Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:1741

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3793
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft eerst in de bezwaarfase de gegevens heeft overgelegd op basis waarvan het inkomen uit Duitsland kon worden vastgesteld en op basis waarvan een aftrek elders belast kon worden verleend alsmede de vrijstelling van de premieplicht. Niet is gebleken dat verweerder ten tijde van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2012 op de hoogte was of redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de Rijnvarendenverklaring, de E 106-verklaring dan wel de Duitse loongegevens. Eiser heeft recht op kostenvergoeding voor bezwaar.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/568
V-N 2018/29.18.3
Viditax (FutD), 14-03-2018
FutD 2018-0756
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 16/3793

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 maart 2018 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. J.H. Weermeijer),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 met dagtekening 16 december 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.775. De verschuldigde premie volksverzekeringen wordt berekend over het gehele kalenderjaar.

Verweerder heeft op 27 januari 2016 een bezwaarschrift ontvangen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 augustus 2016 de aanslag verminderd tot

een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.030, een premievrijstelling verleend voor de periode 1 september 2012 tot en met 31 december 2012 en het verzoek om kostenvergoeding afgewezen.

Eiser heeft tegen de afwijzing van het verzoek om kostenvergoeding beroep ingesteld, door de rechtbank ontvangen op 2 augustus 2016.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft op 7 november 2016, 26 april 2017, 18 december 2017 en 26 januari 2018 nadere stukken van eiser ontvangen en in kopie doorgezonden naar verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2018 te Haarlem.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G. Lodder, J.A. Harmsen en A. Tekinbas.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en is ongehuwd.

Hij woont in Nederland en heeft de Nederlandse nationaliteit.

2. Van 1 januari 2009 tot en met 5 mei 2012 was eiser in Nederland werkzaam voor een Nederlandse werkgever, te weten [A BEDRIJF] .

Van 1 september 2012 tot en met 31 december 2012 was eiser werkzaam bij [B BEDRIJF] GmbH, een Duitse werkgever, gevestigd te [ADRES] . Voor deze werkgever is eiser werkzaam in het internationale beroepsgoederenvervoer over de Europese binnenwateren.

3. Eiser is niet uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2012. Evenmin heeft hij om een aangiftebiljet verzocht.

4. [B BEDRIJF] GmbH heeft de inkomensgegevens van eiser niet gerenseigneerd aan de Nederlandse Belastingdienst.

5. Verweerder beschikte ten tijde van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2012

niet over de Duitse loongegevens, de Rijnvarendenverklaring of de E-106-

verklaring.

6. Eiser vermeldt in zijn aangifte IB/PVV 2013 alleen buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking. Eiser geeft aan dat deze inkomsten afkomstig zijn van [C BEDRIJF] en [D BEDRIJF] .

7. Op basis van de aangifte IB/PVV 2013 en naar aanleiding van correspondentie inzake de behandeling van het verzoek om herziening van de voorlopige aanslag IB/PVV 2013, vermoedt verweerder dat eiser in 2012 buitenlands inkomen heeft genoten. Daarom verzoekt hij eiser bij brief van 9 september 2015 om alsnog aangifte IB/PVV 2012 te doen.

8. Omdat eiser geen gehoor geeft aan dit verzoek en hij ten aanzien van 2013 niet alle informatie verstrekt, stuurt verweerder op 22 oktober 2015 een brief waarin hij verzoekt om meer informatie inzake het belastingjaar 2013. In deze brief wordt eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld om de aangifte IB/PVV 2012 in dienen. Tevens staat in deze brief vermeld dat een ambtshalve aanslag zal worden opgelegd indien geen aangifte IB/PVV 2012 wordt gedaan.

9. Wegens het uitblijven van een aangifte IB/PVV 2012, heeft verweerder met dagtekening 16 december 2015 tot behoud van rechten de aanslag IB/PVV 2012 ambtshalve vastgesteld. Verweerder heeft € 7.275 aan Nederlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking in aanmerking genomen, met een bedrag aan ingehouden loonheffing van

€ 1.357. Dit betreffen de inkomsten genoten gedurende de periode 1 januari 2012 tot en met 5 mei 2012. Voor de overige maanden van 2012 is verweerder ervan uitgegaan dat sprake is van buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking welke verweerder heeft geschat op € 10.500. De verschuldigde premie volksverzekeringen wordt berekend over het gehele jaar 2012.

10. Eiser heeft op 27 januari 2016 pro forma bezwaar gemaakt tegen de

opgelegde aanslag IB/PVV 2012 en heeft daarbij aangevoerd in 2012 werkzaam te zijn geweest in Duitsland.

11. Verweerder heeft eiser bij brief van 14 april 2016 verzocht om informatie.

12. Eiser heeft op 25 april 2016 alsnog een aangifte IB/PVV 2012 ingediend. In deze aangifte vermeldt hij, naast zijn Nederlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking, € 4.293 aan buitenlands (Duits) loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Hiermee bedraagt het verzamelinkomen volgens de aangifte € 11.568.

Eiser geeft aan in Nederland sociaal verzekerd te zijn gedurende de periode 1 januari 2012 tot en met 30 augustus 2012. Het loon uit Duitsland vermeldt eiser als correctie premie inkomen en correctie inkomen voor de berekening van de inkomensafhankelijke bijdrage

zorgverzekeringswet. Eiser heeft in de aangifte niet verzocht om een aftrek elders belast inkomen. Tevens verzoekt eiser om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken.

13. Verweerder heeft bij brief van 4 juli 2016 verzocht om nadere informatie.

14. Eiser heeft vervolgens op 11 juli 2016 per e-mail diverse stukken, daaronder begrepen een zogenaamde E106-verklaring, zijn Duitse loonstroken 2012, een Duitse jaaropgaaf 2012 en een verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart (hierna: Rijnvarendenverklaring) aan verweerder toegezonden.

15. Verweerder is op basis van de verstrekte informatie gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoet gekomen. Het Duitse loon wordt omgerekend naar Nederlandse maatstaven, zodat € 3.755 aan buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking in aanmerking wordt genomen. De hoogte van de Nederlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking staat niet ter discussie. Het verzamelinkomen wordt hierdoor vastgesteld op € 11.030. Voorts wordt een aftrek elders belast verleend voor het volledige Duitse inkomen en wordt premievrijstelling verleend voor de periode 1 september 2012 tot en met 31 december 2012, zijnde de periode waarin eiser werkzaam was voor de Duitse werkgever. De gevraagde kostenvergoeding wordt niet toegekend.

Geschil
16. In geschil is of eiser recht heeft op kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

17. Eiser stelt dat hij voordat de aanslag is opgelegd alle informatie aan verweerder heeft verstrekt. Er is derhalve sprake van een onrechtmatigheid aan de zijde van verweerder, welke fout ook door verweerder zelf is erkend. Eiser verzoekt daarom om een integrale kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Tot slot heeft eiser een verzoek om immateriëleschadevergoeding gedaan.

18. Verweerder neemt het standpunt in dat eiser geen recht heeft op kostenvergoeding bezwaar. Verweerder heeft immers op basis van een redelijke schatting de aanslag ambtshalve opgelegd en eiser heeft pas in de bezwaarfase de relevante documenten overgelegd.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

19. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid beroep

20. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 9 augustus 2016. Nu niet is gesteld of gebleken dat deze datum is gelegen vóór de datum van de bekendmaking van die uitspraak, ving, gelet op het bepaalde in artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de termijn voor het instellen van beroep tegen die uitspaak aan met ingang van 10 augustus 2016. Het op 2 augustus 2016 bij de rechtbank Noord-Holland binnengekomen beroepschrift is derhalve voor het begin van de beroepstermijn ingediend.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft niet-ontvankelijkheid achterwege ten aanzien van een prematuur ingediend beroepschrift als het besluit waartegen dit was gericht reeds tot stand was gekomen dan wel de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit het geval was. Gelet op de geloofwaardige verklaring van verweerder ter zitting dat het besluit ten tijde van de dagtekening van de motivering van de uitspraak, 29 juli 2016, - en daarmee ten tijde van de indiening van het beroepschrift - reeds tot stand was gekomen, acht de rechtbank eiser ontvankelijk in zijn beroep.

21. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de eiser voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Van een dergelijke onrechtmatigheid is sprake indien verweerder niet met normale zorgvuldigheid kennis neemt van de aangifte en de daarin voorkomende gegevens niet vergelijkt met informatie die hij tot zijn beschikking heeft en hij als gevolg daarvan een onjuiste aanslag oplegt. Het criterium van normale zorgvuldigheid geldt ook als de aangifte onjuist is als gevolg van de handelwijze van de belastingplichtige (vgl. Hoge Raad 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7705).

22. Vaststaat dat eiser - ondanks herhaald verzoek hiertoe - geen aangifte over het jaar 2012 had ingediend op het moment dat verweerder de aanslag IB/PVV over 2012 ambtshalve vaststelde. Verweerder is bij het vaststellen van deze aanslag daarom uitgegaan van de hem bekende inkomensgegevens van de Nederlandse werkgever en heeft het bedrag aan looninkomsten uit het buitenland geschat. Dat deze schatting achteraf te hoog is gebleken maakt niet dat de schatting onredelijk is geweest en leidt derhalve ook niet tot een onrechtmatig handelen bij het vaststellen van de aanslag.

Evenmin kan verweerder worden verweten dat hij de aftrek elders belast bij de aanslagoplegging niet heeft verleend. Verweerder wist immers niet in welk land en voor welke werkgever eiser in 2012 werkzaam was geweest. Hij was derhalve ook niet in staat te bepalen aan welk land het heffingsrecht toekomt.

Ten aanzien van de sociale verzekeringsplicht geldt dat een ingezetene van Nederland in beginsel premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen. Het EU-recht kent diverse aanwijsregels en biedt Lidstaten ook mogelijkheden hiervan af te wijken. Voor Rijnvarenden geldt de Rijnvarendenovereenkomst waarin aanwijsregels zijn opgenomen. Gelet op het vorenstaande is het niet onredelijk van verweerder om bij gebrek aan nadere informatie uit te gaan van verzekeringsplicht in Nederland.

Verweerder heeft verklaard dat eiser eerst in de bezwaarfase de gegevens heeft overgelegd op basis waarvan het inkomen uit Duitsland kon worden vastgesteld en op basis waarvan een aftrek elders belast kon worden verleend alsmede de vrijstelling van de premieplicht. Niet is gebleken dat verweerder ten tijde van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2012 op de hoogte was of redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de Rijnvarendenverklaring, de

E 106-verklaring dan wel de Duitse loongegevens. Daarom kan niet worden gezegd dat verweerder bij het opleggen van de aanslag over 2012 niet de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Ook anderszins acht de rechtbank het niet aannemelijk dat het verweerder overigens duidelijk had moeten zijn geweest dat hij een te hoge aanslag zou vaststellen. Het argument van eiser dat verweerder had moeten weten dat een bedrijf die iemand te werk stelt per definitie belastingen inhoudt treft evenmin doel, reeds omdat inhoudingsplicht niets zegt over de heffingsbevoegdheid op basis van verdragstoepassing. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook de normale zorgvuldigheid betracht bij het vaststellen van de aanslag. Van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid is derhalve geen sprake. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Immateriëleschadevergoeding

23.1.

Eiser heeft de rechtbank verzocht om een schadevergoeding in verband met een overschrijding van de redelijke termijn.

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het (gemotiveerde) bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.

23.2.

Op grond van de arresten van de Hoge Raad van 22 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX6666) en 9 augustus 2013, nr. 12/06009 (ECLI:NL:HR:2013:199) is een termijn van zes maanden voor de behandeling van een bezwaar redelijk en voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar.

23.3.

Verweerder heeft op 27 januari 2016 het bezwaarschrift ontvangen. De uitspraak op bezwaar is gedaan op 9 augustus 2016. De rechtbank heeft op 2 augustus 2016 het beroepschrift ontvangen. Op 27 februari 2018 wordt uitspraak gedaan door de rechtbank.

Er is dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met in totaal een maand. Deze overschrijding dient geheel aan de Staat te worden toegerekend.

Uitgaande van een vergoeding van € 500 per half jaar termijnoverschrijding en met afronding naar boven heeft eiser recht op een bedrag aan immateriëleschadevergoeding van € 500.

24. Gelet op het onder 23 overwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

25. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 0,5 (aangezien het beroep louter gegrond is wegens het honoreren van het verzoek om immateriëleschadevergoeding).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover dit het verzoek om immateriëleschadevergoeding betreft en verklaart het voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming tot vergoeding van immateriële schade van € 500;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 501; en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, voorzitter, mr. B. van Walderveen en

mr. M.W. Koenis, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.