Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:1389

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
HAA 17/1476
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2017 heeft verweerder geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van 56 appartementen op de locatie hoek Arcadialaan en Rhijnvis Feithlaan te Alkmaar.

Dit besluit berust op de weigering van de gemeenteraad voor het bouwplan een verklaring van geen bedenkingen af te geven.

De rechtbank is van oordeel dat de gemeenteraad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening vanwege de parkeerbehoefte. De verklaring van geen bedenkingen is ten onrechte om deze reden geweigerd. Verweerder heeft zich bij de weigering van de omgevingsvergunning niet op de beslissing van de gemeenteraad omtrent de verklaring van geen bedenkingen mogen baseren.

Wetsverwijzingen
Besluit omgevingsrecht 6.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2018/7805
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/1476

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 februari 2018 in de zaak tussen

de besloten vennootschap Timpaan Vastgoed B.V., te Rijsenhout, eiseres

(gemachtigde: mr. A.B. Blomberg),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C.W. van der Poel en mr. S. Smit).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

  1. de raad van de gemeente Alkmaar, te Alkmaar, gemachtigde: mr. E.C.W. van der Poel;

  2. de besloten vennootschap Raetsheren van Orden B.V., te Alkmaar;

  3. de besloten vennootschap Tulip Inn Alkmaar B.V., te Alkmaar, gemachtigde: mr. P.G. Wemmers;

  4. de besloten vennootschap Victory Wok B.V. te Alkmaar, gemachtigde: mr. P.G. Wemmers;

  5. [derde belanghebbende] , te [woonplaats] ;

  6. [derde belanghebbenden] , te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2017 heeft verweerder geweigerd aan Timpaan Vastgoed B.V. omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van 56 appartementen op de locatie hoek Arcadialaan en Rhijnvis Feithlaan te Alkmaar.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift en een nader verweerschrift (mede namens de raad van de gemeente Alkmaar) ingediend.

Tulip Inn Alkmaar B.V. en Victory Wok B.V. hebben een zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2017. Eiseres is vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Wedding, J. Uljee en R. Olthof, bijgestaan door zijn gemachtigden. Namens de raad van de gemeente Alkmaar (gemeenteraad) zijn zijn gemachtigde en mr. [naam 3] verschenen. Namens de besloten vennootschap Tulip Inn Alkmaar B.V. zijn verschenen [naam 4] en [naam 5] , bijgestaan door haar gemachtigde. Namens de besloten vennootschap Victory Wok B.V. zijn verschenen [naam 6] en [naam 7] , bijgestaan door haar gemachtigde. Voorts is verschenen [derde belanghebbende] .

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. Het project waarvoor vergunning is gevraagd ziet op het bouwen van een appartementencomplex (Victory Veste) met 56 appartementen op de locatie hoek Arcadialaan en Rhijnvis Feithlaan te Alkmaar (bouwplan). De gronden zijn thans feitelijk in gebruik als parkeerterrein. Naar aanleiding van een eerdere aanvraag heeft de gemeenteraad op 3 april 2014 besloten tot het afgeven van een ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor de bouw van 64 appartementen op deze gronden. Nadat daartegen zienswijzen waren ingediend is die aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning ingetrokken.

2.1

Verweerder heeft het bouwplan getoetst aan het ter plaatste geldende bestemmingsplan “Overdie, Omval en bedrijventerrein Oudorp” (het bestemmingsplan), dat is vastgesteld op 16 mei 2013. Op de gronden rust de bestemming “kantoor”. Tussen partijen is niet in geschil dat het project in strijd is met het bestemmingsplan omdat de functie “wonen” niet past binnen de geldende bestemming “kantoor”, de bebouwing deels buiten het bouwvlak wordt gerealiseerd en de in het bestemmingsplan toegestane maximale bouwhoogte wordt overschreden. Deze strijdigheid kan alleen worden opgeheven met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De beslissing om al dan niet met toepassing van dit artikel omgevingsvergunning te verlenen behoort tot de bevoegdheid van verweerder. Gelet op het bepaalde in artikel 2.27, eerste lid van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), kan een omgevingsvergunning in dit geval niet worden verleend dan nadat de gemeenteraad heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te hebben. Ingevolge artikel 2.20a van de Wabo dient de omgevingsvergunning in zoverre te worden geweigerd indien de verklaring is geweigerd. Op grond van artikel 6.5, tweede lid, van het Bor kan de gemeenteraad deze verklaring van geen bedenkingen slechts weigeren in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

2.2

Op 2 juni 2016 heeft de gemeenteraad de verklaring van geen bedenkingen voor het realiseren van een appartementencomplex met 56 appartementen geweigerd. Het bouwplan is, zo stelt de gemeenteraad, in strijd met een goede ruimtelijke ordening omdat het bouwplan leidt tot een verslechtering van de parkeersituatie in het projectgebied en de omliggende wijk. Voorts wordt ter motivering vermeld dat tegen de ontwerpverklaring van geen bedenkingen uit 2014 een veertigtal zienswijzen zijn ingediend en de ontwikkelaar het plan waarop de ontwerpverklaring zag, heeft teruggetrokken. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat voor dat plan een definitieve verklaring van geen bedenkingen zou zijn afgegeven.

2.3

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de omgevingsvergunning geweigerd omdat hij niet bevoegd is deze te verlenen wegens het ontbreken van de verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad. Het beroep omvat in dit soort gevallen gelet op vaste rechtspraak mede de rechtmatigheid van het besluit van de gemeenteraad omtrent de verklaring van geen bedenkingen. Daarbij geldt dat de beslissing van de gemeenteraad om de verklaring van geen bedenkingen te weigeren door de rechter slechts terughoudend kan worden getoetst, dat wil zeggen dat de rechter zich moet beperken tot de vraag of de gemeenteraad in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

3.1

Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Zij voert daartoe aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan leidt tot een onevenredige parkeerdruk op de omgeving. Ten onrechte wordt het reeds bestaande parkeertekort daarbij door verweerder op het bouwplan van eiseres afgewenteld.

3.2

Bij brief van 20 november 2017 heeft verweerder verklaringen van Timpaan Vastgoed B.V. en de Admiraliteit Holding B.V. uit 2010 overlegd. Eiseres betoogt dat deze brief met bijlagen wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat de stukken dateren uit 2010 en derhalve al jarenlang in bezit van en bekend bij verweerder waren.

3.3

Ook na afloop van de beroepstermijn kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.

3.4

Gelet op de beperkte aard en omvang van de stukken, het feit dat de tekening waarnaar in de verklaring van eiseres wordt verwezen, ook al een paar dagen eerder was ingediend (bij brief van 17 november 2017), is niet aannemelijk dat de tijd tot aan de zitting te kort was om daarop te reageren. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moeten worden gelaten.

3.5

De gronden waarop het bouwplan is beoogd, waren ten tijde van de bestreden besluitvorming en zijn ook op dit moment onbebouwd, deels verhard met klinkers en in gebruik als parkeerterrein. Bij de beoordeling van een bouwplan heeft evenwel niet de feitelijke maar de planologische situatie als vertrekpunt te gelden. Uit het bestemmingsplan volgt dat de gronden waarop het bouwplan is beoogd, bij de inwerkingtreding in 2013 niet als (zelfstandig) parkeerterrein zijn bestemd maar dat deze een kantoorbestemming hebben gekregen, ten behoeve waarvan overigens wel parkeervoorzieningen mogen worden getroffen. Omdat deze gronden niet als parkeerterrein zijn bestemd, mag met het verlies van de feitelijk gerealiseerde parkeerplaatsen, anders dan de gemeenteraad stelt, geen rekening worden gehouden bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het onderhavige bouwplan. De door verweerder naar voren gebrachte stukken, waaronder de vergunning aan P.H. Beleggingsmaatschappij, de akte van levering van 18 november 2011 voor Victory Building en het Victory Trade Center en een verklaring uit 2010 van eiseres, waaruit zou blijken dat het de bedoeling is geweest ter plaatse parkeerplaatsen te realiseren kunnen er niet aan afdoen dat op de gronden de bestemming “kantoor” rust. Daarbij komt dat deze stukken dateren van vóór de vaststelling van het thans geldende bestemmingsplan. Dit acht de rechtbank van belang omdat de gemeenteraad in deze stukken kennelijk geen aanleiding heeft gezien aan de gronden een parkeerbestemming toe te kennen.

3.6

Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:133) overweegt de rechtbank dat bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening behoort te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten.

Het bestemmingsplan voorziet niet in parkeernormen. De aanvraag is getoetst aan de nota “Parkeernormen 2007-2015”. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van deze normen, het bouwplan moet voorzien in 62 parkeerplaatsen. Nu het plan voorziet in het realiseren van 157 parkeerplaatsen, waarvan 110 op de onderhavige gronden, wordt aan de parkeernormen (ruimschoots) voldaan. Ook dat is tussen partijen niet in geschil.

3.7

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het bouwplan niet vanwege de behoefte aan parkeerplaatsen negatief van invloed is op het woon- en leefklimaat ter plaatse. De stelling van verweerder ter zitting dat voor het onderhavige bouwplan meer parkeerplaatsen nodig zijn dan voor een kantoorgebouw dat in overeenstemming met het bestemmingsplan zou worden gerealiseerd, en dat het onderhavige bouwplan dus leidt tot een toename van het bestaande tekort maakt dat niet anders. Ook een dergelijk kantoorgebouw zal immers in de eigen parkeerbehoefte moeten voorzien. Bovendien geldt, zoals eiseres terecht stelt, dat de gemeenteraad het bestaande parkeertekort in de (directe) omgeving van de gronden waarop het bouwplan is beoogd niet in aanmerking mag nemen bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bouwplan. De gemeenteraad heeft dit miskend.

4.1

Eiseres stelt dat de gemeenteraad met het afgeven van de ontwerpverklaring van geen bedenkingen in 2014 het vertrouwen heeft gewekt dat bereidheid bestaat om mee te werken aan het bouwplan en dat de gemeenteraad met het afgeven daarvan de eigen beleidsruimte om de verklaring van geen bedenkingen alsnog te weigeren, heeft beperkt.

4.2

Naar het oordeel van de rechtbank is de gemeenteraad niet enkel vanwege de eerdere ontwerpverklaring van geen bedenkingen gehouden thans tot een inwilligende verklaring te komen. Nog daargelaten dat over deze ontwerpverklaring geen definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden, is van belang dat de gemeenteraad bij zijn beslissing een verklaring van geen bedenkingen voor het onderhavige bouwplan te weigeren niet is teruggekomen op het eerder ingenomen standpunt dat het bouwplan dient te voldoen aan de parkeernormen zoals die volgen uit het ter zake geldende beleid. Bij de ontwerpverklaring van geen bedenkingen uit 2014 ging de gemeenteraad ervan uit dat het bouwplan dat toen voorlag, aan deze parkeernormen voldeed. Bij de beoordeling van het huidige bouwplan heeft de gemeenteraad vastgehouden aan het belang van voldoende parkeergelegenheid. Zoals hiervoor is overwogen heeft de gemeenteraad daarbij evenwel ten onrechte de feitelijk aanwezige parkeerplaatsen en de bestaande parkeerdruk in de omgeving in aanmerking genomen.

5. Gelet op al het voorgaande heeft de gemeenteraad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening vanwege de parkeerbehoefte. Hij heeft de verklaring van geen bedenkingen daarom ten onrechte om deze reden geweigerd. Dit betekent dat verweerder zich bij de weigering van de omgevingsvergunning niet op beslissing van de gemeenteraad omtrent de verklaring van geen bedenkingen heeft mogen baseren.

6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet geen mogelijkheden voor definitieve geschilbeslechting. Daartoe is redengevend dat verweerder de aanvraag opnieuw zal moeten voorleggen aan de gemeenteraad die bij het besluit al dan niet een verklaring van geen bedenkingen af te geven beleidsvrijheid heeft. Verweerder zal derhalve worden opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat de aanvraag opnieuw aan de gemeenteraad moet worden voorgelegd, draagt de rechtbank verweerder op binnen 26 weken na de datum waarop de uitspraak is verzonden opnieuw op de aanvraag te beslissen.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zesentwintig weken na de datum waarop de uitspraak is verzonden een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzitter, en mr. D.M. de Feijter en mr. S.M. van Velsen, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2018.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.