Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:11902

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-05-2018
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
15/870949-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling mensenhandel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/870949-17

Uitspraakdatum: 3 mei 2018

Tegenspraak

verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 april 2018 in de zaak tegen:

[voornaam 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag, te Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt van de officier van justitie,
mr. E. Visser, en van hetgeen door verdachte en mr. H.R. Kant, raadsman van verdachte, naar voren is gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2015 tot en met 30 september 2016 te

Heerhugowaard en/of elders in Nederland,

een ander, genaamd [slachtoffer 1] (werknaam [voornaam 1] ),

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

1) heeft vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en/of

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (artikel 273f lid 1 sub 4), en/of

3) heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer 1] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),

en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] (artikel 273 f lid 1 sub 6), waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:

- het mishandelen van die [slachtoffer 1] (onder andere door die [slachtoffer 1] te slaan en/of aan/bij de keel te grijpen en/of te duwen en/of aan de haren te trekken en/of aan de haren door de kamer te trekken/sleuren), en/of

- het dwingen, althans bewegen van die [slachtoffer 1] om (onvrijwillig) onveilige en/of door die [slachtoffer 1] als vernederend ervaren en/of deviante seksuele handelingen van en/of met hem, verdachte, te ondergaan en/of te dulden, en/of

- het dreigen aan anderen foto's te tonen/verstrekken waarop die [slachtoffer 1] zonder of slechts in weinig verhullende kleding te zien is, en/of

- het dreigen aan anderen te vertellen dat die [slachtoffer 1] als prostituee werkzaam was, en/of

- het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [slachtoffer 1] , en/of

- het onder controle houden van die [slachtoffer 1] (onder andere door via een open telefoonverbinding mee te luisteren bij de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 1] ), en/of

- het onthouden van maaltijden aan die [slachtoffer 1] , en/of

- het opleggen van (geldelijke) boetes aan die [slachtoffer 1] ,

en/of waarbij voornoemde (onder 2)) "enige handeling" heeft bestaan uit:

- het laten verblijven van die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes woning (aan het [adres] ) en/of het ter beschikking stellen van die woning als werkplek (voor prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 1] );

- het maken van foto's voor advertenties op één of meer website(s) waarin die [slachtoffer 1] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden;

- het onderhouden (waaronder begrepen het "omhoog plaatsen") van één of meer advertenties op één of meer website(s) waarin die [slachtoffer 1] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden;

- het onderhouden van contacten met en/of het maken van afspraken met (potentiële)(prostitutie)klant(en) voor die [slachtoffer 1] en/of het maken van afspraken met die (potentiële) klant(en) over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te betalen bedragen;

- het bepalen welke klanten die [slachtoffer 1] moest aannemen voor haar prostitutiewerkzaamheden (ook als dit (een) gewelddadige klant(en) en/of (een) klant(en) betrof waarmee die [slachtoffer 1] eerder negatieve ervaring(en) had gehad), en/of

- het ter beschikking stellen van condooms en/of werkkleding voor de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 1] , en/of

- het begeleiden van die [slachtoffer 1] bij/naar escortwerkzaamheden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2015 tot en met 24 december 2016 te Heerhugowaard en/of elders in Nederland,

een ander, genaamd [slachtoffer 2] ,

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

1) heeft geworven en/of vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en/of

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (artikel 273f lid 1 sub 4), en/of

3) heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer 2] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9), en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 2] (artikel 273 f lid 1 sub 6), waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:

- het mishandelen van die [slachtoffer 2] (onder andere door die [slachtoffer 2] aan/bij de keel te grijpen en/of te duwen en/of te slaan en/of te trappen en/of in de neus te bijten en/of aan de haren te trekken en/of aan de haren door de kamer te trekken/sleuren), en/of

- het dwingen, althans bewegen van die [slachtoffer 2] om (onvrijwillig) onveilige en/of door die [slachtoffer 2] als vernederend ervaren en/of deviante seksuele handelingen van en/of met hem, verdachte, te ondergaan en/of te dulden, en/of

- foto's te maken van (één of meer van) (die) seksuele handelingen van hem, verdachte, met die [slachtoffer 2] , en/of foto's te maken van die [slachtoffer 2] zonder of slechts in weinig verhullende kleding en/of waardoor bij die [slachtoffer 2] de vrees ontstond dat (een) ander(en) kennis van die foto's zouden kunnen krijgen, en/of

- het dreigen aan anderen te vertellen dat die [slachtoffer 2] als prostituee werkzaam was, en/of

- het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [slachtoffer 2] , en/of

- het onder controle houden van die [slachtoffer 2] (onder andere door via een open telefoonverbinding mee te luisteren bij de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 2] ),

- het onthouden van maaltijden aan die [slachtoffer 2] , en/of

- het opleggen van geldelijke boetes aan die [slachtoffer 2] ,

en/of waarbij voornoemde (onder 2)) "enige handeling" heeft bestaan uit:

- het ter beschikking stellen van zijn, verdachtes woning (aan het [adres] ) als werkplek (voor prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 2] );

- het maken van foto's voor advertenties op één of meer website(s) waarin die [slachtoffer 2] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden;

- het aanmaken van en/of het onderhouden van (waaronder begrepen "omhoog plaatsen) één of meer advertenties op één of meer website(s) waarin die [slachtoffer 2] werd aangeboden voor prositutiewerkzaamheden, en/of

- het onderhouden van contacten met en/of het maken van afspraken met (potentiële)(prostitutie)klant(en) voor die [slachtoffer 2] en/of het maken van afspraken met die (potentiële) klant(en) over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te betalen bedragen;

- het bepalen welke klanten die [slachtoffer 2] moest aannemen voor haar prostitutiewerkzaamheden, en/of

- het ter beschikking stellen van condooms en/of werkkleding voor de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 2] , en/of

- het begeleiden van die [slachtoffer 2] bij/naar escortwerkzaamheden;

3.

hij in of omstreeks de peeriode van 01 juni 2016 tot en met 12 mei 2017 te Heerhugowaard en/of elders in Nederland,

een ander, genaamd [slachtoffer 3] (geboren [geboortedatum 2] ) (werknaam [voornaam 2] ),

(telkens)

1) heeft geworven, overgebracht en/of gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273 f lid 1 sub 2), en/of

2) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, dan wel (enige) handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 3] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten die (seksuele) handelingen (artikel 273 f lid 1 sub 5), en/of

3) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van die [slachtoffer 3] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 8),

terwijl die [slachtoffer 3] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

en waarbij "enige handeling(en)" (zoals genoemd onder 2)) (onder meer) hebben/heeft bestaan uit:

- het ter beschikking stellen van zijn, verdachtes woning (aan het [adres] ) als werkplek (voor prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 3] );

- het aanmaken van en/of het onderhouden van (waaronder begrepen "omhoog plaatsen) één of meer advertenties op één of meer website(s) waarin die [slachtoffer 3] werd aangeboden voor prositutiewerkzaamheden, en/of

- het onderhouden van contacten met en/of het maken van afspraken met (potentiële)(prostitutie)klant(en) voor die [slachtoffer 3] en/of het maken van afspraken met die (potentiële) klant(en) over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te betalen bedragen;

- het bepalen welke klanten die [slachtoffer 3] moest aannemen voor haar prostitutiewerkzaamheden; - het geven van uitleg en/of instructie(s) (waaronder zogenoemde "pijples") aan die [slachtoffer 3] ten behoeve van de door haar te verrichten prostitutiewerkzaamheden;

4.

hij in of omstreeks de periode van 19 mei 2016 tot en met 30 september 2016 te Heerhugowaard en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een ander, genaamd [slachtoffer 4] (werknaam [voornaam 3] ), (telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare

positie,

1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het

oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en/of

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 4]

zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (artikel 273f lid 1 sub 4), en/of

3) heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer 4] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),

en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 4] (artikel 273 f lid 1 sub 6),

waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:

- het dwingen, althans bewegen van die [slachtoffer 4] om (onvrijwillig) onveilige en/of door die [slachtoffer 4] als vernederend ervaren en/of deviante seksuele handelingen van en/of met hem, verdachte, te ondergaan en/of te dulden, en/of

- het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [slachtoffer 4] , en/of

- het onder controle houden van die [slachtoffer 4] (onder andere door via een open telefoonverbinding mee te luisteren bij de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 4] ), en/of - het onthouden van maaltijden aan die [slachtoffer 4] , en/of

- het opleggen van (geldelijke) boetes aan die [slachtoffer 4] , en/of

- het dwingen tot het gebruik van harddrugs (o.a. cocaïne en/of speed en/of poppers) door die [slachtoffer 4] ,

en/of waarbij voornoemde (onder 2)) "enige handeling" heeft bestaan uit:

- het laten verblijven van die [slachtoffer 4] in zijn, verdachtes woning (aan het [adres] ) en/of het ter beschikking stellen van die woning als werkplek (voor prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 4] );

- het maken van foto's voor advertenties op één of meer website(s) waarin die [slachtoffer 4] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden;

- het aanmaken en/of onderhouden (waaronder begrepen het "omhoog plaatsen") van één of meer advertenties op één of meer website(s) waarin die [slachtoffer 4] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden;

- het onderhouden van contacten met en/of het maken van afspraken met (potentiële)(prostitutie)klant(en) voor die [slachtoffer 4] en/of het maken van afspraken met die (potentiële) klant(en) over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te betalen bedragen;

- het bepalen welke klanten die [slachtoffer 4] moest aannemen voor haar prostitutiewerkzaamheden, en/of

- het ter beschikking stellen van condooms en/of werkkleding voor de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 4] , en/of

- het begeleiden van die [slachtoffer 4] bij/naar escortwerkzaamheden.

2 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 4 (impliciet) primair ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit.

3.3.

Bewijs

De rechtbank grondt de beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

3.4.

Bewijsmotivering

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat geen sprake is geweest van mensenhandel.
Er is sprake van een complot. [slachtoffer 1] wil wraak nemen op verdachte, omdat zij jaloers is op zijn relaties met andere vrouwen. [slachtoffer 1] heeft zelf het initiatief genomen om in en vanuit de woning van verdachte prostitutiewerkzaamheden te gaan verrichten en zij is degene geweest, die vervolgens vriendinnen van haar heeft geworven om in en vanuit de woning van verdachte (en eveneens op basis van vrijwilligheid) prostitutiewerkzaamheden te gaan verrichten. Van aangeefster [slachtoffer 4] , die zelf reageerde op een advertentie van één van de andere dames toen medeverdachte [slachtoffer 1] even uit beeld was, wist verdachte de eerste paar maanden weinig af. Toen [slachtoffer 1] weer terug kwam, was zij degene die net als eerder dit prostitutiebedrijf leidde. De inkomsten uit de prostitutiewerkzaamheden gingen vooral naar de dames zelf en voor zover verdachte meer geld heeft ontvangen dan was afgesproken, betreft het een lening en is sprake van een civiele zaak die niet door de meervoudige strafkamer behandeld dient te worden, maar door de civiele rechter. Verdachte heeft nooit iemand gedwongen en nooit geweld gebruikt. [slachtoffer 3] heeft nooit gewerkt als prostituee. Zij heeft slechts schoonmaakwerkzaamheden verricht.

De rechtbank overweegt omtrent dit standpunt als volgt:

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat instemming met seksuele handelingen niet in de weg hoeft te staan aan een bewezenverklaring van uitbuiting. Gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van de delictsomschrijving mensenhandel en de daarop volgende jurisprudentie geldt dat de instemming van het slachtoffer met de beoogde of bestaande uitbuiting niet relevant is, indien een van de in artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde dwangmiddelen is gebruikt. Ook de omstandigheid dat het slachtoffer voordien al werkzaam was als prostituee staat op zichzelf niet in de weg aan bewezenverklaring. Anders dan door de raadsman van verdachte is gesteld, maken de door de rechtbank voor de bewezenverklaring gehanteerde bewijsmiddelen duidelijk dat verdachte ten aanzien van alle drie meerderjarige vrouwen gebruik heeft gemaakt van geweld en/of dreiging daarmee.

Die gehanteerde bewijsmiddelen laten tevens zien dat de uitbuiting is ontstaan en mogelijk geworden door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, van welke feitelijke omstandigheden verdachte zich terdege bewust was. Ook van de kwetsbare positie waarin de slachtoffers zich bevonden en die voor hem duidelijk was, heeft verdachte misbruik gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank is in casu sprake van een aantal feitelijke omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat verdachte overwicht op de aangeefsters met betrekking tot feit 1, 2 en 4 had, zich daarvan bewust was en dat hij van die overwichtspositie misbruik heeft gemaakt en aangeefsters in een uitbuitingssituatie heeft gebracht.

De aangeefsters van feit 1 en 4 beschikten niet over geschikte zelfstandige woonruimte op het moment dat zij met verdachte in zee gingen voor het verrichten van prostitutie-werkzaamheden in en vanuit diens woning. Zij verbleven in een vrouwenopvang, na te zijn ontsnapt aan een situatie van huiselijk geweld, respectievelijk bij “Fier”, een organisatie die ondersteuning biedt aan slachtoffers van binnenlandse en internationale mensenhandel in de vorm van opvang, beschermd wonen, begeleiding en behandeling. Beide vrouwen verkeerden in een maatschappelijk kwetsbare positie. Voorts hadden beide slachtoffers een liefdesrelatie met verdachte die zich aanvankelijk lief gedroeg, maar steeds dwingender, veeleisender en gewelddadiger gedrag begon te vertonen. Bovendien dwong en/of verleidde verdachte de slachtoffers tot het nemen van harddrugs, onder meer door deze in drankjes te doen. Het slachtoffer van feit 2 is nooit voornemens geweest om vrijwillig prostitutie te gaan bedrijven in en vanuit de woning van verdachte, maar zij is door verdachte daartoe gedwongen, nadat hij erin was geslaagd compromitterend foto- en/of filmmateriaal te maken van seks met haar. Zowel het slachtoffer van feit 1 als dat van feit 2 werden door verdachte gechanteerd met compromitterend foto- en/of filmmateriaal alsook met de dreiging dat kinderen of andere familieleden op de hoogte zouden worden gebracht van de prostitutiewerkzaamheden. Alle voormelde slachtoffers hadden (uiteindelijk) onvrijwillig seks met klanten en moesten een groter deel van hun verdiensten aan verdachte afstaan dan was afgesproken. Het slachtoffer van feit 4 heeft verklaard dat zij door de drugs en het harde werken zo onverschillig was geworden dat verdachte haar uiteindelijk zelfs iedere cent die zij verdiende afhandig kon maken.

Daarmee beantwoorden deze slachtoffers volstrekt niet aan het beeld van de gemiddelde mondige prostituee in Nederland die zelf bepaalt waar, wanneer, met wie en onder welke omstandigheden zij werkt.

Het minderjarige slachtoffer van feit 3 heeft verklaard niet voor verdachte als prostituee te hebben gewerkt, maar de rechtbank acht haar verklaring en die van verdachte, dat Kim slechts als schoonmaakster heeft gewerkt, in het licht van de bewijsmiddelen, zoals deze zijn gehanteerd voor de bewezenverkklaring, ongeloofwaardig.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de (impliciet) primair onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij in de periode van 1 mei 2015 tot en met 30 september 2016 te Heerhugowaard en/of elders in Nederland,

een ander, genaamd [slachtoffer 1] (werknaam [voornaam 1] ),

telkens met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

1) heeft vervoerd en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard (artikel 273f lid 1 sub 4) en

3) heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer 1] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),

en

telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] (artikel 273 f lid 1 sub 6), waarbij dat geweld en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid dan geweld heeft/hebben bestaan uit:

- het mishandelen van die [slachtoffer 1] , onder andere door die [slachtoffer 1] te slaan en bij de keel te grijpen en te duwen en aan de haren te trekken en aan de haren door de kamer te trekken/sleuren, en

- het dwingen, althans bewegen van die [slachtoffer 1] om onvrijwillig door die [slachtoffer 1] als vernederend ervaren en/of deviante seksuele handelingen van en/of met hem, verdachte, te ondergaan en/of te dulden, en

- het dreigen aan anderen foto's te tonen/verstrekken waarop die [slachtoffer 1] zonder of slechts in weinig verhullende kleding te zien is, en

- het dreigen aan anderen te vertellen dat die [slachtoffer 1] als prostituee werkzaam was, en

- het zich op boze en/of agressieve toon/wijze te uiten tegen die [slachtoffer 1] , en

- het onder controle houden van die [slachtoffer 1] , onder andere door via een open telefoonverbinding mee te luisteren bij de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 1] , en

- het opleggen van geldelijke boetes aan die [slachtoffer 1] ;

2.

hij in de periode van 1 november 2015 tot en met 24 december 2016 te Heerhugowaard en/of elders in Nederland,

een ander, genaamd [slachtoffer 2] ,

telkens met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

1) heeft gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard (artikel 273f lid 1 sub 4), en

3) heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer 2] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),

en

telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 2] (artikel 273 f lid 1 sub 6), waarbij dat geweld en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:

- het mishandelen van die [slachtoffer 2] , onder andere door die [slachtoffer 2] bij de keel te grijpen en/of te duwen en/of te slaan en/of te trappen en/of in de neus te bijten, en

