Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:1907

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
11-09-2018
Zaaknummer
C/15/255061 / HA ZA 17-126
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsfout advocaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/255061 / HA ZA 17-126

Vonnis van 21 maart 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat aanvankelijk mr. B.G. Baljet,

thans mr. M. van Olden te Velsen-Zuid,

tegen

de naamloze vennootschap

[gedaagde] ,

statutair gevestigd en mede kantoor houdende te Haarlem,

gedaagde,

advocaat mr. T.P. Hoekstra te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 mei 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 februari 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In het kader van een echtscheidingsprocedure heeft [eiseres] in oktober 2012 [gedaagde] gevraagd haar juridisch advies te geven over een artikel uit de huwelijkse voorwaarden die bestonden tussen haar en haar ex-echtgenoot. Vervolgens heeft zij in januari 2013 [gedaagde] verzocht haar bij te staan in de echtscheidingsprocedure.

2.2.

Er is geen schriftelijk bewijs dat [eiseres] er door [gedaagde] bij het maken van de afspraken omtrent deze bijstand op is gewezen dat zij mogelijk in aanmerking kon komen voor gefinancierde rechtsbijstand. Een toevoeging is niet aangevraagd.

2.3.

Tussen [eiseres] en haar ex-echtgenoot zijn meerdere procedures gevoerd. Een van de geschillen had betrekking op het verzoek tot vaststelling van de partneralimentatie.

2.4.

In de echtscheidingsprocedure in eerste aanleg bij de rechtbank Rotterdam werd [eiseres] bijgestaan door mr. [A.] van [gedaagde] .

De rechtbank Rotterdam heeft in een beschikking van 12 juni 2013 de echtscheiding uitgesproken en onder meer bepaald dat aan [eiseres] een partneralimentatie toekwam van € 560,- per maand.

2.5.

De ex-echtgenoot van [eiseres] heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag. In die procedure heeft [eiseres] verweer gevoerd. Zij werd bijgestaan door mr. [B.] van [gedaagde] [eiseres] was het niet eens met het aan haar toegewezen bedrag aan partneralimentatie.

Namens haar heeft mr. [B.] in hoger beroep een verweerschrift ingediend.

2.6.

In december 2013 is mr. [B.] met zwangerschapsverlof gegaan. Vanaf dat moment werd [eiseres] bijgestaan door mr. [C.] van [gedaagde] . Twee weken voor de mondelinge behandeling bij het gerechtshof, omstreeks maart 2014, is de behandeling van de zaak nogmaals overgenomen, dit keer door

mr. [D.] namens [gedaagde]

2.7.

Het gerechtshof te Den Haag heeft op 21 mei 2014 een beschikking gegeven. Deze beschikking houdt voor zover van belang het volgende in:

(…)

12. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw ter staving van haar huwelijksgerelateerde behoefte een behoeftelijst overgelegd met een totale maandelijkse netto behoefte van

€ 6.733,60 (gebruteerd een bedrag van € 8.978,-). De behoeftelijst is met partijen ter zitting integraal besproken. Weliswaar heeft de man ter zitting een aantal posten bestreden, doch het hof komt de door de vrouw opgevoerde posten, gelet op de hoge welstand die partijen gedurende hun huwelijk hebben genoten en hun bestedingspatroon destijds, alleszins redelijk voor. Het feit dat de vrouw thans een partner heeft, maakt deze behoefte niet anders. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de behoefte van de vrouw in ieder geval niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

(…)

15. Het hof overweegt als volgt. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw genoegzaam aangetoond dat zij bij Märzinger Services een bedrag van € 1.200,- bruto per maand verdient. Het hof acht dit inkomen, gelet op het feit dat de vrouw tijdens het huwelijk nimmer heeft gewerkt, ook alleszins redelijk. Het hof zal dit bedrag dan ook in aanmerking nemen bij de bepaling van de aanvullende behoefte van de vrouw. Niet gebleken is dat de vrouw met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid haar baan zal verliezen, zodat het hof met die toekomstige omstandigheid geen rekening houdt. Nu de vrouw geen incidenteel appel heeft ingesteld ter zake van haar aanvullende behoefte en de man pleit voor een lagere aanvullende behoefte, zal het hof aansluiten bij het bedrag waar de rechtbank van uit is gegaan, te weten een bedrag van € 5.300,- per maand (gebruteerd een bedrag van € 7.067,- per maand).

