregel zal deze vraag ontkennend beantwoord moeten worden. Het is aan de nationale wetgever om in het belang van kinderen vereisten te stellen; een beperking van adoptie tot minderjarigen is in dit opzicht binnen de ruimte die de wetgever heeft. Deze lijn in de jurisprudentie is bevestigd door de Hoge Raad in de uitspraak van 25 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY5053) en de met die uitspraak verband houdende conclusie van de advocaat-generaal (ECLI:NL:PHR:2013:BY5053).

4.4

Een en ander laat onverlet dat, ingeval de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, de rechter dient te beoordelen of door de weigering de adoptie uit te spreken anderszins inbreuk wordt gemaakt op het bestaande familie- en gezinsleven van de aspirant-adoptieouders en de aspirant-adoptant(en). Daarvan zal slechts sprake zijn in zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat terzijdestelling van artikel 1:228, eerste lid, aanhef en onder a BW gerechtvaardigd is. Daarbij zijn twee aspecten van belang: in de eerste plaats de vraag of de omstandigheden dermate uitzonderlijk zijn dat geoordeeld moet worden dat sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op het familieleven, en in de tweede plaats, of de termijnoverschrijding met betrekking tot het verzoek verschoonbaar is. Immers, de staat maakt geen ongerechtvaardigde inbreuk op het familieleven als burgers zonder goede reden eindeloos wachten met het indienen van een verzoekschrift. Om die reden zal de rechtbank hierna ook stilstaan bij de vraag wat de redenen zijn van de heel late indiening.

4.5

Naar het oordeel van de rechtbank zou in de onderhavige zaak een weigering van de verzochte adoptie van [kind 1] en [kind 2] door verzoekers een inbreuk opleveren op het tussen hen bestaande familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM, die een terzijdestelling rechtvaardigt van de dwingendrechtelijke voorwaarde dat de te adopteren kinderen ten tijde van het verzoek minderjarig zijn.

4.6

Daartoe oordeelt de rechtbank dat in de onderhavige zaak sprake is van zeer bijzondere omstandigheden en overweegt hierover het volgende.

Verzoekers en de moeder en de vader hebben elkaar in 1979 leren kennen. Hun vriendschap is in de loop van de tijd zo hecht geworden dat zij in 1992 middels hun testament elkaar wederzijds tot voogd hebben benoemd over de ten tijde van hun overlijden nog minderjarige kinderen van het andere echtpaar. [kind 1] en [kind 2] zijn na het overlijden van hun ouders bij een auto-ongeluk, waarbij zij zelf ook betrokken waren, opgegroeid in het gezin van verzoekers. Alle betrokkenen (verzoekers, [kind 3] , [kind 4] , [kind 1] en [kind 2] ) zijn het er over eens dat zij in de nasleep van het auto-ongeluk onder moeilijke omstandigheden een heel traject met elkaar hebben afgelegd, hetgeen een zware (emotionele) wissel heeft getrokken op alle betrokkenen. Daarbij was sprake van traumaverwerking, revalidatie, acceptatie, het ontstaan van een nieuw gezin van verzoekers, waarvan [kind 1] en [kind 2] deel zijn gaan uitmaken en (aanvankelijk) moeilijke persoonlijke verhoudingen tussen het (nieuwe) gezin van verzoekers en de familie van de overleden vader en moeder. Deze omstandigheden zijn dermate uitzonderlijk, dat gelet daarop sprake is van een inbreuk op het familieleven als adoptie niet mogelijk zou zijn.

4.7

Vervolgens komt het aan op de vraag of de ernstige termijnoverschrijding voor de indiening van het verzoek verschoonbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn hiervoor in het verzoekschrift en ter zitting gegronde redenen aangevoerd. De reden dat verzoekers niet eerder tot indiening van het verzoek zijn overgegaan, is er in gelegen dat het in het belang van [kind 1] en [kind 2] was dat zij verbonden bleven met de familie van de vader en de moeder. Een eerdere indiening van het verzoek zou de relatie met de familie van de vader en de moeder naar het oordeel van de rechtbank naar alle waarschijnlijkheid hebben verstoord. Verzoekers hebben er alles aan gedaan om die band zoveel mogelijk te borgen, hetgeen is gelukt. Ook waren [kind 1] en [kind 2] toen niet in staat zich een mening te vormen over de gewenste adoptie, waarbij een rol speelt dat het in strijd met hun belang zou zijn geweest om tijdens hun minderjarigheid voor de keuze te worden gesteld om als het ware afscheid te nemen van hun biologische ouders en hun familie door in te stemmen met adoptie. Daarnaast moesten [kind 1] en [kind 2] tijd en gelegenheid krijgen om het trauma te verwerken van het verlies van hun beide ouders, hun leven op te bouwen, te studeren, mensen te ontmoeten en hun identiteit te ontwikkelen. Gelet op de zeer uitzonderlijke situatie waarin [kind 1] en [kind 2] terecht gekomen zijn door het ongeluk, het overlijden van hun ouders en het moeilijke traject in de jaren nadien, is tijd nodig geweest om vanuit een positie als volwassene een weloverwogen keuze te kunnen maken. Daarbij komt dat de grootouders inmiddels zijn overleden. Voorts hebben de broers en zussen van de biologische ouders laten weten dat zij (inmiddels) het onderhavige verzoek steunen. Tijdens hun minderjarigheid was het laten opgroeien van [kind 1] en [kind 2] in gezinsverband en in een veilige omgeving met behoud van de familiebanden van groter belang dan het op dat moment tot stand laten komen van familierechtelijke betrekkingen tussen verzoekers en [kind 1] en [kind 2] .

4.8

De rechtbank is van oordeel dat een verzoek tot adoptie tijdens de minderjarigheid van [kind 1] en [kind 2] , mogelijk schade aan hen zou hebben berokkend en dit de verhoudingen met de biologische familie van [kind 2] en [kind 1] zou hebben verstoord. Feitelijk gezien is de door verzoekers gekozen manier van handelen juist ter bescherming van de belangen van [kind 1] en [kind 2] geweest. Naar het oordeel van de rechtbank mag deze keuze van verzoekers en het door hen gekozen tijdpad daarom thans niet aan hen worden tegengeworpen.

4.9

Met inachtneming van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan het in artikel 1:228, eerste lid, aanhef en onder a BW weergegeven minderjarigheidsvereiste, gelet op de zeer uitzonderlijke omstandigheden en de gegronde redenen voor de termijnoverschrijding, voorbij gegaan dient te worden. Daarnaast is aan alle in artikel 1:227 BW genoemde gronden en aan alle (overige) in artikel 1:228 BW genoemde voorwaarden voor adoptie voldaan. De rechtbank is van oordeel dat de adoptie in het kennelijk belang is van [kind 1] en [kind 2] . Hoewel [kind 1] en [kind 2] de volwassen leeftijd reeds ruimschoots hebben bereikt, acht de rechtbank het in hun belang dat zij ook formeel deel gaan uitmaken van het gezin van verzoekers, in die zin dat er door middel van adoptie familierechtelijke betrekkingen tot stand komen tussen verzoekers en [kind 1] en [kind 2] . De rechtbank zal het verzoek tot adoptie daarom toewijzen.

4.10

Tenslotte wordt opgemerkt dat [kind 1] en [kind 2] er ten overstaan van de rechtbank voor hebben gekozen dat zij de geslachtsnaam [geslachtsnaam] blijven dragen.

5 Beslissing

De rechtbank:

5.1

spreekt uit de adoptie van de kinderen [kind 1 en kind 2] :

- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

door verzoekers voornoemd.

5.2

draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking - en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld - een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats] .

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, voorzitter, mr. J.L. Roubos en mr. W.M. Schrama, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2018.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.