Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:1735

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
C/15/270498 / KG ZA 18-115
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Stil pandrecht en beslag. Zolang stil pandhouder geen mededeling van haar pandrecht heeft gedaan aan de panddebiteur heeft beslaglegger belang bij het beslag op de stil verpande vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/270498 / KG ZA 18-115

Vonnis in kort geding van 7 maart 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN DER HEIDEN CHEESE SERVICES B.V.,

gevestigd te Veenendaal,

eiseres,

advocaat mr. M.P.C. van Essen te Alphen aan den Rijn,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DOESCHOT B.V.,

gevestigd te Alkmaar,

gedaagde,

advocaat mr. P.F. Keuchenius te Hoorn.

Partijen zullen hierna Van der Heiden en Doeschot genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de brief van de advocaat van Van der Heiden d.d. 23 februari 2018, waarbij hij vier producties heeft overgelegd;

  • -

    het faxbericht van de advocaat van Van der Heiden d.d. 26 februari 2018, waarbij hij één productie in het geding heeft gebracht

  • -

    de brief van de advocaat van Doeschot d.d. 26 februari 2018 waarbij hij de dagvaarding in de bodemzaak (met producties) in het geding heeft gebracht

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van Van der Heiden

  • -

    de pleitnota van Doeschot.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij overeenkomst van 24 december 2015 heeft Van der Heiden aan Doeschot opdracht verstrekt tot het leveren en monteren van vier kaasbehandelingslijnen voor een totale prijs van € 2.000.000,00. De betaling van de prijs zou in gedeelten plaatsvinden. Na meerwerk heeft Doeschot Van der Heiden uiteindelijk een bedrag van € 2.094.036,57, exclusief btw, in rekening gebracht. Van der Heiden heeft € 1.863.000,00 voldaan. Het restant van € 231.036,57 heeft Van der Heiden tot op heden onbetaald gelaten.

2.2.

Van der Heiden heeft op 1 november 2016 een financiële lease-overeenkomst gesloten met De Lage Landen Financial Services B.V. uit hoofde waarvan aan haar een bedrag in hoofdsom van € 2.035.000,00 ter beschikking is gesteld. In de overeenkomst is onder meer het navolgende gestipuleerd:

“Cliënt mag de geldlening uitsluitend aanwenden voor de aanschaf en verkrijging van de volledige en onbezwaarde eigendom van het Object.

Omschrijving Object:

* Een Compactlijn, merk: Doeschot, type 300 planken, serienummer COMPACT 2016-300-1, bouwjaar 2016

* Een Compactlijn, merk: Doeschot, type 600 planken, serienummer COMPACT 2016-600-2, bouwjaar 2016

* Een Compactlijn, merk: Doeschot, type 600 planken, serienummer COMPACT 2016-600-3, bouwjaar 2016

* Een Omniboxlijn, merk: Doeschot, type OMBOXLINE, serienummer COMPACT 2016-OBL, bouwjaar 2016.

Alle objecten geheel geleverd conform orderbevestiging met ordernummer 150904 van Doeschot B.V., welke orderbevestiging een onvertrekelijk deel vormt met deze leaseovereenkomst.”

2.3.

Doeschot heeft – na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank – conservatoir beslag gelegd ten laste van Van der Heiden. Het beslag is op 15 januari 2018 gelegd onder de Rabobank en onder de coöperatieve Zuivelonderneming Cono B.A. (hierna te noemen “Cono”). De vordering waarvoor het beslag is toegestaan is begroot op € 363.000,00.

2.4.

Alle vorderingen die Van der Heiden op Cono heeft (en in de toekomst zal verkrijgen) zijn bij akte van 22 december 2016, geregistreerd op 11 januari 2016, en bij vervolgpandakten van 2 januari 2018, 12 januari 2018 en 29 januari 2018, verpand aan Rabobank. Rabobank heeft een vordering van circa € 10 miljoen op Van der Heiden.

2.5.

Bij e-mail van 8 februari 2018 heeft Rabobank aan de advocaat van Van der Heiden medegedeeld dat de beslagen naar haar mening geen doel treffen. Deze e-mail vermeldt daarnaast, voor zover thans van belang:

“Beslag onder Rabobank

Rabobank heeft een substantiële vordering op VDHCS (Van der Heiden, toevoeging voorzieningenrechter) ad circa EUR 10 mln, waarvan EUR 2 mln. (financial) leaseverplichtingen aan De Lage Landen (thans Rabo Lease). De vordering bestaat uit geldleningen, kredieten en lease. De vordering van Rabobank is dus hoger dan de vordering waar Doeschot beslag op heeft gelegd.

Beslag vordering van VDHCS op CONO Kaasmakers

Deze vordering is aan Rabobank verpand. De geregistreerde pandakte en de vervolgpandakten zijn reeds eerder aan u verstrekt. Rabobank kan het pandrecht met een beroep op de geldende algemene (bank)voorwaarden naar zich toehalen (zie bijlagen). Op o.a. de volgende artikelen wordt een beroep gedaan:

- de artikelen 2 E en 3 D van de algemene voorwaarden voor verpanding 2008;

- artikelen 21 van de algemene voorwaarden bedrijfsfinancieringen van de Rabobank 2010;

- artikelen 24 t/m 27 van de Algemene Bankvoorwaarden.

Gelet op het voorgaande dienen de gelegde beslagen te worden opgeheven. Indien Doeschot daartoe niet bereid is, behoudt Rabobank zich het recht voor om alle maatregelen te nemen die zij noodzakelijk acht en zal zij het pandrecht aan CONO Kaasmakers openbaar maken.”

2.6.

Bij e-mail van 22 februari 2018 heeft Rabobank Van der Heiden bevestigd dat er bij Rabo Lease nog een bedrag van € 220.845,00 in depot staat ten behoeve van de aankoop van de kaaslijnen van Doeschot.

2.7.

Doeschot heeft Van der Heiden op 29 januari 2018 gedagvaard in de bodemprocedure, waarin zij onder meer vordert dat Van der Heiden wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 279.554,24.

3 Het geschil

3.1.

Van der Heiden vordert samengevat - de opheffing van het op 15 januari 2018 door Doeschot ten laste van haar gelegde conservatoire beslag onder Cono.

3.2.

Doeschot voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

Het spoedeisend belang van Van der Heiden bij de door haar gevraagde voorziening vloeit uit de aard van de vordering voort.

Schending artikel 21 Rv

4.2.

Van der Heiden heeft in de eerste plaats aangevoerd dat Doeschot door het depot van Van der Heiden bij Rabo Lease niet in haar beslagrekest te vermelden, alsmede niet te vermelden dat Van der Heiden telkens bij Doeschot heeft geklaagd omtrent gebreken aan de door Doeschot geleverde installatie, de voorzieningenrechter die het beslagverlof heeft gegeven onvolledig en onjuist heeft ingelicht. Deze handelwijze dient volgens Van der Heiden tot een passende sanctie ex artikel 21 Rv te leiden.

4.3.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de verplichting van artikel 21 Rv stipt dient te worden nageleefd, zeker ingeval van een verzoek tot het leggen van conservatoire beslagen, waarbij op het verzoek veelal pleegt te worden beslist zonder de wederpartij te horen, zoals ook in dit geval niet is gebeurd, terwijl het leggen van het beslag doorgaans tot (zeer) ingrijpende consequenties voor de beslagene zal leiden. De voorzieningenrechter kan ingeval van schending van artikel 21 Rv de gevolgtrekking maken die hij geraden acht, waaronder ook begrepen het opheffen van de gelegde beslagen (zie bijvoorbeeld Rechtbank Rotterdam, 27 juli 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:6132). Uitgangspunt is daarbij wel dat voldoende gebleken dient te zijn dat er een evidente schending van artikel 21 Rv heeft plaatsgevonden.

4.4.

Ten aanzien van het door Doeschot niet in het beslagrekest vermelden van het depot van Van der |Heiden bij Rabo Lease overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Uit de bewoordingen van de financiële lease-overeenkomst, zoals als productie 20 in het geding gebracht, blijkt dat de uitbetaling van de gelden in depot weliswaar zal geschieden uitsluitend ten behoeve van Doeschot, maar dat Doeschot echter geen enkele invloed kan uitoefenen op het al dan niet uitbetalen van de gelden. Van der Heiden en Rabo lease zijn de enigen die kunnen bepalen of de gelden al dan niet zullen worden uitgekeerd. Doeschot is bij deze overeenkomst ook in het geheel geen partij. De overeenkomst geldt slechts tussen Van der Heiden en (thans) Rabo Lease. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat het depot voldoende zekerheid biedt voor de betaling van de (pretense) vordering van Doeschot op Van der Heiden en had van Doeschot het bestaan van het depot redelijkerwijze niet hoeven te melden in haar beslagrekest. Een schending van artikel 21 Rv levert het niet vermelden van het depot derhalve niet op.

4.5.

Ook het verwijt van Van der Heiden dat Doeschot ten onrechte verzuimd heeft in haar beslagrekest melding te maken van de omstandigheid dat Van der Heiden herhaaldelijk heeft geklaagd omtrent de prestaties van de door Doeschot aan haar geleverde installatie leidt niet tot schending van artikel 21 Rv. Doeschot heeft wel melding gemaakt van de klacht van Van der Heiden in de mail van 7 september 2017. Dat er meer of andere klachten door Van der Heiden aan Doeschot zijn kenbaar gemaakt is niet voldoende gebleken. Weliswaar heeft Van der Heiden als productie 23 een overzicht van de door haar geuite klachten in het geding gebracht, maar Doeschot heeft de juistheid van dit overzicht betwist. De onderliggende correspondentie met klachten is door Van der Heiden niet overgelegd. Het beperkte toetsingskader van een kort gedingprocedure leent zich er niet voor om een onderzoek naar de juistheid van het standpunt van Van der Heiden te verrichten. Nu Van der Heiden niet aannemelijk heeft gemaakt dat er meer of andere klachten zijn geuit dan die welke in het beslagrekest zijn vermeld, is onvoldoende gebleken dat Doeschot de voorzieningenrechter in haar beslagrekest evident onjuist of onvolledig heeft ingelicht.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog dat ook als nu vast zou staan dat Van der Heiden meer of andere klachten aan Doeschot kenbaar zou hebben gemaakt dan door Doeschot in het beslagrekest is vermeld, dit enkele verzuim van Doeschot niet zou leiden tot opheffing van het beslag. Uit het beslagrekest blijkt immers voldoende dat partijen van mening verschillen over de deugdelijkheid van de door Doeschot geleverde installatie en dat dit voor Van der Heiden aanleiding is om haar betaling op te schorten.