Het hof heeft de bestreden beschikking van de rechtbank Rotterdam ten aanzien van de partneralimentatie bekrachtigd.

2.8.

Na deze beschikking heeft [eiseres] zich tot een andere advocaat gewenden. Zij heeft kantoor Leeman Verheijden Huntjes Advocaten verzocht haar bij te staan. Zij is bijgestaan door mr. [E.] , mr. [F.] en mr. [G.] .

2.9.

Mr. [E.] heeft namens [eiseres] cassatieadvies gevraagd aan

mr. [H.] van kantoor Ekelmans Meijer Advocaten te Den Haag. Dit cassatieadvies houdt onder meer het volgende in:

(…)

De vrouw heeft – zoals het hof onder 3 vermeldt – het hof verzocht de partneralimentatie vast te stellen op het bedrag dat het hof juist acht. In rov. 15 overweegt het hof dat de vrouw geen incidenteel appel heeft ingesteld ter zake van haar aanvullende behoefte. Daaruit valt m.i. af te leiden dat het hof vanwege het ontbreken van incidenteel appel de alimentatie niet op een hoger bedrag vastgesteld, terwijl daar blijkens de daarvoor vastgestelde uitgangspunten wel aanleiding voor lijkt te zijn.

(…)

Het geheel overziend kom ik tot de slotsom dat een beroepsfout is gemaakt. Ten onrechte is [A.] uitgegaan van de veronderstelling dat ingevolge de devolutieve werking het hof een hogere partneralimentatie had kunnen (en moeten) vaststellen, dan het bedrag dat door de rechtbank was bepaald. Althans heeft [A.] door deze wijze van verweer voeren cliënte aan het reële en voorzienbare risico blootgesteld dat zij de mogelijkheid van het verkrijgen van een hoger alimentatiebedrag zou mislopen. Dat risico heeft zich verwezenlijkt. Dat valt wellicht te redresseren door een cassatieberoep in te stellen, maar de kans op succes is ongewis, omdat de Hoge Raad zou kunnen oordelen dat (het wellicht onwelwillend maar) niet onbegrijpelijk is dat het hof in de stellingen van de vrouw geen incidentele grief heeft gelezen. Zou (de BA-verzekeraar van) [A.] wensen en verlangen dat met het oog op een mogelijke schadebeperking cassatieberoep wordt ingesteld, dan lijkt mij redelijk dat de verzekeraar de kosten daarvan voor haar rekening neemt.

2.10.

Namens [eiseres] heeft mr. [F.] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door mr [H.] benoemde beroepsfout.

2.11.

[gedaagde] heeft dit gemeld bij haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar, AON. AON heeft de kosten van het cassatie-advies voor haar rekening genomen.

2.12.

Vervolgens is cassatie ingesteld. Op 19 juni 2015 heeft de Hoge Raad een beschikking gegeven. Deze houdt onder meer het volgende in:

(…)

3.3.3

Gelet op hetgeen de vrouw in haar verweerschrift in hoger beroep heeft aangevoerd en gezien het partijdebat in hoger beroep, waaruit blijkt dat de man heeft begrepen dat de vrouw een hogere partneralimentatie wenste dan de rechtbank had vastgesteld, had het hof behoren te onderzoeken of de draagkracht van de man een hogere partneralimentatie toeliet dan het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 560,- per maand. Het hof heeft miskend dat in het verweerschrift van de vrouw in hoger beroep een incidenteel appel met betrekking tot de draagkracht van de man besloten lag. Onderdeel 1 is dus gegrond.

Ook onderdeel 2, dat opkomt tegen de overweging van het hof (rov. 15) dat de vrouw geen incidenteel appel heeft ingesteld ter zake van haar aanvullende behoefte, is in het licht van het vorenstaande terecht voorgesteld.

Vervolgens heeft de Hoge Raad de beschikking van het hof Den Haag vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

2.13.

De kosten van de cassatieprocedure zijn voldaan door AON.

2.14.

Na de beschikking van de Hoge Raad heeft [gedaagde] aangegeven geen aansprakelijkheid voor een beroepsfout te erkennen. Voorts heeft zij jegens [eiseres] aanspraak gemaakt op betaling van de nog openstaande facturen.

