Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:1365

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
6485300 \ AO VERZ 17-155
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst op grond van ernstig verwijtbaar handelen werknemer. Werknemer heeft zich ziek gemeld en daarna niets meer van zich laten horen, behalve dat hij een adreswijziging in zijn digitale personeelsdossier heeft ingevoerd. Gebleken is dat werknemer naar het buitenland is vertrokken, met onbekende woon-of verblijfplaats

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie [Haarlem]

Zaaknr.: 6485300 \ AO VERZ 17-155

Uitspraakdatum: 16 februari 2018

Beschikking in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Koninklijke PostNL B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage

verzoekende partij

verder te noemen: de werkgeefster

gemachtigde: mr. N. Bakker

tegen

[verweerder] ,

onbekende woon- of verblijfplaats

verwerende partij

verder te noemen: de werknemer

1 Het procesverloop

1.1.

De werkgeefster heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. De werknemer heeft, ondanks daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid te zijn gesteld, geen verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 19 januari 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. Voorafgaand aan de zitting heeft de werkgeefster bij brief van 11 december 2017 nog een stuk toegezonden. De werknemer is niet ter zitting verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen de werkgeefster verder ter toelichting van haar standpunt naar voren heeft gebracht.

2 De feiten

2.1.

De werkgeefster houdt zich bezig met het uitoefenen van activiteiten op het gebied van vervoer en de bezorging van postzendingen en goederen in de ruimste zin van het woord.

2.2.

De werknemer, geboren [geboortedatum] , is op 22 december 2014 in dienst getreden bij de werkgeefster. De laatste functie die de werknemer vervulde, is die van postbezorger, met een salaris van € 504,49 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. Op de arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen van de cao voor Postbezorgers van toepassing.

2.3.

Op 21 april 2017 heeft de werknemer zich ziekgemeld.

2.4.

Bij brief van 4 mei 2017 is de werknemer uitgenodigd voor het spreekuur van de bedrijfsarts op 16 mei 2017. Deze brief is per gewone post naar het bij de werkgeefster bekende adres van de werknemer te [woonplaats 1] verstuurd.

2.5.

Op 10 mei 2017 heeft de werknemer op de intranetsite van de werkgeefster (‘mijn werk’) zijn adresgegevens gewijzigd van [woonplaats 1] naar [woonplaats 2] .

2.6.

Op 16 mei 2017 is de werknemer niet verschenen bij de bedrijfsarts.

2.7.

Op 8 juni 2017 heeft de heer [XX] , teamleider (hierna: [XX] , telefonisch contact gehad met de werknemer.

2.8.

Bij brief van 26 juni 2017 is de werknemer opnieuw uitgenodigd voor het spreekuur van de bedrijfsarts op 30 juni 2017. Deze brief is per gewone post verstuurd naar het adres te [woonplaats 2] dat de werknemer zelf op 10 mei 2017 in ‘mijn werk’ heeft genoteerd. Op dit spreekuur is de werknemer wederom niet verschenen.

2.9.

Op 4, 18 en 19 juli 2017 heeft [XX] de werknemer op zijn bij de werkgeefster bekende mobiele telefoonnummer gebeld en voicemailberichten ingesproken met een terugbelverzoek. De werknemer heeft niet gereageerd.

2.10.

Bij brief van 25 juli 2017 is de werknemer uitgenodigd voor het spreekuur van de bedrijfsarts op 28 juli 2017, waarbij hem is medegedeeld dat indien hij hierbij niet verschijnt zijn loon wordt opgeschort. Daarbij wordt hem verzocht een verklaring te geven voor het niet naleven van zijn re-integratieverplichtingen. Deze brief is per aangetekende post naar het bij de werkgeefster bekende adres te [woonplaats 2] verstuurd en is eveneens in ‘mijn werk’ geplaatst.

2.11.

De uitnodiging voor het spreekuur van 28 juli 2017 is ook door de bedrijfsarts per brieven van 18 en 26 juli 2017 naar de werknemer verstuurd.

2.12.

De werknemer is niet op het spreekuur van de bedrijfsarts van 28 juli 2017 verschenen en heeft evenmin een verklaring voor het niet naleven van zijn re-integratieverplichtingen gegeven.

2.13.

De werkgeefster heeft de administratieafdeling opdracht gegeven om het loon van de werknemer per 28 juli 2017 op te schorten.

2.14.

Bij brief van 1 augustus 2017 heeft de werkgeefster de werknemer opnieuw opgedragen om uiterlijk 8 augustus 2017 een verklaring te geven voor het schenden van zijn re-integratieverplichtingen. Daarbij wordt de werknemer voor de vierde keer uitgenodigd voor het spreekuur van de bedrijfsarts op 8 augustus 2017. De brief is per aantekende post naar het adres in [woonplaats 2] en naar het bij de werkgeefster bekende e-mailadres van de werknemer verstuurd. Daarbij is de brief in ‘mijn werk’ geplaatst.

2.15.

De uitnodiging voor het spreekuur van 8 augustus 2017 is ook door de bedrijfsarts per brief van 1 augustus 2017 naar de werknemer verstuurd.

2.16.

De werknemer is niet op het spreekuur van de bedrijfsarts van 8 augustus 2017 verschenen en heeft evenmin een verklaring voor het niet naleven van zijn re-integratieverplichtingen gegeven.

2.17.

Per aangetekende brief van 17 augustus 2017 deelt de werkgeefster aan de werknemer mee dat de loonopschorting per heden wordt omgezet in een loonstop. Daarbij wordt de werknemer in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 19 augustus 2017 een verklaring te geven voor het niet naleven van zijn re-integratie verplichtingen, waarbij hij er op wordt gewezen dat hij rekening moet houden met een disciplinaire maatregel indien hij binnen de genoemde termijn geen verklaring heeft gegeven. De werknemer heeft niet gereageerd op deze brief.

2.18.

Op 25 augustus 2017 heeft de werkgeefster een deskundigenoordeel bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) aangevraagd.

2.19.

Op verzoek van de gemachtigde van de werkgeefster heeft de gemeente [woonplaats 2] op 30 augustus 2017 bericht dat de werknemer nooit op het door hem aan de werkgeefster doorgegeven adres te [woonplaats 2] ingeschreven heeft gestaan.

2.20.

Uit het afschrift van de gemeente Den Haag van 5 september 2017 blijkt dat bijhouding in de Basisregistratie Personen (BRP) ten aanzien van de werknemer per 26 april 2017 is opgeschort wegens “emigratie”. De verblijfplaats van de werknemer in het buitenland is onbekend.

2.21.

Bij brief van 19 september 2017 heeft de werkgeefster de werknemer een laatste kans gegeven om uiterlijk 26 september 2017 van zich te laten horen met als waarschuwing dat indien niet binnen de gestelde termijn van hem is vernomen, een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt ingediend. Deze brief is zowel per aangetekende als per gewone post naar de bij de werkgeefster bekende (voormalige) adressen te [woonplaats 1] en te [woonplaats 2] verstuurd. De post is niet retour gekomen.

2.22.

Het UWV heeft per e-mail en per brief van 16 oktober 2017 te kennen gegeven geen deskundigenoordeel te kunnen geven, omdat zij geen contact met de werknemer kunnen krijgen.

2.23.

De griffier van de rechtbank heeft op 18 januari 2018 een uittreksel uit het bevolkingsregister van de werknemer opgevraagd (artikel 2.2.8 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbank, kantonzaken). Hieruit volgt dat bijhouding in de BRP ten aanzien van de werknemer per 26 april 2017 is opgeschort wegens “emigratie”. De verblijfplaats van de werknemer in het buitenland is onbekend.

3 Het verzoek

3.1.

De werkgeefster verzoekt de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW (primair), onderdeel g BW (subsidiair) dan wel onderdeel h BW (meer subsidiair). De werkgeefster verzoekt dit toe te wijzen zonder inachtneming van een opzegtermijn en zonder toekenning van een transitievergoeding. Alles met veroordeling van de werknemer in de kosten van de procedure.

3.2.

Aan dit verzoek legt de werkgeefster primair ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – (ernstig) verwijtbaar handelen van de werknemer, subsidiair van een verstoorde arbeidsverhouding en meer subsidiair van omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgeefster redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.3.

Ter onderbouwing daarvan heeft de werkgeefster het volgende naar voren gebracht. De werknemer heeft – ondanks de vele verzoeken en waarschuwingen van de werkgeefster – na zijn ziekmelding van 21 april 2017 niet voldaan aan de op hem rustende wettelijke re-integratieverplichtingen en de verzuimvoorschriften van de werkgeefster. Zelfs een loonopschorting en een loonstop hebben de werknemer daartoe niet kunnen bewegen. Na het telefonisch contact van 8 juni 2017 is – ondanks alle inspanningen van de werkgeefster om contact te krijgen – niets meer van de werknemer vernomen, terwijl hij nog wel op 10 juni 2017 in ‘mijn werk’ zijn adresgegevens van [woonplaats 1] naar [woonplaats 2] heeft gewijzigd. De werkgeefster heeft vernomen dat de werknemer zou zijn geëmigreerd.

4 Het verweer

4.1.

De werknemer heeft, ondanks daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid te zijn gesteld, geen verweer gevoerd.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 271 Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat de oproeping van verzoekers of van in de procedure verschenen belanghebbenden geschiedt door de griffier bij gewone brief, tenzij de rechter anders bepaalt. Uit artikel 272 Rv volgt dat de oproeping van niet in de procedure verschenen belanghebbenden van wie de woonplaats of het werkelijk verblijf onbekend zijn geschiedt door plaatsing van de oproeping in de Staatscourant. De rechter kan bepalen dat de oproeping tevens op andere wijze geschiedt.

5.2.

Op 22 november 2017 heeft de werkgeefster het verzoekschrift naar de beide bij de werkgeefster bekende (voormalige) postadressen en het bij haar bekende e-mailadres van de werknemer verstuurd. Hierop is geen foutmelding ontvangen en de post is niet retour gekomen. Op 23 november 2017 heeft de griffier van de rechtbank het verzoekschrift (ook per e-mail) aan de werknemer toegezonden, met daarbij het verzoek aan de werknemer om zijn verhinderdata door te geven. Hierop is geen reactie en evenmin een foutmelding ontvangen. Bij fax van 24 november 2017 heeft de werkgeefster haar verhinderdata aan de rechtbank doorgegeven en heeft zij een afschrift van deze fax naar het e-mailadres van de werknemer verstuurd. Hierop is evenmin een foutmelding ontvangen. Op 29 november 2017 heeft de waarnemend kantonrechter bepaald dat de werknemer door de werkgeefster per exploot kan worden opgeroepen voor de mondelinge behandeling. De werkgeefster heeft de werknemer per exploot van 4 december 2017 opgeroepen om ter zitting te verschijnen. Het uittreksel van dit exploot is – gelet op de onbekende woon- of verblijfplaats van de werknemer – op 6 december 2017 in de Staatscourant geplaatst. Op 11 december 2017 heeft de werkgeefster een kopie van de betekening door de deurwaarder van het verzoekschrift en het openbare exploot naar de bij de werkgeefster bekende (voormalige) postadressen en het bij haar bekende e-mailadres van de werknemer verstuurd. Hierop is evenmin een foutmelding ontvangen. De post is niet retour gekomen.

5.3.

Gelet op het voorgaande stelt de kantonrechter vast dat de werknemer behoorlijk is opgeroepen om in de procedure te verschijnen. Desalniettemin is de werknemer niet verschenen. Het is aan de werknemer om ervoor zorg te dragen dat de werkgever beschikt over adressen waarop hij bereikbaar is. Op die adressen is hij met regelmaat aangeschreven en de post is niet retour gekomen noch is een foutmelding op de e-mails ontvangen. Evenmin heeft de werknemer gereageerd op de voicemailberichten die op het door hem opgegeven telefoonnummer, waar hij eerder wel bereikbaar was. De kantonrechter verleent verstek tegen de werknemer.

5.4.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.

5.5.

De kantonrechter stelt vast dat voor de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden – voor zover er sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid van de werknemer – dit gelet op artikel 7:671b lid 6, onderdeel a BW niet in de weg staat aan ontbinding, omdat het verzoek van de werkgeefster geen verband houdt met de ziekte van de werknemer. Het verzoek is immers gebaseerd op het verwijt dat de werknemer niet voldoet aan de op hem rustende wettelijke re-integratieverplichtingen. De werknemer is – ondanks de vele inspanningen van de werkgeefster om in contact te komen met de werknemer – sedert juli 2017 in het geheel onbereikbaar en heeft zich volledig onttrokken aan iedere poging om tot een controle door de bedrijfsarts dan wel een aanvang met de re-integratie te komen.

Aldus kan ook niet worden vastgesteld of de werknemer ten tijde van het uitbrengen van het verzoekschrift arbeidsongeschikt was.

5.6.

Nu het verzoek om ontbinding primair is gegrond op artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW, het zonder deugdelijke grond door de werknemer niet nakomen van – kort gezegd – zijn re-integratieverplichtingen, dient de werkgeefster, gelet op artikel 7:671b lid 5, onderdeel a BW, de werknemer schriftelijk te hebben aangemaand tot nakoming van zijn verplichtingen en een loonstop te hebben ingesteld. Dat heeft de werkgeefster meermalen gedaan. Daarnaast dient de werkgeefster, gelet op artikel 7:671b lid 5, onderdeel b BW, een verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 7:629a BW te overleggen. Het UWV heeft per e-mail en per brief van 16 oktober 2017 te kennen gegeven geen deskundigenoordeel te kunnen geven, omdat zij geen enkel contact met de werknemer kunnen krijgen. De werknemer heeft niet gereageerd op correspondentie. De kantonrechter overweegt dat in dit geval in redelijkheid niet van de werkgeefster kan worden gevergd dat een verklaring als bedoeld in artikel 7:629a BW wordt overgelegd, zodat het niet overleggen hiervan geen reden vormt om het verzoek af te wijzen.

5.7.

Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door de werkgeefster naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW. Daartoe wordt het volgende overwogen. De werknemer heeft – ondanks daartoe door de werkgeefster diverse keren schriftelijk te zijn aangemaand en ondanks het doorvoeren van een loonstop – in het geheel niet voldaan aan de op hem op grond van wet rustende re-integratieverplichtingen. De werkgeefster heeft – ondanks de vele inspanningen daartoe – sinds 8 juni 2017 geen contact meer kunnen krijgen met de werknemer. De onder punt 2 omschreven feiten, alsmede de omstandigheden zoals opgesomd onder punt 5.2, lijken er op te wijzen dat dat de werknemer ervoor gekozen heeft ieder contact met de werkgeefster te mijden en, gelet op de vermelding in de registers, naar het buitenland is vertrokken.

5.8.

De kantonrechter is van oordeel dat gezien het feit dat de arbeidsovereenkomst ontbonden wordt in verband met verwijtbaar handelen en nalaten van de werknemer, herplaatsing niet in de rede ligt.

5.9.

De kantonrechter is voorts van oordeel dat sprake is van zodanig ernstig verwijtbaar handelen zijdens de werknemer dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel b, BW zal worden ontbonden met ingang van heden.

5.10.

Ten aanzien van de transitievergoeding heeft de werkgeefster verzocht te bepalen dat deze vergoeding niet verschuldigd is. De kantonrechter is van oordeel dat geen transitievergoeding verschuldigd is en zal dit verzoek, gezien de ernstige verwijtbaarheid van het handelen dan wel nalaten van de werknemer (artikel 7:673 lid 7, onder c BW), toewijzen.

5.11.

De proceskosten komen voor rekening van de werknemer, omdat hij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van heden;

6.2.

bepaalt dat de werkgeefster aan de werknemer geen transitievergoeding verschuldigd is;

6.3.

veroordeelt de werknemer tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de werkgeefster tot en met vandaag vaststelt op € 792,19, te weten:

griffierecht € 117,00

salaris gemachtigde € 600,00

explootkosten € 75,19.

Deze beschikking is gewezen door mr. L.M. de Vries, kantonrechter en op 16 februari 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter