Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:1269

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-01-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 101
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo 2015. Omvang onderzoeksplicht gemeente. Indicatie huishoudelijke ondersteuning mag worden gebaseerd op de Ciz-normen.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 2.3.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.S. Eisenberger),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.M. Pijnaker).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) eiseres met ingang van 20 juni 2016 huishoudelijke ondersteuning toegekend, voor 1 uur en 45 minuten per week in de vorm van zorg in natura.

Bij besluit van 29 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2017.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voor verweerder zijn verschenen mr. Y.M. Pijnaker, E. de Jong, J. Boot, W. Rijpkema en M.C. Legemate.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres is geboren in 1931. Zij is alleenstaand en woont in een gelijkvloerse woning. Zij heeft een energetische beperking en beperkingen door bot-, spier- en gewrichtsaandoeningen.

1.2.

Op 16 maart 2016 is gemeld dat zij behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning (maatwerkvoorziening). Op 4 juni 2016 is namens eiseres een aanvraag gedaan voor een maatwerkvoorziening. Verweerder heeft op 27 juni 2016 een huisbezoek afgelegd.

1.3.

Geconcludeerd is dat eiseres zelf nog in staat is een deel van het lichte huishoudelijke werk, de boodschappen en de maaltijdbereiding te doen. Voor het resterende deel van het lichte huishoudelijke werk en het zwaar huishoudelijke werk wordt 1 uur en 45 minuten huishoudelijke ondersteuning toegekend. Per 2 oktober 2017 is wegens een verslechterde armfunctie extra huishoudelijke ondersteuning toegekend (15 minuten).

Procesbelang

2. De rechtbank zal eerst (ambtshalve) de ontvankelijkheid van het beroep beoordelen.

De door eiseres betwiste omvang van de toegekende huishoudelijke ondersteuning ziet door de wijziging per 2 oktober 2017 nu op een afgesloten periode in het verleden. Het met terugwerkende kracht toekennen van huishoudelijke ondersteuning in nature is niet mogelijk en niet is gebleken dat eiseres schade heeft geleden. Eiseres heeft echter wel procesbelang nu het beroep zich ook richt tegen het niet vergoeden van de door eiseres in bezwaar gemaakte proceskosten. De rechtbank zal daarom het beroep inhoudelijk behandelen.

De rechtbank zal hierna (onder Algemeen) eerst de gronden beoordelen die zijn gericht tegen het onderzoek, de besluitvorming en de vaststelling van de behoefte aan huishoudelijke ondersteuning en daarna (onder Specifiek) de gronden die zien op de situatie van eiseres.

Algemeen

3. Eiseres heeft - samengevat - aangevoerd dat verweerders onderzoek te oppervlakkig en te beperkt is geweest, er onvoldoende gekeken is naar (de belastbaarheid en inzetbaarheid van) de mantelzorger(s) en niet duidelijk is of en zo ja, welke algemene voorzieningen zijn aangeboden. Het onderzoek en de daarop volgende toekenning van de maatwerkvoorziening zijn incompleet.

In het bestreden besluit zijn volgens eiseres uitsluitend voorzieningen opgenomen ten aanzien van het resultaatsgebied huishoudelijke taken en zorgtaken. Een motivering waarom er geen voorzieningen worden getroffen ten aanzien van de aspecten uit de overige resultaatsgebieden ontbreekt in het besluit.

Ter zitting heeft eiseres benadrukt dat het onderzoek in het kader van de Wmo 2015 integraal moet zijn; alle levensgebieden moeten aan de orde komen. Verder heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder zich proactief moet opstellen. Het systeem moet waterdicht zijn; als een mantelzorger uitvalt, moet betrokkene direct een beroep kunnen doen op vervangende zorg. Het zou volgens eiseres zo moeten zijn dat zij de zorg krijgt zoals die in het verleden in bejaardentehuizen verleend werd.

3.1.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat is voldaan aan de wettelijke vereisten ten aanzien van het onderzoek en de besluitvorming. Verweerder heeft ter zitting een nadere toelichting gegeven op de algemene werkwijze die gehanteerd wordt na een Wmo-melding. Deze werkwijze houdt in dat de casemanager eerst op huisbezoek gaat. Tijdens dat huisbezoek worden alle leefgebieden besproken. Er wordt bekeken wat betrokkene zelf nog kan doen en wat eventuele mantelzorgers kunnen doen. In het gesprek wordt er ook op gewezen dat mantelzorgers bij verweerder aan de bel kunnen trekken als zij overbelast (dreigen te) raken. Als de situatie verandert, is dat reden de situatie opnieuw te bekijken en zo nodig bijvoorbeeld de indicatie voor huishoudelijke ondersteuning aan te passen. Er kan ook aanleiding bestaan om Tandem Mantelzorg of een sociaal wijkteam in te schakelen, afhankelijk van welk probleem zich voordoet. Als sprake is van een acuut probleem bestaat er een spoedprocedure, waardoor heel snel gehandeld kan worden.

3.2.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 2.3.2, eerste lid, eerste zin, van de Wmo 2015 bepaalt, voor zover hier van belang, dat het college een onderzoek uitvoert overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid.

In het vierde lid is bepaald dat het college onderzoekt:

a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;

b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4, verschuldigd zal zijn.

In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 841, nr. 3) is onder meer het volgende opgenomen over de onderzoeksverplichting van artikel 2.3.2 van de Wmo.

“Een onderzoek begint, vanzelfsprekend, met een onderzoek naar de persoonskenmerken van de aanvrager, diens behoeften en voorkeuren. Daarna moet achtereenvolgens worden onderzocht wat de mogelijkheden zijn om de zelfredzaamheid te verbeteren, maatschappelijk te participeren of te voorzien in een adequate vorm van wonen of opvang door inzet van eigen kracht, inzet van gebruikelijke hulp door het sociale netwerk van de betrokkene, inzet van mantelzorg, inzet van algemene voorzieningen of maatschappelijk nuttige activiteiten. Ten slotte moet in het onderzoek de vraag worden betrokken of, en zo ja hoe, het door middel van samenwerking met andere partijen zoals jeugdhulp, welzijn, wonen of partijen op het terrein van werk en inkomen mogelijk is te komen tot verbetering van zelfredzaamheid en participatie of te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang. Het zal regelmatig voorkomen dat niet alle aspecten die onderdeel van een onderzoek moeten zijn, ook in een concrete casus aan de orde hoeven te komen, omdat bijvoorbeeld blijkt dat aan de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning kan worden voldaan door het geven van informatie, een eenvoudige verwijzing of omdat bijvoorbeeld blijkt dat een combinatie van eigen kracht en gebruikelijke hulp van een huisgenoot volstaat. Dat is echter alleen zo wanneer de cliënt hiermee instemt en laat blijken dat hij geen maatwerkvoorziening wenst aan te vragen.” (MvT p. 30)

Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid (of participatie) die de cliënt ondervindt beslist, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid (of participatie) en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

“Het is uiteraard van groot belang dat in de aan de indiening van een aanvraag voorafgaande onderzoeksfase (artikel 2.3.2) in goede samenspraak met betrokkene (en degenen die hem daarbij ondersteunen) uiterst zorgvuldig de problematiek en zijn behoeften en wensen in kaart worden gebracht en vervolgens zorgvuldig wordt bezien wat deze op eigen kracht of met hulp van personen uit zijn sociale netwerk (gebruikelijke hulp, mantelzorg of anderszins) kan doen om de problematiek te verkleinen of op te lossen en wat het gebruikmaken van algemene voorzieningen daaraan kan bijdragen. Daarmee ontstaat voor betrokkene en het college ook zicht op de aard en omvang van de behoefte aan ondersteuning door middel van een maatwerkvoorziening. Als dit allemaal zorgvuldig is gebeurd, zal het college op basis daarvan tot zijn beslissing inzake de aard en omvang van de te verstrekken maatwerkvoorziening kunnen komen. Het spreekt voor zich dat de door het college genomen beslissing zal moeten berusten op een zorgvuldige motivering die inzicht biedt in de door het college gemaakte keuzen en die deze keuzen kan dragen. Het is uiteraard denkbaar dat betrokkene het niet of niet geheel eens is met de genomen beslissing en daartegen wellicht bezwaar zal willen maken. Aan de hand van de gegeven motivering zal hij dan moeten kunnen vaststellen of de door het college gemaakte afweging in overeenstemming is met de wettelijke eisen.” (MvT p.150)

3.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is het werkproces, zoals verweerder dat ter zitting heeft toegelicht, zodanig ingericht dat daarmee in beginsel zal zijn voldaan aan de eisen die de Wmo 2015 ten aanzien van het onderzoek stelt. De rechtbank merkt hierbij op dat in het besluit niet alle levensgebieden besproken hoeven te worden. Indien het onderzoek heeft geleid tot de conclusie dat betrokkene slechts ondersteuning nodig heeft bij bijvoorbeeld het voeren van een huishouden, hoeft het besluit niet te vermelden dat op alle overige terreinen betrokkene geen ondersteuning nodig heeft. Wel moeten zoals hiervoor is overwogen alle terreinen aan bod zijn gekomen in het onderzoek, wat terug te vinden moet zijn in het gespreksverslag of de opgestelde rapportage.

3.4.

Doordat de mogelijkheid bestaat een spoedprocedure te volgen bij acute problemen en verweerder betrokkenen uitdrukkelijk op de mogelijkheid wijst om met verweerder contact op te nemen bij (dreigende) overbelasting van mantelzorgers heeft verweerder in beginsel voldoende vangnet georganiseerd. Voor het standpunt dat verweerder op grond van de Wmo 2015 gehouden zou zijn zorg te organiseren tot het niveau van de zorg zoals die in het verleden in bejaardentehuizen werd verleend, heeft de rechtbank geen steun gevonden in wet- of regelgeving.

Indicatie HO

4. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de toe te kennen uren huishoudelijke ondersteuning niet zijn geobjectiveerd. Niet duidelijk is hoeveel uren huishoudelijke ondersteuning voor welke huishoudelijke taken en zorgtaken worden toegekend. Er is bij de melding een geobjectiveerde urenbegroting ingediend. Daar is verweerder ten onrechte aan voorbij gegaan. Eiseres heeft toegelicht dat deze urenbegroting gebaseerd is op de onderzoeksresultaten (op basis van de HETUS-richtlijnen) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) naar tijdsbesteding in huishoudelijke taken en zorg zoals die voor een bepaald huishouden geldt, en de uitval in die taken door de vastgestelde beperkingen.

4.1.

Verder heeft eiseres aangevoerd dat het besluit is gebaseerd op paragraaf 8.3 van de Uitvoeringsregels maatwerkvoorzieningen Wmo Haarlem 2016, waarin onder meer is vastgelegd dat de omvang van de huishoudelijke ondersteuning wordt bepaald in onderling overleg tussen aanvrager en de aanbieder van de huishoudelijke ondersteuning. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft echter bepaald dat dit in strijd is met de wet. Weliswaar heeft verweerder gesteld een en ander te zullen aanpassen, maar hoe dat zal gebeuren is volgens eiseres niet duidelijk. Voor zover verweerder zich heeft gebaseerd op het CIZ-Protocol Huishoudelijke Verzorging (CIZ-Protocol) heeft eiseres erop gewezen dat dit protocol uit 2006 stamt en daardoor verouderd is. Sinds 2006 is de samenleving veranderd en dus ook de tijdsbesteding aan huishoudelijke taken en verzorging, aldus eiseres.

4.2.

Verweerder heeft toegelicht dat voor de besluitvorming weer aangesloten is bij het CIZ-Protocol. Dit is ook besloten door het college en vastgelegd in een Addendum bij de Uitvoeringsregels, gepubliceerd in het Gemeenteblad 9 december 2016. Verweerder heeft er verder op gewezen dat het CIZ-Protocol de rechterlijke toets al meermalen heeft doorstaan. Het CIZ-Protocol biedt volgens verweerder ook voldoende ruimte om in te gaan op de individuele omstandigheden van betrokkene. Dat eiseres de voorkeur heeft voor een andere systematiek betekent niet dat verweerder ook bij deze systematiek moet aansluiten.

4.3.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de rechtspraak (zie de uitspraken van de CRvB van 18 mei 2016, o.a. ECLI:NL:CRVB:2016:1403) volgt dat een college van burgemeester en wethouders bevoegd is om ter zake van de huishoudelijke ondersteuning beleidsregels vast te stellen, maar dat deze regels niet willekeurig mogen zijn en, gelet op de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moeten berusten op objectieve criteria, steunend op deugdelijk onderzoek. Tussen partijen is niet in geschil dat het beleid zoals dat door verweerder werd gevoerd bij de invoering van de Wmo 2015 door de CRvB in strijd geacht is met de wet. Verweerder heeft naar aanleiding van de uitspraken van de CRvB van 18 mei 2016 besloten om voor de indicatie van de huishoudelijke ondersteuning weer aan te sluiten bij het CIZ-Protocol. Door verweerder is in het Addendum bij de Uitvoeringsregels vastgelegd dat met ingang van 1 juli 2016 de CIZ-normering de basis vormt voor het ondersteuningsplan huishoudelijke ondersteuning. Het bestreden besluit is daarmee gebaseerd op vastgesteld en gepubliceerd beleid.

4.4.

De omstandigheid dat het CIZ-protocol uit 2006 dateert, maakt niet dat het niet meer als uitgangspunt gebruikt zou kunnen worden in het beleid. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat het gelet op de aard van de hier in geding zijnde werkzaamheden niet aannemelijk is dat de in 2006 berekende tijdsduur die daarmee gemoeid is nu niet meer zou aansluiten bij de benodigde tijd voor diezelfde werkzaamheden. Voorts vindt de rechtbank steun voor haar opvatting dat het CIZ-Protocol als uitgangspunt voor de bepaling van de omvang van de huishoudelijke ondersteuning ook nu nog voldoet in recente rechtspraak van de CRvB, bijvoorbeeld CRvB 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3633. De CRvB zoekt daarin immers bij het zelf voorzien in zaken over huishoudelijke ondersteuning ook thans nog aansluiting bij de normen van het CIZ-Protocol.

HHT

5. Eiseres heeft aangevoerd dat in het ondersteuningsplan is opgenomen dat betrokkene gebruik kan maken van de voorziening huishoudelijke hulp toelage (HHT). Er is geen verordening waarin de HHT is uitgewerkt. Toepassing is daarom in strijd met de wet. Voorts is de HHT als tijdelijk bedoeld en kan dus niet in de plaats komen van een maatwerkvoorziening. De voor de HHT in aanmerking komende werkzaamheden betreffen onder meer het onderhouden van een tuin en het schoonhouden van de stoep. Deze werkzaamheden zijn volgens eiseres onderdeel van de huishoudelijke ondersteuning.

5.1.

Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de werkzaamheden die op basis van de HHT konden worden ingekocht extra werkzaamheden betroffen, die dus niet onder de huishoudelijke ondersteuning van de Wmo vielen.

5.2.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Tussen partijen is terecht niet in geschil dat de HHT niet in de plaats van een maatwerkvoorziening komt. Wel is tussen partijen in geschil welke werkzaamheden onder de huishoudelijke ondersteuning van de Wmo 2015 vallen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de huishoudelijke ondersteuning zich beperkt tot de binnenkant van het huis. Hierdoor vallen tuinonderhoud en het schoonhouden van bijvoorbeeld tegelpaden niet onder de Wmo-aanspraken. De rechtbank volgt verweerder hierin. Zoals uit uitspraak van de CRvB van 22 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:885) is af te leiden behoeft het tuinonderhoud geen onderdeel van de huishoudelijke ondersteuning te zijn. Verweerder heeft het buitenonderhoud dan ook niet hoeven op te nemen in de huishoudelijke ondersteuning.

Eigen bijdrage

6. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte beperkt heeft tot noemen van een maximum eigen bijdrage. Daardoor onthoudt verweerder betrokkene de mogelijkheid de financiële gevolgen van de toekenning te beoordelen en dat is strijdig met de wet, aldus eiseres.

6.1.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het opnemen van de exacte hoogte van de eigen bijdrage niet mogelijk is, omdat het CAK die bijdrage moet berekenen en vaststellen.

6.2.

De rechtbank overweegt als volgt.

In de uitspraak van de CRvB van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3358) is het volgende overwogen:

“Uit de hiervoor weergegeven wettelijke systematiek volgt, net zoals dat bij de Wet maatschappelijke ondersteuning voor een individuele voorziening het geval was (zie de uitspraak van de Raad van 7 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1321), dat het college beslist of degene aan wie een maatwerkvoorziening wordt verleend daarvoor een bijdrage verschuldigd zal zijn en dat de hoogte van de bijdrage, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en geïnd door CAK. Uit de wettelijke systematiek, gelet ook op de aangehaalde toelichting, volgt verder het uitgangspunt dat het besluit waarbij de maatwerkvoorziening wordt toegekend het laatste moment is waarop een betrokkene kennis kan nemen van de verschuldigdheid van een bijdrage en wat de kostprijs van de voorziening is die de maximaal verschuldigde bijdrage begrenst. Ten laatste bij het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening moet duidelijk zijn welke rechten en plichten daaraan zijn verbonden, zodat een betrokkene – alles overziend – nog kan besluiten daarvan af te zien.”

6.3.

De rechtbank leest deze uitspraak zo dat verweerder niet gehouden is de exacte eigen bijdrage in het besluit op te nemen, maar daarin wel de grens van de maximaal verschuldigde bijdrage mee te delen, namelijk de kostprijs van de maatwerkvoorziening. De CRvB overweegt immers dat het besluit het laatste moment is waarop “betrokkene kennis kan nemen van de verschuldigdheid van een bijdrage en wat de kostprijs van de voorziening is die de maximaal verschuldigde bijdrage begrenst”.

Het standpunt van eiseres, dat uit deze uitspraak volgt dat verweerder de exacte hoogte van de eigen bijdrage in het toekenningsbesluit zou moeten vermelden, volgt de rechtbank dan ook niet. Voldoende is dat de maximaal verschuldigde eigen bijdrage (de kostprijs van de voorziening) in het besluit wordt vermeld.

6.4.

De rechtbank merkt hierbij - ten overvloede - nog het volgende op.

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat tijdens het huisbezoek de eigen bijdrage altijd onderwerp van gesprek is en dat tijdens het huisbezoek ook gebruik gemaakt kan worden van de mogelijkheid de eigen bijdrage te berekenen met de CAK-rekentool. Dat gebeurt in veel gevallen ook. Nu de uitkomst van die berekening niet overeen hoeft te komen met de definitieve berekening zoals die door het CAK verricht zal worden neemt verweerder de uitkomst van de berekening niet over in het besluit, omdat dit onterechte verwachtingen zou kunnen wekken.

Gemachtigde van eiseres stelde voor om de uitkomst van de berekening wel in het besluit op te nemen, maar daarbij dan een ‘disclaimer’ te vermelden, in de zin dat het CAK de uiteindelijke berekening zal moeten verrichten en dat de uitkomst daarvan zou kunnen afwijken. De suggestie van gemachtigde lijkt een praktische oplossing te bieden voor het door verweerder geschetste probleem. Maar het is uiteraard aan verweerder om de suggestie al dan niet over te nemen.

Specifiek

7. Volgens eiseres komt verweerder niet met structurele oplossingen voor de voeding en het doen van de was en zijn de toegekende uren voor de zorg voor de woning onvoldoende voor het hebben van een schoon en leefbaar huis. Eiseres maakt nog wel zelf haar eten klaar, maar krijgt niet genoeg voedingen binnen. Eiseres heeft een voedselintolerantie

7.1.

Verweerder heeft erop gewezen dat er een huisbezoek heeft plaatsgevonden en dat daarbij is geïnventariseerd welke huishoudelijke taken eiseres wel of niet kan doen, in hoeverre zij daarbij door haar sociale netwerk ondersteund kan worden en of er andere oplossingen beschikbaar zijn. Eiseres heeft aangegeven dat zij enkele licht huishoudelijke taken nog zelf kan, waaronder de boodschappen, en dat zij zelf de maaltijden verzorgt. Op dat gebied is daarom geen huishoudelijke ondersteuning nodig. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat eiseres ontevreden is over de huishoudelijke ondersteuning die zij ontvangt.

7.2.

Uit de onderzoeksrapportage komt naar voren dat niet alleen naar de noodzaak van huishoudelijke ondersteuning is gekeken, maar dat ook naar andere leefgebieden, zoals vervoer/mobiliteit. Ook is gekeken naar het sociaal netwerk en voorliggende of algemene voorzieningen. Eiseres heeft tijdens het huisbezoek aangegeven dat ze zelf een deel van de lichte huishoudelijke werkzaamheden kan doen en dat ze ook in staat is boodschappen te doen, en haar maaltijden te verzorgen en af te wassen. Verweerder heeft de toegekende uren daarop afgestemd, in overeenstemming met de CIZ-richtlijn. Dat de toegekende uren niet voldoende zijn is niet concreet onderbouwd.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.G. van Roest, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.H. Bosveld, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.