Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:1500

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-02-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 739
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging is geschonden. Dit blijft zonder gevolgen omdat eiseres niet is benadeeld.

Verweerder heeft in ruim voldoende mate aannemelijk gemaakt dat de in de aangiften en de certificaten van oorsprong vermelde aluminium wielen niet van Maleisische preferentiële oorsprong zijn maar van Chinese niet-preferentiële oorsprong zijn.

Het beroep op artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW faalt.

Omdat in de uitspraak op bezwaar inhoudelijk uitgebreid is ingegaan op de verzoeken om terugbetaling ingevolge artikel 239 van het CDW, en deze overwegingen verder gaan dan een enkele opmerking, heeft verweerder een beslissing genomen op de verzoeken om terugbetaling. Het beroep wordt in zoverre op grond van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden naar verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-03-2018
FutD 2018-0759
DouaneUpdate 2018-0136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummers: HAA 16/739 tot en met HAA 16/742

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 februari 2018 in de zaken tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma RB),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/douane, kantoor Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

HAA 16/739

Verweerder heeft aan eiseres op 31 juli 2014 een uitnodiging tot betaling (hierna: utb 1) uitgereikt voor een bedrag van € 128.687,51 aan antidumpingrechten en een bedrag van € 25.968,36 aan douanerechten op industriële producten.

HAA 16/740

Verweerder heeft aan eiseres op 6 maart 2015 een uitnodiging tot betaling (hierna: utb 2) uitgereikt voor een bedrag van € 20.459,14 aan antidumpingrechten en een bedrag van € 4.128,53 aan douanerechten op industriële producten.

HAA 16/741

Verweerder heeft aan eiseres op 8 april 2015 een uitnodiging tot betaling (hierna: utb 3) uitgereikt voor een bedrag van € 10.391,35 aan antidumpingrechten en een bedrag van € 2.096,91 aan douanerechten op industriële producten.

HAA 16/742

Verweerder heeft aan eiseres op 29 mei 2015 een uitnodiging tot betaling (hierna: utb 4) uitgereikt voor een bedrag van € 9.763,16 aan antidumpingrechten en een bedrag van € 1.970,15 aan douanerechten op industriële producten.

Alle zaken

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de utb 1 tot en met utb 4 ongegrond verklaard en de utb’s gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2017 te Haarlem. Namens eiseres zijn verschenen [A] en haar gemachtigde voornoemd. Namens verweerder zijn verschenen mr. M.U.B. Willemsen en mr. B.C. Brouwer.

Overwegingen

Feiten

HAA 16/739

1.1.

Eiseres heeft in de periode 10 augustus 2011 tot en met 10 oktober 2012

13 aangiften gedaan voor de douaneregeling brengen in het vrije verkeer voor andere wielen van aluminium. De goederen zijn aangegeven onder de GN-code [A NUMMER] . Eiseres heeft hierbij verzocht om toepassing van een preferentiële tariefmaatregel en heeft daarbij certificaten van oorsprong, formulieren A, overgelegd waarop als land van oorsprong Maleisië is vermeld.

1.2.

Op de formulieren A staat in vak 11. Certification een stempel van “Ministry of International Trade and Industry” (hierna: MITI) van Maleisië. Als exporteur is vermeld [A BEDRIJF] , [B BEDRIJF] , [C BEDRIJF] Industries en als ontvanger is vermeld [D BEDRIJF] BV.

1.3.

Volgens de aangiften zijn de goederen vervoerd per containers met de nummers [B NUMMERS] . Als koper is vermeld [D BEDRIJF] BV dan wel [E BEDRIJF] BV en als verkoper is vermeld [A BEDRIJF] , [B BEDRIJF] of [C BEDRIJF] . Op één aangifte ontbreekt de naam van de verkoper.

HAA 16/740

2.1.

Eiseres heeft op 21 mei 2012 en 26 juni 2012 twee aangiften gedaan voor de douaneregeling brengen in het vrije verkeer voor andere wielen van aluminium. De goederen zijn aangegeven onder de GN-code [A NUMMER] . Eiseres heeft hierbij verzocht om toepassing van een preferentiële tariefmaatregel en heeft daarbij certificaten van oorsprong, formulieren A, overgelegd waarop als land van oorsprong Maleisië is vermeld.

2.2.

Op de formulieren A staat in vak 11. Certification een stempel van MITI van Maleisië. Als exporteur is vermeld [F BEDRIJF] Enterprise en als ontvanger is vermeld [E BEDRIJF] BV.

2.3.

Volgens de aangiften zijn de goederen vervoerd per containers met de nummers [C NUMMER] en [D NUMMER] . Als koper is vermeld [E BEDRIJF] BV en als verkoper [F BEDRIJF] .

HAA 16/741

3.1.

Eiseres heeft op 12 april 2012 aangifte gedaan voor de douaneregeling brengen in het vrije verkeer voor andere wielen van aluminium. De goederen zijn aangegeven onder de GN-code [A NUMMER] . Eiseres heeft hierbij verzocht om toepassing van een preferentiële tariefmaatregel en heeft daarbij een certificaten van oorsprong, formulier A, overgelegd waarop als land van oorsprong Maleisië is vermeld.

3.2.

Op het formulier A staat in vak 11. Certification een stempel van MITI van Maleisië. Als exporteur is vermeld [G BEDRIJF] Enterprise en als ontvanger is vermeld [H BEDRIJF] Limited.

3.3.

Volgens de aangifte zijn de goederen vervoerd per container met het nummer [E NUMMER] . Op de aangifte is als koper vermeld [D BEDRIJF] BV en als verkoper [H BEDRIJF] Limited.

HAA 16/742

4.1.

Eiseres heeft op 20 november 2012 aangifte gedaan voor de douaneregeling brengen in het vrije verkeer voor andere wielen van aluminium. De goederen zijn aangegeven onder de GN-code [A NUMMER] . Eiseres heeft hierbij verzocht om toepassing van een preferentiële tariefmaatregel en heeft daarbij een certificaten van oorsprong, formulier A, overgelegd waarop als land van oorsprong Maleisië is vermeld.

4.2.

Op het formulier A staat in vak 11. Certification een stempel van MITI van Maleisië. Als exporteur is vermeld [I BEDRIJF] en als ontvanger is vermeld [E BEDRIJF] BV.

4.3.

Volgens de aangifte zijn de goederen vervoerd per container met het nummer [F NUMMER] . Op de aangifte is als koper [E BEDRIJF] BV vermeld en als verkoper [I BEDRIJF] .

Alle zaken

5. Tot de stukken van het geding behoort een brief van de antifraudedienst van de Europese Unie (hierna: OLAF) van 27 mei 2013 aan mr. [B] , werkzaam bij het Douane Informatiecentrum. In deze brief is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“(…)

In 2012, following allegations received from the Customs administration of Ireland, Lithuania and Germany, the European Anti-Fraud Office (OLAF) opened the investigation OF 2012/0216 concerning the suspected evasion of customs and anti-dumping duties (ADD) on imports into the European Union (EU) of certain aluminum road wheels (ARWs) from Malaysia with preferential customs treatment (GSP).

It is suspected that the ARWs actually originate from the PR China and, by misdescribing the origin, the EU importers evade the EU anti-dumping duties imposed on the Chinese product. Moreover, the imports of ARWs into the EU are presented to Customs in the Member States accompanied by Malaysian certificates of preferential origin Form A, thus fraudulently benefiting from the preferential regime, i.e. a zero duty rate instead of the conventional third country duty rate of 4.5% ad valorem.

Then, within the framework of this investigation and under the provisions laid down in the

Scheme of Generalised System of Preferences (GSP) mentioned above, OLAF requested the

assistance from the Ministry of International Trade and Industry of Malaysia (MITI) in

identifying the suspected irregularities and to establish the real origin of the ARWs supplied

by the Malaysian companies involved in this trafficking.

Following OLAFs request for assistance, in January 2013 MITI sent to OLAF an import-export ZB1/ZB2 database in the format of an excel file. This ZB1/ZB2 database relates to

transshipments of ARWs from the PR China to the EU carried out in the Free Commercial

Zone in Port Klang Free, from May 2010 to November 2012.

In parallel, in August 2012 OLAF requested all MS by the Mutual Assistance message AM

2012/014 to identity consignments of ARWs imported from Malaysia. Upon this request, the

Dutch Customs informed OLAF of the identification of 131 imports (144-containers) into

Netherlands of the product concerned with origin declared as Malaysia.

Hence, OLAF has carried out a preliminary cross-check of all data obtained from the

Malaysian authorities concerning transshipments of ARWs originating from the PR China via the Free Commercial Zone of Port Klang, Malaysia, to the EU with the data on imports of ARWs into the EU provided by the Member States.

In the case of the Netherlands, OLAF has linked 89 consignments imported into Netherlands

with transshipments of ARWs from the PR China to the EU carried out via the Port Klang Free Commercial Zone (PKA-ZB1/ZB2). Both an extract of these matched consignments and the electronic version of the entire data match of ZB1/ZB2/NL-imports are annexed to this letter. (…)”

6. Tot de stukken van het geding behoort tevens een brief van OLAF van 28 juni 2013 aan mr. [B] , werkzaam bij het Douane Informatiecentrum. In deze brief is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“(…)

Now, I am writing to you to transmit 60 additional containers of ARWs also imported in the Netherlands from the PR China following transhipment carried Out via the Port Klang Free Commercial Zone (PKA-ZB1/ZB2). An extract of these additional 58 matched containers is annexed to this letter and both, the entire data on transhipments provided by the Port Klang Free Commercial Zone Authority via MITI and the electronic version of the entire data match of ZB1/ZB2/NL-imports are sent together with this letter in a CD format.

(…)

In addition, the main Malaysian exporters shown on the certificates of preferential Malaysian origin FORM A presented at importation to the Dutch customs are [C BEDRIJF] , [J BEDRIJF] , [A BEDRIJF] and [K BEDRIJF] INDUSTRY companies.

(…)

The evidence provided by MITI shows that the Chinese ARWs were shipped from the PR China to the Free Commercial Zone of Port Klang, Malaysia, and - after reloading - were consigned onward to the EU. The ARWs were not subject to any processing or transformation activity in the Free Commercial Zone. Such activities are not allowed in the Zone - unless approved by the Ministry of Finance. Therefore, the ARWs imported into Netherlands do not qualify for preferential treatment at importation as they retained their Chinese origin. Consequently, they are liable to the payment of conventional customs duties of 4.5 % and anti-dumping duty of 20.6 % from May to October 2010 and 22.3% from October 2010 onwards.

(…)”

7. Tot de stukken van het geding behoort een Mission Report van de OLAF van 24 juni 2014, OF/2012/0216/B1. De OLAF heeft van 25 tot 29 november 2013 een onderzoek uitgevoerd in Maleisië. Het onderzoek is begeleid en ondersteund door het MITI, de Port Klang Authority en de Royal Malaysian Customs. In het rapport is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“(…)

1. Purpose of the mission

This investigation concerns the alleged evasion of conventional customs and anti-dumping

duties (ADD) applicable on imports into the European Union (EU) of aluminum road

wheels (ARW) declared as originating from Malaysia but suspected to originate in the

People’s Republic of China (PR China).

The objective of the investigation is to prove or disprove the preferential origin of the

goods concerned and, if not originating in Malaysia, to establish the true origin of the

goods. To that end, to obtain evidence showing the link between imports of the product

concerned into Malaysia from the PR China and its onward shipment/re-exportation to the

EU with a view to recovering the own resources (conventional customs and anti-dumping

duties) evaded by the EU importers concerned. Furthermore, to obtain evidence proven

the involvement and knowledge of the EU-importers of the true origin of the goods

concerned.

(…)

1.1

Summary of the investigation prior the mission

In March 2012, OLAF was informed by various Member States (MS) that trade measures

(anti-dumping duties) imposed on imports of ARW originating in the PR China were being

evaded through Malaysia. It was alleged that Chinese producers set up intermediary

companies in Malaysia (facilitators, shell companies), the task of which was to re-pack

ARW or simply to change a container and to ship the product to the EU.

It was further suspected that the importers in the EU incorrectly declared the ARW as

originating in Malaysia with a view to misleading the customs authorities in the MS in

order to evade the ADD. Moreover, they presented Generalised System Preference (GSP)

certificates of origin Form A to customs in the MS thus also benefitting from the

preferential rate of 0% instead of 4.5% conventional customs duty granted by the EU to

Malaysia. Many of these certificates of preferential origin FORM A had been verified by the

Ministry of International Trade and Industry (MITI) in the meantime and found to be non-

authentic.

(…)

3. Results

3.1

Information received

The information received in the course of the mission followed-up on the electronic data

(e-data) already received in January 2013 from MITI, prior to the mission. In addition and after the mission, in March 2014 the Port Klang Authority provided a third set of e-data related to ZB1-ZB2 (import-export). For reasons of clarity, the three sets of information, obtained prior, during and after the mission, are jointly presented in this mission report. As mentioned above, the transmission of information and documentation from the Port Klang Authority and Malaysian Customs took place via MITI.

3.1.1

Information provided by the Port Klang Authority

On 26th November 2013, the mission team visited the Port Klang Free Commercial Zone and held a meeting with representatives of the Port Klang Authorities.

The Port Klang Authority manages the Free Commercial Zone (FCZ) in Port Klang. Any goods entering into or departing from the seaport in Port Klang physically move via the FCZ. Therefore, any transhipment also passes through this area. In addition, any form of manufacturing activity is forbidden there. Therefore, no origin conferring manufacture or processing can take place there and the goods transhipped through the FCZ in Port Klang retain their primary origin.

The goods entering the FCZ in Port Klang from overseas are recorded in the ZB1 (import) registry. The goods departing from the FCZ in Port Klang to overseas are recorded in the

ZB2 (export) registry (noot: Whereas, goods imported or exported directly from the Principal Customs Area of Malaysia are not to be recorded in the ZB1 and/or ZB2 registries. They are recorded in the K1 (import) and K2 (export) customs registries). If goods, being transhipped, leave from the FCZ in Port Klang to overseas, the shipper is obliged to lodge a ZB2 declaration, in which the number of the corresponding ZB1 declaration has to be specified. Consequently, if goods are registered in the ZB1 (import) registry and subsequently in the ZB2 (export) registry, they were merely transhipped and retained their primary origin. For further details see the Explanatory Note and four samples of ZB1, ZB2, K1 and K2 forms provided by the Port Klang Authorities, all attached in Annex 2.

(...)

3.1.2

Information provided by Malaysian Customs

(…)

According to MITI, no movements between bonded customs areas (K8) for consignments of ARW were registered. The list of exports from the PCA (K2) to the EU contained only two exports corresponding to 4 containers consigned to Ireland (2) and the Netherlands (2). The commodity code recorded in the export K2 data in respect these 4 containers was [G NUMMER] . The two consignors registered in the K2 did not export ARW to the EU before the imposition of ADD on imports of Chinese ARW into the EU.

As regards imports into the PCA (K1), 21 imports of ARW from the PR China were

identified, all classified with CN code [G NUMMER] . All imports of ARW from the PR China into the PCA were carried Out by [A BEDRIJF] company. Nevertheless, no exports from this company are recorded from the PCA to any EU-countries. On the contrary, [A BEDRIJF] appears in 42 records of the ZB2 (export) data as consignor/exporter of Chinese ARW transhipped through the PK-FCZ to the EU. See more details at point 3.2

(...)

Such parallel registration of the very same consignments is a contradiction as

all consignments of ARW recorded in the ZB1/ZB2 registries of the FCZ as inward (ZB1) and outward (ZB2) movements had entered the FCZ coming from the PR China and had remained there until exported. Therefore, they had not been exported from the Malaysian customs territory and, consequently, the export declarations concerned do not reflect real exports from Malaysia. See the Explanatory Note attached in Annex 2.

It appears that these export declarations were done to mislead the authorities by falsely lending credibility to the origin declared as Malaysia in order to facilitate obtaining GSP certificates of Malaysian preferential origin from MITI.

(...)

3.1.3

Information provided by MITI

(…)

Based on the analysis of data provided to OLAF by MITI prior the mission, the mission team presented its findings as regards the consignments of ARW found to be imported from PR China into the FCZ in Port Klang and, afterwards, shipped onward to the EU. All containers found to be transhipped from PR China to the EU through the PK-FCZ were imported into the EU with preferential certificates of origin FORM A.

(...)

The Principal Director Assistant responsible for the issuance of certificates of preferential origin FORM A, checked in MITI records in respect of the companies shown in this list mentioned before and confirmed the issuing of certificates of preferential origin to 5 companies: [gezwart] SB (M) [gezwart] Industries, [gezwart] Industries, [gezwart] Manufacturer and [gezwart] Industries up to December 2011 when company ceased its business.

The remaining Malaysian companies referred to in the list mentioned before were not

found at the MITI registry and consequently, there are no records of preferential Malaysian origin certificates FORM A issued to these companies. See point 3.2 of this

report.

However, despite of the fact that a total of 778 containers imported into the EU were

found to be actually transshipped from the PR China to the EU through the FCZ in Port Klang, another approximately 1.000 containers of ARW imported into the EU from May 2010 to December 2012 have not been found as recorded in either the ZB2 (exports from Free Commercial Zone) or the K2 exports from the Principal Customs Area) so far. According to the commercial documentation presented to Customs in the EU at importation, most of these remaining 1.000 containers were supplied by one company [gezwart] SDN BHD (gezwart).

(...)

3.2

Conclusions

Based on the information and e-data provided by MITI, Port Klang Authorities and Royal

Malaysian Customs (3 ZB1-ZB-2 e-data) merged into one file namely OLAF_ZB1_ZB2), it

has been established the following,

i. a total of 904 containers of ARW imported into the PK-FCZ trom PR China were

shipped onward from PK-FCZ to 18 MS as follows: Belgium (39), Cyprus (2), Czech

Republic (10), Denmark (5), Finland (7), France (7), Germany (103), Greece (2), Italy

(66), Latvia (9) Lithuania (113), Malta (1), the Netherlands (229), Poland (7), Romania

(1), Spain (9), Sweden (14) and the United Kingdom (280). 778 of these 904 containers

exported from PK-FCZ have been matched with the corresponding importation into these

18 MS,

ii. all consignments of ARW exported from the Free Commercial Zone in Port Klang

originated from the PR China (see column F ‘country of origin’ in excel files at Annexes 2

to 4);

iii. all consignments imported from the PR China into the FCZ in Port Klang were

cross-stuffed into different containers before onward shipment to the EU. They were not

subject to any processing or manufacturing activity in the FCZ in Port Klang. Such

activities are not allowed in the FCZ;

iv. the HS commodity codes applicable for ARW are [H NUMMER] and ex [I NUMMER]

. At importation into the EU, the product was declared under commodity codes [J NUMMERS]

. According to the ZB2 data provided by the Port Klang Authority,

the ARW exported from PK-FCZ were classified under the commodity codes: [K NUMMERS]

(see column B ‘tc code’ in excel files at Annexes 2 to 4);

v. moreover, it has been found that consignments of ARW were wrongly classified

at exportation from the PK-FCZ under commodity codes: [L NUMMERS]

. However, in all cases the goods description given

in the extracts shows that the goods actualty were ARW;

vi. 22 consignors were identifïed from the ZB2 (export) data. Several of these

consignors registered in the ZB2 data were not the same as the exporters of ARW

declared on importation in the EU and/or shown in the certificates of preferential origin

FORM A presented to Customs at importation in the EU They have been found to be

mainly forwarding agents and logistics companies. None of these 22 consignors did export

ARW to the EU before the imposition ot anti-dumping duties on Chinese ARW in May 2010;

vii it has been found that one container of ARW was recorded both in the ZB2 data

as onward shipment from the Free Commercial Zone and also in the K2 data as export

from the Principal Customs Area. However, it appears that the sole purpose of such

declaration was to mislead the authorities and to claim Malaysian origin for the goods

concerned. The economic operator which applied this modus operandi declared different

consignors to the Port Klang Authority, Malaysian Customs and to MITI.

Hence, the economic operator prevented the Malaysian authorities, particularly MITI and

Malaysian Customs, from detecting the fraud scheme and obtained the GSP certificates on

the basis of the false information provided. The economic operators appearing as

exporters incorrectly declared the ARW to originate from Malaysia. In addition, the use of

different company names prevented MITI, in the course of any subsequent verification of

GSP certificates requested by the MS to identify that the consignments covered by

authentic and yet incorrect GSP certificates were in fact transhipments of Chinese

originating ARW via the FCZ in Port Klang rather than Malaysian originating goods.

Consequently, the operators involved made the tracing of any transhipment through the

FCZ in Port Klang more difficult. For the same purpose, they also declared wrong

commodity codes instead of the ones applicable to ARW.

(...)

In order to summarize the findings per Malaysian exporter, OLAF matched the

consignments imported into the EU according to the information provided

by MS (approximately 1.800 containers recorded), with the relevant ZB1/ZB2 transhipment data. The matching was carried out on the basis of the container number(s) recorded in the ZB2 (export) and container number(s) recorded in the EU-import data.

As a result, a total of 778 containers of ARW imported into the MS from Malaysia have been linked with their corresponding containers of ARW originating in the PR China and recorded in ZB2 (export) and the preceding shipments from China to Malaysia as recorded in the related ZB1 (import).

(…)”

8. Tot de stukken van het geding behoort een Final Report van de OLAF van 24 november 2014, OF/2012/0216/B1. In het rapport is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“(...)

4.1

Recoverability of the evaded duties

The conventional customs and anti-dumping duties on imports of alloy wheels originating in the PR China were evaded by incorrectly declaring the product as having Malaysian preferential origin. The incorrect origin declaration was supported by the presentation for customs purposes of either authentic (but nevertheless incorrect) or forged GSP certificates of preferential Malaysian origin Form A.

Both types of duty are recoverable under the provisions of the Community Customs Code and Its implementing Regulations (Council Regulation (EEC) No 2913/92 and Commission Regulation (EEC) No 2454/93, as amended). In accordance with Article 221 of the Community Customs Code, communication of the customs debt to the debtor shall not take place after expiry of a period of three years from the date on which the customs debt was incurred unless this period can be extended In accordance with Article 221 (4).

In accordance with Articles 220 and Article 221 of the Community Customs Code, the customs authorities are obliged to enter the duties evaded into the accounts as soon as they are in the position to calculate the amount legally owed and to determine the debtor. As soon as the debt has been entered in the accounts, the amount of duty shall be communicated to the debtor. In this case the customs debts were incurred on the dates of acceptance of the import declaration of the alloy wheels, i.e., from 11 May 2010 onwards. The notifications providing the relevant evidence were communicated to the Member States concerned between May 2013 and June 2014 (see Mission Report, point 5). Therefore, the duties are mostly within the three year debt communication period and are recoverable.

4.2

Preferential origin

The facts established by OLAF and the Malaysian authorities demonstrate that the alloy wheels were neither manufactured nor sufficently worked or processed in Malaysia and therefore do not meet the preferential origin criteria (see point 1.4). Instead, the Chinese

alloy wheels were merely transshipped via PK-FCZ. Therefore, in the light of the absence of

any (sufficient) manufacturing activity in Malaysia, the Malaysian exporters provided an

incorrect account of the facts when applying for the issuance of GSP certificates

of preferential origin FORM A, wrongfully claiming that the goods concerned had preferential Malaysian originating status, i.e. were sufficiently worked or processed pursuant to Article 76 of Commission Regulation (EEC) No 2454/93 (as amended).

In addition, many of the GSP certificates of origin FORM A had been found to be forged

after verification by MITI (see Mission Report).

The authentic GSP certificates of preferential origin FORM A presented at importation into

the EU are incorrect and are consequently invalid. These certificates were issued by MITI

in good faith as a result of an incorrect account of the facts provided by the exporters.

MITI was not aware and could not have been aware that the goods did not satisfy the

origin criteria.

4.3

Non-preferential origin

The facts as ascertained show that the non-preferential origin criteria were not met either

as the Chinese alloy wheels were merely transhipped via the PK-FCZ where they did not

undergo any working or processing within the meaning of Article 24 of the Community

Customs Code.

The transhipment activities consisted of cross-stuffing the goods upon their arrival from

the PR China into new containers and onward shipment to the EU. This took place within

the PK-FCZ where manufacture, processing or working of the goods are not permitted.

The only activities allowed in the Free Commercial Zones are direct transhipment,

consolidation, trading/resale, regional distribution and storage.

(…)

ANNEX 3

OF/2012/0216 FINAL REPORT Estimation of duties to be recovered per Member State

(...)

The Netherlands

According with the information transmitted by the Dutch Customs, 238 imports of alloy wheels (251 containers with origin Malaysian) were identified.

As regards 190 containers, the Chinese origin of the alloy wheels have been established.

(…)

In respect of 54 containers of alloy wheels, the Chinese origin of the alloy wheels have not been established. Further enquiries are necessary. However, the conventional customs duties in respect of 34 containers are recoverable because the certificates of preferential origin FORM A presented at importation have not been issued by MITI. See Mission Report, point 3.2 – [gezwart] “ [L BEDRIJF] ”, “[gezwart] and “[gezwart]”, pages 14, 15 ,23 and 24 respectively.

(…)”

9. Tot de stukken van het geding behoort een brief van de OLAF van 25 juni 2014, THOR (2014) 17295. In deze brief is - voor zover van belang - het volgende vermeld

“(…)

Please find attached the relevant evidence, Mission Report and annexes, in Annex 1.

(…)”

10.1.

Met dagtekening 17 juli 2014 heeft verweerder aan eiseres het voornemen tot het uitreiken van utb 1 gezonden.

10.2.

Met dagtekening 17 februari 2015 heeft verweerder aan eiseres het voornemen tot het uitreiken van utb 2 gezonden.

10.3.

Met dagtekening 24 maart 2015 heeft verweerder aan eiseres het voornemen tot het uitreiken van utb 3 gezonden.

10.4.

Met dagtekening 12 mei 2015 heeft verweerder aan eiseres het voornemen tot het uitreiken van utb 4 gezonden.

Geschil
11. In geschil is of:

- het beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging is geschonden en zo ja, of dit dient te leiden tot vernietiging van de utb’s;

- de preferentiële en niet-preferentiële oorsprong van de goederen voldoende aannemelijk is gemaakt;

- de voorwaarden van artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) zijn vervuld;

- een beslissing is genomen op de verzoeken om terugbetaling en zo ja, of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 239 van het CDW.

12. Eiseres stelt dat de utb's zijn opgelegd in strijd met het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel. In dat kader stelt eiseres dat zij zorgvuldig de aangiften heeft gedaan. Eiseres stelt voorts dat verweerder en de Europese Commissie niet voortvarend hebben gehandeld. Verweerder heeft in een te laat stadium alle stukken overgelegd die mede ten grondslag lagen aan de utb's. Eiseres verwijst naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) en naar het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:959. Indien eiseres tijdig alle stukken gehad zou hebben dan had zij onvolkomenheden in het Mission Report boven water kunnen krijgen en had zij via haar opdrachtgevers navraag kunnen doen bij de leveranciers. Nu zijn de klanten van eiseres failliet. Gelet op voorgaande is er sprake van schending van het verdedigingsbeginsel en zou het besluitvormingsproces een andere afloop kunnen hebben gehad.

Eiseres stelt tevens dat verweerder er niet in is geslaagd de preferentiële en niet-preferentiële oorsprong aan te tonen. Het aan elkaar knopen van data zonder dat een directe link is te leggen, is onvoldoende om met zekerheid te stellen dat de oorsprong onjuist is. De bedrijven die de goederen hebben geëxporteerd bestonden terdege ten tijde van het doen van de aangiften.

Eiseres stelt voorts dat artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW van toepassing is. Ten aanzien van de preferentiële oorsprong stelt eiseres dat er sprake is van een vergissing van de Maleisische autoriteiten. Uit het rapport en bijbehorende stukken valt niet op te maken dat de autoriteiten zijn misleid.

Tot slot stelt eiseres dat verweerder een beslissing heeft genomen op de verzoeken om terugbetaling nu verweerder in de uitspraak op bezwaar een oordeel heeft gegeven over artikel 239 van het CDW. Gelet op de situatie waarin eiseres zich bevindt en het verloop van de gehele procedure is er sprake van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 239 van het CDW, aldus eiseres.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, het toewijzen van de verzoeken om terugbetaling, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de utb's.

