Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:1676

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
19-03-2018
Zaaknummer
C/15/259723 / FA RK 17-3152
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stiefouderadoptie. Verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Eerst nà de mondelinge behandeling bericht van verzoeker ontvangen dat het verzoek wordt ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaak-/rekestnr.: C/15/259723 / FA RK 17-3152

beschikking van 28 februari 2018 betreffende adoptie

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: verzoeker,

advocaat: mr. M.A.M. Ansink, kantoorhoudende te Haarlem,

strekkende tot:

- het uitspreken van de adoptie van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] (verder: [minderjarige] ), door verzoeker;

- wijziging van de geslachtsnaam van [geslachtsnaam] in [geslachtsnaam] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de moeder] , aanvankelijk wonende te [plaats] ,

thans wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C.J. van Beers, kantoorhoudende te Alkmaar.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van verzoeker, ingekomen op 31 mei 2017;

- de brief van [zus] , ingekomen op 1 november 2017;

- de brief van de advocaat van verzoeker, ingekomen op 30 januari 2018;

- de brief van de griffier van 31 januari 2018;

- de brief van de moeder, ingekomen op 1 februari 2018;

- de brief van de advocaat van de moeder, ingekomen op 1 februari 2018;

- de brief van de advocaat van verzoeker, ingekomen op 5 februari 2018.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 februari 2018 in aanwezigheid van [zus] , zus van na te noemen overleden vader van [minderjarige] . Verzoeker, mr. M.A.M. Ansink, de moeder, de zus van [minderjarige] , [zus] , alsmede de zus van na te noemen overleden vader van [minderjarige] , [zus] , zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. [zus] heeft voormelde op 1 november 2017 ingekomen brief aan de rechtbank geschreven.

1.3

[minderjarige] heeft haar mening kenbaar gemaakt in een gesprek met de kinderrechter.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

[minderjarige] is geboren uit het op [huwelijksdatum] in de gemeente [plaats] voltrokken huwelijk van de moeder en [de vader] (verder: de vader).

2.2

Het huwelijk van de moeder en de vader is ontbonden op [datum] door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Haarlem van 19 februari 2008.

2.3

De vader is overleden op [datum] in [plaats] .

2.4

Verzoeker en de moeder zijn op [datum] in [plaats] een geregistreerd partnerschap aangegaan.

2.5

Verzoeker zorgt sinds 31 december 2007 samen met de moeder voor [minderjarige] .

3 Beoordeling

3.1

De rechtbank overweegt als volgt.

3.2

[minderjarige] heeft in haar gesprek met de kinderrechter op 29 januari 2018 verklaard dat zij graag door verzoeker geadopteerd wil worden. Hij is als een vader voor haar. Ook heeft zij verklaard dat verzoeker en de moeder in scheiding liggen en dat zij rond oktober/november 2017 uit elkaar zijn gegaan. [minderjarige] is bij verzoeker blijven wonen en dat wil ze ook zo houden. De moeder stemde aanvankelijk in met de adoptie, maar gelet op de huidige situatie, heeft zij haar toestemming daartoe ingetrokken. De moeder wil een jaar uitstel van de behandeling van het verzoek tot adoptie, alles aldus [minderjarige] .

3.3

Uit de op 30 januari 2018 ingekomen brief van de advocaat van verzoeker blijkt dat verzoeker en de moeder in scheiding liggen en dat de moeder de echtelijke woning heeft verlaten. In overleg is afgesproken dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij verzoeker heeft, hetgeen ook de wens is van [minderjarige] . De moeder heeft haar toestemming voor de adoptie ingetrokken, maar kan wel akkoord gaan met aanhouding van de zaak voor één jaar. De reden hiervoor is dat zij ervan overtuigd wil worden dat de keuze van [minderjarige] niet door de omstandigheden van het moment wordt bepaald. Namens alle betrokkenen wordt verzocht de behandeling van de zaak aan te houden tot 5 februari 2019.

3.4

De griffier heeft in de brief van 31 januari 2018 aan de advocaat van verzoeker en aan de moeder meegedeeld dat het verzoek tot aanhouding van de zaak niet wordt gehonoreerd, omdat de rechtbank een adoptieprocedure voor alle betrokkenen dermate verstrekkend vindt dat een spoedige beslissing nodig is. Aanhouding van de zaak wordt niet in het belang van de betrokkenen geacht.

3.5

De rechtbank heeft de zitting op 5 februari 2018 laten uitroepen, waarna uitsluitend [zus] , de zus van de vader van [minderjarige] , is verschenen. De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank de behandeling gesloten en aan de verschenen [zus] meegedeeld dat er op 28 februari 2018 een beschikking zal worden gegeven en dat [zus] een afschrift van die beschikking zal ontvangen.

3.6

Eerst nadat de zitting was geëindigd heeft de rechtbank kennis genomen van de op 5 februari 2018 ingekomen brief van de advocaat van verzoeker, waarin wordt aangegeven dat verzoeker het verzoekschrift intrekt.

3.7

Gelet op voormeld verloop van de zaak, ziet de rechtbank, met inachtneming van voormelde intrekking van het verzoekschrift, aanleiding te beslissen als na te melden.

4 Beslissing

4.1

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot adoptie van de minderjarige van het vrouwelijk geslacht:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

door verzoeker voornoemd.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2018.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.