- het dwingen, althans bewegen van die [slachtoffer 2] om onvrijwillig onveilige en/of door die [slachtoffer 2] als vernederend ervaren en/of deviante seksuele handelingen van en/of met hem, verdachte, te ondergaan en/of te dulden, en

- foto's te maken van seksuele handelingen van hem, verdachte, met die [slachtoffer 2] , en/of foto's te maken van die [slachtoffer 2] zonder of slechts in weinig verhullende kleding waardoor bij die [slachtoffer 2] de vrees ontstond dat anderen kennis van die foto's zouden kunnen krijgen, en

- het dreigen aan anderen te vertellen dat die [slachtoffer 2] als prostituee werkzaam was, en

- het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon/wijze uiten tegen die [slachtoffer 2] , en

- het onder controle houden van die [slachtoffer 2] , onder andere door via een open telefoonverbinding mee te luisteren bij de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 2] en

- het opleggen van geldelijke boetes aan die [slachtoffer 2] ,

3.

hij in de periode van 1 juni 2016 tot en met 12 mei 2017 te Heerhugowaard en/of elders in Nederland,

een ander, genaamd [slachtoffer 3] , geboren 27 mei 2001, werknaam Kim,

(telkens)

1) heeft geworven, en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273 f lid 1 sub 2), en

2) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (artikel 273 f lid 1 sub 5), en

3) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van die [slachtoffer 3] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 8),

terwijl die [slachtoffer 3] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt;

4.

hij in de periode van 19 mei 2016 tot en met 30 september 2016 te Heerhugowaard en/of elders in Nederland,

een ander, genaamd [slachtoffer 4] (werknaam [voornaam 3] ), telkens met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

1) heeft geworven en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard (artikel 273f lid 1 sub 4), en

3) heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer 4] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),

en

telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 4] (artikel 273 f lid 1 sub 6),

waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:

- het dwingen van die [slachtoffer 4] om onvrijwillig onveilige en/of door die [slachtoffer 4] als vernederend ervaren en/of deviante seksuele handelingen van en/of met hem, verdachte, te ondergaan en/of te dulden, en

- het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [slachtoffer 4] , en

- het onder controle houden van die [slachtoffer 4] en

- het opleggen van geldelijke boetes aan die [slachtoffer 4] , en

- het dwingen tot het gebruik van harddrugs, o.a. cocaïne, speed en poppers door die [slachtoffer 4] ,

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1, 2 en 4:

telkens: mensenhandel;

ten aanzien van feit 3:

mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

De rechtbank komt wel tot het oordeel dat verdachte de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate kunnen worden toegerekend, hetgeen hieronder bij de motivering van de sancties zal worden uiteengezet. Met dit oordeel zal bij de sanctietoepassing rekening worden gehouden.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar en TBS met dwangverpleging.

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte en de oplegging van straf en maatregel overweegt de rechtbank het volgende.

Bij de sanctietoepassing ten aanzien van verdachte heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en het aldaar besproken rapport van het Pieter Baan Centrum en de toelichting die hierop ter terechtzitting is gegeven door de deskundigen, is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze gedurende een aanzienlijke periode schuldig gemaakt aan – kort gezegd – mensenhandel in de vorm van de seksuele exploitatie en uitbuiting van drie vrouwen en één minderjarig meisje. Verdachte heeft misbruik gemaakt van de kwetsbare maatschappelijke positie van de slachtoffers van de onder feit 1 en feit 4 bewezen verklaarde gedragingen. Beide slachtoffers bevonden zich in een opvangsituatie op het moment dat zij aanvingen met het werken als prostituee in en vanuit de woning van verdachte. Verdachte heeft het slachtoffer van feit 2 (een moeder van een jong kind) bewogen seks met hem te hebben, heeft daarvan opnamen gemaakt en heeft haar vervolgens gedreigd deze seksuele gedragingen bij haar (schoon)familie bekend te zullen maken, indien zij niet voor verdachte zou gaan werken als prostituee. Verdachte heeft de slachtoffers van feit 1 en feit 2 onder druk gezet om door te gaan met werken als prostituee, terwijl zij dit niet wilden en heeft hen gedreigd dat hij hun prostitutiewerkzaamheden anders bij hun kinderen en/of andere familieleden bekend zou maken. Verdachte heeft foto’s en/of filmpjes gemaakt waarop de vrouwen zijn te zien in schaarse kleding of terwijl zij seksuele handelingen verrichten, hetgeen door de vrouwen als extra pressiemiddel is ervaren. Het slachtoffer van feit 1 heeft verklaard dat verdachte uiteindelijk zijn dreigement heeft waargemaakt, zodat haar kinderen en familieleden er thans helaas van op de hoogte zijn dat zij in de prostitutie heeft gewerkt, waardoor veel familieleden geen contact meer met haar willen. Verdachte heeft het grootste deel van de opbrengst uit het prostitutiewerk van de slachtoffers van feit 1, 2 en 4 geïncasseerd en heeft deze slachtoffers met geweld en dreiging met geweld ertoe bewogen en gedwongen zo veel mogelijk te werken en geld te verdienen. De vrouwen mochten geen klanten weigeren en hadden daardoor vaak geen tijd voor een eetpauze. Het geweld dat verdachte jegens de vrouwen gebruikte bestond mede uit seksueel geweld, waarbij de vrouwen werden gedwongen om (deviante) seksuele handelingen bij of voor verdachte te verrichten of van hem te dulden. Het slachtoffer van feit 4 heeft verklaard dat het werk altijd maar door ging en dat zij ook ’s-nachts wakker gemaakt kon worden om seks te hebben met een klant of met verdachte. Op die manier heeft verdachte de slachtoffers misbruikt en zich ten koste van hen verrijkt. Mensenhandel waarbij iemand die in een kwetsbare positie verkeert met het oog op financieel gewin in de prostitutie wordt gebracht en/of gehouden, is een vergaande en ontluisterende manier van uitbuiting waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer ondergeschikt wordt gemaakt aan de zucht naar geldelijk gewin van de uitbuiter.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten doorgaans nog lange tijd de psychische gevolgen hiervan ondervinden. Onder meer uit de schriftelijke slachtofferverklaring die het slachtoffer van feit 1 heeft voorgelezen en uit de informatie die de advocaten van de slachtoffers van feit 2 en 4 ter terechtzitting van 19 april 2018 hebben verstrekt, blijkt dat zij nog steeds ernstige psychische klachten ondervinden van hetgeen hen is overkomen. De rechtbank rekent verdachte deze gevolgen ernstig aan.

Op grond van de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat – uit een oogpunt van normhandhaving en preventie – alleen een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur in aanmerking komt.

De rechtbank heeft acht geslagen op de straffen die in andere mensenhandel-zaken zijn opgelegd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Deze straf is lager dan geëist, omdat de rechtbank van oordeel is dat naast een vrijheidsbenemende straf tevens een gedwongen behandeling in het kader van de maatregel van TBS dient te worden opgelegd en het gewenst is dat met deze behandeling eerder een aanvang wordt gemaakt dan de officier van justitie gelet op haar strafeis voorstaat.

Zoals gezegd is de rechtbank van oordeel dat de terbeschikkingstelling van verdachte dient te worden gelast en dat daarbij de verpleging van overheidswege dient te worden bevolen.

Verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek door gedragsdeskundigen, in het bijzonder gedragsdeskundigen verbonden aan het Pieter Baan Centrum.

Voor de beantwoording van de vraag of bij verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten al dan niet een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond, acht de rechtbank het rapport van het Pieter Baan Centrum en de daaraan te ontlenen, hieronder zakelijk weergegeven, overwegingen en conclusies van belang:

De onderzoekers van het Pieter Baan Centrum menen dat verdachte het onderzoek in het PBC heeft geweigerd op niet-pathologische gronden, maar op grond van de door hem ingenomen procespositie. Ondanks zijn weigering aan het onderzoek mee te werken hebben de onderzoekers van het PBC wel enkele observaties kunnen verrichten. Ook is een uitgebreid milieuonderzoek mogelijk geweest, waarbij met de adoptiefouders en broer van verdachte is gesproken. Voorts heeft de groepsleiding verdachte veelvuldig kunnen observeren, aangezien hij aan alle activiteiten heeft deelgenomen en zich observeerbaar opstelde. De weigering van verdachte heeft er toe geleid dat de onderzoekers geen inzage hebben gekregen in het met betrekking tot een eerder opgelegde maatregel aangelegd tbs-dossier omtrent verdachte.

De onderzoekers van het PBC zijn tot de volgende diagnostische conclusies gekomen:

Op basis van de observaties en de beschikbare informatie wordt een ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet waarschijnlijk geacht. Het gedrag van verdachte, zoals beschreven in het milieurapport en in eerdere pro Justitia rapportages is zodanig consistent en afwijkend, dat wel met zekerheid gesproken kan worden van een gebrekkige ontwikkeling.

Door het ontbreken van enig (test)onderzoek is het echter niet mogelijk om deze scheefgroei verder te specificeren. De mogelijkheden die nader onderzocht hadden moeten worden zijn een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD), een aanpassingsstoornis bij migratie naar Nederland, een hechtingsstoornis en een autismespectrumstoornis. Nader onderzoek was nodig geweest om deze diagnostische mogelijkheden beter te differentiëren. Het beschreven gedrag als kind met symptomen als overbeweeglijkheid, thrillseeking, roekeloosheid, druk gedrag, gebrekkige concentratie, niet luisteren en driftig zijn, doen sterk denken aan ADHD. Echter, ADHD dekt de toenmalige en huidige problematiek niet geheel.

Betrokkene is namelijk vanaf jonge leeftijd antisociaal gedrag gaan vertonen en in zijn puberteit een oppositionele gedragsstoornis. Dit kan passen bij de vroege kenmerken van een scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling die mogelijk is geworteld in vroege hechtingsproblemen. Het huidige onderzoek levert ook geen onderbouwing op voor een mogelijke autismespectrumstoornis, beschreven in eerdere pro Justitia-rapportages.

De onderzoekers hebben, door het gebrek aan medewerking van betrokkene, geen zicht verkregen op de onderliggende oorzaken en de onderlinge samenhang daartussen. Wat uit de eigen observaties en referenteninformatie naar voren komt, is dat betrokkene voortdurend de grenzen opzoekt en deze overschrijdt, hij zeer aandachtbehoeftig is en op zoek is naar spanning. Hij handelt voornamelijk uit egocentrisme, voorbijgaand aan de grenzen en de behoeften van de ander. Daarbij gaat hij regelmatig ongelijkwaardige relaties aan met een exploiterend karakter, waarin de ander het onderspit delft. Ook valt op dat betrokkene, door de jaren heen, weinig geleerd heeft op dit gebied, ondanks de jarenlange behandeling in de tbs.

De gediagnosticeerde gebrekkige ontwikkeling – met mogelijke varianten – heeft een chronisch karakter, op grond waarvan kan worden vastgesteld, aldus de ter terechtzitting gehoorde gedragsdeskundigen van het PBC, dat deze tijdens het ten laste gelegde ook aanwezig was.

De rechtbank acht aannemelijk dat de bewezen verklaarde feiten verdachte slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend vanwege de bij hem bestaande gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het, mede gelet op de lange periode gedurende welke het plegen van de strafbare feiten heeft plaatsgevonden alsmede de aard van de feiten, vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is verdachte onbehandeld in de maatschappij te laten terugkeren.

Indien een verdachte, zoals in dit geval, zijn (volledige) medewerking aan een onderzoek door gedragsdeskundigen heeft geweigerd, vervalt voor het opleggen van een terbeschikkingstelling de eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek als bedoeld in artikel 37a lid 3 jo 37 lid 2 Sr.

De wet noch de jurisprudentie vereist dat de gebrekkige stoornis die is vastgesteld wordt geclassificeerd volgens het handboek DSM-IV en dat deze dient te worden vastgesteld door een gedragsdeskundige.

De rechtbank is van oordeel dat de terbeschikkingstelling van verdachte dient te worden gelast en dat zijn verpleging van overheidswege dient te worden bevolen, nu bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, de door verdachte begane feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel eist.

Nu de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten [het meermalen plegen van mensenhandel, waarbij één van de slachtoffers de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt] kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar te boven kan gaan.

7 Bijkomende straf: verbeurdverklaring

Met betrekking tot het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 50 (nr. 2 op de in kopie aan dit vonnis gehechte beslaglijst van 12 april 2018) is de rechtbank van oordeel dat dit verbeurd verklaard dient te worden nu dit geld geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de bewezen verklaarde feiten is verkregen.

8 Vermogensmaatregel

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen vermeld onder de nummers 3 tot en met 43 op de in kopie aan dit vonnis gehechte beslaglijst van 12 april 2018 dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de als feiten 1 tot en met 4 bewezen verklaarde gedragingen zijn begaan met behulp van die voorwerpen.

9 Teruggave in beslag genomen en niet teruggegeven dagboek

De rechtbank is van oordeel dat het in het onderzoek tegen verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp vermeld onder nummer 1 van de in kopie aan dit vonnis gehechte beslaglijst, te weten een dagboek, dient te worden teruggegeven aan [slachtoffer 3] , aangezien zij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

10 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

1.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 188.134,14 ingediend tegen verdachte wegens materiële (€ 168.134,14) en immateriële schade (€ 20.000) die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank gaat bij het vaststellen van de materiële schade uit van een in de jurisprudentie algemeen aanvaard forfaitair bedrag van € 100 per gewerkte dag. Uitgegaan wordt van de verklaring die het slachtoffer bij de politie heeft afgelegd en derhalve van 10 gewerkte dagen per maand, gedurende een periode van 17 maanden. Dit komt neer op een bedrag van € 17.000. Tevens komt de rechtbank vergoeding van de gestelde immateriële schade billijk voor tot een bedrag van € 15.000, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen.

De wettelijke rente zal worden toegekend vanaf het moment waarop de vordering door de benadeelde partij is ingediend, te weten op 18 april 2018.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: mensenhandel] aanleiding ter zake van de vorderingen van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

2.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 140.685 ingediend tegen verdachte wegens materiële (€ 125.685) en immateriële (€ 15.000) schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank gaat bij het vaststellen van de materiële schade uit van een in de jurisprudentie algemeen aanvaard forfaitair bedrag van € 100 per gewerkte dag. Aannemelijk is dat mevrouw [slachtoffer 2] vanaf half november 2015 tot en met 24 december 2016 werkzaam was voor verdachte. Uit haar verklaringen in het dossier blijkt dat zij 3 à 4 dagen per week werkte. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat zij in ieder geval 3 dagen per week werkte gedurende 57 weken. Dit komt neer op een bedrag van € 17.100. Tevens komt de rechtbank vergoeding van de gestelde immateriële schade billijk voor ter hoogte van het gevorderde bedrag van € 15.000, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen.

De wettelijke rente zal worden toegekend vanaf het moment waarop de vordering door de benadeelde partij is ingediend, te weten op 13 april 2018.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 2 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: mensenhandel] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

3.

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 14.700 ingediend tegen verdachte wegens materiële (€ 7.200) en immateriële schade (€ 7.500) die zij als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder feit 4 bewezen verklaarde feit. Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot het gevorderde een bedrag van € 7.500 billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen.

De wettelijke rente zal worden toegekend vanaf het moment waarop de vordering door de benadeelde partij is ingediend, te weten op 12 april 2018.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 4 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: mensenhandel] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Ingevolge artikel 36f, achtste lid, Sr in verbinding met artikel 24c Sr kan bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat worden bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast. Deze vervangende hechtenis mag in het geval van samenloop als bedoeld in artikelen 57 en 58 Sr, ingevolge artikel 60a Sr in verbinding met artikel. 24c, derde lid, Sr ten hoogste 365 dagen bedragen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank naar evenredigheid, gelet op de hoogte van de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen, de vervangende hechtenis toepassen tot hoogtes waardoor het maximum van in totaal 365 dagen niet wordt overschreden.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 33, 33a, 36b, 36c, 37a, 37b, 57, 273f van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de als feiten 1, 2, 3 en 4 (impliciet) primair ten laste gelegde gedragingen heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Verklaart verbeurd

Het geldbedrag van € 50, vermeld onder nummer 2 op de in kopie aan dit vonnis gehechte beslaglijst van 12 april 2018.

Onttrekt aan het verkeer:

de voorwerpen vermeld onder de nummers 3 tot en met 43 op de in kopie aan dit vonnis gehechte beslaglijst van 12 april 2018.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 32.000, bestaande uit € 17.000 als vergoeding voor de materiële en € 15.000 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 32.000, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 148 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 32.100, bestaande uit € 17.100 als vergoeding voor de materiële en € 15.000 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 32.100, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 149 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij M. [slachtoffer 4] geleden schade tot een bedrag van € 14.700, bestaande uit € 7.200 als vergoeding voor de materiële en € 7.500 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 4] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 14.700, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 68 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Gelast de teruggave aan [slachtoffer 3] van:

het onder nummer 1 op de in kopie aan het vonnis gehechte beslaglijst genoemde dagboek.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter,

mrs. M.J.M. Verpalen en I.S. Burggraaff, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.S. Clements,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 mei 2018.

Mrs. Van Dijk en Burggraaff alsook de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.