2.15.

De procedure na verwijzing bij het hof Amsterdam is nog altijd niet afgerond.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht zal verklaren dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan een tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht vanwege de in de dagvaarding omschreven beroepsfout;

II. [gedaagde] zal veroordelen tot vergoeding van de geleden en nog te lijden schade van [eiseres] , nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten;

III. zal ontbinden de tussen [gedaagde] en [eiseres] bestaande overeenkomsten van opdracht zodat [gedaagde] niets meer uit dien hoofde van [eiseres] te vorderen heeft en dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag ad € 11.993,57 dat zij reeds uit dien hoofde van [eiseres] heeft ontvangen;

IV. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over alle onder de proceskostenveroordeling vallende bedragen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vraag die in dit geding centraal staat is de vraag of door mr. [B.] een beroepsfout is gemaakt.

4.2.

Door [eiseres] is gesteld dat mr. [B.] een beroepsfout heeft gemaakt door in het verweerschrift voor het hoger beroep bij het hof in Den Haag namens [eiseres] niet expliciet incidenteel appel in te stellen. Zij heeft gesteld dat als gevolg daarvan aan haar geen hogere partneralimentatie is toegekend en heeft ter onderbouwing van die stelling gewezen op de overweging van het hof in de beschikking van 21 mei 2014 onder 15, hiervoor aangehaald in r.o. 2.7.

4.3.

[gedaagde] heeft betwist dat sprake is geweest van een beroepsfout van

mr. [B.] . Daarbij heeft zij gewezen op de overweging van de Hoge Raad in het arrest van 19 juni 2015, hiervoor aangehaald in r.o. 2.12. Zij heeft benadrukt dat uit die overweging blijkt dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het hof Den Haag een fout heeft gemaakt, zodat het niet toewijzen van een hoger bedrag aan partneralimentatie geen gevolg is van een beroepsfout van mr. [B.] . Subsidiair heeft zij benadrukt dat het voor de verwijtbaarheid van wat er gebeurd is verschil uitmaakt of er sprake is geweest van een slordigheid of van een strategie van de bewuste advocaat.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft mr. [B.] als behandelend advocaat een beroepsfout gemaakt door in het verweerschrift voor de procedure bij het hof Den Haag niet expliciet melding te maken van het instellen van incidenteel appel en incidentele grieven te formuleren. De vraag of het niet vermelden van het incidenteel appel voortkwam uit slordigheid of dat dit berustte op een strategie van mr. [B.] zou eventueel verschil kunnen maken voor de verwijtbaarheid van het handelen in een tuchtrechtelijke procedure, maar kan in deze civielrechtelijke procedure in het midden blijven. In beide gevallen kan mr. [B.] worden verweten dat zij niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Daarbij is het gevolg voor [eiseres] in beide gevallen hetzelfde: [eiseres] is als cliënte van mr. [B.] door het niet (expliciet) instellen van incidenteel appel aan een aanzienlijk risico bloot gesteld, welk risico zich ook heeft verwezenlijkt. In het gevraagde cassatieadvies heeft mr. Knijf ook aangegeven dat naar zijn oordeel een beroepsfout gemaakt is en dat het ongewis is of dit in cassatie eventueel zal worden gerepareerd. Weliswaar heeft de Hoge Raad vervolgens geoordeeld dat het hof Den Haag heeft miskend dat in het verweerschrift van de vrouw een incidenteel appel besloten lag, de beschikking vernietigd en de zaak verwezen naar het hof Amsterdam, maar de rechtbank wijst er op dat deze cassatieprocedure en de verwijzingsprocedure niet nodig zouden zijn geweest als in het verweerschrift bij het hof Den Haag expliciet melding gemaakt zou zijn van het incidenteel appel. Uit de overwegingen van het hof Den Haag zoals hiervoor in r.o. 2.7 weergegeven, volgt immers dat het hof zeer waarschijnlijk in 2014 een hoger bedrag voor de partneralimentatie zou hebben vastgesteld indien expliciet incidenteel appel was ingesteld, hetgeen mr. [B.] had nagelaten. De rechtbank is van oordeel dat dit kwalificeert als een beroepsfout van mr. [B.] en dat [gedaagde] voor de gevolgen van die beroepsfout aansprakelijk is. De gevorderde verklaring voor recht is derhalve toewijsbaar.

4.5.

Vervolgens dient aan de orde te komen in hoeverre [eiseres] schade heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van deze beroepsfout. [eiseres] heeft een aantal schadeposten opgevoerd en voorts gevorderd dat [gedaagde] veroordeeld wordt tot vergoeding van de geleden en nog te lijden schade van [eiseres] , nader op te maken bij staat.

4.6.

Op grond van het bepaalde in artikel 612 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, voor zover mogelijk, de schade in het vonnis te begroten en indien begroting van de schade in het vonnis niet mogelijk is, een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat uit te spreken. De reeds opgevoerde schadeposten zullen hierna besproken worden teneinde te beoordelen of begroting van de schade reeds thans kan plaatsvinden.

4.7.

In de eerste plaats heeft [eiseres] aangevoerd dat zij als gevolg van de beroepsfout een veel te lage partneralimentatie ontvangt terwijl het nog maar de vraag is of het hof Amsterdam in de nog aanhangig zijnde verwijzingszaak de partneralimentatie met terugwerkende kracht zal herstellen omdat de rechter bij de vaststelling van (partner)alimentatie in het algemeen behoedzaam om gaat met het toekennen van terugwerkende kracht.

4.8.

[gedaagde] heeft er op gewezen dat uit de door [eiseres] overgelegde aanvullende producties blijkt dat het hof Amsterdam in de nog aanhangige verwijzingszaak op 29 augustus 2017 een tussenbeschikking heeft gegeven en dat daarin onder meer het volgende is overwogen:

5.7 (…)

Het hof stelt daarbij voorop dat de (eventueel) door de man te betalen partneralimentatie ingaat op 1 juli 2013, de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, twee jaar na het feitelijk uiteengaan van partijen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat uit deze overweging van het hof moet volgen dat de alimentatie uiteindelijk met terugwerkende kracht zal worden toegewezen, omdat deze overweging anders niet begrijpelijk is. Zij heeft gesteld dat door die toewijzing met terugwerkende kracht [eiseres] geen schade zal lijden als gevolg van de beroepsfout.

4.9.

De rechtbank overweegt als volgt. Indien het hof Amsterdam, zoals uit de tussenbeschikking van 29 augustus 2017 naar voren lijkt te komen, de partneralimentatie met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2013 zal toewijzen, zal [eiseres] uit hoofde van de partneralimentatie geen schade lijden. Het hof heeft evenwel nog niet beslist op dit onderdeel zodat [eiseres] nog altijd het risico loopt dat zij uit hoofde van deze post schade zal lijden. Om die reden zal deze post eventueel nader moeten worden opgemaakt bij staat, nadat het hof Amsterdam daarop heeft beslist. Voor zover [eiseres] schade zal ondervinden omdat bijvoorbeeld een hoger bedrag aan alimentatie niet met terugwerkende kracht zal worden toegewezen vanaf 1 juli 2013, is [gedaagde] aansprakelijk voor die schade nu deze een gevolg is van de beroepsfout. Uit de beschikking van het hof Den Haag kan immers worden afgeleid dat indien wél incidenteel appel zou zijn ingesteld een hoger bedrag aan partneralimentatie zou zijn toegewezen.

4.10.

In de tweede plaats heeft [eiseres] gesteld dat zij schade heeft geleden bestaande uit de kosten van de cassatieprocedure.

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen is komen vast te staan dat [gedaagde] de kosten van de cassatie heeft vergoed en deze niet zal verhalen op [eiseres] . Hieruit volgt dat [eiseres] als gevolg van het voeren van de cassatieprocedure geen schade heeft geleden.

4.11.

In de derde plaats heeft [eiseres] aangevoerd dat zij schade heeft geleden omdat zij advocatenkantoor Leeman Verheijden Huntjens uit Rotterdam heeft moeten inschakelen onder meer om [gedaagde] aansprakelijk te stellen voor de door

mr. [B.] gemaakte beroepsfout.

4.12.

[gedaagde] heeft tegen deze post aangevoerd dat de kosten voor de aansprakelijkstelling deel uitmaken van de proceskostenveroordeling, zodat deze post grotendeels op nihil uitkomt. Daarbij heeft zij ook bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het door [eiseres] gevorderde bedrag van € 18.565,17 en benadrukt dat zij voor de cassatieprocedure reeds een bedrag van ruim € 17.000,- heeft betaald en het in dat licht nog maar de vraag is in hoeverre de (nog niet gespecificeerde) werkzaamheden die zijn verricht voor het gevorderde bedrag door de dubbele redelijkheidstoets zullen komen.

4.13.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [eiseres] geen onderbouwing kunnen geven van de werkzaamheden die voor het genoemde bedrag zouden zijn verricht. Uit de stukken blijkt dat één brief met aansprakelijkheidstelling is verzonden aan [gedaagde] . Deze kosten vallen onder het bereik van artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) als kosten ter instructie van de zaak, zodat ten aanzien hiervan geen vergoeding op grond van artikel 6:96 lid 2 BW kan worden gevorderd.

4.14.

[eiseres] heeft voorts gesteld dat zij thans in de verwijzingszaak bij het hof Amsterdam procedeert op basis van een toevoeging en daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd is van € 287,- welk bedrag zij eveneens als schade vordert. Daarbij heeft zij in de dagvaarding aangevoerd dat het hof Amsterdam zal beslissen tot vaststelling van een hogere partneralimentatie waardoor verwacht kan worden dat deze de resultaatsgrens zoals vastgesteld door de Raad voor de Rechtsbijstand overtreft en dat zij daardoor alsnog alle kosten van mr. Koopmans, die haar bijstaat in de verwijzingsprocedure, zal moeten vergoeden.

Ter zitting heeft haar advocaat verklaard dat de resultaatsgrens niet van toepassing is op toegekende alimentatie maar uitsluitend op vermogen dat in box 3 moet worden opgevoerd en dat [eiseres] geen vermogen in box 3 had, zodat geen sprake zou zijn geweest van de thans bestaande mogelijkheid dat de toevoeging zal worden ingetrokken indien de verwijzingsprocedure niet gevoerd had behoeven te worden.

4.15.

[gedaagde] heeft verklaard dat zij er niet mee bekend is dat toegewezen alimentatie niet mee zou tellen bij de resultaatsbeoordeling om te beoordelen of er gronden bestaan om een verstrekte toevoeging naderhand in te trekken.

4.16.

De rechtbank overweegt als volgt. Een van de verwijten die [eiseres] [gedaagde] maakt is dat zij haar er niet op heeft gewezen dat zij in aanmerking kon komen om te procederen met gefinancierde rechtsbijstand. Indien dit wél was gebeurd zou [eiseres] evengoed de eigen bijdrage verschuldigd zijn geworden. Om die reden wordt geoordeeld dat zij de eigen bijdrage die zij thans voor de procedure in de verwijzingszaak heeft betaald niet kan terugvorderen als schade.

Omtrent de vraag of toewijzing van alimentatie bij de resultaatsbeoordeling (achteraf) er al dan niet toe zou leiden dat de toevoeging wordt ingetrokken wordt het volgende overwogen. Uit publicaties hieromtrent valt af te leiden dat eventuele toegewezen toekomstige alimentatie niet zal leiden tot intrekking van de toevoeging omdat het hier een periodieke uitkering betreft, maar dat als een hoger bedrag met terugwerkende kracht wordt toegewezen, dit leidt tot een aanspraak van [eiseres] op een uitkering ineens van een bepaald bedrag van haar ex-echtgenoot. In dat geval loopt [eiseres] het risico dat na de resultaatsbeoordeling de toevoeging zal worden ingetrokken en dat zij alsnog de advocaatdeclaraties dient te voldoen. Niet gesteld is dat dit anders zou zijn geweest zonder de beroepsfout van mr. [B.] , omdat (ook) in dat geval een eventuele toevoeging na de procedure bij het hof Den Haag zou zijn ingetrokken na verhoging van de alimentatie met terugwerkende kracht. Nu echter de verwijzingsprocedure niet nodig zou zijn geweest zonder de beroepsfout van mr. [B.] , zullen de kosten van deze verwijzingsprocedure in ieder geval deels een schadepost kunnen vormen voor [eiseres] . Van die kosten, nader op te maken bij staat, zal te gelegener tijd beoordeeld moeten worden voor welk deel van die kosten [gedaagde] als een rechtstreeks gevolg van de beroepsfout aansprakelijk gehouden kan worden.

4.17.

Verder heeft [eiseres] gesteld dat zij schade heeft geleden omdat zij op advies van [gedaagde] mr. [G.] heeft verzocht een wijzigingsverzoek alimentatie bij de rechtbank in te dienen. Zij heeft verklaard dat de ratio achter het wijzigingsverzoek was dat hangende de cassatieprocedure waarvan de uitkomst onzeker was, de schade van de te lage vaststelling van de partneralimentatie mogelijk kon worden beperkt als gevolg van een beslissing van de rechtbank tot verhoging van die alimentatie. Zij heeft aangevoerd dat het wijzigingsverzoek uiteindelijk niet is ingediend omdat de Hoge Raad in cassatie de beschikking van het hof Den Haag heeft vernietigd met verwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam. Zij heeft gesteld dat de schade gemoeid met het wijzigingsverzoek € 9.063,85 bedraagt; dit zijn de kosten die in rekening gebracht zijn voor het wijzigingsverzoek.

4.18.

[gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat zij heeft geadviseerd om een wijzigingsverzoek in te dienen omdat [eiseres] heeft verteld dat haar freelance opdracht zou eindigen zodat haar inkomsten zouden wegvallen. Om die reden is haar geadviseerd de rechtbank opnieuw haar behoefte te laten berekenen. Voorts heeft [gedaagde] betoogd dat zij [eiseres] heeft aangeboden de helft van de kosten van het wijzigingsverzoek te dragen waarbij zij ervan uitging dat de kosten van de procedure circa € 10.000,- zouden bedragen. In dat geval zou [gedaagde] een bedrag van

€ 5.000,- betalen. Zij heeft erop gewezen dat er nu echter helemaal geen wijzigingsverzoek is ingediend en het om die reden onbegrijpelijk is dat de kosten zo hoog zijn temeer nu er geen specificatie van de werkzaamheden van mr. [G.] is overgelegd, zodat niet getoetst kan worden of de werkzaamheden voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets.

4.19.

De rechtbank stelt om te beginnen dat ook voor deze procedure blijkbaar geen toevoeging is aangevraagd en dat de opgevoerde kosten hoog voorkomen nu er geen procedure is gevoerd. Zonder nadere toelichting kan niet worden beoordeeld in hoeverre toewijzing van deze kosten terecht zou zijn. Ook zal nog moeten worden beoordeeld of deze post als schade vanwege de beroepsfout van mr. [B.] kan worden aangemerkt. Immers, ook als door het hof Den Haag aan [eiseres] wél een hogere alimentatie zou zijn toegekend, had een wijzigingsverzoek in de rede gelegen als zij haar inkomsten uit free lance werkzaamheden zou kwijt raken. Om die reden dient ook deze post meegenomen te worden in de schadestaat.

4.20.

Verder heeft [eiseres] gesteld dat zij allerlei bijkomende schade heeft geleden als gevolg van de te laag vastgestelde partneralimentatie. Zij heeft aangevoerd dat zij kosten heeft moeten maken voor het inschakelen van een accountant en een financieel en fiscaal adviseur en dat zij, als gevolg van het mislopen van alimentatie en als gevolg van hoge advocaatkosten, leningen heeft moeten afsluiten tegen hoge rentes en genoodzaakt is geweest nogmaals te verhuizen. Verder heeft zij gesteld dat zij als gevolg van alle stress die de procedures met zich mee brachten verminderde inkomsten heeft gehad.

4.21.

[gedaagde] heeft deze posten betwist. Zij heeft onder meer aangevoerd dat de kosten die zijn gemaakt voor het inschakelen van een accountant en een financieel en fiscaal adviseur kosten zijn die samenhingen met de inhoud van de procedure en die ook gemaakt zouden zijn zonder de eventuele beroepsfout. De overige schadeposten zijn niet concreet en niet onderbouwd en kunnen om die reden niet worden toegewezen.

4.22.

De rechtbank overweegt als volgt. De kosten die gemaakt zijn voor het inschakelen van een accountant en een financieel en fiscaal adviseur, betreffen kosten die gemaakt zijn in de nog altijd aanhangige verrekeningsprocedure. Deze kosten hangen samen met de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en zijn geen direct gevolg van de beroepsfout van mr. [B.] . Om die reden kunnen deze kosten niet als schadevergoeding worden verhaald op [gedaagde] . De overige posten zijn door [eiseres] niet onderbouwd en ook overigens onvoldoende concreet gemaakt zodat niet beoordeeld kan worden in hoeverre deze posten als direct gevolg van de beroepsfout als schade aan [gedaagde] kunnen worden tegengeworpen.

4.23.

Uit het vorenstaande volgt dat ten aanzien van de thans opgevoerde schadeposten op dit moment geen begroting kan plaatsvinden. De schadeposten waarvan hiervoor niet reeds is geoordeeld dat deze niet voor vergoeding als schade in aanmerking komen, zullen nader moeten worden opgemaakt bij staat. Voor zover die schade in rechtstreeks verband staat tot de beroepsfout die door mr. [B.] is gemaakt, is [gedaagde] gehouden deze schade te voldoen. Deze vraagpunten dienen nader onderzocht te worden in een schadestaatprocedure, waarin de verschillende schadeposten nader beoordeeld kunnen worden.

4.24.

Tot slot heeft [eiseres] ontbinding gevorderd van de tussen haar en [gedaagde] bestaande overeenkomsten van opdracht zodat [gedaagde] niets meer van haar te vorderen heeft. Ook heeft zij een veroordeling gevorderd van [gedaagde] tot terugbetaling van het bedrag van € 11.993,57 dat [eiseres] reeds heeft voldaan uit hoofde van die overeenkomsten.

4.25.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd, onder meer tegen de hoogte van de vordering.

4.26.

De rechtbank overweegt als volgt. De kosten die [eiseres] terugvordert zien op de procedure in eerste aanleg bij de rechtbank Rotterdam. Zij baseert haar vordering tot ontbinding voornamelijk op de omstandigheid dat haar niet is meegedeeld dat zij in aanmerking kon komen voor gefinancierde rechtsbijstand.

Hoewel gezegd kan worden dat [gedaagde] op dit punt enige steken heeft laten vallen, kan hierin geen toereikende grond worden gevonden voor ontbinding van de overeenkomst. Nu niet is gesteld of gebleken dat [A.], die [eiseres] in de procedure in eerste aanleg bijstond, haar werkzaamheden voor [eiseres] in deze procedure in de eerste aanleg anderszins niet naar behoren heeft uitgevoerd, is er geen sprake van een tekortkoming die ontbinding van de overeenkomst van opdracht zou rechtvaardigen. Voor een ongedaanmakingsverplichting tot terugbetaling van € 11.993,57 bestaat aldus geen grond.

4.27.

Voor zover het betoog van [eiseres] zo moet worden begrepen dat zij de terugbetaling van € 11.993,57 vordert bij wijze van schadevergoeding, overweegt de rechtbank het volgende. De procedure in eerste aanleg betrof een gecombineerde procedure in die zin dat de procedure zag op de echtscheiding, alimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Indien een toevoeging zou zijn aangevraagd en verstrekt, zou voor de gehele procedure één toevoeging moeten zijn aangevraagd en afgegeven. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen is voldoende komen vast te staan dat [eiseres] uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden uiteindelijk een vermogen van enige omvang zal ontvangen zodat bij de uiteindelijke resultaatsbeoordeling (achteraf) een eventueel toegekende toevoeging alsnog zou zijn ingetrokken en [eiseres] de advocaatdeclaraties, waaronder de declaraties die zij thans reeds heeft voldaan, alsnog verschuldigd zou zijn geworden Om die reden wordt geoordeeld dat voornoemd bedrag van € 11.993,57 geen schade vormt die in verband gebracht kan worden met de beroepsfout van mr. [B.] in het hoger beroep. Deze kosten komen ook op deze grond niet voor terugbetaling in aanmerking.

4.28.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op:

vastrecht € 78,00

salaris advocaat € 904,00 ( 2 punten à € 452,00)

Totaal € 982,00

[eiseres] procedeert op basis van een toevoeging. Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling van de explootkosten aan de griffier niet mogelijk.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan een tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht vanwege de in de dagvaarding en hiervoor in 4.4. omschreven beroepsfout;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van de geleden en nog te lijden schade van [eiseres] nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 982,00 ter zake van proceskosten;

5.4.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.P. Ruitinga, mr. E.C.M. van Mierlo en mr. C. Wiggers en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2018.1

1 type: 1155 coll: