Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:146

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-01-2018
Datum publicatie
10-01-2019
Zaaknummer
AWB - 16 _ 78
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Indeling vloerdelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2019/453
NLF 2019/0170 met annotatie van
Douanerechtspraak 2019/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 16/78

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 januari 2018 in de zaak tussen

[X] , gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Andringa),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 17 december 2014 een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) met kenmerk [A NUMMER] opgelegd aan eiseres voor een bedrag aan douanerechten van in totaal € 119.044,51.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard en de utb gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend stuk ingediend.

Eiseres heeft een conclusie van repliek ingediend.

Op 5 oktober 2017 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Daar zijn verschenen namens eiseres mr. R. Andringa en mr. [A] en namens verweerder mr. M.C.A. Smits, mr. T.J.W. Spanbroek en dr. M. Berkheij.

Overwegingen

Feiten

1. In de periode van 5 september 2012 tot en met 19 augustus 2014 heeft [A BEDRIJF] B.V. als direct vertegenwoordiger van eiseres 56 aangiften gedaan voor de regeling in het vrije verkeer brengen van BPC vloerdelen (“ [A TYPE VLOERDEEL] ” en “ [B TYPE VLOERDEEL] ”), hierna: de vloerdelen. In de aangiften zijn de vloerdelen onder meer omschreven als “vloerplanken van hout polymeer composiet”, “vloerdelen van hout”, “panelen voor vloerbedekking (WPC DECKING)” en “WPC terras vloerdelen” van goederencode 4418 9080 , belast met een douanerecht van 0%.

2. Naar aanleiding van de controle na de invoer bij [A BEDRIJF] B.V., stelt verweerder zich op het standpunt, dat op de vloerdelen de goederencode 3918 9000 van toepassing is, belast met een douanerecht van 6,5%.

3. De vloerdelen bestaan, naar aandeel in de massa, uit:

- 60 % bamboevezels in poedervorm,

- 30 % polyethyleen, en

- 10 % additieven (UV-beschermende en schimmelwerende stoffen, kleurstoffen en bindmiddelen).

4. De vloerdelen zijn langwerpig, 25 mm x 150 mm x 2, 3, 4 of 5 meter en hebben een dichtheid van meer dan 1 g/cm³. De bovenkant van de vloerdelen is in de lengte geribbeld. De bovenkanten van de ribbels en de onderkant van de vloerdelen hebben een houtachtig uitziende textuur. Het overige oppervlak van de vloerdelen is glad, beide lange zijden hebben een groef voor bevestiging.

5. De vloerdelen zijn in twee varianten in het vrije verkeer gebracht: [A TYPE VLOERDEEL] en [B TYPE VLOERDEEL] . [A TYPE VLOERDEEL] is van massief materiaal, [B TYPE VLOERDEEL] bevat holle delen en is daardoor lichter van gewicht en goedkoper dan de pro-variant. De vloerdelen zijn verkrijgbaar in verschillende kleuren (grijs- en bruintinten). De vloerdelen zijn vochtbestendig, duurzaam (rotten niet), maatvast, stijf en onbuigbaar.

6. Tot de gedingstukken behoort een rapport van de Nederlandse Stichting Hout Research (rapport nr. 16.0281 van 9 juni 2016), waarin over de vloerdelen onder meer het volgende wordt opgemerkt:

“BPC staat voor Bamboo Polymer Composite. Dit is een composietmateriaal van Bamboevezel, thermoplastisch kunststof (High Density Poly Ethylene, HDPE) en additieven die geproduceerd worden door middel van extrusie. Het product betreft geprofileerde dekdelen.”

(…)

“Bij de productie van BPC worden de vezels en het thermoplastische bindmiddel eerst in een hoge shear-reactor vermengd tot granulaat dat gevoed wordt in een extruder die het materiaal onder hoge druk en temperatuur door een eindmatrijs perst tot het geprofileerde product.”

(…)

“In principe kan BPC materiaal opnieuw gegranuleerd worden en opnieuw geëxtrudeerd worden tot een nieuw vormpersproduct,…”

(…)

“Door de inbedding van de natuurlijke vezels in het inerte kunststof materiaal zijn BPC producten bestand tegen een grote range van chemische producten en tegen biologische aantastingen”

7. Van de monsters die eiseres en verweerder ter zitting hebben getoond, heeft de rechtbank het volgende waargenomen: de vloerdelen bestaan uit een voor het oog homogene massa, het bamboepoeder is niet afzonderlijk waarneembaar. De getoonde monsters waren lichtbruin respectievelijk donkergrijs van kleur. Verweerder heeft toegelicht dat polyethyleen kleurloos is, de kleur in de vloerdelen afkomstig is van de bamboepoeder en de kleurstoffen. Het houtachtige uiterlijk wordt veroorzaakt door de kleurstoffen en door het proces van extrusie.

Geschil

8. In geschil is de indeling van de vloerdelen in de Gecombineerde Nomenclatuur (GN). Partijen hebben ter zitting verklaard dat de rechtbank kan volstaan met een oordeel over de indeling op postniveau.

9. Eiseres stelt zich op het standpunt, dat de vloerdelen met toepassing van indelingsregel 3b als hout moeten worden ingedeeld, omdat het wezenlijk karakter van de vloerdelen wordt gevormd door de bamboe. Het mengsel bestaat voor 60% uit bamboe en de bamboe dient niet enkel als vulling, de eigenschappen van de vloerdelen zijn (deels) toe te schrijven zijn aan bamboe: water- en vochtbestendig, duurzaam (rot niet), maatvast, stijf en onbuigbaar. Het polyethyleen is slechts een bindmiddel. Indeling in GS-post 3918 is bovendien niet mogelijk, omdat de vloerdelen zich niet op rollen bevinden of de vorm van tegels hebben. Primair moet indeling plaatsvinden als hout van GS-post 4409 , subsidiair als verdicht hout van GS-post 4413 dan wel als andere houtwaren van GS-post 4421 .

Indeling als vezelplaat is naar de mening van eiseres niet mogelijk, omdat dit naar uiterlijk en verschijningsvorm, gebruikstoepassing, productiewijze, samenstelling en gedrag van het kunststof bindmiddel, totaal verschillende materiaaltypen zijn. Indeling als verdicht hout is naar de mening van eiseres wel mogelijk, omdat het extruderen kan worden gezien als de fysische behandeling om van hout verdicht hout te maken.

10. Verweerder stelt, dat de vloerdelen met toepassing van indelingsregel 3b als kunststoffen platen in GS-post 3918 moeten worden ingedeeld, omdat zij hun wezenlijke karakter (water- en vochtbestendig, duurzaam (rot niet), maatvast, stijf en onbuigbaar) ontlenen aan het polyethyleen. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 7 oktober 2004, nr. C-379/02 (Impexo Trading A/S), kunnen de vloerdelen worden aangemerkt als ‘vloerbedekking van kunststof in tegels’. Verweerder beroept zich voor de aangiften die zijn gedaan in de periode na 11 april 2013 ook op toepassing van de indelingsverordening (EU) Nr. 276/2013. In die indelingsverordening worden soortgelijke dekplanken ingedeeld als vloerbedekking van kunststof. Subsidiair stelt verweerder, dat de vloerdelen moeten worden ingedeeld als ‘Andere platen, vellen, foliën, stroken en strippen, van kunststof’ in GS-post 3921 , of in GS-post 4411 als ‘Vezelplaat van houtvezels (…) ook indien gebonden met harsen of met andere organische bindmiddelen’.

11. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Toepasselijk recht

12. GS-post 3918 luidt, voor zover relevant:

“Vloerbedekking van kunststof, ook indien zelfklevend, op rollen of in tegels; …”

GS-post 3921 luidt:

“Andere platen, vellen, foliën, stroken en strippen, van kunststof”

Aantekening 1 op hoofdstuk 39 luidt:

“In de nomenclatuur worden als “kunststof” aangemerkt, die stoffen bedoeld bij de posten 3901 tot en met 3914 , die de eigenschap hebben of gehad hebben om, tijdens de polymerisatie of in een later stadium, onder inwerking van uitwendige krachten (meestal warmte en druk, eventueel onder toevoeging van een oplosmiddel of een weekmaker), door gieten, persen, extruderen, walsen of elk ander proces een bepaalde vorm aan te nemen en die vorm te bewaren, ook nadat de bedoelde uitwendige krachten niet meer inwerken”

GS-post 4409 luidt:

“Hout (niet-ineengezette plankjes voor parketvloeren daaronder begrepen), waarvan ten minste een zijde of uiteinde over de gehele lengte is geprofileerd (geploegd, van sponningen voorzien, afgerond met V-verbindingen of dergelijke), ook indien geschaafd, geschuurd of in de lengte verbonden”

GS-post 4411 luidt:

“Vezelplaat van houtvezels of van andere houtachtige vezels, ook indien gebonden met harsen of met andere organische bindmiddelen”

GS-post 4413 luidt:

“Verdicht hout, in blokken, in planken, in stroken of in profielen”

GS-post 4418 luidt, voor zover relevant:

“Schrijn- en timmerwerk voor bouwwerken, …”

GS-post 4421 luidt:

“Andere houtwaren”

Aantekening 2 op hoofdstuk 44 luidt:

“Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als “verdicht hout” aangemerkt, massief of opeengelijmd hout, dat een chemische of fysische behandeling heeft ondergaan (voor het opeengelijmde hout verder gaande dan nodig om de samenhang te verzekeren) zodanig dat een beduidende verhoging van de dichtheid en van de hardheid, alsmede een groter weerstandsvermogen tegen mechanische, chemische of elektrische invloeden is teweeggebracht”.

Aantekening 6 op hoofdstuk 44 luidt:

“Behoudens het bepaalde in aantekening 1 hiervoor en voor zover uit de context niet het tegendeel blijkt, is de vermelding van “hout” in een post van dit hoofdstuk eveneens van toepassing op bamboe en andere houtachtige stoffen.”

Beoordeling van het geschil

13. Voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken. Het is vaste jurisprudentie van het HvJ dat omwille van de rechtszekerheid en ter vergemakkelijking van de controles, het beslissende criterium voor de tariefindeling van de goederen in beginsel moet worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de tekst van de GN en in de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken zijn vastgelegd.

14. De vloerdelen bestaan uit bamboepoeder, polyethyleen en diverse additieven en zijn als zodanig samengesteld uit verschillende stoffen. De rechtbank is van oordeel, dat de vloerdelen niet kunnen worden ingedeeld in GS-post 4411 . De vloerdelen zijn naar hun aard en samenstelling, alsmede gelet op het productieproces, hun uiterlijk en hun toepassing geen vezelplaten van GN-post 4411 . Hetzelfde heeft te gelden voor indeling als verdicht hout in GS-post 4413 . Gelet op de aard en samenstelling van de producten en de wijze van vervaardiging kan niet worden gezegd dat sprake is van verdicht hout zoals omschreven in aantekening 2 op hoofdstuk 44.

15. Ingevolge indelingsregel 3a heeft de tariefpost met de meest specifieke omschrijving voorrang boven posten met een meer algemene strekking. Nu echter meerdere posten elk afzonderlijk slechts betrekking hebben op een gedeelte van de stoffen of bestanddelen waaruit de vloerdelen zijn samengesteld, is indelingsregel 3b van toepassing en moeten de vloerdelen worden ingedeeld naar de stof of het bestanddeel waaraan zij hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald.

16. De massa van de vloerdelen bestaat voor 60% uit bamboepoeder, voor 30% uit polyethyleen en voor 10% uit additieven. Anders dan eiseres stelt, betekent dit niet dat zij al hierdoor hun wezenlijk karakter ontlenen aan het bamboepoeder. De eigenschappen die eiseres toeschrijft aan bamboe in het algemeen, zijn naar het oordeel van de rechtbank niet onverkort van toepassing op het bamboepoeder dat in de onderhavige vloerdelen is gebruikt. Van het bamboepoeder kan niet worden gezegd dat het de vloerdelen vochtbestendig, duurzaam, maatvast of stijf en onbuigbaar maakt. Deze eigenschappen ontlenen de vloerdelen, gelet op de omschrijving ervan zoals hiervoor onder de feiten weergegeven, aan het polyethyleen. Het houten uiterlijk ontlenen de vloerdelen aan de kleurstoffen en het productieproces. In deze omstandigheden is het bamboepoeder een vulmiddel dat niet het wezenlijk karakter van de vloerdelen vormt. Gelet op de belangrijkheid van de samenstellende stoffen ten opzichte van het gebruik dat van de vloerdelen wordt gemaakt, vormt het polyethyleen het wezenlijk karakter van de vloerdelen.

17. Polyethyleen is een kunststof in de zin van aantekening 1 op hoofdstuk 39. In het arrest Impexo Trading A/S (reeds aangehaald) oordeelde het HvJ over ‘vloerbedekking van kunststof in tegels’ van GS-post 3918 , dat tegels, in de gebruikelijke betekenis een speciale soort van platen zijn, die worden gemaakt om een oppervlakte te bedekken. Meer in algemene zin is een tegel een plaat die op een oppervlak wordt gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank voldoen de onderhavige vloerdelen aan deze omschrijving, zodat zij kunnen worden aangemerkt als ‘vloerbedekking van kunststof in tegels’ in de zin van GS-post 3918 . Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in de uitvoeringsverordening (EU) Nr. 276/2013 van de Commissie van 19 maart 2013 (PbEU 2013, L 84) waarin dekplanken van vergelijkbare samenstelling en met vergelijkbare eigenschappen als de onderhavige vloerdelen worden ingedeeld als vloerbedekking van kunststof van GS-postpost 3918 .

18. Al het vorengaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de vloerdelen moeten worden ingedeeld in GS-post 3918 . Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

19. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.A. Onderwater, voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.