Gronden voor opheffing beslag

4.6.

Van der Heiden heeft vervolgens aangevoerd dat Doeschot door het leggen van conservatoir beslag onrechtmatig handelt, althans misbruik maakt van haar bevoegdheid, nu alle vorderingen die Van der Heiden op Cono heeft (en zal verkrijgen) aan Rabobank zijn verpand. Een crediteur die beslag legt op een vordering van zijn debiteur dient, gelet op vaste rechtspraak, een pandrecht dat ten tijde van de beslaglegging op die vordering rust te eerbiedigen, óók als van dat pandrecht nog geen mededeling is gedaan en er dus sprake is van een stil pandrecht, aldus Van der Heiden.

4.7.

Bij de beoordeling geldt als uitgangspunt dat de vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, in beginsel dient te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen.

4.8.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het betoog van Van der Heiden geen doel treft. De stil pandhouder kan zijn rechten immers pas te gelden maken nadat het pandrecht door de pandhouder aan de panddebiteur is medegedeeld. Het door Van der Heiden bedoelde eerbiedigen van het stil pandrecht door de beslaglegger is daarom pas van belang op het moment dat de pandhouder bedoelde mededeling heeft gedaan. Tot die tijd is immers de pandgever zelf inningsbevoegd en kan (ook) een beslaglegger zich op de stil verpande vordering verhalen (vgl. HR 23 april 1999, NJ 2000, 30 (inzake NBC/Sisal) en HR 12 juli 2002, JOR 2002, 180 (inzake Rabobank/Knol q.q.).

4.9.

Vast staat dat de pandhouder (Rabobank) haar pandrecht tot op heden niet openbaar heeft gemaakt. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat Doeschot misbruik van recht maakt of anderszins onrechtmatig handelt en moet zij geacht worden op dit moment nog immer een rechtens te respecteren belang bij haar beslag te hebben. Doeschot heeft op dit moment immers nog de mogelijkheid tot uitwinning van het door haar gelegde beslag, uiteraard na een verkregen toewijzend vonnis, zonder dat Rabobank voorrang heeft bij de verdeling na uitwinning. De enkele mededeling van Rabobank van 8 februari 2018 dat zij tot openbaarmaking van haar pandrecht over zal gaan, indien Doeschot haar beslag niet opheft, is op zichzelf onvoldoende om tot een ander oordeel te komen, alleen al niet omdat deze enkele aankondiging geen goederenrechtelijke werking heeft. Bovendien is niet gebleken van enig belang van Rabobank om tot openbaarmaking van haar pandrecht daadwerkelijk over te gaan. Dat belang zou kunnen zijn gelegen in de omstandigheid dat Rabobank een opeisbare vordering op Van der Heiden zou hebben, maar gesteld noch gebleken is dat dit thans het geval is.

4.10.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt tevens dat de stelling van Van der Heiden, dat Doeschot geen belang heeft bij haar beslag omdat de vordering van Rabobank op Van der Heiden de (pretense) vordering van Doeschot op haar ruimschoots overtreft, geen doel treft. Niet is gebleken dat de vordering van Rabobank op Van der Heiden liquide is en dus niet is gebleken dat Rabobank haar pandrecht mag uitwinnen. Daarmee strandt mutatis mutandis tevens de stelling van Van der Heiden dat Doeschot misbruik van bevoegdheid maakt door te weigeren een onnodig beslag op te heffen.

4.11.

De stelling van Van der Heiden dat het beslag onnodig is vanwege het feit dat Van der Heiden beschikt over gelden in depot waarmee de (pretense) vordering van Doeschot kan worden voldaan gaat ten slotte evenmin op. Zoals hiervoor onder 4.4 werd overwogen kan Doeschot geen enkele invloed uitoefenen op de daadwerkelijke uitbetaling van deze gelden. De uitbetaling is afhankelijk van (uitsluitend) de wil van Van der Heiden en de medewerking van Rabo Lease, nu Doeschot bij de financiële lease-overeenkomst geen partij is. Het depot vormt dan ook voor Doeschot geen redelijke zekerheid voor de voldoening van haar (pretense) vordering.

Slotsom

4.13.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vordering van Van der Heiden zal worden afgewezen.

Proceskosten

4.14.

Van der Heiden zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Doeschot worden begroot op:

- griffierecht € 626,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.442,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Van der Heiden in de proceskosten, aan de zijde van Doeschot tot op heden begroot op € 1.442,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.Ph.C. de Jong op 7 maart 2018.1

1 Conc.: 1449