Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:1324

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
6208266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

langdurige handelsrelatie; opzegtermijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 6208266 \ CV EXPL 17-5600

Uitspraakdatum: 21 februari 2018

Vonnis in de zaak van:

1 de vennootschap onder firma Hoeve 'Vrij en Blij'

[vennoten]

eisers

verder te noemen: Vrij en Blij c.s.

gemachtigde: mr. J.H.E. de Beer van DAS Amsterdam

tegen

1 de vennootschap onder firma FA. Witte Wezenspyk, gevestigd te Den Burg

[vennoten]

gedaagden

verder te noemen: Wezenspyk c.s.

gemachtigde: mr. A.C.Y. Verboogen, advocaat

1 Het procesverloop

1.1.

Vrij en Blij c.s. hebben bij dagvaarding van 26 juli 2017 een vordering tegen Wezenspyk c.s. ingesteld. Wezenspyk c.s. hebben schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend. Vrij en Blij c.s. hebben schriftelijk op de tegenvordering gereageerd.

1.2.

Op 19 januari 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. De gemachtigde van Wezenspyk c.s. heeft pleitaantekeningen overgelegd. Voorafgaand aan de zitting hebben Vrij en Blij c.s. bij brief van 12 januari 2018 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Vrij en Blij c.s. houden zich onder andere bezig met de productie en verkoop van schapenmelk. Wezenspyk c.s. vervaardigen en verkopen kaas.

2.2.

Vrij en Blij c.s. leverden tussen 2009 en 2016 schapenmelk aan Wezenspyk c.s.

2.3.

De prijs die Wezenspyk c.s. betaalden voor de schapenmelk werd bepaald door het vet- en eiwitgehalte van deze melk. Het vet- en eiwitgehalte werd steekproefsgewijs vastgesteld aan de hand van monsters die werden afgenomen door Wezenspyk c.s. De monsters werden vervolgens onderzocht door Qlip.

2.4.

Vrij en Blij c.s. verhoogden in 2015 de prijs voor schapenmelk naar € 1,25 per liter. In augustus 2015 verhoogden zij de prijs nogmaals naar € 1,40 per liter.

2.5.

Vrij en Blij c.s. stuurden op 28 december 2016 een factuur van € 19.376,52 met omschrijving ‘Naverrekening melk 2015 volgens berekening’ naar Wezenspyk c.s.

2.6.

Op 31 mei 2016 lieten Vrij en Blij c.s. mondeling aan Wezenspyk c.s. weten dat zij geen schapenmelk meer leveren.

2.7.

Vrij en Blij c.s. stuurden op 12 juni 2016 een factuur van € 9.376,92 naar Wezenspyk c.s. Deze factuur ziet op de in mei 2016 geleverde schapenmelk. Wezenspyk c.s. hebben de factuur niet betaald.

3 De vordering

3.1.

Vrij en Blij c.s. vorderen dat de kantonrechter Wezenspyk c.s. veroordeelt tot betaling van € 10.220,77, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 9.376,92 vanaf 25 juni 2016, alsmede veroordeelt in de proceskosten en hoofdelijk veroordeelt in de nakosten.

3.2.

Vrij en Blij c.s. leggen aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat zij tussen 2009 en 2016 op basis van afzonderlijke koopovereenkomsten schapenmelk aan Wezenspyk leverden. Wezenspyk c.s. hebben de factuur van € 9.376,92 niet betaald. De betalingstermijn van de factuur is op 24 juni 2016 verstreken, zodat Wezenspyk c.s. vanaf 26 juni 2016 in verzuim verkeren. Vrij en Blij c.s. vorderen naast betaling van de factuur, wettelijke handelsrente en vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van
€ 843,85.

3.3.

Wezenspyk c.s. hebben een eerdere factuur van € 19.376,52 betaald. Zij stellen zich ten onrechte op het standpunt dat hiervoor een rechtsgrond ontbrak. Deze factuur ziet op een naverrekening over 2015, omdat te lage bedragen in rekening zijn gebracht aan Wezenspyk c.s. In november 2015 constateerden Vrij en Blij c.s. dat de onderzoeksresultaten met betrekking tot het vet- en eiwit gehalte van de geleverde schapenmelk mogelijk niet klopten, omdat de schapenmelk in die periode dikker hoorde te zijn dan uit het rapport bleek. Vrij en Blij c.s. leverden in die periode gelijktijdig schapenmelk aan Klaverkaas B.V. (hierna Klaverkaas). Klaverkaas nam monsters af van dezelfde schapenmelk als aan Wezenspyk c.s. is geleverd, en liet dit ook onderzoeken door Qlip. De onderzoeksresultaten waren niet gelijk, de vet- en eiwit gehaltes van de monsters van Klaver waren steeds hoger. Uit verder onderzoek bleek dat de melkprijs vanaf de eerste melkprijsverhoging in 2015 bij Wezenspyk c.s. gemiddeld negen cent per liter te laag was vergeleken met melkmonsters van Klaverkaas en vanaf de tweede prijsverhoging in augustus 2015 zestien cent per liter. Wezenspyk c.s. betaalden in 2015 derhalve te weinig voor de door hun afgenomen schapenmelk. Vrij en Blij c.s. confronteerden Wezenspyk c.s. hiermee. Wezenspyk c.s. gaf geen verklaring voor de verschillen.

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

Wezenspyk c.s. betwisten de vordering niet, maar beroepen zich op verrekening van deze vordering met een tegenvordering wegens onverschuldigde betaling van de factuur met betrekking tot de naverrekening. Zij voeren aan – samengevat – dat de tussen partijen gesloten overeenkomst geen rechtsgrond biedt voor de naverrekening. Wezenspyk c.s. betaalden deze factuur op 11 april 2016, omdat Vrij en Blij c.s. anders weigerden schapenmelk te leveren. Op grond van de overeenkomst diende de prijs van de door Wezenspyk c.s. gekochte melk te worden bepaald op basis van de door Qlip op verzoek van Wezenspyk c.s. opgestelde onderzoeksrapporten. De naverrekening is gebaseerd op rapporten die op verzoek van Klaverkaas zijn opgesteld. Daarbij komt dat de vergelijking van de rapporten van Wezenspyk c.s. en Klaverkaas onjuist is.

4.2.

Wezenspyk c.s. vorderen bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter Vrij en Blij c.s. veroordeelt tot:
- (terug)betaling van het resterende bedrag na verrekening van € 9.999,60, te vermeerderen
met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2016;
- betaling van € 14.129,31, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2016,
betaling van € 12.715,21, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2016
en betaling van € 11.300,32, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september
2016;
- betaling van € 3.800,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 4 oktober
2017;
- betaling van € 2.026,75 aan expertisekosten en € 1.256,44 aan buitengerechtelijke
incassokosten;
- betaling van de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
veertien dagen na dagtekening van het vonnis.

4.3.

Wezenspyk c.s. leggen aan de tegenvordering het volgende – samengevat – ten grondslag. In de eerste plaats vorderen Wezenspyk c.s. het na verrekening resterende deel van de onverschuldigd betaalde factuur. Verder vorderen Wezenspyk c.s. vervangende schadevergoeding als gevolg van de beëindiging van de duurovereenkomst. Vrij en Blij c.s. namen geen opzegtermijn in acht, terwijl Wezenspyk c.s. erop mochten vertrouwen dat Vrij en Blij c.s. in 2016 schapenmelk zouden blijven leveren. Wezenspyk c.s. waren afhankelijk van Vrij en Blij c.s. en hadden tijd nodig een andere leverancier te vinden. Vrij en Blij c.s. hadden op hun beurt geen zwaarwegende belangen bij opzegging van de overeenkomst. Wezenspyk c.s. hebben door de beëindiging schade geleden. Niet in achtneming van een redelijke opzegtermijn is aan te merken als een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst dan wel onrechtmatig. Vrij en Blij c.s. dienen de schade dan ook te vergoeden. Agro Expertiseburo heeft de schade voor juni, juli en augustus 2016 vastgesteld op
€ 38.144,84. Daarnaast vorderen Wezenspyk c.s. betaling van de kosten voor het ophalen van de melk tussen 2013 en 2016. Conform de tussen partijen gesloten overeenkomst wordt de melk twee keer per week bij Vrij en Blij c.s. opgehaald en betalen Vrij en Blij c.s. daarvoor een vergoeding van € 10,00 per keer.

4.4.

Vrij en Blij c.s. betwisten de tegenvordering. Volgens Vrij en Blij c.s. hebben partijen geen duurovereenkomst gesloten. Partijen hebben steeds afzonderlijke koopovereenkomsten gesloten. Vrij en Blij c.s. hebben niet onrechtmatig gehandeld door geen melk meer te leveren aan Wezenspyk c.s. en zijn dan ook niet verplicht schade te vergoeden. Wezenspyk c.s. konden ook elders schapenmelk kopen. Vrij en Blij c.s. voeren verder verweer tegen de hoogte van de schade en de gestelde redelijke opzegtermijn van drie maanden. Met betrekking tot de kosten voor het ophalen van de schapenmelk ontbreekt een rechtsgrond. Bovendien hebben Wezenspyk c.s. hun rechten op dat punt verwerkt, nu zij nimmer aanspraak op deze kosten hebben gemaakt. Ten slotte voeren Vrij en Blij c.s. verweer tegen de gevorderde expertisekosten en buitengerechtelijke kosten.

5 De beoordeling

de vordering

5.1.

Wezenspyk c.s. hebben de verschuldigdheid van de factuur waarvan Vrij en Blij c.s. betaling vorderen erkend. De vordering van Vrij en Blij c.s. is daarom toewijsbaar, tenzij Wezenspyk c.s. een geslaagd beroep op verrekening van een tegenvordering wegens onverschuldigde betaling kunnen doen.

5.2.

Wezenspyk c.s. stellen daartoe dat een grondslag voor naheffing ontbreekt, nu de overeenkomst geen mogelijkheid voor naheffing biedt. Hierbij verwijzen Wezenspyk c.s. naar de overeenkomst van 2009. De vraag die ter beantwoording voor ligt is of deze overeenkomst nog steeds geldt. De kantonrechter is gelet op het navolgende van oordeel dat dit niet het geval is.

5.3.

Vrij en Blij c.s. hebben ter zitting aangevoerd dat die overeenkomst alleen voor 2009 geldt. Vrij en Blij c.s. stellen verder dat Wezenspyk c.s. in 2010 een nieuwe overeenkomst hebben aangeboden, maar dat zij deze niet hebben aanvaard. Dit is door Wezenspyk c.s. niet betwist. Verder is gebleken en ter zitting besproken dat op cruciale punten al sinds lange tijd niet meer volgens de overeenkomst uit 2009 wordt gewerkt. Zo is er geen sprake meer van exclusiviteit en de prijs wordt sinds 2013 niet meer op basis van een voorschot in rekening gebracht maar wordt maandelijks achteraf gefactureerd. Ook worden sinds 2013 geen transportkosten betaald door Vrij en Blij c.s. De conclusie is dat de overeenkomst uit 2009 niet meer geldt.

5.4.

Na 2009 is geen schriftelijke overeenkomst meer gesloten. Vaststaat dat de prijs ook na 2009 werd bepaald door het vet- en eiwitgehalte van de geleverde schapenmelk, waarbij de monsters door Wezenspyk c.s. werden afgenomen. Vrij en Blij c.s. hebben uitgebreid onderzoek gedaan naar de uitkomsten van de door Wezenspyk c.s. afgenomen monsters en hebben de resultaten van hun onderzoek, onderbouwd met diverse stukken en statistieken, besproken met Wezenspyk c.s. Omdat Wezenspyk c.s. geen verklaring konden geven voor de verschillen, hebben Vrij en Blij c.s. op 28 december 2015 voor het verschil in prijs een naheffing gestuurd naar Wezenspyk c.s. In januari 2016 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden en hebben Vrij en Blij c.s. aan Wezenspyk c.s. gevraagd een inhoudelijke verklaring voor de verschillen in de rapporten van de door Klaverkaas afgenomen monsters en de door Wezenspyk c.s. afgenomen monsters te geven. Wezenspyk c.s. hebben geen verklaring gegeven voor het uiteenlopen van de vet- en eiwitgehaltes. Wel hebben Wezenspyk c.s. in april 2016 de factuur betaald zonder een voorbehoud. De kantonrechter is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat het argument dat onverschuldigd is betaald, volstrekt onvoldoende is onderbouwd. Wezenspyk c.s. stellen enkel dat de overeenkomst van 2009 geen grondslag biedt voor een naheffing. Deze overeenkomst geldt echter zoals reeds overwogen niet meer. Dat Wezenspyk c.s. onder druk hebben betaald, omdat Vrij en Blij c.s. anders niet wilden leveren, maakt niet dat daarom onverschuldigd is betaald. Er is zoals overwogen geen voorbehoud gemaakt bij de betaling en Vrij en Blij c.s. vroegen terecht om een verklaring gezien hun uitgebreide onderzoek, maar hebben deze niet gekregen.

5.5.

In deze procedure hebben Wezenspyk c.s. wel een verklaring aangevoerd voor de verschillen in de rapporten. Zij voeren in dat kader aan dat de vergelijking van de rapporten van Wezenspyk c.s. en Klaverkaas onjuist is. Deze vergelijking kan volgens hen niet maatgevend zijn omdat Klaverkaas gedurende een groot deel van de vergeleken periode geen schapenmelk afnam. Wezenspyk c.s. hebben echter niet betwist de stelling van Vrij en Blij c.s. dat monsters van Wezenspyk c.s. een aanzienlijk lager vet- en eiwitgehalte hadden dan wat in het najaar mag worden verwacht. Vrij en Blij c.s. hebben daarbij ook in januari 2016 tweemaal monsters naar een derde, Eurofins KBBL, gestuurd waaruit het grote verschil in vet- en eiwitgehalte bleek. Wezenspyk c.s. hebben voorts niet betwist dat er in 2014 niet of nauwelijks verschil was tussen de rapporten van Klaverkaas en Wezenspyk c.s. Dit verweer slaagt dan ook niet.

5.6.

Wezenspyk c.s. stellen verder dat de onderzoeksrapporten van Klaverkaas door Z-net werden opgesteld en die van Wezenspyk c.s. door Qlip, dat de monsters op verschillende dagen en tijdstippen werden genomen en dat de geleverde melk uit verschillende tanks afkomstig was. Vrij en Blij c.s. hebben gemotiveerd bestreden dat de vergelijking met Klaverkaas onjuist is. Volgens Vrij en Blij c.s. gaan de monsters van zowel Klaverkaas als Wezenspyk c.s. naar Qlip en zijn de monsters op dezelfde wijze onderzocht en de rapporten op dezelfde wijze opgesteld. Verder hebben Vrij en Blij c.s. gemotiveerd onderbouwd dat het niet uitmaakt dat de monsters op verschillende dagen en tijdstippen worden genomen, omdat de schapenmelk van meerdere dagen in een tank wordt opgespaard en deze melk aan zowel Klaverkaas als Wezenspyk c.s. werd geleverd. De aan Klaverkaas en Wezenspyk c.s. geleverde schapenmelk komt uit dezelfde tank. Wezenspyk c.s. hebben het voorgaande ter zitting onvoldoende weersproken. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de door Vrij en Blij c.s. gegeven onderbouwing. Ook in deze procedure hebben Wezenspyk c.s. aldus geen steekhoudende verklaring gegeven voor het verschil, terwijl Vrij en Blij c.s. alle aanleiding had om te vermoeden dat er met de monsters van Wezenspyk c.s. iets aan de hand was. Naar het oordeel van de kantonrechter lag het op de weg van Wezenspyk c.s. om met onderbouwde tegenargumenten te komen gezien het uitgebreide en consistente onderzoek door Vrij en Blij c.s. Dit hebben zij echter niet gedaan.

5.7.

De conclusie is dat het beroep op verrekening niet slaagt en de vordering van Vrij en Blij c.s. zal worden toegewezen.

5.8.

Gelet op het verzuim zal de wettelijke handelsrente worden toegewezen zoals gevorderd.

5.9.

De kantonrechter stelt vast dat Vrij en Blij c.s. voldoende hebben gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom toegewezen.

5.10.

De proceskosten komen voor rekening Wezenspyk c.s. , omdat zij ongelijk krijgen.

5.11.

Daarbij worden Wezenspyk c.s. ook – hoofdelijk, zoals gevorderd – veroordeeld tot betaling van nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door Vrij en Blij c.s. worden gemaakt. De nakosten worden overeenkomstig de richtlijnen van het Landelijk Overleg Voorzitters Civiele sectoren en Kantonsectoren begroot op een half salarispunt conform het gebruikelijke liquidatietarief voor proceskosten tot een maximum van € 100,00.

de tegenvordering

5.12.

Wezenspyk c.s. vorderen in de eerste plaats betaling van het resterende bedrag na verrekening. Nu het beroep op onverschuldigde betaling niet slaagt, zal ook deze vordering worden afgewezen.

5.13.

Wezenspyk c.s. stellen ter onderbouwing van de gevorderde schadevergoeding dat de contractuele relatie tussen partijen is aan te merken als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. De stelplicht en bewijslast rust op Wezenspyk c.s. Het enige wat Wezenspyk c.s. aanvoeren is dat zij sinds 2009 schapenmelk kopen van Vrij en Blij c.s., dat in 2009 een overeenkomst is gesloten, dat voor 2013 en 2014 prognoses over de hoeveelheid te leveren schapenmelk zijn gemaakt en dat Vrij en Blij c.s. voor Wezenspyk c.s. de voornaamste leverancier was. Daartegenover hebben Vrij en Blij c.s. aangevoerd dat na 2009 steeds afzonderlijke koopovereenkomsten zijn gesloten en geen sprake was van een overkoepelende raamovereenkomst. De overeenkomst van 2009 is opgesteld door Wezenspyk c.s. en gold voor 2009. Vrij en Blij c.s. hebben een door Wezenspyk c.s. opgestelde overeenkomst voor 2010 niet aanvaard. Vrij en Blij c.s. betwisten dat in 2016 afspraken zijn gemaakt over de hoeveelheid te leveren melk. Dat konden zij door een veeziekte ook niet inschatten.

5.14.

De kantonrechter stelt voorop dat enkel uit bestaan van een langdurige handelsrelatie niet het bestaan van een duurovereenkomst kan worden afgeleid. Voor de vraag of een meerjarige handelsrelatie aangemerkt moet worden als een duurovereenkomst is bepalend wat partijen over en weer hebben verklaard en daaruit mochten afleiden.

5.15.

De vraag of sprake is van een duurovereenkomst kan echter in het midden blijven. Vrij en Blij c.s. hadden immers een zwaarwegende grond voor beëindiging van de handelsrelatie gezien het feit dat Wezenspyk c.s. geen verklaring gaven voor het te lage vet- en eiwitgehalte in de door hen afgenomen monsters. Dat heeft geleid tot een vertrouwensbreuk. Wezenspyk c.s. hadden er vanaf januari 2016 ernstig rekening mee moeten houden dat de relatie zou worden beëindigd, gezien het aanzienlijke verschil van mening tussen partijen en de deuk in vertrouwen die dat mee heeft gebracht. Zij hebben niets gedaan om dat te verhelpen, hebben geen enkele verklaring of uitleg gegeven en hebben ook de naheffing niet direct betaald. Pas drie maanden later, nadat Vrij en Blij c.s. op 1 april 2016 stopten met de levering van melk hebben zij op 11 april 2016 betaald. Onder deze omstandigheden – zou er al sprake zijn van een duurovereenkomst – is het niet onredelijk en onrechtmatig dat Vrij en Blij c.s. toen er wederom een betalingsachterstand ontstond geen opzegtermijn in acht hebben genomen. Terzijde merkt de kantonrechter op dat Wezenspyk c.s. aanvoeren dat een opzegtermijn voor hen heel belangrijk was, omdat de leveringen door Vrij en Blij c.s. heel belangrijk waren voor een groot deel van hun omzet. Echter, Vrij en Blij c.s. zijn gestopt met leveren per 1 juni 2016 en Wezenspyk c.s. hebben pas begin augustus 2016 een eerste brief gestuurd naar Vrij en Blij c.s. en vragen daarin geen nakoming van de door hen gestelde duurovereenkomst. Als de leveringen voor hen van zo groot belang waren had het op hun weg gelegen eerder een passende (juridische) actie in te stellen. De conclusie is dat er geen grondslag bestaat voor het toewijzen van de door Wezenspyk c.s. gevorderde schadevergoeding en expertisekosten zodat deze zullen worden afgewezen.

5.16.

Wezenspyk c.s. vorderen verder betaling van de kosten voor het ophalen van de schapenmelk. Vrij en Blij c.s. betwisten dat in de periode 2013 tot en met 2016 hiervoor een afspraak bestond. Zij stellen daartoe dat deze afspraak in de overeenkomst van 2009 stond en dat zij tot 2012 een vergoeding hebben betaald. Vanaf 2013 werd de prijs voor de schapenmelk echter maandelijks achteraf vastgesteld en door Vrij en Blij c.s. aan Wezenspyk c.s. gefactureerd. Hierbij werd geen rekening meer gehouden met de kosten voor het ophalen van de schapenmelk. Wezenspyk c.s. zijn vervolgens niet ingegaan op deze betwisting. Zij hebben hun vordering daarom onvoldoende onderbouwd, zodat deze zal worden afgewezen.

5.17.

De proceskosten komen voor rekening van Wezenspyk c.s., omdat zij ongelijk krijgen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

6.1.

veroordeelt Wezenspyk c.s. tot betaling aan Vrij en Blij c.s. van € 10.220,77, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 9.376,92 vanaf 25 juni 2016 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt Wezenspyk c.s. tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Vrij en Blij c.s. tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 141,26

griffierecht € 470,00

salaris gemachtigde € 600,00 ;

6.3.

veroordeelt Wezenspyk c.s. tot betaling van € 100,00 aan nakosten, voor zover daadwerkelijk nakosten door Vrij en Blij c.s. worden gemaakt;

6.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

de tegenvordering

6.5.

wijst de vordering af;

6.6.

veroordeelt Wezenspyk c.s. tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Vrij en Blij c.s. worden vastgesteld op een bedrag van € 1.200,00 aan salaris van de gemachtigde van Vrij en Blij c.s.;

6.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter