Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:183

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-01-2018
Datum publicatie
16-01-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4058
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit van de minister van Volksgezondheid tot erkenning van Medisch Centrum als expertisecentrum voor zeldzame aandoeningen genomen zonder wettelijke grondslag. Toch een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat de minister zijn publiekrechtelijke grondslag in dit geval bij (hoge) uitzondering kan ontlenen aan zijn publiekrechtelijke taak als minister van Volksgezondheid.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2018/87 met annotatie van B. Assink
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/4058

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 januari 2018 in de zaak tussen

Stichting NET-groep, te Hoofddorp, eiseres

(gemachtigde: C. Kleinegris),

en

de Minister van Volksgezondheid, verweerder

(gemachtigden: mr. G. Bunte, C. van de Pas en P.S.B Boom).

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het Maastricht UMC (MUMC) voor een periode van vijf jaar als expertisecentrum erkend voor de aandoeningen Bronchial NET en Merkelcell Carcinoma.

Het bezwaar van eiseres tegen dit besluit heeft verweerder bij besluit van 26 juli 2016 (het bestreden besluit) gegrond verklaard, in die zin dat de erkenning is gehandhaafd, maar dat de periode van erkenning is gewijzigd van vijf in één jaar.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Van verweerder is een verweerschrift ontvangen.

De rechtbank heeft het beroep op 5 oktober 2017 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam] . Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

Relatieve bevoegdheid

1. Eiseres is statutair gevestigd in Amsterdam. Gelet hierop is op grond van het bepaalde in artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtbank Amsterdam bevoegd om het beroep te behandelen. De rechtbank Noord-Holland heeft met toestemming van partijen en de rechtbank Amsterdam besloten om in dit geval aan het bepaalde in artikel 8:7 van de Awb voorbij te gaan en de behandeling van het beroep aan zich te houden, omdat doorzending van het beroep ter verdere behandeling door de rechtbank Amsterdam naar verwachting aanzienlijke vertraging met zich mee zal brengen. De rechtbank gaat er onder voornoemde omstandigheden met partijen van uit dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze uitspraak met toepassing van het bepaalde in artikel 8:117 van de Awb zal aanmerken als bevoegdelijk gedaan.

Ontvankelijkheid

2.1

De rechtbank is ambtshalve gehouden om de ontvankelijkheid van het beroep en het bezwaar te beoordelen.

2.2

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:1 van de Awb kan beroep, en daaraan voorafgaand bezwaar, worden ingesteld tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Onder besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.3

Met betrekking tot de vraag of verweerder zijn bevoegdheid tot het nemen van de primaire beslissing aan het publiekrecht ontleent, overweegt de rechtbank als volgt.

2.4

De rechtbank is van oordeel, en overigens is ook niet in geschil, dat er geen nationale regelgeving is die als publiekrechtelijke grondslag kan dienen voor besluiten over erkenning van medische centra als expertisecentra.

2.5

De rechtbank is voorts van oordeel dat de Richtlijn 2011/24 EU, het Gedelegeerd besluit (2014/286/EU), noch het Uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie van 10 maart 2014 (2014/287/EU) de nationale instanties opdragen om verweerder aan te wijzen als het bestuursorgaan dat expertisecentra erkent. Verweerder kan hieraan dus geen publiekrechtelijke bevoegdheid ontlenen om hierover besluiten te nemen. Daarbij komt dat de rechtbank in het door verweerder ter zitting aangehaalde arrest van Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 oktober 1987 C80/86 (Kolpinghuis), noch in andere jurisprudentie van het Europese Hof aanknopingspunten heeft kunnen vinden voor verweerders stelling dat een nationale overheid, die - zoals in dit geval aan de orde - heeft nagelaten om een Europese richtlijn tijdig om te zetten in nationale regelgeving, ondanks dat stilzitten toch aan die richtlijn een publiekrechtelijke bevoegdheid zou kunnen ontlenen. De stelling van verweerder dat uit jurisprudentie van het Europese Hof zou volgen dat verweerder zijn publiekrechtelijke bevoegdheid om expertisecentra te erkennen in dit geval kan ontlenen aan de hiervoor genoemde Europese Richtlijn, het Gedelegeerd besluit en het Uitvoeringsbesluit volgt de rechtbank daarom niet.

