Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:1672

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
6255468 \ CV EXPL 17-6131
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Q-Park, ‘treintje rijden’. Gedaagde betwist de overeenkomst met Q-park te zijn aangegaan. Zij stelt haar auto te hebben verkocht, maar was nog wel kentekenhouder. Gedaagde heeft haar betwisting onvoldoende gemotiveerd. De bedongen boete wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 6255468 \ CV EXPL 17-6131 BL

Uitspraakdatum: 7 februari 2018

Vonnis in de zaak van:

Q-Park Operations Netherlands II B.V.

gevestigd te Maastricht

eiseres

verder te noemen: Q-Park

gemachtigde: mr. C.F.M.P. Spreksel, advocaat te Maastricht

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

procederend in persoon

1 Het procesverloop

1.1.

Q-Park heeft bij dagvaarding van 15 augustus 2017 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Q-Park heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

Q-Park exploiteert en beheert een parkeergarage te Amsterdam, genaamd “Oostpoort-Amsterdam” (hierna: de parkeergarage).

2.2.

Bezoekers die hun auto in deze parkeergarage willen parkeren, rijden langs een bord waarop informatie wordt vermeld over onder meer de tarieven en over de toepasselijkheid van algemene voorwaarden.

2.3.

Voor het gebruik van de parkeergarage is een parkeervergoeding verschuldigd. Betaling hiervan vindt plaats op het moment dat de bezoeker de parkeergarage verlaat.

2.4.

Op 17 september 2016 om 01:06 uur is een auto met het kenteken [kenteken] (hierna: de auto) de parkeergarage uitgereden door vlak achter een voorganger aan te rijden, het zogenoemde ‘treintje rijden’. Het kenteken van de auto stond op dat moment op naam van [gedaagde] .

2.5.

Q-Park heeft in haar Algemene Voorwaarden Parkeren voorschriften opgenomen over de betaling van parkeergeld en over een boete in geval van ‘treintje rijden’.

2.6.

Artikel 6.3. van de Algemene Voorwaarden Parkeren luidt:

“Het zonder voorafgaande betaling van het verschuldigde parkeergeld met het voertuig verlaten van de parkeerfaciliteit, bijvoorbeeld door middel van het zogenoemde “treintje” rijden waarbij de parkeerder direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt, is onder geen beding toegestaan. De parkeerder is in dat geval het door Q-Park voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” verschuldigd (afhankelijk van de parkeerfaciliteit bedraagt dit éénmaal, tweemaal of driemaal het geldende dagtarief), vermeerderd met een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 300,- en zulks onverminderd de rechten van Q-Park tot het vorderen van overige daadwerkelijk geleden (gevolg-)schade.” Het hiervoor genoemde tarief “verloren kaart” laat onverlet het recht van Q-Park om de parkeerder de werkelijke parkeerkosten in rekening te brengen mochten die hoger zijn dan het tarief “verloren kaart.”

2.7.

Artikel 6.5 van de Algemene Voorwaarden Parkeren luidt:

“In geval van verlies of het ontbreken van het parkeerbewijs, is de parkeerder het door Q-Park voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” verschuldigd (afhankelijk van de parkeerfaciliteit bedraagt dit éénmaal, tweemaal of driemaal het geldende dagtarief). (…)”

3 De vordering

3.1.

Q-Park vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 386,40, te vermeerderen met wettelijke rente. Het gevorderde bedrag bestaat uit een het tarief verloren kaart van € 36,00, een schadevergoeding van € 300,00 en een bedrag van € 50,40 voor buitengerechtelijke kosten.

3.2.

Q-Park legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] door zich schuldig te maken aan ‘treintje rijden’ tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten (parkeer-)overeenkomst, althans onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Q-Park.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering (gedeeltelijk) en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] heeft de auto op 15 september 2016 ingeruild/verkocht, zodat deze op 17 september 2016 niet in bezit was van [gedaagde] . Zij was op het tijdstip van de gedraging dus niet de bestuurder van de auto. De auto stond – tegen gemaakte afspraken in – nog wel op naam van [gedaagde] . De identiteit van de bestuurder op het tijdstip van de gedraging is [gedaagde] onbekend. [gedaagde] heeft Q-Park gevraagd om kwijtschelding of vermindering van de boete.

5 De beoordeling

5.1.

Q-Park heeft ter griffie gedeponeerd een DVD met foto- en videobeelden. De kantonrechter heeft deze beelden bekeken. Daarop is duidelijk te zien dat de auto met kenteken [kenteken] direct achter zijn voorganger onder de slagboom door de parkeergarage heeft verlaten. De bestuurder van de auto is op deze beelden niet zichtbaar.

5.2.

Met het verweer dat [gedaagde] niet de bestuurder van de auto was ten tijde van de gedraging betwist zij in feite dat zij de door Q-Park gestelde overeenkomst is aangegaan. Vast staat dat [gedaagde] destijds kentekenhouder was. Q-Park stelt zich terecht op het standpunt dat [gedaagde] als kentekenhouder vermoed wordt de bestuurder te zijn geweest. Indien dit gemotiveerd wordt betwist is het aan Q-Park om haar stelling nader te onderbouwen en zo nodig te bewijzen.

5.3.

[gedaagde] stelt echter niet te weten wie de auto destijds bestuurd heeft en dit ook niet te kunnen achterhalen. [gedaagde] voert aan dat zij de auto op 15 september 2016 aan een derde heeft verkocht en dat de tenaamstelling van het kenteken kort na 17 september 2016 is gewijzigd. [gedaagde] heeft deze stelling echter op geen enkele wijze nader geconcretiseerd of onderbouwd. Zo heeft [gedaagde] geen nadere informatie verstrekt over de identiteit van de koper en heeft zij geen vrijwaringsbewijs overgelegd. Daarmee heeft [gedaagde] haar betwisting onvoldoende gemotiveerd, zodat de kantonrechter als vaststaand moet aannemen dat [gedaagde] de bestuurder was en de overeenkomst met Q-Park is aangegaan.

5.4.

[gedaagde] betwist niet dat de Algemene Voorwaarden Parkeren op de overeenkomst van toepassing zijn. Op grond daarvan is [gedaagde] aan Q-Park in geval van ‘treintje rijden’ een boete verschuldigd van minimaal € 300,00 en verder het tarief voor een verloren kaart. Q-Park stelt dat dit tarief in deze parkeergarage € 36,00 bedraagt. Ook dit betwist [gedaagde] niet.

5.5.

In deze zaak is verder van belang dat [gedaagde] consument is, zodat de kantonrechter op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie en de Hoge Raad (ook) ambtshalve moet beoordelen of een beding in algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is. Indien dan wordt vastgesteld dat het beding oneerlijk is in de zin van artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13/EEG (hierna: de Richtlijn) jo. punt e van de bij de Richtlijn behorende bijlage, mag de kantonrechter de boete niet matigen maar is hij verplicht dat beding voor de consument buiten beschouwing te laten (tenzij de consument zich daartegen verzet). Van een oneerlijk beding als hier bedoeld is sprake indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voorvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort, zoals bedingen die tot doel of gevolg hebben de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.

5.6.

Q-Park heeft gemotiveerd bepleit dat de bedingen waarop zij haar vordering baseert niet oneerlijk zijn in de zin van de Richtlijn. Volgens Q-Park beogen deze bedingen ‘treintje rijden’ te voorkomen en is het voor een voldoende preventieve werking vereist dat het verschuldigde bedrag hoog genoeg is, terwijl er geen ander middel is om dit gedrag tegen te gaan dat even effectief is als een boetebeding. Het ‘treintje rijden’ leidt tot gevaarlijke situaties in en buiten de parkeergarage en door dat gedrag lijdt Q-Park schade. Niet alleen loopt zij hierdoor inkomsten mis, maar ook heeft zij kosten moeten maken door investeringen in dure camerasystemen voor scherpe detectie van het ‘treintje rijden’. Zij heeft dus groot belang bij het tegengaan van deze vorm van parkeerfraude. Ter bestrijding van dit probleem heeft zij in haar Algemene Voorwaarden Parkeren een boetebepaling opgenomen om het ongeoorloofd gebruik van de parkeergarage tegen te gaan.

5.7.

De kantonrechter is van oordeel dat de door Q-Park bedongen boete niet oneerlijk is in de zin van de Richtlijn, gelet op de toelichting van Q-Park omtrent de preventieve werking daarvan, de gevaarzetting van ‘treintje rijden’ voor andere verkeersdeelnemers (en zaken) binnen en buiten de parkeergarage, de omstandigheid dat de parkeerder er bewust voor heeft gekozen de parkeergarage op deze ongebruikelijke en contractueel niet toegestane wijze te verlaten en de gemotiveerde onderbouwing van Q-Park van de hoogte van haar kosten en schade door dergelijk gedrag.

5.8.

De conclusie is dat het door Q-Park gevorderde bedrag van € 336,00 wordt toegewezen. De wettelijke rente daarover, waartegen [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd, is ook toewijsbaar zoals gevorderd.

5.9.

De door Q-Park gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten kan niet worden toegewezen. In de aanmaning van 4 november 2016 is aan [gedaagde] een betalingstermijn gegeven van 16 dagen na dagtekening van die brief. In de aanmaning van 28 april 2017 is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld te betalen binnen 14 dagen na ontvangst van deze brief. In beide brieven is aan [gedaagde] dus geen betalingstermijn gegeven van 14 dagen ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704. Daarbij komt dat niet is gesteld of gebleken op welke datum de aanmaningen door [gedaagde] op zijn laatst zijn ontvangen, dan wel op welke datum Q-Park deze aan [gedaagde] heeft verzonden.

5.10.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt. [gedaagde] wordt ook veroordeeld tot betaling van de door Q-Park gevorderde nakosten van maximaal € 30,00, voor zover daadwerkelijk nakosten door Q-Park worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Q-Park een bedrag van € 336,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 17 september 2016 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Q-Park tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 83,51

griffierecht € 117,00

salaris gemachtigde € 120,00

te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van betaling, en veroordeelt [gedaagde] tot betaling van maximaal € 30,00 aan nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door Q-Park worden gemaakt;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter