Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:1965

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
6313431 / CV EXPL 17-6799
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Uit de bewoordingen van de notariële akte blijkt duidelijk de omvang van de erfdienstbaarheid.

Er is geen verder reikende erfdienstbaarheid ontstaan door verjaring omdat eiser niet kan worden aangemerkt als (onrechtmatig) bezitter van een erfdienstbaarheid.

Het verder reikend gebruik berust op een persoonlijk recht.

Ook gaat het beroep op artikel 8:50 niet op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 6313431 / CV EXPL 17-6799 (SJ)

Uitspraakdatum: 7 maart 2018

Vonnis in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats 1]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. J. Swaan

tegen

1.) [gedaagde 1]

2.) [gedaagde 2]

beiden wonende te [woonplaats 2]

gedaagden

verder te noemen: [gedaagden]

gemachtigde: mr. G.M. Pierik

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 8 september 2017 een vordering tegen [gedaagden] ingesteld. [gedaagden] hebben schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.

1.2.

[eiser] heeft hierop schriftelijk gereageerd en een wijziging van eis ingediend.

1.3.

Op 6 februari 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Ter zitting hebben [gedaagden] een wijziging van eis ingediend.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is sinds 1985 eigenaar van een kerkgebouw gelegen aan het adres [adres 1] , te [woonplaats 3] , thans kadastraal bekend als gemeente [gemeente] , sectie W nummers 1078 en 1079.

2.2.

Blijkens de akte van levering is ten gunste van het perceel van [eiser] een erfdienstbaarheid gevestigd ten laste van het naastgelegen perceel, gelegen aan het adres [adres 3] te [plaats 1] , kadastraal bekend als gemeente [gemeente] , sectie W nummer 401.

2.3.

Blijkens de akte van levering luidt de erfdienstbaarheid als volgt:
Ten laste van het gekochte (het kadastrale perceel gemeente [gemeente] , sectie W nummer 401 en ten gunste van het naastliggende perceel [plaats 2] , sectie E nummer 586 wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van overpad, om vanaf de openbare weg over het lijdend erf te komen en te gaan naar het achter-erf van het perceel 586 en omgekeerd, zulks echter uitsluitend voorzover dit nodig is voor het verrichten van herstelwerkzaamheden aan de op het perceel 586 gebouwde kerk.

2.4.

[gedaagden] zijn medio 2015 eigenaar geworden van het perceel 401 met woning. In de akte van levering van 2015 is de erfdienstbaarheid opgenomen.

2.5.

Bij brief van 3 februari 2017 schrijven [gedaagden] aan [eiser] dat zij in de achtertuin een schutting zullen plaatsen op de kadastrale grens.

2.6.

Bij brief van 16 februari 2017 schrijft [eiser] in reactie dat [gedaagden] hiermee het recht van overpad schenden.

2.7.

Bij brief van 24 februari 2017 schrijven [gedaagden] dat [eiser] wordt toegestaan het recht van overpad slechts te gebruiken voor herstelwerkzaamheden aan de kerk en dat hij een week van te voren een schriftelijke melding moet maken wat voor soort herstelwerkzaamheden dit zijn en wanneer deze worden uitgevoerd, waarna een datum kan worden bepaald om toegang te verlenen.

2.8.

Bij brief van 31 maart 2017 schrijft de gemachtigde van [eiser] dat [gedaagden] een stuk grond in gebruik hebben genomen dat aan [eiser] toebehoort. Verder is gemeld dat aan het Kadaster zal worden verzocht om een grensreconstructie uit te voeren.

2.9.

Bij e-mailbericht van 9 april 2017 hebben [gedaagden] gereageerd.

2.10.

Op 17 mei 2017 heeft het Kadaster een grensreconstructie uitgevoerd.

2.11.

Bij brief van 21 juli 2017 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagden] gesommeerd om de trottoirbanden, de houten paaltjes en de schutting die tegen de gevel van de kerk is geplaatst te verwijderen en om [eiser] onbelemmerd en onvoorwaardelijk recht van overpad te verlenen.

2.12.

De gemachtigde van [gedaagden] heeft toegezegd dat de trottoirbanden, de houten paaltjes en de schutting op het eigen perceel zullen worden geplaatst.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis, dat de kantonrechter
a.) [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om hem binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis onbelemmerde en onvoorwaardelijk doorgang te verlenen in de uitoefening van de erfdienstbaarheid inhoudende het recht van overpad over het erf van [gedaagden] op een zodanige wijze dat [eiser] op een normale wijze de achtertuin kan bereiken om onderhouds- en/of herstelwerkzaamheden aan de kerk te kunnen uitvoeren, op straffe dwangsom van € 500,00 per dag na afloop van de termijn van twee dagen, met een maximum van € 10.000,00;
b.) [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis de grondverhoging die op dit moment het recht van overpad belemmert ongedaan te maken zodat [eiser] onderhouds- en/of herstelwerkzaamheden aan de kerk kan uitvoeren, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag na afloop van de termijn van twee dagen, met een maximum van € 10.000,00;
c.) bepaalt dat de erfdienstbaarheid door verjaring is gewijzigd in die zin het dienende erf dient te dulden dat de eigenaar van het heersende erf naast gevallen van onderhouds- en/of herstelwerkzaamheden aan de kerk gebruik mag maken van het dienende erf voor het plegen van tuinonderhoud, op straffe dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagden] [eiser] hierin belemmeren dan wel dat de erfdienstbaarheid op grond van artikel 5:80 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dient te worden gewijzigd in de zin dat het dienende erf dient te dulden dat de eigenaar van het heersende erf, naast gevallen van onderhouds- en/of herstelwerkzaamheden aan de kerk, gebruik mag maken van het dienende erf voor het plegen van tuinonderhoud, op straffe dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagden] [eiser] hierin belemmeren ;

d.) [gedaagden] veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis de erfafscheiding in de tuin van [eiser] deugdelijk te hebben hersteld, op straffe dwangsom van € 500,00 per dag met maximum van € 10.000,00;
e.) [gedaagden] veroordeelt tot betaling van de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente indien betaling niet binnen veertien dagen na de dagtekening van het te wijzen vonnis is voldaan.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagden] door de plaatsing van een schutting zonder toegangsdeur het recht van overpad belemmeren. Verder stelt [eiser] dat bij de inhoud en de wijze van uitoefening van dit recht de plaatselijke gewoonte dient te worden meegewogen. [eiser] gebruikt de doorgang om het kippenvoer naar achter te brengen en het tuinafval naar de groencontainer te brengen, hetgeen door de toenmalige eigenaren van perceel van [gedaagden] gedurende 31 jaar zonder tegenspraak is geduld. Volgens [eiser] bepaalt artikel 5:73 lid 1 BW in dat geval dat de wijze van de uitoefening van de erfdienstbaarheid beslissend is. Op grond hiervan stelt [eiser] ook een vordering tot wijziging van de inhoud van de erfdienstbaarheid in als bedoeld in artikel 5:80 BW. Verder stelt [eiser] dat [gedaagden] zijn erfafscheiding hebben beschadigd en dat zij tot herstel hiervan moeten overgaan.
Voorts stelt [eiser] dat een gedeelte van de waterkering van de kerk onbereikbaar is geworden door de ophoging van de grond. Volgens [eiser] levert dit ook een belemmering van de erfdienstbaarheid op. De waterkering moet nog worden gerestaureerd. [eiser] stelt dat uit de akte niet blijkt dat hij voorafgaand aan het uitvoeren van herstelwerkzaamheden schriftelijk toestemming aan [gedaagden] moet vragen.

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

[gedaagden] betwisten niet het bestaan van de erfdienstbaarheid. [gedaagden] betwisten dat [eiser] is toegestaan om vrij, onbelemmerd en onvoorwaardelijk gebruik te maken van de erfdienstbaarheid en dat deze erfdienstbaarheid door [eiser] voor andere doeleinden kan worden gebruikt. Het is [eiser] alleen toegestaan gebruik te maken van de erfdienstbaarheid indien er herstelwerkzaamheden aan de kerk worden uitgevoerd en voor zover het daarvoor nodig is dat het perceel van [gedaagden] wordt betreden. Dit houdt volgens [gedaagden] in dat [eiser] niet over het perceel mag gaan als dit niet nodig is voor herstelwerkzaamheden en zeker niet om onderhoudswerkzaamheden en/of tuinonderhoud uit te voeren. [gedaagden] voeren aan dat zij [eiser] toegang geven indien hij hen daarover tijdig informeert en als blijkt dat het gebruik van de erfdienstbaarheid voor herstelwerkzaamheden noodzakelijk is. Verder betwisten [gedaagden] dat de verlaging van het grondpeil om hun woning noodzakelijk is. Het huidige grondpeil is op voorschrift van de gemeente aangehouden en in overeenstemming met het bouwbesluit. De uitvoerder heeft het hoogteverschil met de tuin van [eiser] in overleg met hem afgewerkt. Daarbij is er geen erfdienstbaarheid tot het dulden van een vrije kerkgevel of een vrije waterkering gevestigd en heeft [eiser] niet aangetoond dat onderhoud aan de waterkering noodzakelijk is of dat hij door het huidige grondpeil schade lijdt.
Volgens [gedaagden] doet [eiser] ten onrechte een beroep op artikel 5:73, lid 1 BW. De afspraken met de vorige eigenaren betreffen een persoonlijk recht. Ook wordt er niet voldaan aan de voorwaarden op grond waarvan de erfdienstbaarheid kan worden gewijzigd. Wat [eiser] wil zou een onevenredige verzwaring van de erfdienstbaarheid met zich brengen. Het is voor [eiser] mogelijk om via de begane grond van de kerk de achterzijde van zijn perceel te betreden. Ook voeren [gedaagden] aan dat zij niet zijn gehouden tot herstel van de erfafscheiding op het perceel van [eiser] omdat zij of een door hen ingeschakelde hulppersoon de erfscheiding niet hebben beschadigd.

4.2.

[gedaagden] vorderen, na wijziging van eis, bij wijze van tegenvordering primair dat de kantonrechter:

a.) voor recht verklaart dat hun perceel ten behoeve van het perceel van [eiser] uitsluitend voor zover noodzakelijk voor het verrichten van herstelwerkzaamheden aan de op het perceel gebouwde kerk is belast met een erfdienstbaarheid;
b.) voor recht verklaart dat de gevestigde erfdienstbaarheid inhoudt dat het [eiser] niet is toegestaan hun perceel te betreden voor andere doeleinden dan omschreven in de gevestigde erfdienstbaarheid en slechts nadat [gedaagden] [eiser] hiervoor toestemming hebben verleend;
c.) [eiser] verbiedt om binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis het gebruik van de erfdienstbaarheid – voor zover noodzakelijk zonder toestemming van Elzinga – te betreden, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag na afloop van de termijn van twee dagen voor iedere dag dat [eiser] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 25.000,00;

subsidiair vorderen [gedaagden] dat de kantonrechter de gevestigde erfdienstbaarheid wijzigt op grond van artikel 5:78 BW, inhoudende dat het [eiser] slechts nog is toegestaan hun perceel te betreden voor zover [eiser] heeft aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot het verrichten van herstelwerkzaamheden aan het kerkgebouw en nadat door [eiser] een deugdelijk plan met tijdsplanning is overgelegd en goedgekeurd door [gedaagden] , op straffe van dwangsom € 500,00 per dag na afloop van de termijn van twee dagen voor iedere dag dat [eiser] weigerachtig blijft om aan deze veroordeling zijn medewerking te verlenen, met een maximum van € 25.000,00;

meer subsidiair vorderen [gedaagden] dat de kantonrechter [eiser] veroordeelt tot vergoeding van de door [gedaagden] geleden schade omdat [gedaagden] het bloot eigendom van hun perceel gedeeltelijk hebben verloren door de verjaring van de gewijzigde erfdienstbaarheid:

i) in natura, dat wil zeggen medewerking van [eiser] aan de opheffing van de erfdienstbaarheid, voor zover deze door verjaring is gewijzigd ten laste van hun perceel en ten behoeve van het perceel van [eiser] , een en ander uiterlijk binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis met de bepaling dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van een notariële akte, althans op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 ineens, alsmede een dwangsom van € 250,00 per dag dat aan de veroordeling geen gevolg zal worden gegeven met een maximum van € 25.000,00, althans

ii) in geld, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet;

zowel primair als (meer) subsidiair vorderen [gedaagden] dat de kantonrechter [eiser] veroordeelt in betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de derde dag na betekening.

4.3.

Ter onderbouwing van de tegenvordering wijzen [gedaagden] naar hetgeen zij in de vordering hebben aangevoerd.

5 Het verweer tegen de tegenvordering

5.1.

[eiser] betwist de tegenvordering en stelt dat de steeg sinds 1985 wordt gebruikt door hem om van en naar zijn achtertuin te komen, dat deze wijze van gebruik nooit is betwist door de rechtsvoorgangers van [gedaagden] en dat [gedaagden] door de plaatsing van een schutting zonder poort hem belemmeren ongehinderd gebruik te maken van de erfdienstbaarheid. Daarbij is het voor [eiser] vrijwel onmogelijk om het kippenvoer en het tuinafval door de kerk te voeren, onder meer vanwege de verschillende hoge drempels in de deurposten. Subsidiair voert [eiser] aan dat er sprake is van bezit gedurende meer dan 20 jaar zodat door verjaring het uitgebreidere recht van erfdienstbaarheid is ontstaan. Hij wijst in dit verband op de door hem overgelegde getuigenverklaringen.

6 De beoordeling

6.1.

De zaak behoort volgens de bevoegdheidsregels thuis bij de sector civiel van deze rechtbank, maar partijen hebben ervoor gekozen deze op de voet van artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RV) voor te leggen aan de kantonrechter. Partijen hebben zich daarbij het recht van hoger beroep voorbehouden.

de vordering en de tegenvordering

6.2.

De vordering en de tegenvordering lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

de vordering

6.3.

Op grond van artikel 5:73, eerste lid, BW worden de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Is een erfdienstbaarheid te goeder trouw geruime tijd zonder tegenspraak op een bepaalde wijze uitgeoefend, dan is in geval van twijfel deze wijze van uitoefening beslissend.

6.4.

Het komt bij de uitleg van de erfdienstbaarheid dus aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. De kantonrechter constateert dat de akte in haar bewoordingen duidelijk zijn: er wordt een erfdienstbaarheid van overpad gevestigd om vanaf de openbare weg over het lijdend erf te komen en te gaan naar het achtererf van het perceel 586 en omgekeerd, zulks echter uitsluitend voor zover dit nodig is voor het verrichten van herstelwerkzaamheden aan de op het perceel 586 gebouwde kerk. De partijbedoelingen zoals die blijken uit de in de akte gebruikte bewoordingen moeten aldus worden uitgelegd dat beoogd werd om voor het perceel van (thans) [eiser] een mogelijkheid te creëren om te komen en te gaan naar zijn achtererf via de strook grond van (thans) [gedaagden] uitsluitend voor zover dit nodig is ten behoeve van het verrichten van herstelwerkzaamheden aan de kerk. Uit de bewoordingen valt niet af te leiden dat het de bedoeling van partijen is geweest om [eiser] onbelemmerd en onvoorwaardelijk gebruik van de strook grond van [gedaagden] toe te staan. Dat het gebruik van de strook grond sinds 1985 wel dat gebruik omvatte, wil niet zeggen dat de bewoordingen van de notariële akte op deze wijze dienen te worden uitgelegd. Er bestaat immers, naar het oordeel van de kantonrechter, geen onduidelijkheid over de bewoordingen van de akte. De kantonrechter concludeert dan ook dat de erfdienstbaarheid zoals deze is gevestigd, slechts het gebruik omvat om te komen en te gaan via de strook grond van (thans) [gedaagden] uitsluitend voor zover dit nodig is ten behoeve van het verrichten van herstelwerkzaamheden aan de kerk. Dit houdt dus in dat [eiser] niet over het perceel mag gaan als dit niet nodig is voor de herstelwerkzaamheden en/of tuinonderhoud uit te voeren.

Gelet op het voorgaande dient het door [eiser] onder sub a gevorderde te worden afgewezen. Bovendien heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat het verrichten van herstelwerkzaamheden aan de kerk op dit moment nodig is, zodat de vordering ook hierom niet voor toewijzing in aanmerking komt.

6.5.

Voorts is de kantonrechter van oordeel dat er geen verder reikende erfdienstbaarheid is ontstaan door verjaring. [eiser] kan namelijk niet worden aangemerkt als (onrechtmatige) bezitter van een erfdienstbaarheid. [eiser] heeft immers in zijn brief van 16 februari 2017 en nogmaals ter zitting aangegeven dat hij ten behoeve van het gebruik van het dienende erf voor het aan- en afvoeren van zijn tuinafval en het aanvoeren van kippenvoer afspraken heeft gemaakt met de voormalige eigenaars van perceel 401, mevrouw [naam 1] en de heer [naam 2] . De kantonrechter stelt op grond daarvan vast dat het verder reikende gebruik van het dienende erf door [eiser] berust op een persoonlijk recht. Hierdoor ontbreekt het voor verjaring vereiste bezit. De door [eiser] gevorderde wijziging van de erfdienstbaarheid op grond van verjaring wijst de kantonrechter daarom af.

6.6.

De vordering van [eiser] tot wijziging van de erfdienstbaarheid op grond van artikel 5:80 BW gaat evenmin op. Op grond van dit artikel kan een erfdienstbaarheid namelijk alleen worden gewijzigd als deze door onvoorziene omstandigheden (tijdelijk) niet meer kan worden uitgeoefend of het belang van de eigenaar van het heersende erf aanzienlijk is verminderd. De kantonrechter is van oordeel dat aan deze voorwaarden niet wordt voldaan. Er is immers geen sprake van een situatie op grond waarvan moet worden geoordeeld dat [eiser] de erfdienstbaarheid (tijdelijk) niet meer kan uitoefenen op de wijze waarop deze is bedoeld of dat zijn belang aanzienlijk is verminderd. Het door [eiser] onder sub c gevorderde wijst de kantonrechter dus af.

6.7.

Het door [eiser] onder sub b gevorderde is gebaseerd op het standpunt van [eiser] dat de grondverhoging aan de uitoefening van het recht van erfdienstbaarheid in de weg staat. [gedaagden] hebben hiertegen aangevoerd dat tussen de muur van het kerkgebouw en de tegels van het pad van [gedaagden] een gootje met grind ligt, hetgeen ook blijkt uit de door [eiser] overgelegde foto’s. Verder hebben [gedaagden] ter zitting toegezegd dat dit grindgootje kan worden weggehaald indien herstelwerkzaamheden aan de waterkering van het kerkgebouw moeten worden verricht. De kantonrechter heeft geen aanleiding om te oordelen dat [gedaagden] zich niet aan deze toezegging houden. Dit maakt dat niet staande kan worden gehouden dat de grondverhoging in de weg staat aan de uitoefening van het recht van erfdienstbaarheid. Bovendien heeft [eiser] niet aangetoond dat op dit moment herstelwerkzaamheden aan de waterkering nodig zijn. Gelet op het voorgaande wijst de kantonrechter dit deel van de vordering eveneens af.

6.8.

Het door [eiser] onder sub d gevorderde herstel van zijn erfafscheiding schade wijst de kantonrechter ook af. [eiser] heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagden] , onvoldoende aangetoond dat [gedaagden] verantwoordelijk zijn voor de schade aan zijn hekwerk. Dat op de door [eiser] overgelegde foto’s te zien is dat het hekwerk is losgeknipt, maakt niet dat is aangetoond dat [gedaagden] of een door hen ingeschakelde hulppersoon dat heeft gedaan.

6.9.

De conclusie is dat de kantonrechter al de vorderingen van [eiser] zal afwijzen.

de tegenvordering

6.10.

Het door [gedaagden] onder sub a gevorderde wijst de kantonrechter af bij gebreke van belang. Zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen is de akte duidelijk wat betreft de inhoud en de omvang van de erfdienstbaarheid.

6.11.

Ten aanzien van het door [gedaagden] onder sub b gevorderde overweegt de kantonrechter dat [gedaagden] evenmin een belang hebben bij een verklaring voor recht inhoudende dat het [eiser] niet is toegestaan hun perceel te betreden voor andere doeleinden. De akte is, zoals hiervoor meermalen is overwogen, duidelijk wat betreft de inhoud en de omvang van de erfdienstbaarheid. Verder volgt uit de eigendomstitel van [gedaagden] en de wet dat het [eiser] niet is toegestaan om hun perceel te betreden zonder hun toestemming. Dit deel van de tegenvordering wijst de kantonrechter eveneens af.

6.12.

Ten aanzien van het onder sub c door [gedaagden] gevorderde overweegt de kantonrechter als volgt. Een eis dient te voldoen aan het bepaalde in artikel 111 Rv. Kort samengevat komt artikel 111 Rv er op neer dat de dagvaarding, en in dit geval de tegenvordering, duidelijk moet aangeven wat van de tegenpartij gevorderd wordt en waarom. De strekking van deze bepaling is ‘te waarborgen dat voor de wederpartij voldoende duidelijk is wat van hem wordt verlangd, opdat hij zich daartegen behoorlijk kan verdedigen’. Ook moet duidelijk zijn welke beslissing van de rechter wordt verlangd. Dit volgt onder meer uit artikel 23 Rv. Een onduidelijke vordering kan, indien het petitum gevolgd wordt, leiden tot executiegeschillen, tot afwijzing van de vordering of niet ontvankelijkheid.

6.13.

De kantonrechter is van oordeel dat geformuleerde tegenvordering onder sub c niet voldoet aan de in de artikelen 23 en 111 Rv neergelegde verplichtingen. Rechtstreekse overneming van het petitum zal ongetwijfeld leiden tot executieproblemen terwijl het de kantonrechter ook niet duidelijk is wat [gedaagden] precies van [eiser] vorderen en op welke gronden. Dit deel van de vordering dient daarom te worden afgewezen.

6.14.

De subsidiaire vordering van [gedaagden] wijst de kantonrechter af omdat het niet aan [gedaagden] is voorbehouden om te beoordelen of herstelwerkzaamheden aan het kerkgebouw noodzakelijk zijn. Evenmin is het niet aan [gedaagden] om te beoordelen of [eiser] een deugdelijk plan met tijdsplanning heeft overgelegd. Dat een en ander tussen partijen in overleg dient plaats te vinden is zonneklaar en behoeft geen rechterlijke uitspraak. Voor zover partijen er in goed overleg niet uitkomen, dan kan dit eerst dan zo nodig aan de rechter worden voorgelegd.

6.15.

De meer subsidiaire vordering van [gedaagden] wordt afgewezen omdat er geen sprake is van een gewijzigde erfdienstbaarheid en de door [eiser] gevorderde wijziging van de erfdienstbaarheid is afgewezen. De kantonrechter verwijst naar hetgeen hij hierover heeft overwogen in de vordering van [eiser] .

6.16.

De conclusie is dat de kantonrechter al de vorderingen van [gedaagden] zal afwijzen.

in de vordering en de tegenvordering

6.17.

De kantonrechter ziet in de tussen partijen bestaande relatie aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

7.1.

wijst de vordering af;

de tegenvordering

7.2.

wijst de vordering af;

in de vordering en de tegenvordering

7.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter