Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:2012

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
15/135429-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Promis. Tegenspraak. Ontucht met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/135429-17 (P)

Uitspraakdatum: 8 maart 2018

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 februari 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.M. Lengers en van hetgeen verdachte naar voren heeft gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 januari 2014 te Haarlem, in elk geval in Nederland, met [aangeefster] (geboren op [geboortedag aangeefster] 2002), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd,
bestaande die ontuchtige handeling(en) uit het meermalen, althans eenmaal,
- zoenen en/of tongzoenen van die [aangeefster] en/of
- met diens hand(en) betasten van de (blote) borst(en) van die [aangeefster] en/of
- met diens hand in de (onder)broek van die [aangeefster] gaan en/of (vervolgens) het betasten van de (blote) vagina van die [aangeefster] .

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen.1

I. Een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] d.d. 16 juni 2016 (p. 31-34), voor zover – zakelijk weergegeven - inhoudende.

Op 16 juni 2016 verscheen voor ons, in het politiebureau Haarlem een persoon die ons opgaf te zijn [aangeefster] , geboren op [geboortedag aangeefster] 2002.

Zij deed aangifte en verklaarde het volgende. (…)

Ik wil aangifte doen van aanranding tegen [verdachte] .

Het begon allemaal toen ik 6, 7 of 8 jaar was. Hij was de buurman. Ik weet dat hij naar mij en een paar andere meisjes toekwam en hij vroeg of we tennisballen wilden. Samen met een andere vriendin, [naam 1] , gingen we naar de schuur van hem om tennisballen te halen. Ik kan me nog herinneren dat hij die ballen gaf maar me ook een knuffel gaf en een kusje op mijn wang gaf.

Ik kan me van een andere keer herinneren, een keer in februari, het was rond mijn verjaardag want ik ging een traktatie halen. Ik ging naar de C1000 en ik zag hem daar. Ik liep daar rond in de hoop dat hij wegging. Ik liep weg en bij Engelenburg, bij een ingang van een flat, kwam ik hem weer tegen. Misschien had hij me achtervolgd maar toen gaf hij me een tongzoen.

Ik kan me ook nog goed een andere keer herinneren dat er iets was dat de politie kwam en toen hoorde ik dat hij NL alert heeft, die app. Ik besloot erheen te gaan en toen de politie wegging, liep hij met me mee omdat hij dezelfde kant op moest en toen gebeurde er iets in mijn schuur daar gaf hij me een tongzoen. Ik gok dat ik toen 9 of 10 jaar was.
Het was niet letterlijk in de schuur maar het was bij een muurtje, een nisje bij gang van de schuren. Hij heeft gezegd dat het ons geheimpje was.


Ik weet dat het ook een keer bij mij thuis gebeurd was. Dit was in 2013 en dat was gelijk ook de laatste keer. Hij deed de gordijnen voor mijn moeder. Hij had een afspraak met mijn moeder gemaakt of hij rond een bepaalde tijd kon komen. Mijn moeder had gezegd dat dat niet kon want ze was naar een 10-minuten gesprek van mij. Toen kwam hij toch en ik heb de deur open gedaan.
Hij gaf mij toen een tongzoen, zijn hand onder mijn hemdje en vervolgens met zijn hand in mijn broek en heeft hij me gevingerd.

Hij wreef met zijn hand over mijn tepel.
Vingeren voor mij is met een vinger aan iemands clitoris zitten en gaat betasten. Hij is aan mijn vagina geweest en niet erin.

Het stopte omdat ik zei: ‘Ik denk dat we moeten stoppen want mijn moeder kan iedere moment thuiskomen’. Hij zei ook nog toen hij wegging: als je wilt kunnen we dit vaker doen. Ik was toen 11 jaar.

Hij zei dat het ons geheimpje was en dat we dit vaker konden doen als ik dat wilde.

II. Een proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] d.d. 30 november 2016 (p. 46-47), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Ze (de rechtbank begrijpt: [aangeefster] ) reageerde raar als zij die man (de rechtbank begrijpt: verdachte) zag.

Ze probeerde hem echt te ontwijken want hij is ook iemand die veel in de buurt rond liep en op zijn balkon stond te kijken.

Hij was vaak buiten en toen vroeg hij aan kinderen of ze ook tennisballen wilden. [aangeefster] reageerde daarop en we ( [aangeefster] en ik) gingen toen naar de schuur toe waar hij die tennisballen had. Het was op de begane grond bij de box ruimtes. Ik bleef bij de deuropening staan en [aangeefster] ging naar hem toe. Wat ik nog weet is dat hij [aangeefster] tennisballen gaf. Toen ze wegging zag ik dat hij haar heel lang een knuffel gaf en een kus op haar wang. Ik vond dat heel raar en heb toen ik weer buiten met haar was aan haar gevraagd waarom hij dat bij haar deed.

Dat is rond de 5 à 6 jaar geleden.

III. Een proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] d.d. 17 november 2016 (p. 43-44), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Ik vroeg aan de buurman om mij te helpen met het ophangen van de gordijnen. Ik maakte een afspraak met hem. Ik zei: "Kom vanavond maar niet want ik heb een 10-minuten gesprek op school.". Vanwege die afspraak kan ik mij nog goed herinneren wanneer die afspraak was. Ik had het gesprek op school in april of mei 2013. In ieder geval na 31 maart 2013 omdat mijn nicht tot die tijd bij mij thuis logeerde.

Ik heb tegen [aangeefster] destijds verteld dat de buurman was geweest om de gordijnen op te hangen. Ik zag [aangeefster] overstuur was en zei dat ik de buurman niet meer uit moest nodigen in ons huis.

IV. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 januari 2017 (p. 14).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van verbalisant Dam:

Gedurende het afnemen van de vingerafdrukken zei [verdachte] ongevraagd: "Ik ken die man die net bij je was. Jouw collega. Ik ken hem omdat ik hem hier al eerder heb gezien."
Ik vroeg aan hem wat hij daarmee bedoelde. [verdachte] zei: "Ik ken hem van hier. Toen zat ik hier ook. Dat is denk ik nu zo'n 30 jaar geleden. Toen was hij er ook. Ik werd toen ook aangehouden en hij deed mijn zaak. Dat was ook hier op dit bureau, hoor."
Ik vroeg aan [verdachte] waarvoor hij 30 jaar geleden was aangehouden, waarop [verdachte] zei: "Voor hetzelfde als vandaag. Ook voor iets met zeden. Ik had toen ook gedaan waar ik nu voor aangehouden ben. Ik was toen stom geweest. Nu trouwens ook. Ik was toen stom geweest en dat ben ik nu weer met wat ik heb gedaan."

Bewijsoverweging

In zedenzaken doet zich vaak de situatie voor dat slechts twee personen aanwezig waren bij de gewraakte seksuele handelingen: de aangeefster en de vermeende dader. Ook in deze zaak is dat het geval. Verdachte heeft zich bij de politie en ter terechtzitting beroepen op zijn zwijgrecht. Op grond van het bepaalde in artikel 342, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is de enkele verklaring van een getuige (in casu de aangeefster) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Op grond van inmiddels vaste rechtspraak kan echter in dergelijke zaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaringen van de aangever/aangeefster voldoende wettig bewijs opleveren.

De rechtbank is van oordeel dat de aangifte voldoende wordt gesteund door de getuigenverklaringen van [naam 1] , [naam 2] en de uitlatingen van verdachte op het bureau.. Zo was [naam 1] aanwezig bij de gebeurtenis met de tennisballen, waarbij zij heeft opgemerkt dat het gedrag van verdachte jegens aangeefster vreemd was. Dit ondersteunt de aangifte op een voor de verdenking essentieel onderdeel, nu verdachte bij die gebeurtenis kennelijk werd gedreven door dezelfde motieven als bij de hem verweten ontuchtige handelingen die daarna plaatsvonden. Daarnaast heeft [naam 1] verklaard over haar waarneming van het gedrag van aangeefster, die volgens haar raar reageerde op verdachte en hem probeerde te ontwijken. De moeder van aangeefster, getuige [naam 2] , heeft een specifiek detail in de aangifte bevestigd dat te maken heeft met de context waarin de ontuchtige handelingen zouden hebben plaatsgevonden. [naam 2] heeft namelijk verklaard dat verdachte haar zou helpen met de gordijnen en dat zij de afspraak met verdachte had afgezegd omdat zij die dag een 10-minuten gesprek zou hebben op school. Verdachte is toen, blijkens de aangifte, toch naar het huis van aangeefster gekomen. Ook [naam 2] heeft verklaard over haar waarneming van het gedrag van aangeefster, die overstuur reageerde op het moment dat zij aangeefster vertelde dat de buurman was geweest om de gordijnen op te hangen. Aangeefster heeft daarbij tegen haar moeder gezegd dat zij de buurman niet meer moest uitnodigen in hun huis. De aangifte vindt ook steun in hetgeen verdachte buiten de verhoorsituatie tegen één van de verbalisanten heeft gezegd inhoudende dat hij 30 jaar geleden hetzelfde heeft gedaan als waarvoor hij nu is aangehouden en dat hij toen en nu stom is geweest met wat hij heeft gedaan.

De rechtbank is er op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, van overtuigd dat verdachte het tenlastegelegde op de hierna omschreven wijze heeft begaan.

3.2.1

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 juni 2013 te Haarlem, met [aangeefster] , geboren op [geboortedag aangeefster] 2002, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd,
bestaande die ontuchtige handelingen uit het meermalen, althans eenmaal,
- tongzoenen van die [aangeefster] en
- met diens hand betasten van de blote borst van die [aangeefster] en
- met diens hand in de broek van die [aangeefster] gaan en vervolgens het betasten van de blote vagina van die [aangeefster] .

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft gevorderd dat hieraan de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd in het reclasseringsadvies en dat de rechtbank tevens de bijzondere voorwaarde van een contactverbod met [aangeefster] zal opleggen.

6.2

Standpunt van de verdachte

Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij de zorg draagt voor zijn verstandelijk beperkte zoon.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een aantal jaren schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van zijn buurmeisje. Zij was tussen de zes en acht jaar oud toen het begon. Verdachte heeft een heel jong meisje op een onwenselijke wijze kennis laten maken met seksualiteit. Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik van minderjarigen bij hen tot psychische schade leidt en dat zij daarvan langdurig de gevolgen meedragen. Dat dit ook geldt voor aangeefster blijkt uit de ter terechtzitting voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring. Daarbij komt dat delicten als de bewezen verklaarde feiten veelal ook voor de directe omgeving van de slachtoffers nadelige gevolgen hebben en in het algemeen onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving versterken. Verdachte heeft, ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe van aangeefster ter terechtzitting, geen openheid van zaken gegeven en geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 22 januari 2018, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake van het plegen van zedendelicten onherroepelijk is veroordeeld en dat verdachte – toen het misbruik met [aangeefster] een aanvang nam – nog in de proeftijd liep van een eerdere veroordeling;

- het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 26 oktober 2017 van J.M. van Hagen, werkzaam bij Reclassering Nederland. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

Het is opvallend en zorgelijk dat betrokkene al twee keer eerder is veroordeeld voor een zedendelict en dat hij er ook nog van verdacht wordt een vrouw onzedelijk te hebben betast in 2016. Wij weten niet wat er precies ten grondslag ligt aan het ten
laste gelegde. Daarom achten wij diagnostiek geïndiceerd. Dit kan uitgevoerd worden bij De Waag.

De combinatie van eerdere veroordelingen, de huidige aanklachten en zijn mogelijk

sociaal isolement, zijn volgens ons risicofactoren voor recidive.

Bij schuldigbevinding wordt geadviseerd om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen. Hierbij worden de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd:
• Meldplicht
• Behandelverplichting - Ambulante behandeling (De Waag of soortgelijke instelling)

De rechtbank is – gelet op de ernst van het feit – van oordeel dat slechts een gevangenisstraf passend en geboden is. Hoewel de rechtbank zich realiseert dat het voor verdachte moeilijk is de zorg voor zijn zoon aan een ander over te dragen, is de rechtbank van oordeel dat slechts een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur een passende reactie vormt. Hierbij heeft de rechtbank mede acht geslagen op het strafblad van verdachte en het gegeven dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde in een proeftijd liep vanwege een eerdere veroordeling voor een zedendelict. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte van de gevangenisstraf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank acht een verplicht contact van verdachte met de reclassering noodzakelijk en zal dit als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf verbinden. De rechtbank ziet ook aanleiding aan verdachte de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarde van behandeling op te leggen, alsmede het door de officier van justitie gevorderde contactverbod met [aangeefster] .

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [aangeefster] , wettelijk vertegenwoordigd door [naam 2] , heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.500,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank komt vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 2.000,00 billijk voor gelet op de toelichting op de vordering, het verhandelde ter terechtzitting en uitspraken in vergelijkbare zaken in aanmerking nemend. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: ontuchtige handelingen plegen] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.2.1 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

  • -

    zich zal houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet veroordeelde zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis melden bij de reclassering op het volgende adres: Zijlweg 148c, 2015 BJ te Haarlem. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    zich zal laten behandelen bij De Waag of soortgelijke instelling, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op 5 februari 2002 te Haarlem, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangeefster] geleden schade tot een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro), als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangeefster] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.A.M. Tel, voorzitter,

mr. E.C. Smits en mr. H.D. Overbeek, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. de Roo,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 maart 2018.

mr. N. de Roo is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.