13. Verweerder voert aan dat het recht op verdediging niet is geschonden. In dat kader voert verweerder aan dat eiseres voorafgaand aan het opleggen van de utb's is ingelicht. Verweerder voert aan dat aan eiseres de stukken zijn gezonden waarop de voornemens tot het uitreiken van de utb’s zijn gebaseerd. Ten tijde van de verzending van de voornemens tot het uitreiken van de utb’s 1 en 2 beschikte verweerder nog niet over het Mission Report. De annexen die behoren bij het Mission Report zijn niet allemaal in alle zaken meegezonden. Eiseres heeft de tijd heeft gekregen te reageren. Dit heeft niet geleid tot het afzien van het opleggen van de utb's. Eiseres heeft, op haar verzoek, later nog veel meer stukken ontvangen. Ook dit heeft niet geleid tot een ander inzicht, aldus verweerder.

Verweerder voert tevens aan dat door OLAF is vastgesteld dat de goederen vanuit China werden overgebracht naar Maleisië. De goederen werden na aankomst uit China overgebracht naar de FZPK in Port Klang, Maleisië. De binnenkomst van deze goederen is vastgelegd in ZB1 lijsten. Vastgesteld is dat de goederen bij aankomst de oorsprong China hadden. De goederen die de FZPK verlaten worden, na de aangifte, in ZB2 lijsten geregistreerd. Op basis van een match tussen de ZB1 en ZB2 lijsten is vastgesteld dat de goederen vanuit de FZPK, zonder enige bewerking, zijn doorgevoerd naar lidstaten van de Europese Unie. Gelet op voorgaande hebben de onderhavige goederen de oorsprong China behouden, aldus verweerder.

Verweerder voert voorts aan dat artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW niet van toepassing is. De formulieren A zijn vervalst of door misleiding afgegeven door de autoriteiten in Maleisië. In negen gevallen is sprake van misleiding. [B BEDRIJF] heeft in de aanvragen ten onrechte de letter “P” vermeld terwijl de leverancier wist dat de goederen niet van oorsprong uit Maleisië waren. Door deze misleiding kan wel achteraf geboekt worden ondanks de vergissing van de Maleisische autoriteiten. Met uitzondering van de voor [B BEDRIJF] afgegeven formulieren A zijn de andere formulieren A niet afgegeven door MITI maar vervalst, aldus verweerder.

Tot slot voert verweerder aan dat op de verzoeken om terugbetaling ex artikel 239 van het CDW nog een beslissing moet worden genomen.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

14. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging

15. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) volgt dat de verplichting van de lidstaten om de rechten van de verdediging te eerbiedigen een beginsel van Unierecht is, dat geldt wanneer bezwarende besluiten worden genomen die binnen het toepassingsgebied van het recht van de Europese Unie vallen. In dit verband wordt in het bijzonder verwezen naar de arresten van het HvJ EU van 3 juli 2014, gevoegde zaken Kamino International Logistics B.V. en Datema Hellmann Worldwide Logistics B.V., C‑129/13 en C‑130/13, ECLI:EU:C:2014:2041, BNB 2014/231. Het beginsel brengt in het bijzonder mee dat eenieder het recht heeft om te worden gehoord alvorens een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden en vereist dat de adressaten van besluiten die hun belang aanmerkelijk raken in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren. Bezwarende besluiten zoals een mededeling bedoeld in artikel 221, eerste lid, van het CDW vallen binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie.

16. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het onder 10.1 genoemde voornemen van 17 juli 2014 het Mission Report in de zaak HAA 16/739 niet aan eiseres heeft verzonden terwijl het rapport reeds op 24 juni 2014 is opgemaakt. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder - hetgeen hij ter zitting heeft bevestigd - niet alle annexen in alle zaken behorende bij het Mission Report tezamen met de onder 10.1 tot en met 10.4 genoemde voornemens tot het uitreiken van utb 1 tot en met utb 4 aan eiseres heeft verzonden. Met betrekking tot de vraag of het beginsel van de rechten van de verdediging is geschonden overweegt de rechtbank als volgt.

17.1.

De rechtbank stelt voorop dat het op de weg van verweerder ligt om duidelijkheid te verschaffen over de informatie waarop hij de voornemens heeft gebaseerd. Verweerder heeft aangevoerd dat hij ten tijde van de verzending van het voornemen tot het uitreiken van utb 1 op 17 juli 2014 niet beschikte over het Mission Report en dat hij niet heeft kunnen terugvinden wanneer hij het Mission Report heeft ontvangen. Bij het voornemen tot het uitreiken van utb 1 heeft verweerder als bijlage 5 de onder 9 genoemde brief van de OLAF van 25 juni 2014 gevoegd. Uit deze brief leidt de rechtbank af dat als Annex 1 bij deze brief het Mission Report van 24 juni 2014 en de annexen zijn verzonden. Nu verweerder ten tijde van het uitreiken van utb 1 beschikte over voornoemde brief, gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder ten tijde van het voornemen beschikte over het Mission Report en de annexen. De enkele verklaring van verweerder dat hij niet weet wanneer hij het Mission Report heeft ontvangen, is onder deze omstandigheden onvoldoende. Uit de bewoordingen van alle voornemens en de utb’s volgt immers dat het onderzoek door OLAF dragend is geweest voor het uitreiken van de voornemens en uit de onderbouwing van de voornemens en de utb’s volgt dat het Mission Report en de annexen hieraan ten grondslag hebben gelegen. Verweerder had derhalve het Mission Report moeten overleggen. Nu de annexen een onlosmakelijk onderdeel vormen van het Mission Report had verweerder ook deze annexen moeten overleggen. De stelling van verweerder dat de annexen enorm uitgebreid zijn, maakt voorgaande niet anders.

17.2.

Door het Mission Report in de zaak HAA 16/739 niet te verstrekken en niet alle annexen in alle zaken te verstrekken heeft verweerder eiseres de mogelijkheid ontnomen haar standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de bedragen van de navorderingen zijn gebaseerd. Het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging is derhalve geschonden. Gelet op vorenoverwogene kan de rechtbank in het midden laten of verweerder ook nog andere stukken had moeten verstrekken.

18. De schending van de rechten van de verdediging bij de totstandkoming van een bezwarend besluit leidt tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit wanneer deze procedure zonder de onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad. Voor het oordeel dat het besluitvormingsproces van de douaneautoriteiten zonder de schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad, is niet vereist dat de douaneautoriteiten zonder deze schending zouden hebben afgezien van het vaststellen van één of meer van de desbetreffende utb’s of dat zij deze op een lager bedrag zouden hebben gesteld. Voldoende is te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden degene tot wie de utb is gericht, een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de utb van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. De rechter dient een en ander te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval (vgl. HR 26 juni 2015, nr. 10/02774bis, ECLI:NL:HR:2015:1666, BNB 2015/186, onderdelen 2.3.2 en 2.3.3). Indien een inbreng een juridische stelling betreft, dient te worden beoordeeld of deze stelling zodanig hout snijdt dat deze tot een andere afloop had kunnen leiden (vgl. HR 9 oktober 2015, nr. 13/01275, ECLI:NL:HR:2015:2989).

19.1.

Eiseres stelt dat dat de procedure zonder de onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad, echter zij heeft dit niet nader geconcretiseerd. De enkele stelling dat zij navraag had kunnen doen bij de leveranciers, onvolkomenheden in het Mission Report boven water had kunnen krijgen en de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:959, zonder nadere onderbouwing, welke ontbreekt, is daarvoor onvoldoende.

19.2.

De stelling van eiseres dat de voortvarendheid waarmee verweerder de utb’s heeft uitgereikt te wensen heeft overgelaten mede onder verwijzing naar het Handvest en de AM-melding van 30 augustus 2012, faalt. De rechtbank stelt voorop dat de utb’s zijn uitgereikt binnen de in artikel 221, derde lid, van het CDW genoemde termijn van drie jaar. Uit het arrest van het HvJ EU van 7 september 1999, De Haan Beheer B.V., C-61/99 volgt dat de douaneautoriteiten die op de hoogte zijn van een mogelijke fraude niet verplicht zijn eiseres te waarschuwen dat zij ten gevolge van die fraude douanerechten schuldig kan worden, ook wanneer zij te goeder trouw zou hebben gehandeld. De AM-melding van 30 augustus 2012 - wat ook verder zij van deze melding - maakt voorgaande niet anders. Een dergelijke melding is een waarschuwing aan de lidstaten, maar schept geen verplichting om alle desbetreffende aangiften voortaan, eventueel tot nader order, te controleren. Het ontbreekt de douaneautoriteiten aan de benodigde capaciteit en een dergelijke handelwijze zou het goederenverkeer tussen derde landen en de Europese Unie disproportionele schade toebrengen. Daarnaast kan eiseres in dit geval geen rechten ontlenen aan artikel 41 van het Handvest. In artikel 41, eerste lid, van het Handvest is bepaald dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld. Ingevolge artikel 41, tweede lid, van het Handvest behelst dit recht met name het recht van een ieder om inzage te krijgen in het hem betreffende dossier, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en zakengeheim. Uit de bewoordingen van artikel 41 van het Handvest volgt dat die bepaling niet is gericht tot de lidstaten, maar uitsluitend tot de instellingen, organen en instanties van de Unie (zie het arrest van het HvJ EU van 21 december 2011, Cicala, C-482/10, ECLI:EU:C:2011:868, overweging 28 en het arrest van het HvJ EU van 17 juli 2014, C‑141/12 en C‑372/12, ECLI:EU:C:2014:2081).

19.3.

Gelet op het vorenoverwoge is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een benadeling welke een vernietiging van de utb’s rechtvaardigt.

Oorsprong

20. Tussen partijen is voorts in geschil de oorsprong van de door eiseres ten invoer aangegeven goederen. Verweerder, die op dit punt wenst af te wijken van de aangiften, draagt de bewijslast dat, voor zover het de douanerechten betreft, de goederen niet van preferentiële Maleisische oorsprong zijn en, voor zover het de anti-dumpingrechten betreft, dat de goederen van niet-preferentiële Chinese oorsprong zijn. Verweerder heeft daartoe onder meer de onder de feiten aangehaalde bescheiden van OLAF en de Maleisische autoriteiten overgelegd.

21. Uit de OLAF-rapporten volgt dat OLAF, in samenwerking met de Maleisische autoriteiten, heeft vastgesteld dat zendingen aluminium wielen van Chinese oorsprong zijn uitgevoerd uit China en vervolgens binnengebracht in Port Klang, dat binnen de FZPK de oorsprong van de goederen niet kan worden gewijzigd omdat iedere vorm van be- of verwerking binnen de FZPK verboden is, en dat uitsluitend herpakken van de goederen is toegestaan, zodat alle goederen in dezelfde staat de FZPK verlaten als waarin ze zijn binnengekomen. Voor alle goederen die in de FZPK worden binnengebracht moet een inslag-aangifte (ZB1) worden gedaan. De goederen zijn vanuit deze vrije zone naar de EU getransporteerd. Uit de onderdelen 1.1 en 3.1 tot en met 3.2 van het Mission Report en de onderdelen 2.1 en 2.2 van het Final Report blijkt dat de Maleisische autoriteiten bestanden aan OLAF ter beschikking hebben gesteld, waaronder bestanden met inslagen (ZB1) en uitslagen (ZB2) van goederen in en uit de vrije zone van FZPK, en dat OLAF met hulp van de Maleisische autoriteiten de link heeft kunnen leggen tussen de in deze bestanden vermelde inslagen van aluminium wielen uit China en de wederuitvoer van diezelfde aluminium wielen naar de Europese Unie. Deze match heeft onder meer geleid tot overzichten betreffende de zendingen die onderwerp zijn van de bestreden utb’s. In deze overzichten wordt onder meer melding gemaakt van de oorsprong zoals die is aangegeven bij aankomst in FZPK, het registratienummer waaronder de goederen in FZPK zijn aangekomen (ZB1), het registratienummer waaronder de goederen FZPK hebben verlaten (ZB2), het nummer van de container waarin het vervoer naar de EU heeft plaatsgevonden en het gewicht van de goederen. De vermelde containernummers en gewichten komen overeen met de vermelding op de aangiften waarop de navordering betrekking heeft.

22. Het terzijde stellen van de bevindingen van een onderzoeksmissie door de OLAF is dusdanig ingrijpend, dat dit in het algemeen slechts gerechtvaardigd zal zijn, indien de door eiseres aangevoerde grieven tegen de bevindingen van de onderzoeksmissie van de OLAF dermate ernstig zijn, dat geen geloofwaardigheid aan de bevindingen van de OLAF (meer) kan worden toegekend. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiseres tegen de conclusies van de OLAF heeft ingebracht niet van dien aard is dat de bevindingen van de onderzoeksmissie van de OLAF geen stand kunnen houden. De enkele stelling van eiseres ter zitting dat ze niet wil reageren op de visie van verweerder ten aanzien van de oorsprong en dat zij dat eventueel zal doen in hoger beroep is daartoe onvoldoende. Verweerder kon en mocht derhalve afgaan op de bevindingen van de OLAF.

23. Gelet op de bevindingen in de onderzoeksrapporten van de OLAF en het overzicht ZB1/ZB2 heeft verweerder in ruim voldoende mate aannemelijk gemaakt dat de in de aangiften en de certificaten van oorsprong vermelde aluminium wielen niet van Maleisische preferentiële oorsprong zijn maar van Chinese niet-preferentiële oorsprong zijn, en kan worden aangenomen dat de aluminium wielen, afkomstig uit China, in de genoemde containers in Nederland in het vrije verkeer zijn gebracht. Hieruit volgt dat verweerder de douanerechten en antidumpingrechten in beginsel terecht heeft nagevorderd.

Artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW

24. Ingevolge artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, eerste alinea, van het CDW gaan de douaneautoriteiten niet over tot boeking achteraf van douanerechten wanneer boeking van het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten achterwege is gebleven ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan. De tweede alinea bepaalt dat wanneer de preferentiële status van goederen aan de hand van een systeem van administratieve samenwerking wordt vastgesteld waarbij de instanties van een derde land betrokken zijn, de afgifte door deze instanties van een onjuist certificaat wordt aangemerkt als een vergissing in de in de eerste alinea bedoelde zin, die redelijkerwijze niet kon worden ontdekt. Volgens de derde alinea wordt de afgifte van een onjuist certificaat echter niet als een vergissing aangemerkt, wanneer het is gebaseerd op een onjuiste weergave van feiten door de exporteur, behalve indien met name de instanties die het certificaat afgaven klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen.

25. Uit onder meer de onderdelen 3.1.2 en 3.2 van het Mission Report en de onderdelen 1.4 en 4.2 van het Final Report volgt naar het oordeel van de rechtbank dat in negen gevallen in de aanvragen van de Formulieren A voor [B BEDRIJF] ten onrechte de letter ‘P’ is vermeld terwijl de exporteurs wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet van oorsprong uit Maleisië waren. De Maleisische autoriteiten hebben zich bij de afgifte van de certificaten van oorsprong klaarblijkelijk vergist, doch naar het oordeel van de rechtbank hoeft boeking achteraf desondanks niet achterwege te blijven nu sprake is van misleiding door de exporteur. Uit onder meer de onderdelen 3.1.3 en 3.2 van het Mission Report volgt voorts dat de overige formulieren A vervalst zijn nu deze formulieren A niet zijn afgegeven door de bevoegde autoriteit, MITI.

26. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eiseres op artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW faalt, reeds omdat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde. De vraag of aan de tweede en derde voorwaarde van artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW is voldaan, behoeft derhalve geen beantwoording.

Verzoeken om terugbetaling ex artikel 239 van het CDW

27. De rechtbank is van oordeel dat verweerder een beslissing heeft genomen op de drie verzoeken om terugbetaling ex artikel 239 van het CDW en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt voorop dat tegen een utb zowel een bezwaarschrift als een verzoek om terugbetaling kan worden ingediend en dat dit separate procedures zijn die naast elkaar kunnen bestaan. Een beslissing op een verzoek om terugbetaling is in zoverre vormvrij dat hij kan worden opgenomen in dezelfde brief als een uitspraak op bezwaar. Nu verweerder in de uitspraak op bezwaar inhoudelijk uitgebreid is ingegaan op hetgeen eiseres heeft gesteld ten aanzien van artikel 239 van het CDW en deze overwegingen verder gaan dan een enkele opmerking, zoals verweerder heeft betoogd, heeft verweerder een beslissing genomen op de drie verzoeken om terugbetaling. Het is - buiten het geval waarin verweerder hiervoor toestemming verleent, waarvan niet is gebleken - niet mogelijk om tegen een beslissing op een verzoek om terugbetaling rechtstreeks beroep in te stellen bij de rechtbank (artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)). In zoverre zal de rechtbank het beroepschrift voor zover gericht tegen de beslissing op de verzoeken om terugbetaling aanmerken als bezwaarschrift en zal de rechtbank dit stuk op de voet van artikel 6:15, tweede lid, van de Awb doorsturen naar verweerder, zodat hij het als bezwaarschrift in behandeling kan nemen. Vervolgens kan eiseres desgewenst tegen de daarop volgende uitspraak op bezwaar beroep instellen.

28. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

29. De rechtbank zal gelet op hetgeen in 17.2 is overwogen verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.250 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 501 en een wegingsfactor 1,5 wegens samenhang).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- draagt de griffier op het beroepschrift op de voet van artikel 6:15, tweede lid, van de Awb door te zenden aan verweerder ter behandeling als bezwaarschrift tegen de beslissing op de drie verzoeken om terugbetaling ex artikel 239 van het CDW;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.250;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.A. Onderwater, voorzitter, mr. B. van Walderveen en mr. W.M.C. Schipper, rechters, in aanwezigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.