Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:1542

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 530
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Handhaving erfafscheiding - onduidelijke last.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 5:39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/530

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2018 in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. F.R. Duijn),

en

het college van burgemeester en wethouders van Texel, verweerder

(gemachtigde: de heer C.H. Witte).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 1] en [naam 2], te
[woonplaats] , gemachtigde: mr. M.H.C. Peters.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder [eiser] gelast om, binnen één maand na dagtekening van het besluit, de erfafscheiding buiten het bouwvlak (voor de voorgevelrooilijn) te verwijderen of terug te brengen tot een hoogte van maximaal 1 meter en voorts de geplaatste hooibalen te verwijderen, op straffe van een dwangsom van
€ 250,- per dag of gedeelte daarvan tot een maximum van € 15.000,-.

Bij besluit van 30 augustus 2016 heeft verweerder besloten over te gaan tot invordering van een door eisers verbeurde dwangsom van € 125,-.

Bij besluit van 22 november 2016 heeft verweerder besloten over te gaan tot invordering van een door eisers verbeurde dwangsom van € 1375,-.

Bij besluit van 7 december 2016 heeft verweerder besloten over te gaan tot invordering van een door eisers verbeurde dwangsom van € 1625,-.

Verweerder heeft het bezwaar van eisers tegen het besluit van 13 juni 2016 mede geacht te zijn gericht tegen het invorderingsbesluit van 30 augustus 2016. Bij besluit van 21 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde C.H. Witte en door J. Kooistra, beiden werkzaam bij de gemeente Texel.

Derde-partij is niet verschenen.

Overwegingen

1. Eisers zijn eigenaar van agrarische perceel [perceel] in [plaatsnaam] . Perceel [perceel] , waar de derde-partij woont, wordt aan drie zijden omsloten door perceel [perceel] . Eisers hebben op de erfgrens van hun perceel met perceel [perceel] zonder omgevingsvergunning een erfafscheiding geplaatst van 2 meter hoog. Derde-partij heeft verweerder verzocht handhavend op te treden.

2. Ingevolge artikel 5:39 van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) heeft het onderhavige beroep tevens betrekking op de inmiddels door verweerder afgegeven en door eisers bestreden invorderingsbesluiten van 22 november 2016 en 7 december 2017.

3. In beroep heeft het geschil zich beperkt tot de last voor zover deze betrekking heeft op de erfafscheiding. De last voor zover deze ziet op de hooibalen is dan ook niet meer in geschil.

Ter zitting heeft de discussie zich toegespitst tot de vraag op welk deel van de erfscheiding de last tot verwijdering, dan wel verlaging, ziet en of de last wel duidelijk genoeg is omschreven.

4.1

Bij het primaire besluit is gelast de erfafscheiding buiten het bouwvlak (voor de voorgevelrooilijn) te verwijderen of terug te brengen tot een hoogte van maximaal 1 meter. De rechtbank stelt vast dat in de juridische onderbouwing behorende bij het primaire besluit – op pagina 5 en 6 – het volgende wordt overwogen ter onderbouwing van de last:

“Voor de bepaling van de voorgevelrooilijn dient als criterium de plaatsing van het bouwvlak op de verbeelding van het bestemmingsplan. Artikel 1.41 van het bestemmingsplan geeft namelijk de volgende definitie van ‘bouwvlak’: “een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten”. Uit het opnamerapport van de toezichthouder blijkt dat de erfafscheiding voor een deel buiten het bouwvlak is gebouwd.

[…]

Overtredingen

Buiten het bouwvlak kan niet zonder omgevingsvergunning worden gebouwd (met uitzondering van een vergunningvrije erfafscheiding met een maximale hoogte van 1 meter). Daarnaast mag de erfafscheiding zonder omgevingsvergunning niet hoger gebouwd worden dan 2 meter, terwijl uit het genoemde opnamerapport blijkt dat de hoogte van de erfafscheiding ongeveer 2.1 meter bedraagt. […]

4.2

In het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de Commissie Bezwaarschriften (hierna: de commissie) de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. De commissie heeft in haar advies, onder meer, het volgende gesteld:

“Gelet op het voorgaande is de commissie van mening dat het college terecht in haar besluit van 13 juni 2016 heeft aangegeven dat het gedeelte van de erfafscheiding dat voor de voorgevelrooilijn van de schuren is gebouwd en binnen het bouwvlak valt moet worden verwijderd dan wel moet worden teruggebracht tot een maximale hoogte van 1 meter.

Verder is de commissie met het college eens dat het gedeelte van de erfafscheiding welke buiten het bouwblok is gebouwd, maar wel op het gedeelte van het perceel welke de functieaanduiding ‘erf’ heeft ook moet worden teruggebracht tot een maximale hoogte van 1 meter.

Tot slot is de commissie met het college eens dat het gedeelte van de erfafscheiding welke op het perceel met alleen de bestemming ‘agrarisch’ moet worden verwijderd dan wel moet worden teruggebracht tot een maximale hoogte van 1 meter.”

4.3

Bij het verweerschrift heeft verweerder een situatieschets gevoegd, waarin met diverse kleuren de precieze locatie van erfafscheiding is aangegeven en de mate waarin deze al dan niet in overeenstemming is met de geldende regels. Aangegeven is dat het gedeelte van de erfafscheiding dat geel is gearceerd vergunningvrij mocht worden gebouwd, de met rood aangegeven delen niet. Deze delen dienen te worden verwijderd, dan wel te worden teruggebracht tot 1 meter. Het lichtbruin gearceerde gedeelte (buiten het bouwvlak en het erf) dient geheel te worden afgebroken, aldus verweerder. Het lichtgroene gedeelte van de schutting staat op een perceel waarop de aanduiding ‘erf’ rust en mag met een hoogte van 1 meter blijven staan. Daarbij is verweerder ervan uitgegaan, zo blijkt uit het verweerschrift, dat de voorgevelrooilijn gelijk loopt aan de voorgevel van de schuren op het perceel [perceel] .

4.4

Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat in het primaire besluit is uitgegaan van dezelfde locatie van de voorgevelrooilijn als waarop in het bestreden besluit wordt gedoeld.

4.5

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna de Afdeling) dient de in het kader van bestuurlijke handhaving gegeven last, gezien de daaraan verbonden verstrekkende gevolgen, zodanig duidelijk en concreet geformuleerd te zijn dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten omtrent hetgeen gedaan of nagelaten moet worden ten einde toepassing van de aangekondigde dwangmaatregelen te voorkomen (zie onder andere de uitspraak van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:41).

4.6

De last, zoals geformuleerd in het primaire besluit, kan - gelet op tekst ervan - niet anders worden begrepen dan dat deze ziet op dat deel van de erfafscheiding dat buiten het bouwvlak is gelegen. De toevoeging “(voor de voorgevelroolijn)” maakt dat niet anders, nu in de motivering van datzelfde besluit het bouwvlak bepalend is geacht voor de situering van de voorgevelrooilijn. In het bestreden besluit lijkt verweerder echter het standpunt in te nemen dat ook delen van de erfafscheiding die zich binnen het bouwvlak bevinden onder de last vallen en verwijderd dienen te worden. Verweerder heeft echter het primaire besluit en de daarin geformuleerde last ongewijzigd in stand gelaten. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat bedoeld is te gelasten dat de erfafscheiding buiten het bouwvlak én voor de voorgevelrooilijn dient te worden verwijderd, dan wel verlaagd, waarbij verweerder heeft aangegeven dat de voorgevelrooilijn gelijk loopt aan de voorgevel van de schuren op het perceel [perceel] en dus niet gelijk loopt met het bouwvlak.
De rechtbank stelt vast dat in het primaire besluit in elk geval niet staat wat verweerder, naar eigen zeggen, bedoeld heeft te gelasten en dat ook op zichzelf beschouwd uit de omschrijving in het primaire besluit niet duidelijk valt op te maken welk deel van de gebouwde erfafscheiding verwijderd dient te worden. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat de last
– gelet op de aanvullende motivering in het bestreden besluit – aan duidelijkheid te wensen overlaat. Gelet daarop, volgt de rechtbank eisers in hun betoog dat onvoldoende duidelijk was welk deel van de erfafscheiding verwijderd, dan wel verlaagd, dient te worden.

Daarom dient te worden geoordeeld dat de last, zoals gehandhaafd bij het besluit op bezwaar, in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.

5. Gelet op hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 4.6 is het beroep is gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd. Omdat de last in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel kan deze niet in stand kan blijven en dient ook het primaire besluit te worden herroepen. Dat betekent dat verweerder opnieuw moet beslissen op het verzoek om handhaving van de derde-partij. De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder hierbij dient te betrekken zijn ter zitting kenbaar gemaakte standpunt dat het volgens verweerder te verwijderen deel van de erfafscheiding gelegaliseerd kan worden, omdat het bestemmingsplan dat toelaat. Voor het bestaan van concreet zicht op legalisatie van een bouwplan dat niet in strijd is met bestemmingsplanvoorschriften is – anders dan verweerder ter zitting gesteld
heeft – geen voorwaarde dat een aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend.

6. Nu het primaire besluit waarbij de last is opgelegd wordt herroepen, kunnen de invorderingsbesluiten die zijn gebaseerd op het primaire besluit evenmin in stand blijven. Reeds hierom dienen ook de invorderingsbesluiten die verweerder tot op heden heeft genomen te worden herroepen. Dit betreft de invorderingsbesluiten van 30 augustus 2016, 22 november 2016 en 7 december 2016.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 501,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 21 december 2016;

- herroept het primaire besluit van 13 juni 2016;

- herroept de invorderingsbesluiten van 30 augustus 2016, 22 november 2016 en 7 december 2016;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1002,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries - van den Heuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.