Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:1509

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4053
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete wegens overtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Wetsverwijzingen
Arbeidsomstandighedenbesluit 3.17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/4053

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 februari 2018 in de zaak tussen

de besloten vennootschap EKB Groep B.V., te Beverwijk, eiseres

(gemachtigde: mr. J.P.C. ten Wolde),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Karkich).

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete van € 21.600,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (het Arbobesluit).

Bij besluit van 22 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2017. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

Het boeterapport

1. Blijkens een door een arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW op 9 februari 2015 op ambtseed opgemaakt boeterapport en daarbij behorende getuigenverklaringen heeft op 12 november 2014 een arbeidsongeval plaatsgevonden bij eiseres aan de [adres] . Daarbij heeft [naam] ( [naam] ), werknemer van eiseres, letsel opgelopen, bestaande uit een gebroken linkeronderbeen en -enkel en een gebroken rechteronderbeen, waarvoor [naam] in het ziekenhuis is opgenomen. Het letsel is ontstaan doordat een besturingskast waaraan [naam] werkte omviel. Blijkens het boeterapport stond de besturingskast instabiel vanwege de ongelijke afstanden van de steunplaatjes aan de onderkant ervan ten opzichte van de vloer en de onderkant van de sokkels. De besturingskast was bovendien, zo staat verder in het boeterapport vermeld, niet geborgd aan de staander van de constructie van de hal, zodat de kast kon omvallen. Aldus is volgens de arbeidsinspecteur sprake van een overtreding van artikel 3.17 van het Arbobesluit. Op grond van het boeterapport heeft verweerder genoemde boete opgelegd en deze boete na bezwaar gehandhaafd.

Standpunt partijen

2.1

Eiseres betoogt dat verweerder de boete had moeten matigen tot nihil. Volgens eiseres is sprake van (al) de matigingsgronden als bedoeld in artikel 1, elfde lid, onder a tot en met d, van de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (de Beleidsregel). Door eiseres is aan Risico Inventarisatie & Evaluatie (RI&E) gedaan. Onder punt 1.3.3 in de RI&E is opgenomen dat stellingen en kasten zo zijn geplaatst dat deze niet om kunnen vallen. Daarnaast heeft eiseres deugdelijke, voor de arbeid geschikte arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld. Verder heeft eiseres adequate instructies gegeven. [naam] , het slachtoffer, heeft diverse, relevante opleidingen gevolgd, voor een deel ook met als onderdeel veiligheid. Voorts is ten tijde van het ongeval adequaat toezicht gehouden door een van de werknemers. Ten slotte vindt eiseres het onevenredig dat zij, als bedrijf dat RI&E en alles wat daarmee samenhangt uiterst serieus neemt, zonder enige matiging dezelfde boete krijgt als een bedrijf dat zonder dergelijke inspanningen te werk gaat.

2.2

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat geen van de matigingsgronden als bedoeld in artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel zich voordoen.

Volgens verweerder is de enkele omstandigheid dat eiseres een RI&E heeft vastgesteld niet voldoende. Van belang is dat een veilige werkwijze voor de concrete werkzaamheden is ontwikkeld, en dat is niet gebeurd. Verder heeft de arbeidsinspecteur geen touw of andere middelen aangetroffen op de arbeidsplaats waarmee de besturingskast gezekerd had kunnen worden. Ook heeft eiseres geen adequate instructies met betrekking tot de concrete werkzaamheden gegeven. Zonder veilige werkwijze en adequate instructies is geen sprake van adequaat toezicht. De boete is dan ook volgens verweerder terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.

Wettelijk kader

3.1

Op grond van artikel 3.17 van het Arbobesluit wordt het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen (…) of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen (…) voorkomen of zoveel mogelijk beperkt.

Op grond van artikel 9.9b, eerste lid en onder c, van het Arbobesluit, voor zover van belang, wordt als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in de volgende artikelen: (…) 3.17 tot en met 3.25 (…).

3.2

Op grond van artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel kan, indien de werkgever aantoont dat hij inspanningen heeft verricht, gericht op het voorkomen van de overtreding in het concrete geval, dit leiden tot matiging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag. De volgende inspanningen kunnen leiden tot een matiging van 25% per onderdeel:

a. als de risico’s van de concrete werkzaamheden voldoende zijn geïnventariseerd en een veilige werkwijze is ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van het bepaalde bij of krachtens de Arbowet;

b. als de noodzakelijke randvoorwaarden zijn gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze;

c. als er adequate instructies zijn gegeven;

d. als er adequaat toezicht is gehouden.

Overwegingen rechtbank

4. Niet in geschil is dat sprake is van een overtreding van artikel 3.17 van het Arbobesluit, zodat verweerder ter zake daarvan bevoegd was een bestuurlijke boete aan eiseres op te leggen.

5. De rechtbank overweegt dat het opleggen van zo een boete een discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan is. Het bestuursorgaan moet hierbij de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Verweerder kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Verweerder dient bij de toepassing van dit beleid ook te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Zo niet, dan dient de boete te worden bijgesteld. De rechter toetst zonder terughoudendheid of de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie. Daarbij betrekt de rechtbank de matigingsgronden als opgenomen in artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel. In situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt wordt van boeteoplegging afgezien. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

6. De rechtbank stelt vast dat de kast in kwestie gedurende een aantal weken heeft gestaan op de werkvloer, niet gezekerd was met touwen of spanbanden, en niet stabiel geplaatst was op de grond. Door zo een onveilige situatie gedurende weken te laten voortduren heeft de werkgever laakbaar gehandeld. Onder deze omstandigheden kunnen algemene maatregelen, zoals het opstellen van een risico inventarisatie, het verzorgen van cursussen op het gebied van veiligheid, het ter beschikking stellen van zekeringsmateriaal en de aanstelling van een interne toezichthouder op veiligheid, in de regel niet worden gerekend tot inspanningen gericht op het voorkomen van de overtreding in het concrete geval. Zo kan de werkgever weliswaar een risico-inventarisatie hebben gehouden, maar als de risico’s slechts in algemene bewoordingen zijn omschreven (zoals in de onderhavige risico inventarisatie het geval was) en niet nader is geduid dat (ook tijdelijke geplaatste) kasten stabiel moeten staan én gezekerd moeten worden, draagt een dergelijke inventarisatie feitelijk weinig bij aan het voorkomen van het omvallen van de kast in kwestie. Datzelfde geldt voor de aanstelling van een toezichthouder die kennelijk heeft geaccepteerd dat de kast in kwestie enige weken lang zonder zekering in de werkplaats heeft gestaan. Dan kan niet gesproken worden van adequaat toezicht in dit specifieke geval. Verder is gesteld noch gebleken dat het slachtoffer tijdens cursussen en/of nadien bij wijze van aparte instructie op de werkvloer, gewezen is op de noodzaak van het stabiel plaatsen én zekeren van (ook tijdelijk geplaatste) kasten.

7. Eiseres heeft verder gesteld dat in het pand spanbanden voorhanden waren, maar waar het om gaat is of dit materiaal ook aan [naam] ter beschikking is gesteld vóórdat hij met de kast ging werken. Dat laatste is gesteld noch gebleken. Daarnaast is niet gebleken dat een werkwijze of instructie is opgesteld waarin is omschreven hóe met spanbanden kasten moeten worden gezekerd. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding, zoals eiseres heeft verzocht, getuigen te horen omtrent de vraag of zich in het pand spanbanden bevonden tijdens het ongeval.

8. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat van het geheel ontbreken van verwijtbaarheid dan wel verminderde mate van verwijtbaarheid aan de zijde van eiseres geen sprake is. Het betoog van eiseres slaagt niet.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, voorzitter, mr. E. Jochem en
mr. A.C. Terwiel-Kuneman, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.