2.6

Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 29 september 1993 (ECLI:NL:RVS:1993:AN4109) en 31 juli 2000 (ECLI:NL:RVS:2000:AA6770) is de rechtbank echter van oordeel dat verweerder zijn publiekrechtelijke bevoegdheidsgrondslag bij (hoge) uitzondering in dit geval heeft kunnen ontlenen aan zijn publiekrechtelijke taak als minister van Volksgezondheid, omdat verweerder met de besluitvorming over erkenning van expertisecentra invulling heeft gegeven aan de publiekrechtelijke taken waarmee hij is belast. De rechtbank verwijst naar de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten- Generaal van 14 november 2013 (Kamerstukken II 2013-14, 29 477, nr 262) en de brief van verweerder aan de voorzitter van de NFU van 21 januari 2014 waaruit blijkt dat verweerder, als minister van Volksgezondheid, in het kader van de uitvoering van de aanbeveling van de EU-Raad van de ministers van Volksgezondheid (2009/C151/02) het Nationaal Plan Zeldzame Ziekten (NPZZ) heeft laten opstellen en dat verweerder het Nederlandse Federatie van Universitaire Centra (NFU) heeft aangewezen als instantie om aan het NPZZ uitvoering te geven voor wat betreft de regie, coördinatie van de opzet, uitvoering en onderhoud van de nationale expertisecentra. Daarbij blijkt uit de brief van de voorzitter van de NFU aan verweerder van 12 oktober 2015 dat het NFU verweerder in het kader van die opdracht heeft geadviseerd over de erkenning van de expertisecentra. Het positieve advies van de NFU inzake het MUMC heeft verweerder aan de nu voorliggende besluitvorming ten grondslag gelegd.

2.7

Nu het primaire besluit is genomen in het kader van de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid is de rechtbank van oordeel dat het primaire besluit een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen op grond van artikel 8:1 van de Awb beroep, en daaraan voorafgaand bezwaar, openstond. Verweerder heeft daarom terecht besloten dat daartegen bezwaar openstond.

Procesbelang

3.1

De rechtbank stelt vast dat het primaire besluit zag op erkenning van het MUMC als expertisecentrum voor de aandoeningen Bronchial NET en Merkelcell Carcinoma voor een periode van 5 jaar. Verweerder heeft deze periode naar aanleiding van het bezwaar van eiseres teruggebracht tot één jaar. Dat jaar liep tot 17 november 2016. De erkenning op basis van de nu ter beoordeling voorliggende besluitvorming is dus inmiddels uitgewerkt.

3.2

De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder op 31 maart 2017 bij een nieuw besluit heeft besloten tot erkenning voor de duur van vijf jaar van het MUMC als expertisecentrum voor de aandoeningen Bronchial NET en Merkelcell Carcinoma, lopend vanaf 31 maart 2017 tot 31 maart 2022. Desgevraagd heeft eiseres ter zitting verklaard hiertegen (nog) geen rechtsmiddel te hebben aangewend. Vast staat daarom dat eiseres niet binnen 6 weken na bekendmaking van verweerders besluit van 31 maart 2017, en dus niet tijdig, tegen dat besluit bezwaar heeft gemaakt. De stelling van verzoekster dat het niet (tijdig) bezwaar maken tegen verweerders besluit van 31 maart 2017 verschoonbaar is, omdat genoemd besluit ten onrechte niet aan haar is toegezonden, volgt de rechtbank niet. Uit de ter zitting getoonde en overgelegde mail van 26 september 2016 van de directeur van de Vereniging Samenwerkende Ouder- en Patiëntenorganisaties (VSOP) voor zeldzame en genetische aandoeningen, aan de gemachtigde van eiseres, in combinatie met de mail van de gemachtigde van eiseres aan deze directeur van 9 oktober 2016, blijkt onmiskenbaar dat eiseres afzag betrokken te worden bij dat nieuwe besluit over de toetsing van de erkenning van expertisecentra. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hieruit kunnen afleiden dat eiseres zichzelf niet langer zag als belanghebbende bij de besluitvorming over dat nieuwe besluit en daarom ook geen prijs stelde op de mededeling daarover overeenkomstig artikel 3:43 van de Awb. Daarbij komt dat door verweerder onweersproken is gesteld dat eiseres, die wist dat er besluitvorming in voorbereiding was, via de website van het NFU tijdig kennis had kunnen nemen van het besluit over de erkenning van het MUMC als expertisecentrum. Voor zover eiseres daarvan niet tijdig kennis heeft genomen, en daardoor niet tijdig bezwaar heeft gemaakt, komt dit voor haar rekening en risico. Daarmee is de erkenning vanaf 31 maart 2017 voor een periode van 5 jaar onherroepelijk geworden.

3.3

Nu het bestreden besluit inmiddels is uitgewerkt en het besluit van 31 maart 2017 onherroepelijk is, is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit. Eiseres kan met haar beroep immers niet meer bereiken dat de nu geldende erkenning van het MUMC als expertisecentrum voor de aandoeningen Bronchial NET en Merkelcell Carcinoma ongedaan zal worden gemaakt. De vraag of nog procesbelang gelegen is in de bespreking van de beroepsgronden vanwege mogelijke herhaalde besluitvorming in de toekomst, beantwoordt de rechtbank ontkennend. Of in 2022 door MUMC een aanvraag zal worden gedaan voor verlenging van de erkenning, en, of de bespreking van de gronden van beroep die eiseres nu heeft opgeworpen daarbij dan nog een rol van betekenis zou kunnen spelen, is zodanig onzeker, dat hierop niet behoeft te worden vooruitgelopen. De rechtbank zal het beroep daarom vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie

4. Het beroep is niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman , voorzitter, mr. M.P. de Valk en mr. drs. B. Veenman, leden, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.