Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:11916

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
20-07-2021
Zaaknummer
15/155489-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor ontucht plegen met minderjarige prostituee (art. 248b Sr). Gevangenisstraf van één dag en een taakstraf van 180 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/155489-17 (P)

Uitspraakdatum: 15 maart 2018

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

1 maart 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L. Visser en van hetgeen verdachte naar voren heeft gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode 01 februari 2015 tot en met 11 januari 2016 te Purmerend en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland, één of meermalen ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1999, die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, bestaande die ontucht uit

- ( telkens) het aanraken en/of betasten en/of likken van de vagina van die [slachtoffer] en/of

- ( telkens) het doen aanraken van en/of doen wrijven over en/of doen trekken aan zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] en/of

- ( telkens) het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] .

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden.

4 Oordeel van de rechtbank

4.1.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting

De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 1 maart 2018 heeft afgelegd, houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.

Ik heb 2 à 3 keer tegen betaling met [slachtoffer] afgesproken. Ik kende haar onder de naam ‘ [voornaam slachtoffer] ’. Zij heeft mij afgetrokken. De [halte] is (een bushalte) in Amsterdam.

Een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen (dossierpagina 30 t/m 33). Dit proces-verbaal d.d. 11 januari 2016 houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisant [verbalisant] :

Mij is [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1999, ambtshalve goed bekend.

Op 11 januari 2016, werd ik, verbalisant, gebeld door [moeder van het slachtoffer] . Ik hoorde haar onder andere het volgende verklaren: "Ik heb zojuist gesproken met [getuige] , [slachtoffer] heeft vandaag een afspraak met [bijnaam verdachte] , zij gaan elkaar ergens ontmoeten om seks te hebben met elkaar. Mijn dochter is minderjarig. (…) Ik stuur je de

gesprekken die ik heb gekregen van [getuige] wel op via de mail."

Vervolgens ontving ik verscheidene emails van: [e-mailadres] , mij ambtshalve bekend als het emailadres van [moeder van het slachtoffer] .

In de mails zaten verschillende printscreens van een 'whatsappgesprek'.

De printscreens zouden zijn van een gesprek tussen [slachtoffer] en [getuige] .

Ik zag dat het gesprek te 11:51 uur begon . Ik zag dat het gesprek begon met de

woorden: "En ben minderjarig" "Snap je" "Dus is echt probleem"

Vervolgens gaat het gesprek verder en zag ik dat [getuige] het volgende bericht stuurde:

"OMG weet [bijnaam verdachte] het al?"

Ik zag dat [slachtoffer] antwoordde: "Nope" "Denk niet" "Maar" "Hij appte me net" "Of ik

tijd heb vandaag" Ik zag dat [getuige] antwoordde: "Ga je? Anders wil k" "Maar wat erg

dit!" "Ben je nu tuis?" "Ik heb echt geld nodig!” [slachtoffer] :

- Ik ben fixen met [bijnaam verdachte] nu

(…)

- Jij kijkt en hij wil mij likken en ik moet pijpen en trekken.

Een proces-verbaal van verhoor getuige (dossierpagina 71 t/m 76). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 22 juni 2016 afgelegde verklaring door getuige [getuige] ten overstaan van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Het gaat denk ik over [slachtoffer] en [bijnaam verdachte] . Omdat [slachtoffer] 15 jaar was en nu inmiddels 16 jaar is. Zij had betaalde seks met [bijnaam verdachte] .

Ik werd geappt door [slachtoffer] en zij vertelde dat ze geld wilde hebben. Dit was rond februari/ maart 2015. Ik heb haar verteld dat ik op kinky.nl stond met een advertentie. Binnen no-time kreeg ik van [slachtoffer] een printscreen dat zij ook op Kinky.nl stond. Ik had gehoord dat [slachtoffer] voor een half jaar naar Spanje zou gaan in verband met een traject. [slachtoffer] was ineens terug in Nederland. En [slachtoffer] benaderde mij weer via app. Ik kreeg te horen van [slachtoffer] dat ze nog werkte in de prostitutie. [slachtoffer] gaf te kennen dat ze twee vaste klanten had. Dit waren [bijnaam verdachte] en een Nederlandse jongen. Ik denk dat het rond november 2015 was dat [slachtoffer] dus weer contact op nam met mij.

Ik heb [bijnaam verdachte] leren kennen via kinky. Hij reageerde destijds op mijn advertentie.

Ik heb wel een aantal afspraken met hem gehad. Ik was van de blow-job/pijpen. Op een gegeven moment keek [bijnaam verdachte] niet meer naar me om. Hij maakte met mij geen afspraken meer. Waarschijnlijk omdat [slachtoffer] meer diensten aanbood dan ik.

Een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen (dossierpagina 57 t/m 59). Dit proces-verbaal d.d. 2 februari 2016 houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisant [verbalisant] :

Na het onderzoek van de mobiele telefoon heb ik, verbalisant, in de telefoon een aantal whatsapp berichten bekeken.

Weergave Whatsapp berichten tussen betrokkene [slachtoffer] en “ [bijnaam verdachte] ” d.d. 11-01-2016:

11:46: [bijnaam verdachte] : Tijd vandaag?

11:46: [slachtoffer] : Waar? En denk het wel

11:47: [bijnaam verdachte] : Waar ben jij?

12:07: [slachtoffer] : Purmerend nu. Maar Amsterdam is beter denk ik.

12:12: [bijnaam verdachte] : Net als vorige keer… uitstappen met lijn 22 [halte] .

12:58: [slachtoffer] : Wat wil je precies?

13.15: [bijnaam verdachte] : Zelfde als laatst in de auto. Ptl.

14:06: [bijnaam verdachte] : Maar wat doen we nou?... PTL.

14:10: [slachtoffer] : Ja prima.

14:16: [slachtoffer] : ptl toch.

14:25: [bijnaam verdachte] : Oke we doen.. jij ptl.

Een proces-verbaal van verhoor (dossierpagina 86 t/m 92). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 7 december 2016 afgelegde verklaring door verdachte ten overstaan van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Vraag: Wat zegt de naam [bijnaam van het slachtoffer] ?

Antwoord: Bekend. Ze is naar Spanje geweest een paar maanden. Ze heeft toen weer na terugkomst uit Spanje contact met mij opgezocht, omdat ze geld nodig had.

Vraag: Ze is nog niet achttien jaar en hier gaat het om. Heeft u het gecontroleerd?

Antwoord: Ik heb dit niet gecontroleerd. (…) Ik heb niet naar haar identiteitsbewijs gevraagd.

Vraag: Welke naam kent [bijnaam van het slachtoffer] van U?

Antwoord: [bijnaam verdachte] .

Een aanvullend proces-verbaal van verhoor (proces-verbaalnummer 20160001892 , documentcode 170612.1422.9624). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 26 juni 2017 afgelegde verklaring door verdachte ten overstaan van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Vraag: Wij vragen u nogmaals om aan te geven waar de afspraken plaats vonden om betaalde seks te hebben met [bijnaam van het slachtoffer] ?

Antwoord: In de auto. Mijn eigen auto, dat was de zwarte BMW, kenteken [kenteken] .

Vraag: Hoeveel afspraken zijn er daadwerkelijk geweest met [bijnaam van het slachtoffer] ?

Antwoord: Drie in totaal. (…) Ik heb dus alleen oppervlakkige handelingen gehad met [bijnaam van het slachtoffer] .

Vraag: Wat bedoeld u met oppervlakkige handelingen?

Antwoord: Aftrekken.

Vraag: Wat was het bedrag wat ze hiervoor kreeg?

Antwoord: 150,- euro. Volgens mij ook weleens 100,- euro.

Vraag: U verklaard dat “we deden het in de auto” Waar was dat dan?

Antwoord: Een keer bij de [winkel 1] in Purmerend, één voor de [winkel 1] en nog eens bij de [winkel 2] in Purmerend.

Vraag: Wat kunt u verklaren over wat PTL is?

Antwoord: Pijpen, trekken, likken.

4.2

Bewijsoverweging

Verdachte heeft in zijn verhoor en ter zitting verklaard dat de seksuele handelingen beperkt zijn gebleven tot aftrekken. De rechtbank is echter van oordeel dat er meer seksuele handelingen bewezen kunnen worden nu verdachte zelf heeft geappt op de vraag van het slachtoffer wat hij wilde “het zelfde als laatst in de auto. Ptl”. Gelet daarop gaat de rechtbank er vanuit dat er in elk geval ook één maal sprake is geweest van pijpen en likken.

4.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode 1 februari 2015 tot en met 11 januari 2016 te Purmerend en/of te Amsterdam, meermalen ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1999, die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, bestaande die ontucht uit

- het likken van de vagina van die [slachtoffer] en

- telkens het doen trekken aan zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] en

- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] .

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Leeftijd geobjectiveerd.

In artikel 248b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) staat de bescherming van minderjarigen voorop en is om die reden de leeftijd van de minderjarige geobjectiveerd. Dit betekent dat ten aanzien van dit bestanddeel geen opzet of schuld van verdachte behoeft te worden bewezen. Voor een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging is voldoende dat – zoals in de onderhavige zaak het geval is – objectief komt vast te staan dat het slachtoffer ten tijde van het ten laste gelegde 16 of 17 jaar oud was.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de hoofdstraffen

Bij de beslissing over de hoofdstraffen die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft contact gezocht met een jeugdige prostituee via de website Kinky.nl, met wie hij tegen betaling meerdere (seks)afspraken heeft gehad

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij naar haar leeftijd heeft gevraagd en dat zij had gezegd dat ze 19 jaar oud was. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij daarop heeft vertrouwd en dat hij dat achteraf wel naïef en dom vindt.

Kennelijk was de reactie van de jeugdige voor verdachte voldoende om geen verdere bevestiging van haar leeftijd aan de hand van een identiteitskaart of paspoort te vragen. Verdachte heeft aldus onvoldoende invulling gegeven aan zijn vergewisplicht ten aanzien van de leeftijd van de prostituee. De omstandigheid dat de feitelijke contacten telkens plaatsvonden in de auto van verdachte had temeer aanleiding moeten geven tot argwaan bij verdachte dat het geen legale (seks)afspraken betroffen. Daartegenover staat dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte bewust op zoek is geweest naar een seksafspraak met een minderjarige prostituee. In het onderhavige geval lijkt het er veeleer op dat verdachte op zoek is geweest naar een meerderjarige prostituee, van wie de ware leeftijd van 16 jaar pas achteraf is gebleken.

Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat uit het reclasseringsadvies van 24 oktober 2017 blijkt dat de reclassering de recidivekans als laag inschat.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, hoewel de rechtbank in de gegeven omstandigheden en in acht genomen de straffen die in soortgelijke situaties plegen te worden opgelegd (zoals de straffen in de Valkenburgse zedenzaak (ECLI:NL:HR:2018:202)) – anders dan de officier van justitie – uitsluitend een taakstraf als passende modaliteit ziet, zij gelet op het bepaalde in artikel 22b, derde lid, Sr gehouden is daarnaast een minimale gevangenisstraf op te leggen.

De wetgever heeft de rechter immers beperkt in de mogelijkheden tot het opleggen van een taakstraf. Een ‘kale’ taakstraf kan in het geval van overtreding van artikel 248b Sr niet meer worden opgelegd. De in het algemeen veel gehanteerde combinatie van hoofdstraffen, te weten een voorwaardelijke gevangenisstraf met een taakstraf, was in het oorspronkelijke wetsvoorstel nog wel een optie, maar die mogelijkheid is in de loop van het wetgevingstraject gesneuveld, zodat evenmin kan worden volstaan met de combinatie van een voorwaardelijke vrijheidsstraf en een taakstraf.

Binnen de wettelijke kaders kan de rechter evenwel een taakstraf opleggen, maar dan gecombineerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Deze gevangenisstraf wordt in dat geval beperkt door het wettelijk minimum (artikel 10, tweede lid Sr: ten minste een dag) en het wettelijk maximum (artikel 9, vierde lid Sr: ten hoogste zes maanden).

Mitsdien acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één dag en een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis, geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 9, 22b, 22c, 22d, 248b Sr.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van EEN (1) DAG.

Veroordeelt verdachte voorts tot het verrichten van HONDERDTACHTIG (180) UREN taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door negentig (90) dagen hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M. ten Bos, voorzitter,

mr. C.A.M. van der Heijden en mr. C.A.J. van Yperen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier C.A. de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 maart 2018.