Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:11670

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-10-2018
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
228492 HA ZA 15-441
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

aansprakelijkheid bestuurder: art. 2:9 BW, 2:10 BW. Vordering tot schadevergoeding afgewezen wegens onvoldoende betwisting stelling bestuurder. Zaak tegen controlerend accountant. Geen aansprakelijkheid. NV COS Standaard 240, 330 en 500

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/333
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/228492 / HA ZA 15-441

Vonnis van 31 oktober 2018

in de zaak van

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLLAND LIFT INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Hoorn,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SMP INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Hoorn,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. M.H.S. Verhoeven te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. R.J. van Wolferen te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JAN© ACCOUNTANTS EN BELASTINGADVISEURS,

gevestigd te Purmerend,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.F. Garvelink te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Holland Lift, SMP, [gedaagde] en JAN genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 42 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van JAN met 10 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde] ;

  • -

    het tussenvonnis van 4 november 2015;

  • -

    de door Holland Lift en SMP overgelegde beslagstukken;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie met de producties 49 en 50;

  • -

    de producties 51 en 52 van Holland Lift en SMP;

  • -

    de door JAN overgelegde productie houdende een rapport van Alvarez & Marsal;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 juni 2017;

  • -

    de brief van de rechtbank aan partijen van 17 april 2018;

  • -

    de brief van mr. Garvelink van 24 april 2018 met opmerkingen ten aanzien van het proces-verbaal;

  • -

    de brief van mr. Verhoeven van 30 april 2018, met opmerkingen op het proces-verbaal alsmede op de brief van de rechtbank van 17 april 2018;

  • -

    de brief van mr. Van Wolferen van 18 mei 2018 met opmerkingen op het proces-verbaal;

  • -

    de brief van de rechtbank aan partijen van 24 mei 2018;

  • -

    de brief van mr. Verhoeven van 29 mei 2018;

  • -

    de brief van mr. Garvelink van 30 mei 2018;

  • -

    de reactie van mr. Van Wolferen van 1 juni 2018 op voornoemde brieven van 29 en 30 mei 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Holland Lift ontwikkelt, produceert en verkoopt schaarliften. Vanaf 2002 was Stoneham Equipment B.V. (hierna: Stoneham) de enig aandeelhouder van Holland Lift.

SMP is opgericht op 14 juni 2007. Sinds 1 november 2007 houdt SMP alle aandelen in Holland Lift, eerst indirect als enig aandeelhouder van Stoneham en sinds 20 december 2013 rechtstreeks.

De aandelen in SMP werden voor in totaal 45 procent gehouden door [gedaagde] en de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). De resterende 55 procent van de aandelen werd gehouden door Riwal Holding Group B.V. (hierna: Riwal). Sinds 19 november 2013 is ProDelta Investments Partners B.V. (hierna: ProDelta) de enig aandeelhouder van SMP.

2.2.

[gedaagde] is krachtens een schriftelijke arbeidsovereenkomst van 8 januari 2001 per 1 januari 2001 in dienst getreden bij Holland Lift.

Volgens een bij productie 24 bij dagvaarding overgelegd uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (Bijlage 5 bij het rapport van PwC), was [gedaagde] van 10 december 2001 tot 9 februari 2012 samen met [naam 1] bestuurder van Holland Lift.

Volgens een als productie 2 bij dagvaarding overgelegd uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel was [gedaagde] van 31 december 2002 tot 9 februari 2012 samen met [naam 1] bestuurder van Stoneham.

Volgens een als productie 3 bij dagvaarding overgelegd uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel was [gedaagde] van 14 juni 2007 tot 9 februari 2012 samen met [naam 1] ook bestuurder van SMP.

[gedaagde] is op 11 maart 2013 bij Holland Lift uit dienst getreden.

2.3.

Bij Holland Lift functioneerde [naam 1] als algemeen directeur en [gedaagde] als financieel directeur. Onder leiding van [gedaagde] is Holland Lift met ingang van 2007 overgestapt van Exact DOS naar Exact Globe als het nieuwe financieel administratie systeem. Bij registratie in Exact Globe waren blijkens het memorandum Voorraadproces van JAN van oktober 2007 mede betrokken de magazijnmeester, de administratief medewerkers, de inkoopmedewerker, allen onder [gedaagde] als eindverantwoordelijke.

2.4.

JAN is een accountants- en belastingadvieskantoor. JAN heeft in opdracht van Holland Lift en SMP als controlerend accountant opgetreden en zij heeft in die hoedanigheid goedkeurende verklaringen afgegeven betreffende de jaarrekeningen van Holland Lift en SMP voor de boekjaren 2007, 2008 en 2009.

2.5.

Voor het boekjaar 2010 heeft Ernst & Young (hierna: EY) in eerste instantie een ongeclausuleerde goedkeurende verklaring afgegeven betreffende de jaarrekeningen van Holland Lift en SMP. Naar aanleiding van een onderzoek bij Holland Lift in opdracht van Riwal uitgevoerd door Krüger & Partners, een advieskantoor voor ondernemingsvraagstukken, heeft EY die goedkeurende verklaring ingetrokken.

2.6.

In voorjaar 2012 heeft [gedaagde] een TIA gehad, waardoor hij (deels) arbeidsongeschikt is geraakt.

2.7.

In 2011 en de jaren daarna hebben Holland Lift en SMP dan wel hun aandeelhouders onderzoek gedaan naar de financiële administratie van Holland Lift. Daarvoor is eerst door Krüger & Partners in 2011 een quick scan uitgevoerd naar het ontstaan van liquiditeitstekorten bij Holland Lift. Daarna hebben Holland Lift en SMP (dan wel hun indirecte aandeelhouder) aan PricewaterhouseCoopers Advisory N.V. (hierna: PwC) opdracht gegeven een (boeken)onderzoek te doen naar de financiële gang van zaken binnen Holland Lift en SMP en naar de rol die zowel [gedaagde] als JAN daarbij hebben vervuld. PwC heeft op 30 mei 2013 rapport uitgebracht van haar bevindingen. Die bevindingen zijn, samengevat, dat er in de boekhouding van Holland Lift verschillen zijn in de waarde van de voorraad zoals die is opgenomen in het grootboek en zoals die is opgenomen in de subadministratie. Bovendien hebben er onjuiste boekingen plaatsgevonden, waardoor het resultaat van Holland Lift en SMP te hoog werd voorgesteld en hun financiële positie te rooskleurig. Dit is gebeurd door toedoen van [gedaagde] , terwijl JAN hiervan wist dan wel hiervan op de hoogte had kunnen raken indien zij haar werk volgens de geldende normen had gedaan, aldus het rapport van PwC.

2.8.

Vervolgens hebben Holland Lift en SMP (dan wel hun indirecte aandeelhouder) aan PwC opdracht gegeven onderzoek te doen naar de schade die zij daardoor geleden hebben. Daarover heeft PwC op 24 december 2014 rapport uitgebracht. PwC concludeert in dat rapport dat Holland Lift en SMP door het handelen en nalaten van [gedaagde] en JAN voor een bedrag van € 7.966.044,- schade hebben geleden.

2.9.

Bij brief van 29 december 2014 zijn [gedaagde] en JAN door Holland Lift en SMP aansprakelijk gesteld voor de schade en zijn zij in de gelegenheid gesteld om de schade te vergoeden.

3 De vordering van Holland Lift en SMP

in conventie

3.1.

Holland Lift en SMP vorderen samengevat - hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] en JAN tot betaling van een bedrag van € 7.966.044,- te vermeerderen met

€ 32.488,91 wegens buitengerechtelijke kosten en te vermeerderen met de wettelijke rente, kosten rechtens.

3.2.

Verkort en zakelijk weergegeven leggen Holland Lift en SMP aan hun vordering ten grondslag dat [gedaagde] en JAN toerekenbaar tekort zijn geschoten in hun verplichtingen dan wel dat zij onrechtmatig jegens Holland Lift en SMP hebben gehandeld. Door het handelen/nalaten van [gedaagde] en JAN hebben Holland Lift en SMP schade geleden. Heel kort gezegd stellen Holland Lift en SMP als feitelijke basis voor de verwijten dat in de boekjaren 2007, 2008 en 2009 de voorraden van Holland Lift foutief te hoog gewaardeerd zijn, zodat het resultaat van de onderneming aanzienlijk positiever werd voorgesteld dan feitelijk juist.

3.3.

Aansprakelijkheid [gedaagde]

3.3.1.

Ten aanzien van [gedaagde] voeren Holland Lift en SMP aan dat [gedaagde] gedurende de jaren 2007, 2008 en 2009 als bestuurder van Holland Lift en SMP verantwoordelijk was voor de financiële gang van zaken binnen die ondernemingen en het voeren van een deugdelijke (financiële) administratie. [gedaagde] heeft als statutair bestuurder van Holland Lift en SMP gehandeld in strijd met de op hem uit hoofde van artikel 2:10 Burgerlijk Wetboek (BW) rustende verplichting om een administratie te voeren die te allen tijde een helder en getrouw beeld geeft van de rechten en verplichtingen (vermogenspositie) van de vennootschap. [gedaagde] , destijds ook registeraccountant, heeft daarmee als bestuurder van Holland Lift en SMP ernstig verwijtbaar gehandeld jegens hen. Als gevolg daarvan is hij op grond van het bepaalde in artikel 2:9 BW persoonlijk aansprakelijk jegens zowel Holland Lift als SMP voor de door hen vanwege zijn onbehoorlijk besturen geleden schade. [gedaagde] is ook op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de schade van Holland Lift en SMP. Geen enkel redelijk denkend bestuurder zou immers onder de in de dagvaarding geschetste omstandigheden hetzelfde gedaan hebben als [gedaagde] in casu heeft gedaan.

3.3.2.

Verkort en zakelijk weergegeven maken Holland Lift en SMP [gedaagde] de volgende verwijten:

- a) [gedaagde] heeft een verschil laten ontstaan tussen de waarde van de voorraad in het grootboek en de waarde van die voorraad in de onderliggende subadministratie. De in het grootboek opgenomen waarde van de voorraad van Holland Lift bedroeg eind 2007

€ 5.454.101,-. De in de subadministratie opgenomen waarde van de voorraad van Holland Lift eind 2007 bedroeg echter “slechts” € 2.854.901,-. Eind 2008 was de waarde van de in het grootboek opgenomen voorraad € 7.419.880,- tegen de in de subadministratie opgenomen waarde van slechts € 4.276.502,-. Eind 2009 bedroeg de waarde van de in het grootboek opgenomen voorraad van Holland Lift € 7.710.514,- terwijl de in de subadministratie opgenomen waarde van de voorraad eind 2009 slechts

€ 2.578.907,- bedroeg;

  • -

    b) [gedaagde] heeft de conversie in 2007 van het administratieprogramma Exact Dos naar Exact Globe niet juist uitgevoerd door, onder meer, een openingswaarde van de voorraad in te voeren die uitsluitend gebaseerd was op de in de jaarrekening over 2006 opgenomen waarde van de voorraad en niet op de daadwerkelijk aanwezige voorraad en hij heeft in eerste instantie alleen de aantallen van de voorraad in de subadministratie ingeboekt en niet de waarde daarvan, althans dit is onder zijn verantwoordelijkheid gebeurd;

  • -

    c) [gedaagde] heeft betreffende het boekjaar 2007 op grootboekniveau memoriaalboekingen en herwaarderingen gedaan waarmee de waarde van de voorraad van Holland Lift in de administratie ten onrechte is verhoogd en het resultaat van Holland Lift en SMP ten onrechte positief is beïnvloed doordat deze herwaarderingen als resultaat zijn genomen;

  • -

    d) [gedaagde] heeft Excelsheets houdende voorraadlijsten uit de subadministratie bewerkt en aangesloten op het grootboek en deze aan JAN gestuurd zodat het leek alsof het grootboek en de subadministratie op elkaar aansloten terwijl dit niet het geval was. [gedaagde] heeft aldus de situatie wat betreft de voorraad van Holland Lift bewust in stand gehouden en JAN herhaaldelijk onjuist, althans onvolledig, voorgelicht;

  • -

    e) [gedaagde] heeft ten minste tweemaal (in 2007 en in 2009) een onjuiste herwaardering van de in het grootboek opgenomen voorraad uitgevoerd;

  • -

    f) [gedaagde] heeft in 2009 een door zijn medewerker [naam 2] gemaakte fout (boeken op basis van verkoopprijs in plaats van vaste verrekenprijs) niet op een juiste wijze hersteld. Om onduidelijke redenen heeft [gedaagde] de waarde van de voorraad in het grootboek niet naar beneden gecorrigeerd maar juist verhoogd door het uitvoeren van een tweetal positieve herwaarderingen van de voorraad (staal) voor een bedrag van in totaal € 2.039.819,-. Die zijn vervolgens in het geheel genomen als resultaat via de grootboekrekeningen. Hierdoor is niet alleen het verschil tussen de subadministratie en het grootboek blijven bestaan en zelfs vergroot in het (boek)jaar 2008, maar is het resultaat van Holland Lift en SMP ook ten onrechte te positief voorgesteld in de jaarrekeningen;

  • -

    g) [gedaagde] was (blijkens het onderzoeksrapport van PwC) in de (boek)jaren 2007, 2008 en 2009 op de hoogte van het feit dat de waarde van de in het grootboek opgenomen voorraad niet aansloot bij de waarde van de in de subadministratie opgenomen voorraad, terwijl het aantal stuks voorraad in deze twee onderdelen van de administratie wel gelijk was. [gedaagde] heeft deze afwijking op geen enkel moment onder de aandacht gebracht van JAN of andere stakeholders van Holland Lift en SMP, maar ze juist in stand gehouden en hen aldus misleid. Hierdoor leken de financiële prestaties van Holland Lift en SMP ten onrechte, zo is thans gebleken, goed terwijl deze prestaties in werkelijkheid slecht waren.

3.3.3.

Niet valt uit te sluiten dat [gedaagde] de slechte financiële prestaties van Holland Lift en SMP heeft verhuld om een bonus en indexatie te ontvangen van substantiële omvang. Het jaarsalaris van [gedaagde] was immers voor een groot gedeelte afhankelijk van de financiële prestaties van Holland Lift. Zonder de incorrecte voorraadmutaties zou het resultaat van Holland Lift en SMP in 2007 en daarna veel lager uitvallen en zou deze geen basis kunnen zijn voor een bonus. Daarnaast was de cash flow van Holland Lift en SMP in de (boek)jaren 2007 en 2008 negatief, zodat ook deze component geen basis kon vormen voor een eventuele bonus voor [gedaagde] . In 2009 was de cash flow van Holland Lift licht positief, zodat [gedaagde] - als hij gezien de in de dagvaarding beschreven relevante feiten en omstandigheden al recht zou hebben op een bonus - over de (boek)jaren 2007, 2008 en 2009 nooit voor een hoger bedrag dan € 3.152,12 aan bonus had mogen ontvangen.

3.4.

aansprakelijkheid van JAN

3.4.1.

JAN heeft als controlerend accountant van Holland Lift en SMP over de boekjaren 2006, 2007, 2008 en 2009 de jaarrekeningen van Holland Lift en SMP gecontroleerd en in dat kader de subadministratie, het grootboek en de voorraad van Holland Lift en SMP onderzocht. Naar aanleiding van deze controle heeft JAN ten onrechte goedkeurende verklaringen afgegeven met betrekking tot de met de voornoemde boekjaren samenhangende jaarrekeningen. JAN heeft bovendien de door een controlerend accountant in acht te nemen onafhankelijkheid en afstand ten opzichte van Holland Lift niet in acht genomen. Daarnaast heeft JAN, toen zij Holland Lift in 2011 intern adviseerde op financieel gebied, nagelaten de voorraadverschillen onder de aandacht te brengen van de stakeholders van Holland Lift en SMP. Dit terwijl het niet anders kan dan dat JAN (ook in 2011) op de hoogte moet zijn geweest van de bestaande voorraadverschillen.

3.4.2.

Verkort en zakelijk weergegeven, verwijten Holland Lift en SMP JAN dat zij niet heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot (controlerend accountant) onder dezelfde omstandigheden zou hebben gedaan, omdat:

  • -

    JAN niet de waarde van de voorraad in de subadministratie heeft aangesloten op de waarde van de voorraad in het grootboek;

  • -

    JAN geen, althans onvolledige, deelwaarnemingen heeft verricht;

  • -

    JAN geen, althans onvoldoende, inhoudelijke controles op onder meer de voorraad, de memoriaalboekingen, de aangeleverde Excelsheets en overige documenten van Holland Lift en SMP heeft uitgevoerd. Gezien bijvoorbeeld de omvang van de gedane memoriaalboekingen was een deugdelijke inhoudelijke controle op deze boekingen noodzakelijk;

  • -

    JAN bij het verrichten van haar controlewerkzaamheden de door [gedaagde] bewerkte Excelsheet heeft gebruikt als werkdocument in plaats van de subadministratie;

  • -

    JAN genoegen heeft genomen met en uitsluitend is afgegaan op niet-volledige voorraadspecificaties, terwijl JAN blijkens door haar gevoerde correspondentie onmiskenbaar op de hoogte was van het feit dat de waarde van de voorraad van Holland Lift en SMP een aanzienlijk gedeelte van het balanstotaal vormden binnen de jaarrekeningen. Daarop had JAN een deugdelijke controle moeten uitvoeren, dus JAN kan en mag zich niet verschuilen achter haar eventuele opvatting dat zij mogelijk onjuist is geïnformeerd door [gedaagde] . JAN had en heeft als controlerend accountant immers steeds een eigen verantwoordelijkheid die nu juist tot doel heeft om situaties zoals de onderhavige te voorkomen;

  • -

    JAN de bij haar bekende onregelmatigheden niet heeft gerapporteerd en evenmin heeft aangegrepen om de benodigde extra controlewerkzaamheden te verrichten.

Voor hun verwijten aan JAN verwijzen Holland Lift en SMP ook naar de voor een controlerend accountant geldende voorschriften zoals die onder meer in de Nadere Voorschriften Controle en Overige Standaarden (hierna: "NV COS") zijn opgenomen. In het bijzonder heeft JAN de Standaarden 240, 330 en 500 NV COS niet in acht genomen, zo stellen zij.

3.4.3.

Als gevolg van de beschreven feiten en omstandigheden is JAN toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens Holland Lift en SMP als bedoeld in artikel 6:74 BW. Gezien de aard en de omvang van de door JAN gemaakte fouten is JAN niet alleen toerekenbaar tekort geschoten in haar verplichtingen, maar heeft zij tevens roekeloos (met grove schuld) gehandeld jegens Holland Lift en SMP bij het uitvoeren van haar controlewerkzaamheden. Daarnaast heeft JAN niet de zorg van een goed opdrachtnemer als bedoeld in artikel 7:401 BW in acht genomen jegens Holland Lift en SMP. Deze zorgplicht van een accountant is overigens nog groter als het, zoals in casu, gaat om wettelijke taken van een accountant, zijnde het controleren van een jaarrekening. Derhalve is JAN aansprakelijk voor de schade die Holland Lift en SMP hebben geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen van JAN.

3.4.4.

Daarnaast is het handelen van JAN ook onrechtmatig jegens Holland Lift en SMP. Door het niet op een juiste wijze uitvoeren van de controleopdracht van Holland Lift heeft JAN onrechtmatig gehandeld jegens SMP en is JAN aansprakelijk voor de door SMP als gevolg daarvan geleden schade. SMP heeft immers ten onrechte de gepresenteerde en gecontroleerde cijfers van Holland Lift geconsolideerd in haar eigen jaarrekening. JAN heeft niet voorkomen, waar zij dit wel had kunnen en moeten doen als zij haar taak goed had uitgevoerd, dat SMP in haar jaarrekening onjuiste maar gecontroleerde en goedgekeurde cijfers heeft opgenomen en daardoor een fout beeld heeft gegeven van haar prestaties aan haar stakeholders. Als JAN de controleopdracht van SMP op een juiste wijze zou hebben uitgevoerd dan waren de onregelmatigheden in de administratie aan het licht gekomen en zou Holland Lift de waarde van haar voorraad hebben onderzocht. Deze mogelijkheid heeft JAN Holland Lift echter ontnomen door haar controleopdracht van SMP niet juist uit te voeren. Dit betekent dat JAN ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens Holland Lift en derhalve aansprakelijk is voor de door Holland Lift als gevolg daarvan geleden schade.

3.4.5.

Daar komt nog bij dat JAN reeds onrechtmatig heeft gehandeld jegens Holland Lift en SMP door de jaarrekeningen over het boekjaar 2007 te controleren en van een goedkeurende verklaring te voorzien terwijl JAN op grond van artikel 5 van de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) op dat moment geen wettelijke controles mocht uitvoeren. JAN heeft dus ook in strijd met een wettelijke plicht gehandeld.

3.4.6.

Tenslotte heeft JAN onrechtmatig jegens Holland Lift gehandeld door zowel de jaarrekeningen van deze vennootschap te controleren als deze vennootschap intern financieel te adviseren. De dubbelrol van controlerend accountant en intern financieel adviseur die de heer [naam 3] namens JAN heeft vervuld bij Holland Lift is onder meer in strijd met artikel 19 Wta. De door JAN vervulde dubbelrol vormde immers een bedreiging voor de onafhankelijkheid van JAN ten opzichte van SMP, Holland Lift en derden zoals EY, terwijl JAN niet de benodigde maatregelen heeft genomen om haar onafhankelijkheid te waarborgen.

3.5.

schade

3.5.1.

In opdracht van Holland Lift en SMP heeft PwC op 24 december 2014 een schaderapportage met bijlagen uitgebracht (hierna: “het schaderapport”). Voor een uitvoerige beschrijving en berekening van de door Holland Lift en SMP geleden schade, verwijzen Holland Lift en SMP naar het schaderapport. Volgens Holland Lift en SMP hebben zij voor een bedrag van (in hoofdsom) € 7.966.044,- aan schade geleden als gevolg van het handelen en nalaten van JAN en [gedaagde] . De geleden schade valt grofweg uiteen in twee delen.

3.5.2.

Het eerste deel is schade ten bedrage van € 6.514.185,-. Holland Lift en SMP hebben die schade geleden in de vorm van misgelopen omzet en daardoor misgelopen marge over deze omzet. Doordat JAN en [gedaagde] (zowel individueel als gezamenlijk) fouten hebben gemaakt, hebben zij Holland Lift en SMP de mogelijkheid ontnomen om direct in te grijpen in de bedrijfsvoering van Holland Lift en SMP op de manier zoals zij dat na het ontdekken van de onregelmatigheden direct hebben gedaan. Hierdoor zijn de financiële prestaties van deze vennootschappen onnodig lang slecht gebleven, hetgeen heeft geresulteerd in de genoemde schade.

3.5.3.

Het tweede deel van de schade van Holland Lift en SMP bestaat, onder meer, uit door Holland Lift en SMP ten onrechte aan [gedaagde] betaalde bonussen, gemaakte (onderzoeks)kosten voor het vaststellen van de omvang van de schade en de aansprakelijkheid, kosten voor het aantrekken van (interim) bestuurders (onder andere de huidige bestuurder van Holland Lift, mevrouw [naam 4] maar ook de heren [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] ) en extra accountantskosten (EY en Deloitte Accountants B.V.). Met dit deel van de schade is een bedrag van € 1.451.859,- gemoeid.

3.5.4.

Voor een totaaloverzicht, berekening en beschrijving van deze schadeposten verwijzen Holland Lift en SMP naar de alinea’s 82 tot en met 98 van het schaderapport. Daarnaast maken Holland Lift en SMP aanspraak op vergoeding van wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

4 het verweer en de vordering in reconventie

4.1.

JAN

4.1.1.

JAN betwist de vordering. Verkort en zakelijk weergegeven heeft JAN aangevoerd dat zij niet toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van haar contractuele verplichtingen en ook niet onrechtmatig jegens Holland Lift en/of SMP heeft gehandeld. Zij voert verder aan dat Holland Lift en SMP niet tijdig hebben geklaagd over de vermeende tekortkomingen en JAN beroept zich op verjaring van de vordering en op rechtsverwerking. Tevens betwist JAN dat Holland Lift en SMP door het handelen/nalaten van JAN schade hebben geleden en zij betwist de door Holland Lift en SMP genoemde schadeposten. Tenslotte beroept JAN zich er op dat zij haar aansprakelijkheid voor schade contractueel heeft beperkt.

4.1.2.

In reconventie vordert JAN samengevat - veroordeling van Holland Lift tot betaling van € 45.097,86 wegens onbetaald gebleven facturen van JAN te vermeerderen met wettelijke handelsrente, en veroordeling van Holland Lift en SMP tot betaling van buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

4.2.

[gedaagde]

4.2.1.

Ook [gedaagde] heeft betwist dat hij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens Holland Lift en SMP of dat hij onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Over de vordering van SMP voert [gedaagde] aan dat alle verwijten die hem worden gemaakt zien op de uitoefening van zijn taak als bestuurder van Holland Lift. Deze gedragingen kunnen hem niet zonder meer ook worden verweten door SMP.

4.2.2.

[gedaagde] betwist dat hij statutair bestuurder van Holland Lift is geweest. Omdat [gedaagde] geen bestuurder van Holland Lift was, kan hij ook niet op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk worden gehouden.

Voor het geval de rechtbank oordeelt dat [gedaagde] wel bestuurder van Holland Lift en SMP was, voert [gedaagde] aan dat hem geen persoonlijk ernstig verwijt valt te maken. Anders dan Holland Lift en SMP stellen, is [gedaagde] niet tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit artikel 2:10 BW, de schending van de boekhoudplicht. De boekhouding voldeed aan de eisen die in artikel 2:10 BW worden gesteld. Er kon inzicht gegeven worden in de debiteuren- en crediteurenposities van Holland Lift. Bovendien gaven deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de rechtspersoon, een redelijk inzicht in de vermogenspositie van de rechtspersoon. Dat dit anders is, blijkt niet uit het rapport van PwC of andere stellingen van Holland Lift en SMP.

4.2.3.

[gedaagde] betwist verder de bevindingen van PwC. De rapporten van PwC zijn geheel in opdracht van Holland Lift en SMP opgesteld, de inhoud is suggestief en onvolledig. En bovendien staat het rapport vol met conclusies die niet controleerbaar zijn. Zo wordt in het rapport voortdurend een vergelijking gemaakt tussen de subadministratie en het grootboek, maar worden slechts de uitdraaien van het grootboek in het geding gebracht terwijl de subadministratie ontbreekt. [gedaagde] betwijfelt of de onderzoeker van PwC, Prins, de vereiste deskundigheid en zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Dit te meer omdat er in 2007 en 2008 tweemaal een uitgebreid due diligence heeft plaatsgevonden ten behoeve van Riwal en Tanfield Group, waarbij de voorraad is onderzocht en destijds niet is gebleken van substantiële voorraadverschillen.

Voor het geval wordt geoordeeld dat [gedaagde] wel bestuurder was van Holland Lift en SMP en hem bovendien een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt voert [gedaagde] aan dat de vorderingen van Holland Lift en SMP zijn verjaard.

4.2.4.

Over de door Holland Lift en SMP gevorderde schade voert [gedaagde] aan dat de bedoelde schade in ieder geval niet door SMP kan zijn geleden. SMP is de moedervennootschap van Holland Lift en ontplooit zelf geen activiteiten. Indien zij al schade heeft geleden, dan is dat afgeleide schade die niet voor vergoeding in aanmerking komt. SMP heeft onvoldoende gesteld waaruit blijkt dat zij directe schade heeft geleden. [gedaagde] heeft daarnaast de diverse schadeposten betwist. De rechtbank zal hier later op terugkomen.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in conventie en in reconventie

Opmerking proces-verbaal

5.1.

Partijen hebben op- dan wel aanmerkingen gemaakt op het proces-verbaal. De rechtbank stelt voorop dat het proces-verbaal een weergave van de waarneming van de rechtbank is van het ter zitting verhandelde. Niet wordt beoogd om alles wat gezegd wordt, woordelijk vast te leggen. Van belang is dat in het proces-verbaal wordt vastgelegd wat voor het verdere verloop van de procedure en voor de beoordeling door de rechter relevant is.

De opmerkingen van mr. Verhoeven op bladzijde 3 van zijn brief van 30 april 2018 zijn feitelijk juist. Het proces-verbaal kan als aldus gewijzigd worden beschouwd.

De opmerkingen van mr. Garvelink in zijn brief van 24 april 2018 zijn feitelijk juist. Het proces-verbaal kan als aldus gewijzigd worden beschouwd.

De brief van mr. Van Wolferen van 18 mei 2018 bevat slechts nadere toelichtingen. Op die punten is er geen reden het proces-verbaal aan te passen.

De rechtbank zal nu ingaan op de inhoudelijke beoordeling van het geschil, te beginnen met de zaak in conventie.

in conventie

5.2.

De rechtbank constateert dat de feitelijke basis qua boekhouding en qua schade voor de vordering tegen [gedaagde] en de vordering tegen JAN dezelfde is en volgens Holland Lift en SMP blijkt uit de PwC-rapportages. De rechtbank zal daarom - in lijn met de behandeling ter comparitie - de weren van beide gedaagden betrekken bij de beoordeling van deze feitelijke grondslagen. De rechtbank ziet aanleiding nu eerst in te gaan op de vordering van Holland Lift en SMP tegen JAN.

De vordering gericht tegen JAN

5.3.

Bevoegdheid art. 5 Wta

5.3.1.

Voor zover Holland Lift en SMP hun vordering gronden op vermeende wettelijke onbevoegdheid van JAN om voor het boekjaar 2017 een goedkeurende verklaring af te geven, is dat ten onrechte. Terecht heeft JAN namelijk aangevoerd dat de Wta (en daarmee de vergunningplicht ex artikel 5 Wta) begin 2006 is ingevoerd. Om nadien controles te mogen verrichten, moesten accountantsorganisaties een vergunning aanvragen bij en verkrijgen van de Autoriteit Financiële Markten (AFM), of gebruikmaken van een overgangsregeling. Gezien de grote hoeveelheid vergunningen die destijds gelijktijdig is aangevraagd, heeft de AFM veel (zo niet alle) accountantsorganisaties in afwachting van de vergunning via de overgangsregeling controles laten uitvoeren. De AFM zou voor 1 oktober 2008 op alle vergunningaanvragen onder de overgangsregeling beslissen. Dit is in het geval van JAN ook gebeurd, zo is onbetwist. JAN heeft op 29 september 2008 de benodigde vergunning gekregen.

5.3.2.

De conclusie is dat JAN gerechtigd was wettelijke controle over het boekjaar 2007 uit te voeren. Daar voegt de rechtbank, ten overvloede, nog aan toe dat Holland Lift en SMP niet inzichtelijk hebben gemaakt hoe die vermeende onbevoegdheid is te relateren aan de door haar gestelde schade.

5.4.

Dubbelrol JAN

5.4.1.

Als tweede pijler onder de vordering tegen JAN stellen Holland Lift en SMP dat JAN een dubbelrol heeft vervuld door niet alleen als controlerend accountant van Holland Lift en SMP te hebben opgetreden maar daarnaast ook een adviserende rol te hebben vervuld. Ook deze grondslag faalt. In de eerste plaats omdat is gebleken dat JAN niet gelijktijdig adviseur en controlerend accountant was. Gebleken is namelijk dat de heer [naam 3] van JAN pas een adviserende rol bij JAN is gaan vervullen in 2011, derhalve nadat JAN haar werkzaamheden als controlerend accountant had beëindigd.

5.4.2.

Ten tweede hebben ook hier Holland Lift en SMP niet inzichtelijk gemaakt hoe die vermeende dubbelrol te relateren is aan de gestelde schade.

5.5.

Niet handelen als vakbekwaam controlerend accountant

5.5.1.

Vast staat dat JAN krachtens een overeenkomst van opdracht werkzaamheden voor Holland Lift en SMP heeft verricht. Artikel 7:401 BW is dus van toepassing, dit luidt: “De opdrachtnemer moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen.” Volgens vaste rechtspraak dient een accountant bij de uitvoering van zijn opdracht de zorgvuldigheid in acht te nemen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Hierbij gaat het er om wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant in het kader van een zorgvuldige uitoefening van zijn taak met het oog op de belangen van de opdrachtgever mag worden gevergd. Het komt daarbij aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de accountant heeft gehandeld in overeenstemming met de normen en standaarden die in zijn beroepsgroep algemeen worden aanvaard en of door zijn werkzaamheden een beeld is gecreëerd dat misleidend is. Voorts is van belang de mate waarin het gevaar van schade door aantasting van de in het geding zijnde vermogensbelangen van de opdrachtgever voor de accountant redelijkerwijs voorzienbaar was en, mede in verband daarmee, of hij die (controle)maatregelen heeft genomen en die waarschuwingen heeft gegeven die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze van hem konden worden gevergd ter voorkoming van dit gevaar (HR 16 december 2016: ECLI:NL:HR:2016:2876; zie conclusie A-G).

5.5.2.

Het verwijt dat Holland Lift en SMP JAN maken komt er, kort gezegd, op neer dat JAN ten onrechte een goedkeurende verklaring heeft afgegeven voor de jaarrekeningen over de jaren 2007, 2008 en 2009 terwijl zij daarbij (i) onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de juistheid van de in het grootboek opgenomen waarde van de voorraad, (ii) ten onrechte niet heeft geconstateerd dat er een verschil was tussen de waarde van de voorraad in de subadministratie en de waarde van de voorraad in het grootboek (iii) onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar een aantal mutaties van [gedaagde] waardoor het resultaat en de voorraadpositie van Holland Lift gunstiger werd voorgesteld dan deze in werkelijkheid was. JAN heeft verzuimd toereikende (dus voldoende en geschikte) controle-informatie te verkrijgen. Door maar twee artikelen te inventariseren van de 50 producten die samen 80 procent van de waarde van de voorraad staal zou vertegenwoordigen, heeft JAN niet risico-gericht onderzoek gedaan. Daardoor heeft JAN het risico op het bestaan van materiële verschillen moedwillig veronachtzaamd. JAN wist begin 2008 dat de voorraad nog niet geteld was en dus onzeker was of de waarde in het grootboek juist was. JAN heeft de directie bij mail van 18 januari 2008 expliciet gewezen op de noodzaak dat de voorraad in het grootboek aansluit op die in de subadministratie. JAN had geen genoegen mogen nemen met gedeeltelijke aanlevering door [gedaagde] van excel-sheets, juist ook omdat de waarde van de voorraden binnen de jaarrekening een duidelijk aandachtspunt was. JAN had inhoudelijke controles op de ontvangen informatie moeten uitvoeren. JAN is al met al grovelijk nalatig geweest en heeft niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht.

5.5.3.

Holland Lift en SMP hebben het handelen/nalaten van JAN (mede) geplaatst in het kader van de Nadere Voorschriften Controle en Overige Standaarden (NV COS) en, in het bijzonder, de standaarden 240, 330 en 500 NV COS. Holland Lift en SMP verwijten JAN zich niet gehouden te hebben aan de Standaarden NV COS 240 (De verantwoordelijkheid van de accountant in verband met fraude in het kader van de controle van een jaarrekening) en NV COS 330 (De werkzaamheden van de accountant naar aanleiding van gemaakte risico-inschattingen) en 500 (toereikende, zijnde voldoende en geschikte, controle-informatie). De verwijten inzake Standaard NV 330 NV COS spitsen zich erop toe dat JAN de bepalingen van de artikelen 49 en 50 van NV COS 330 niet is nagekomen. Die artikelen bepalen dat, ongeacht het ingeschatte risico van een afwijking van materieel belang, de accountant gegevensgerichte werkzaamheden dient op te zetten en uit te voeren voor elke transactiestroom, post in het financiële overzicht en elk onderdeel van de toelichting bij het financiële overzicht van materieel belang. De gegevensgerichte werkzaamheden die de accountant uitvoert dienen in ieder geval de volgende controlewerkzaamheden met betrekking tot de afronding van het financiële overzicht te omvatten:

  • -

    het aansluiten van het financiële overzicht met de onderliggende administratie; en

  • -

    het beoordelen van materiële (voorafgaande) journaalposten en andere aanpassingen die tijdens het opstellen van het financiële overzicht zijn gemaakt.

De aard en de omvang van de beoordeling van de journaalposten en andere aanpassingen door de accountant zijn afhankelijk van de aard en complexiteit van het financiële verslaggevingsproces van de entiteit en de daarmee samenhangende risico's van een afwijking van materieel belang, aldus artikel 50 NV COS 330. Volgens Holland Lift en SMP waren in het geval van Holland Lift de voorraden zonder meer materieel te noemen. Zij maakten meer dan de helft van het totale vermogen uit. Gelet op de aanwezige frauderisico’s alsmede de aanwijzingen en signalen van fraude, waaronder het gegeven dat steevast vragen over de onderbouwing van de juistheid van de voorraadadministratie in de e-mails van JAN staan en er dus een belletje had moeten gaan rinkelen dat er misschien sprake was van manipulatie van voorraadwaarden, had JAN de manipulatie van de voorraden ontdekt, aldus Holland Lift en SMP.

5.5.4.

In haar verweer heeft JAN op zich niet betwist dat zij terugkijkend ten onrechte een goedkeurende verklaring heeft afgegeven. JAN betwist echter wel dat zij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen dan wel onrechtmatig jegens Holland Lift en SMP heeft gehandeld. Dit omdat, als JAN bij wijze van veronderstelling uitgaat van de juistheid van de stellingen van Holland Lift en SMP zelf, de afwijkingen zijn te wijten aan fraude door Holland Lift en SMP zelf (via het bestuur). Overigens wijst JAN op diverse lacunes en/of fouten in de stellingen van Holland Lift en SMP bij de weergave van de mutaties die zij als verdacht bestempelen. Hoe dan ook, de werkwijze die JAN bij haar controlewerkzaamheden over de betreffende boekjaren heeft gevolgd zoals door haar uitgebreid uiteengezet bij antwoord, voldoet volgens haar aan alle daaraan te stellen eisen volgens de wet en NV COS.

5.5.5.

De rechtbank stelt het volgende voorop. De jaarrekening wordt op grond van artikel 2:210 BW opgesteld door het bestuur. Op grond van artikel 2:393 lid 1 BW is de rechtspersoon verplicht aan een daartoe bevoegde accountant de opdracht te verlenen tot het controleren van de jaarrekening. De accountant dient te onderzoeken of de jaarrekening het wettelijk vereiste inzicht geeft. Hij gaat ingevolge artikel 2:393 lid 3 BW voorts na of de jaarrekening aan de bij of krachtens de wet gestelde vereisten voldoet en of het jaarverslag (onder meer) met de jaarrekening verenigbaar is. De accountant geeft de uitkomst van het onderzoek weer in een verklaring omtrent de getrouwheid van de jaarrekening. Het bestuur voegt de accountantsverklaring toe aan de jaarrekening (artikel 2:392 lid 1 sub a BW). De jaarrekening, het jaarverslag en de overige in artikel 2:392 BW bedoelde gegevens, waaronder de accountantsverklaring, worden door de rechtspersoon openbaar gemaakt door neerlegging bij het Handelsregister (artikel 2:394 lid 1 en 4 BW). Het doel van de controle van een jaarrekening is de accountant in staat te stellen een oordeel te geven of de jaarrekening in alle van materieel belang zijnde opzichten in overeenstemming is met de van toepassing zijnde normen.

5.5.6.

De rechtspersoon is derhalve verantwoordelijk voor zijn jaarrekening. Het bestuur heeft bij het opstellen van de jaarrekening een zekere mate van beoordelingsvrijheid. Zij zal noodzakelijke inschattingen en beoordelingen dienen te maken, die elk op zich aanvaardbaar zijn te achten en naast elkaar mogelijk zijn. De accountant is verantwoordelijk voor de afgegeven accountantsverklaring. De accountant onderzoekt of de door het bestuur gemaakte inschattingen en beoordelingen aanvaardbaar zijn te achten. Hij kan echter niet zijn oordeel over de meest wenselijke wijze van presenteren in de jaarrekening in de plaats stellen van de keuze van het bestuur. Zolang naar het oordeel van de accountant sprake is van een aanvaardbare keuze zal hij de jaarrekening als zodanig moeten aanvaarden. De aanwijzingen, die gelden voor de wijze waarop de accountant de jaarrekening dient te controleren, waren ten tijde van onderhavige werkzaamheden van JAN vastgelegd in de Richtlijnen voor de Accountantscontrole (RAC), editie 2005, later vervangen door de Controle- en overige standaarden (COS, geldend van 1 februari 2007 tot 1 juli 2007) en de Nadere voorschriften Controle- en overige standaarden (NV COS, geldend vanaf 1 juli 2007). De NV COS geeft aanwijzingen, die de accountant bij de uitvoering van de controleopdracht (en aanverwante opdrachten) dient te volgen.

5.5.7.

De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen Holland Lift en SMP hebben aangevoerd niet blijkt dat JAN de voor haar als controlerend accountant geldende voorschriften heeft overtreden of anderszins niet heeft gehandeld zoals van een redelijk vakbekwaam en redelijk handelend controlerend accountant verwacht mag worden. Het enkele feit dat achteraf is gebleken dat in het bedrijf van Holland Lift en SMP fraude heeft plaatsgevonden betekent namelijk nog niet dat JAN toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Ingevolge artikel 13 NV COS 240 berust de primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen en ontdekken van fraude zowel bij de organen belast met governance binnen de entiteit als bij het bestuur. Het is de verantwoordelijkheid van de organen belast met governance binnen de entiteit om via toezicht op het bestuur te waarborgen dat de entiteit zodanige interne beheersingsmaatregelen treft en handhaaft, dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen voor wat betreft de betrouwbaarheid van de financiële verslaggeving, de effectieve en efficiënte werking van de bedrijfsprocessen en de nakoming van toepasselijke wet- en regelgeving. Bij het uitoefenen van hun verantwoordelijkheid nemen de organen belast met governance in aanmerking in welke mate het bestuur de gelegenheid heeft de interne beheersingsmaatregelen te doorbreken of anders ten onrechte invloed uit te oefenen op het proces van de wijze waarop een financiële verantwoording tot stand komt, zoals door middel van pogingen om de resultaten te manipuleren teneinde het beeld te beïnvloeden dat analisten hebben ten aanzien van de prestaties en winstgevendheid van de entiteit (artikel 15 NV COS 240). Het is de verantwoordelijkheid van de leidinggevenden, onder toezicht van de organen belast met governance, om een beheersingsomgeving op te zetten en gedragslijnen en procedures in stand te houden die er zoveel mogelijk toe bijdragen dat de doelstelling van een ordelijke en efficiënte bedrijfsvoering door de entiteit wordt bereikt. Deze verantwoordelijkheid omvat mede het opzetten en in stand houden van interne beheersingsmaatregelen die zijn afgestemd op de doelstelling van de entiteit om financiële overzichten op te stellen die een getrouw beeld geven in overeenstemming met de van toepassing zijnde verslaggevingsregels en op het beheersen van de risico's die zouden kunnen leiden tot afwijkingen van materieel belang in die financiële overzichten. Dergelijke beheersingsmaatregelen verminderen het risico van een afwijking, maar sluiten deze niet uit. Bij het bepalen van de in te voeren interne beheersingsmaatregelen om fraude te voorkomen en te ontdekken, betrekt het bestuur het risico van een afwijking van materieel belang in de financiële overzichten als gevolg van fraude. Bij deze afweging kan het bestuur tot de conclusie komen dat het financieel niet efficiënt is om een bepaalde beheersingsmaatregel in te voeren en in stand te houden gezien de geringe mate waarmee het risico van een afwijking van materieel belang als gevolg van fraude hierdoor zou afnemen (art. 16 NV COS 240). Daaraan kan nog worden toegevoegd dat het doel van de controle van financiële overzichten is de accountant in staat te stellen een oordeel te geven over de vraag of de financiële overzichten in alle van materieel belang zijnde opzichten in overeenstemming is met de van toepassing zijnde grondslagen van financiële verslaggeving. In verband met de inherente beperkingen van een controle bestaat een onvermijdelijk risico dat niet alle afwijkingen van materieel belang worden ontdekt, ook al is de controle adequaat opgezet en uitgevoerd conform de Standaarden (art. 17 NV COS 240). Daarbij is het risico dat een afwijking van materieel belang ten gevolge van fraude niet wordt ontdekt hoger dan het risico dat een afwijking van materieel belang ten gevolge van het maken van fouten niet wordt ontdekt. Dit omdat fraude gepaard kan gaan met gecompliceerde en zorgvuldig opgezette plannen, bedoeld om de fraude te verhullen. Hierbij kan worden gedacht aan valsheid in geschrifte, het weloverwogen buiten de administratie laten van transacties of het opzettelijk onjuist informeren van de accountant. Dergelijke pogingen om de fraude te verhullen kunnen zelfs nog moeilijker te ontdekken zijn wanneer tevens sprake is van samenspanning. De mogelijkheid dat de accountant een fraude ontdekt hangt af van factoren als de behendigheid van de dader, de omvang en frequentie van de manipulaties, de mate van samenspanning, het relatieve belang van de individuele bedragen waarmee is gemanipuleerd en de positie van de betrokkenen. Hoewel de accountant in staat is om mogelijke situaties waarin fraude kan worden gepleegd te onderkennen, kan hij moeilijk vaststellen of afwijkingen waarbij oordeelsvorming een rol speelt, zoals bij schattingen, zijn veroorzaakt door fraude of door een onjuistheid (art. 18 NV COS 240). Voorts is het risico dat de accountant een afwijking van materieel belang niet ontdekt in geval van directiefraude hoger dan bij werknemersfraude, omdat bestuursleden vaak in een positie verkeren die hen in staat stelt rechtstreeks of indirect te manipuleren binnen de administratie en onjuiste financiële gegevens te presenteren. Leidinggevenden op bepaalde niveaus kunnen in een positie verkeren waarin zij in staat zijn om interne beheersingsmaatregelen te doorbreken die zijn opgezet om soortgelijke fraudes door andere personeelsleden te voorkomen, bijvoorbeeld door ondergeschikten opdracht te geven om transacties foutief of in het geheel niet vast te leggen. (art. 19 NV COS 240). Het achteraf ontdekken van een afwijking van materieel belang in de financiële overzichten als gevolg van fraude hoeft op zich geen aanwijzing te zijn dat de accountant de Standaarden niet heeft nageleefd. Dit geldt in het bijzonder bij sommige soorten opzettelijke afwijkingen, aangezien het kan zijn dat controlewerkzaamheden niet effectief zijn om opzettelijke afwijkingen te ontdekken als deze worden versluierd door samenspanning met of tussen een of meer personen onder het bestuur, de organen belast met governance, werknemers of derden of indien hierbij vervalste documenten zijn gebruikt. Of de accountant een controle heeft uitgevoerd in overeenstemming met de Standaarden wordt bepaald door de controlewerkzaamheden die in die omstandigheden zijn uitgevoerd, of er uit deze werkzaamheden toereikende controle-informatie is verkregen en of de juiste accountantsverklaring is afgegeven na het evalueren van de verkregen controle-informatie (art. 20 NV COS 240).

5.5.8.

Met andere woorden; het niet ontdekken van een mogelijke fraude betekent niet per definitie ondeugdelijkheid van de accountantscontrole. Gelet op het hiervoor geschetste kader is de rechtbank van oordeel dat uit hetgeen Holland Lift en SMP hebben aangevoerd niet valt af te leiden dat JAN toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Doorslaggevend daarbij is dat het, zoals geschetst, niet tot de primaire opdracht van JAN behoorde onderzoek te doen naar mogelijke fraude. Onbetwist gebleven is ook dat JAN in 2007 in een Memorandum Voorraadproces ter oplossing van door haar gesignaleerde problemen (met het Globe-systeem en de vaste verrekenprijs en het onderhanden werk) een partieel roulerende inventarisatie heeft geadviseerd. Dit advies is ook opgevolgd, waardoor in de loop van 2007 70 procent van de voorraad is geteld. Daarbij komt dat, anders dan Holland Lift en SMP aanvoeren, JAN weldegelijk onderzoek heeft gedaan naar de vraag of de waarde van de voorraad in het grootboek overeenkwam met die in de subadministratie. JAN heeft daar immers meermalen navraag over gedaan bij [gedaagde] , haar contactpersoon bij Holland Lift en SMP (zie o.a. e-mails d.d. 14 maart 2008 en 13 juli 2009, producties 27 en 31 bij dagvaarding). Vervolgens heeft [gedaagde] de gevraagde stukken ook verstrekt. Holland Lift en SMP stellen nu weliswaar dat die nader toegezonden stukken kennelijk betreffen valselijk opgemaakte excel-sheets, maar (indien ervan uit gegaan zou worden dat die stelling juist zou zijn) JAN hoefde er redelijkerwijs niet op bedacht te zijn dat dit het geval kon zijn. De door Holland Lift en SMP gestelde verschillen in het grootboek en de subadministratie zijn in elk geval aan de ogen van JAN onttrokken gebleven en daarvan valt JAN geen verwijt te maken.

5.5.9.

Holland Lift en SMP verwijten JAN ook dat zij onvoldoende heeft gecontroleerd of de voorraad zoals die in het grootboek stond ook daadwerkelijk aanwezig was. Daarover overweegt de rechtbank het volgende. Vast staat dat het niet tot de opdracht van JAN behoorde om integrale voorraadtellingen te doen. Onbetwist heeft JAN aangevoerd dat de voorraden bij Holland Lift dermate omvangrijk en divers waren, dat het praktisch en economisch ondoenlijk was om in het kader van de reguliere controle door de accountant integrale tellingen te houden. De controlestandaarden verlangen dat dan ook niet van de controlerend accountant en dit is (mede daarom) ook overigens niet standaard. Voor zover Holland Lift en SMP bij hun verwijt betrekken dat JAN ten aanzien van de voorraden gezien het materiële belang ervan de controlerisico’s onvoldoende heeft onderkend, gaat dit niet op. Hier kan worden herhaald dat JAN problemen heeft gesignaleerd bij de administratie van de voorraad en daarom heeft geadviseerd tot invoering van een partieel roulerend inventarisatie-systeem. Dit systeem is ook ingevoerd en nageleefd. Niet betwist is verder dat JAN op de totale voorraad 158 tellingen heeft gedaan en per jaar wisselende artikelen (Holland Lift en SMP baseren zich in de dagvaarding in navolging van PwC slechts op een statische selectie uit de voorraad van 50 artikelen met twee tellingen). Gebleken is bovendien (Holland Lift en SMP heeft de door JAN uiteengezette uitvoeringswijze van haar controlewerk niet of onvoldoende betwist) dat JAN steekproefsgewijs voorraadtellingen heeft gedaan. Tijdens de voorraadtellingen zijn geen (materiële) verschillen geconstateerd. Blijkens die onbetwist gebleven werkwijze van JAN heeft zij weldegelijk Exact Globe gebruikt voor haar controle, door bijvoorbeeld aan de hand van Excel-uitdraaien van de kantoorvoorraadadministratie per artikel te bezien of de getelde voorraad op artikelniveau was terug te vinden. Verder heeft JAN ter beoordeling van de voorraadwaardering, naast haar deelwaarnemingen ter controle van de waardering van grondstoffen en materialen, ook stukken zoals inkoopcontracten ten behoeve van productie betrokken. Derhalve concludeerde JAN - en mocht zij dit doen - dat kon worden gesteund op de inventarisatieprocedure en dat de post voorraad in de jaarrekening een getrouw beeld gaf van de werkelijkheid. Een verdere ondersteuning dat JAN dit op grond van haar werkwijze inderdaad mocht concluderen kan ook nog worden gevonden in het gegeven dat EY als opvolgend controlerend accountant een uitgebreid dossierreview bij JAN heeft gedaan en het controledossier van JAN over 2009 akkoord heeft bevonden en geoordeeld heeft daarop te kunnen steunen. Dat naar aanleiding van de onderzoeken nadien EY (en JAN) anders tegen de kwestie zijn gaan aankijken, doet daaraan geen afbreuk. Het verwijt dat JAN ontoereikende (onvoldoende en ongeschikte) controle-informatie heeft gebruikt (art. 500 NV COS) treft dus geen doel. Daarbij komt tot slot nog de omstandigheid dat, naar Holland Lift en SMP onbetwist hebben gelaten, JAN wanneer zij de hoogte van de voorraad met het bestuur van Holland Lift en SMP bespraken, het bestuur plausibele verklaringen voor de hoge voorraad had, namelijk de grote order van Riwal die grotendeels was uitgesteld, het annuleren of uitblijven van andere orders, de vergrote productiecapaciteit en de stijgende staalprijzen. Het vorenstaande betekent dat JAN haar werkzaamheden naar behoren heeft uitgevoerd. Of zij wel of niet door medewerkers is misleid bij tellingen kan daarbij in het midden blijven, nu dit hooguit reden te meer zou zijn waarom haar geen verwijt treft.

5.5.10.

De conclusie is dat uit hetgeen Holland Lift en SMP hebben aangevoerd niet kan worden afgeleid dat JAN toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen en/of onrechtmatig jegens Holland Lift en SMP heeft. De vordering van Holland Lift en SMP voor zover die is gericht tegen JAN wordt dan ook afgewezen. Hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht (over onder meer eigen schuld, exoneratie, verjaring) kan in dit licht bezien verder onbesproken blijven.

De vordering gericht tegen [gedaagde]

5.6.

Hoewel [gedaagde] dit ten aanzien van Holland Lift betwist, staat op grond van het navolgende vast dat [gedaagde] in de hier aan de orde zijnde periode statutair bestuurder van zowel Holland Lift als SMP was. Niet alleen staat in het Handelsregister vermeld dat hij van 10 december 2001 tot 9 februari 2012 samen met [naam 1] bestuurder van Holland Lift was. Ook was [gedaagde] degene die de jaarrekeningen van Holland Lift ondertekende, zoals hij ter comparitie ook heeft bevestigd. Dus [gedaagde] oefende de taak uit die op grond van de wet (artikel 2:210 jo. 2:361 lid 3 BW) een taak van het bestuur is. Zijn stelling dat de vermelding in het handelsregister zuiver administratief was, loopt hierop stuk. Verder wordt in de brief van 18 maart 2013 (onder 10) van de voormalige advocaat van [gedaagde] , mr. Corsten, er ook van uit gegaan dat [gedaagde] bestuurder van Holland Lift was (Bijlage 2 bij het PwC-rapport van 30 mei 2013). Dat [gedaagde] thans betwist bestuurder van Holland Lift geweest te zijn kan dan ook geen stand houden. Het enkele feit dat er geen benoemingsbesluit boven tafel is gekomen, leidt niet tot een ander oordeel.

5.7.

Holland Lift en SMP hebben gemotiveerd aangevoerd dat [gedaagde] de boekhouding van Holland Lift onjuist heeft bijgehouden, op de punten hierboven onder 3.3.2. weergegeven met a) t/m g). In de kern betogen zij aan dat [gedaagde] de (waarde van de) voorraad voor een te hoog bedrag heeft opgenomen in het grootboek (en dientengevolge de jaarrekening) en door een aantal onjuiste boekingen en mutaties de resultaten en de financiële positie van Holland Lift (en SMP) te rooskleurig heeft voorgesteld. Holland Lift en SMP stellen daardoor schade geleden te hebben.

5.8.

[gedaagde] heeft betwist dat hij de boekhouding onjuist heeft gevoerd. [gedaagde] voert aan dat in het PwC-rapport slechts een deel van de boekingen/mutaties is weergegeven, zodat wegens ontbreken van het totale beeld niet te achterhalen is of deze inderdaad verdacht zijn. [gedaagde] betoogt in dit verband onder meer dat Holland Lift voorraad hield op externe locaties, wat een redelijke verklaring was voor eventuele verschillen tussen het grootboek en de subadministratie. Van substantiële verschillen was daarbij geen sprake. Dit blijkt volgens [gedaagde] ook uit het gegeven dat er in 2007 en in 2008 uitgebreid due-diligenceonderzoek is uitgevoerd ten behoeve van Riwal respectievelijk Tanfield Group, zonder dat dat aanleiding gaf tot opmerkingen over de voorraad. Omdat de voorraad die zich op die externe locaties bevond niet of niet eenvoudig in de subadministratie kon worden ingevoerd, hield [gedaagde] die voorraad bij in losse excelbestanden. Die excelbestanden moesten vervolgens in het grootboek worden ingevoerd. Naar de rechtbank het standpunt van [gedaagde] begrijpt, werden die excelbestanden met “externe” voorraad ook aan JAN gegeven. Het standpunt van [gedaagde] over de onjuiste boekingen komt er op neer dat Holland Lift en SMP de betreffende subadministraties niet hebben overgelegd en [gedaagde] niet anders kan dan bij gebrek aan wetenschap de juistheid van de stellingen van Holland Lift en SMP over onjuiste mutaties te betwisten. Wel wijst hij er ook nog op dat in punt 40 van de dagvaarding bij de door Holland Lift en SMP geselecteerde mutaties functionarisnummer 9907 staat, wat niet zijn nummer is.

5.9.

De rechtbank overweegt het volgende. Holland Lift en SMP voeren twee verschillende juridische grondslagen aan voor hun vordering jegens [gedaagde] , zowel artikel 2:10 jo. 2:9 BW als artikel 6:162 BW. Voor de ernstig verwijtbaarheid die voor de eerste grondslag vereist is, voeren zij feitelijke gedragingen van [gedaagde] zelf aan. Het zijn dezelfde feitelijke gedragingen die ook aan de gestelde onrechtmatige daad ten grondslag liggen. Alleen bij het hiervoor in 3.3.2 onder b beschreven verwijt baseren Holland Lift en SMP zich mede op de formele verantwoordelijkheid van [gedaagde] voor de wijze waarop de conversie door ondergeschikten is uitgevoerd. Dit verwijt is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan. Hiervoor is doorslaggevend dat blijkens de conclusie van het ‘memorandum voorraadproces’ van JAN het systeem Exact Globe zelf destijds problemen kende in verwerking van inkoopfacturen en kostprijs, die opgelost moesten worden (en later blijkens onbetwist gebleven stellingen van JAN ook zijn opgelost). Hun stellingen over de feitelijke gedragingen van [gedaagde] zelf, ontlenen zij aan de PwC-rapportage. Het komt bij de beoordeling van de zaak dus aan op de beoordelingen van deze feitelijke stellingen.

5.10.

Met het hiervoor onder 5.8 weergegeven verweer heeft [gedaagde] de centrale stellingen van Holland Lift en SMP over de boekingen en mutaties en wat daaruit volgens hen afgeleid moet worden, voldoende gemotiveerd betwist. Hoewel de verklaring van [gedaagde] tijdens de comparitie bevestigt dat hij meermalen thuis excelsheets afkomstig uit de subadministratie heeft bewerkt en hij ter zitting geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen wat exact de strekking van die wijzigingen is geweest en of die wijzigingen ook in de subadministratie zijn doorgevoerd, blijft staan dat op Holland Lift en SMP de plicht blijft rusten hun centrale stellingen aangaande de boekingen en mutaties en hun betekenis voldoende te onderbouwen en zonodig te bewijzen. Bij de huidige stand van zaken breekt Holland Lift en SMP op dat zij in de dagvaarding slechts een door hen (en PwC) gemaakte selectie van boekingen en mutaties presenteren. Dit klemt te meer nu [gedaagde] en JAN beiden bij antwoord erop wijzen dat pas bij een totaalbeeld van de administratie en de boekingen/mutaties gezien kan worden of – als het ware per saldo – de waarde van de voorraad is gemanipuleerd, zeker in de zin zoals Holland Lift en SMP stellen. Daarbij komt nog dat Holland Lift en SMP niet meer hebben gereageerd op de concrete punten waarop volgens JAN in de dagvaarding sprake is van reken-/boekhoudkundige fouten. Bovendien gaat het om verwijten aan het adres van [gedaagde] over de boekjaren 2007 – 2009, terwijl op grond van de werkwijze binnen Holland Lift ook anderen dan [gedaagde] boekingen mochten doen en deden (ook al viel dat formeel onder zijn verantwoordelijk als CFO), zoals ook door JAN wordt onderschreven. Voor de beoordeling of en, zo ja, in welke mate [gedaagde] jegens Holland Lift en/of SMP aansprakelijk is voor geleden schade, dient de gegrondheid van de aan [gedaagde] concreet verweten handelingen ten aanzien van boekingen en mutaties en de strekking daarvan vast te komen staan. Gelet hierop is het aan Holland Lift en SMP om te bewijzen dat de door hen gestelde boekhoudkundige onjuistheden over de boekjaren 2007, 2008 en 2009 bestaan. Het zijn immers de rechtsgevolgen van deze boekhoudkundige onjuistheden waarop zij hun vorderingen baseren. Omdat bewijs van deze feiten onderzoek van, in ieder geval, de boekhouding van Holland Lift over boekjaren 2007, 2008 en 2009 vergt, ligt in de rede dat bewijs geleverd moet worden door een deskundigenonderzoek. De rechtbank komt daar echter niet aan toe, gelet op het volgende.

Schade(posten)

5.11.

De rechtbank ziet aanleiding om reeds nu in te gaan op de door Holland Lift en SMP gevorderde schade(posten). Hoewel Holland Lift en SMP stellen dat zij een miljoenenschade hebben geleden, hebben zij daaraan in de dagvaarding weinig woorden besteed. Zij hebben grotendeels volstaan met een verwijzing naar het, op zich, uitvoerige schaderapport van PwC. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist (i) de feiten die PwC aan haar schadeberekening ten grondslag heeft gelegd, (ii) de relatie tussen de diverse schadeposten en het aan [gedaagde] verweten handelen en (iii) de hoogte van de diverse schadeposten waarbij [gedaagde] ook heeft gesteld dat Holland Lift en/of SMP ook een regeling met [naam 1] hebben getroffen, waardoor de geleden schade lager is. Vervolgens hebben Holland Lift en SMP ter comparitie de gelegenheid gehad om de door hen gestelde schade(posten) nader te onderbouwen en in te gaan op het door [gedaagde] gevoerde verweer. Daarbij zijn ze vooral ingegaan op de gemiste brutomarge. Op de andere posten en de daartegen gevoerde weren, zijn Holland Lift en SMP echter niet of nauwelijks ingegaan. Uit het schaderapport van PwC (productie 42), waarnaar Holland Lift en SMP in de dagvaarding hebben verwezen, kan worden afgeleid dat hun schadevergoedingsvordering uit de volgende posten is opgebouwd:

a. gemiste bruto winstmarge € 6.514.185,-

b. bonus de heer [naam 1] 133.027,-

c. bonus [gedaagde] 126.144,-

d. JAN — kosten 2005 tot en met 2011 285.140,-

e. [naam 8] — ontslag [gedaagde] 5.110.-

f. Ploum Lodder Princen — onderzoek 32.500,-

g. PwC — rapport d.d. 30 mei 2013 50.000,-

h. PwC — schaderapport december 2014 37.082,-

i. EY— extra kosten jaarrekening 2011 58.338,-

j. Deloitte — extra kosten jaarrekening 2012 25.440,-

k. Krüger en partners — onderzoek 23.040,-

l. Boer & Croon — interim CFO 224.741,-

m. BoerCroon — interim CEO 205.160,-

n. [naam 7] — interim financieel manager 109.587,-

o. DB&S — herstructurering Holland Lift business plan 64.000,-

p. Ebbinge & Companv — search nieuwe CEO 72.550,-

De rechtbank zal nu eerst ingaan op de diverse schadeposten.

5.12.

Ad a. gemiste bruto winstmarge

5.12.1.

Tegen deze post heeft [gedaagde] een groot aantal verweren gevoerd. Deze zijn als volgt samen te vatten. Er is geen causaal verband tussen de tekortkoming en de verondersteld geleden schade. Niet valt in te zien hoe een juist beeld van de waarde van de voorraad zou leiden tot een hogere omzet. Dit geldt temeer nu het behalen van meer omzet van zoveel externe factoren afhankelijk is dat van toerekening in de zin van artikel 6:98 BW geen sprake kan zijn. Immers, indien de veronderstelde tekortkomingen van [gedaagde] worden weggedacht, dan betekent dat niet automatisch dat Holland Lift de door PwC in haar rapport betekende schade als winst had gerealiseerd. Daarvoor was dus een bijkomende omstandigheid nodig in de vorm van een ingrijpen c.q. reorganisatie van Holland Lift, althans van haar stakeholders. Holland Lift en SMP laten echter na te onderbouwen waaruit dit ingrijpen zou hebben bestaan en waarom dit tot realisatie van de door PwC geprognosticeerde omzet en winst zou leiden. De enkele stelling dat de resultaten na 2012 beter zouden zijn dan in de periode daarvoor is daarvoor onvoldoende. Dit is logischerwijs eerder het gevolg van een herstellende wereldmarkt, dan van de bekendheid van haar stakeholders met de werkelijke voorraadpositie van Holland Lift. De minder goede resultaten in 2009 en 2010 van Holland Lift zijn veel meer het gevolg van de wereldwijde economische crisis, dan van de onjuiste waardering van de voorraad. Belangrijk om in dit verband te constateren, is dat de concurrenten van Holland Lift een negatieve resultatenontwikkeling doormaakten als gevolg van minder, uitblijvend en/of uitgestelde orders. De teruglopende omzet (en daarmee marge) was derhalve het gevolg van de slechte markt waarin Holland Lift actief was en is. Niet valt in te zien waarom Holland Lift een (veel) beter resultaat zou hebben gerealiseerd dan haar concurrenten binnen de branche. Niet gesteld is welk ingrijpen van Holland Lift - indien zij op de hoogte was van de juiste voorraadwaarde - deze negatieve tendens had kunnen keren. Holland Lift erkent zelf dat in de periode 2010 tot en met 2013 sprake was van omzetdaling en een dalende orderintake. Dit is niet het gevolg geweest van een onjuiste waardering van de voorraad. [gedaagde] betwist tevens de omvang van de gestelde schade. Voorts heeft PwC de gederfde brutomarge berekend, dat is niet hetzelfde als gederfde winst. Slechts gederfde winst komt ex artikel 6:96 lid 1 BW voor vergoeding in aanmerking. Bovendien heeft PwC heeft geen rekening gehouden met de omvangrijke order van Riwal van 16 miljoen euro in 2007, hetgeen de resultaten 2007 en 2008 meer dan normaal positief heeft beïnvloed. Een order van dergelijke omvang was echter ongebruikelijk voor Holland Lift. Deze omstandigheid had in de schadeberekening moeten worden verdisconteerd, aldus [gedaagde] .

5.12.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor de schadepost ‘gemiste brutomarge’ (nog daargelaten of deze marge geheel met schade samenvalt en of schade op dit punt voor Holland Lift gelijk is aan schade voor SMP als haar indirect aandeelhouder), blijkt uit hetgeen Holland Lift en SMP hebben aangevoerd niet dat de gestelde tekortkoming van [gedaagde] (het onjuist administreren van de waarde van de voorraad) ertoe heeft geleid dat Holland Lift deze brutomarge heeft gemist. Deze schadepost voor Holland Lift is kennelijk gegrond op de veronderstelling dat bij het op een juiste manier voeren van de administratie, de (toenmalige) aandeelhouders van Holland Lift en SMP eerder zouden hebben ingegrepen in de bedrijfsleiding en –voering, waardoor Holland Lift en SMP meer omzet en betere marges zouden hebben behaald. Het hierin besloten gelegen causale verband tussen de vermeende fout van [gedaagde] met betrekking tot het vermeende onjuiste beeld van de voorraadwaarde enerzijds en de behaalde brutomarge anderzijds, hebben Holland Lift en SMP naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Wat Holland Lift en SMP hierover zeggen is dat zij de maatregelen die zij uiteindelijk namen eerder genomen zouden hebben indien zij eerder op de hoogte waren geweest van de (vermeende) onjuiste voorraadwaarde. Het gaat dan om ingrijpen in het productieproces en prijsbeleid door: de prijs te verhogen, inkopen beter te beoordelen, strategie te vernieuwen en de directie te ontslaan. Maar Holland Lift en SMP hebben niet (voldoende) aannemelijk gemaakt dat de genoemde maatregelen eerder genomen zouden zijn indien eerder de (vermeend) werkelijke voorraadwaarden bekend waren geweest. Enerzijds niet omdat de genoemde maatregelen in hoofdzaak liggen op het vlak van algemene reguliere maatregelen van bedrijfsvoering, dus zonder rechtstreeks verband met bekendheid of onbekendheid met de juiste voorraadwaarden. Anderzijds niet omdat voor Holland Lift en SMP al een indicator bestond dat – in hun eigen woorden – ‘er iets mis was’ bij Holland Lift omdat er voortdurend liquiditeitstekorten waren (zoals van hun zijde naar voren is gebracht) en dat dat gegeven al een aanleiding voor het nemen van de gestelde algemene bedrijfsvoeringsmaatregelen had kunnen zijn.

5.12.3.

Ook hebben Holland Lift en SMP de hoogte van de schade onvoldoende onderbouwd, in het bijzonder ook de bruikbaarheid van de beide indexen als basis voor de schadeberekening van PwC. De IPAF-index gaat over de (wereldwijde) verhuurdersmarkt en niet de (Europese) kopersmarkt van Holland Lift; als een verhuurder goede zaken doet, betekent dat niet direct dat de verkoper ook goede zaken doet, zeker niet in tijden van economische malaise. Maar de bruikbaarheid van de indexen wordt vooral ook weersproken door het feit dat na intreden van de economische crisis de ontwikkeling zoals PwC die aanneemt, opvallend afwijkt van de feitelijke ontwikkelingen van Holland Lift en Tanfield en Haulotte (zoals JAN dit herhaald grafisch heeft geïllustreerd, laatstelijk ter zitting). Hoewel Holland Lift leverancier van vooral specialistische maatwerkliften is en Tanfield en Haulotte leveranciers van standaardliften, vertonen alle drie in grote lijnen vergelijkbare feitelijke ontwikkelingen, terwijl de ontwikkeling volgens PwC beduidend minder lang en minder diep dalend is met een beduidend veel beter eindpunt per 2012.

5.12.4.

Samenvattend hebben Holland Lift en SMP onvoldoende onderbouwd dat deze post als schade kan gelden. Deze post is alleen al om die reden niet voor toewijzing vatbaar.

5.13.

Ad b. en c. bonussen [naam 1] en [gedaagde]

5.13.1.

Holland Lift en SMP leggen aan dit deel van de vorderingen ten grondslag dat de bonussen onterecht zijn uitgekeerd, want gebaseerd op veronderstelde maar niet daadwerkelijke financiële prestaties van Holland Lift. Hiertegen heeft [gedaagde] aangevoerd dat deze posten volgens het schaderapport van PwC betrekking hebben op de aan [naam 1] en [gedaagde] uitbetaalde bonussen naar aanleiding van de boekjaren 2002 tot en met 2008. Omdat de administratie voor 2007 niet meer beschikbaar is, kan niet gecontroleerd worden of deze bonussen onterecht zijn uitgekeerd. Bovendien blijkt dat er met [naam 1] een regeling is getroffen. [gedaagde] is niet bekend met de inhoud van deze regeling, maar acht aannemelijk dat de aan [naam 1] uitgekeerde bonus onderdeel was van de regeling. Deze kosten kunnen daarom niet twee keer in rekening worden gebracht en bovendien niet aan [gedaagde] worden toegerekend, aldus [gedaagde] .

5.13.2.

De rechtbank constateert dat Holland Lift en SMP niets hebben aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat causaal verband zou bestaan tussen de verwijten over de jaren 2007, 2008 en 2009 en de aan [naam 1] en [gedaagde] in de jaren 2002-2006 uitgekeerde bonussen. Voor de over 2007 en 2008 uitgekeerde bonussen geldt dat, indien aansprakelijkheid van [gedaagde] vast zou komen te staan, mogelijk teveel aan bonussen aan hem en aan [naam 1] is betaald. Blijkens productie 7 bij dagvaarding is aan [gedaagde] in verband met 2007 een bonus van € 29.789,70 betaald en in verband met 2008 een bonus van € 32.148,72. Uit bijlage 27 bij het schaderapport blijkt dat aan [naam 1] over 2007 een bonus is betaald van € 31.272,73 en over 2008 een bonus van € 32.148,73. Dat over 2009 een bonus aan [gedaagde] en/of [naam 1] is betaald, is niet gesteld. Indien aansprakelijkheid van [gedaagde] vast zou komen te staan, zou de schade op dit punt maximaal € 125.359,88 kunnen bedragen. De rechtbank komt op dit punt terug in r.o. 5.25 e.v.

5.14.

Ad d. JAN kosten 2005 tot en met 2011

5.14.1.

[gedaagde] heeft tegen deze schadepost aangevoerd dat in de opstelling bij het schaderapport (bijlage 29) ook nota’s worden opgevoerd uit de boekjaren 2005 en 2006, die in elk geval niet kunnen worden gezien als schade door de verwijten betreffende boekjaren 2007, 2008 en 2009. In de brief van 29 december 2014 noemt de advocaat van Holland Lift en SMP een bedrag van € 30.000,- als normbedrag voor accountantskosten per jaar. Dit betekent dat over de verweten boekjaren een bedrag van € 180.000,- aan accountantswerkzaamheden normaal is en in zoverre ook niet kan worden gekwalificeerd als schade. Tot slot worden in de opstelling ook alle kosten inzake Holland Lift International Holding B.V. en Servi-Tec B.V. opgenomen, terwijl [gedaagde] geen relatie had tot deze vennootschappen en deze vennootschappen bovendien geen eisers zijn in deze procedure. Onder de nota’s in bijlage 29, bevinden zich ook nota’s voor het detacheren van de heer [naam 3] als interim CFO. Deze kosten kunnen in redelijkheid niet op [gedaagde] worden verhaald. Dit zijn normale kosten en is geen schade. Tot slot betwist [gedaagde] dat alle nota’s door Holland Lift, dan wel SMP aan JAN zijn betaald. In ieder geval werden de nota’s van JAN niet betaald ten tijde van het ziekteverzuim van [gedaagde] ingaande per augustus 2012.

5.14.2.

De vordering wegens kosten JAN wordt afgewezen. Holland Lift en SMP hebben de uitvoerige en steekhoudende bezwaren van [gedaagde] niet ontkracht en ook overigens niet of nauwelijks iets toegevoegd waaruit blijkt dat deze post als schade is te beschouwen. Hun enkele reactie ter zitting dat het verschil tussen de waarde van de voorraad in de subadministratie versus het grootboek gedeeltelijk is ontstaan vóór 2007 zodat de kosten van JAN van vóór 2007 dus schade zijn, volstaat daarvoor niet. Verder overweegt de rechtbank dat Holland Lift en SMP bij hun schadevordering uitgingen van aansprakelijkheid van JAN. Maar hierboven heeft de rechtbank vastgesteld dat JAN haar taak goed heeft vervuld. Waarom zonder aansprakelijkheid van JAN de kosten voor het uitvoeren van deze taak door [gedaagde] te vergoeden schade is valt niet direct in te zien en is niet onderbouwd.

5.14.3.

Ad e. kosten [naam 8]

5.14.4.

Tegen deze post heeft [gedaagde] aangevoerd dat het hier deels gaat om algemene advieskosten ten aanzien van Holland Lift. Niet blijkt dat deze kosten betrekking hadden op (aansprakelijkheid van) [gedaagde] . Een deel van de facturen is bovendien op naam gesteld van Riwal Holding Group. Dit betekent dat Holland Lift en SMP ten aanzien van deze facturen geen schade hebben geleden. Voor deze kosten kan [gedaagde] in elk geval niet aansprakelijk worden gehouden, zo voert hij aan.

5.14.5.

Ook voor deze post geldt dat Holland Lift en SMP, gelet op het verweer van [gedaagde] , onvoldoende hebben toegelicht waarom er op dit punt sprake is van door Holland Lift en SMP geleden schade veroorzaakt door de vermeende fouten van [gedaagde] . Dit mede bezien in het licht van de declaraties van [naam 8] waarop als dossiernaam ‘Holland Lift/Advies A&O’ staat vermeld. Die dossiernaam geeft geen indicatie dat de werkzaamheden betrekking hadden op vermeende fouten van [gedaagde] . Ook de omschrijving van de werkzaamheden die op de declaraties staan vermeld geven daarvoor geen indicatie. Deze post is niet toewijsbaar.

5.15.

Ad f. Ploum Lodder Princen

5.15.1.

Ten aanzien van de kosten die zijn gemaakt door Ploum Lodder Princen Advocaten in het kader van een onderzoek, betwist [gedaagde] bij gebreke van een deugdelijke specificatie van de uren en de werkzaamheden de hoogte van de nota.

5.15.2.

De hoogte hiervan is na het verweer van [gedaagde] nader onderbouwd met aanvullende productie 52. Indien na bewijslevering uitgegaan zou moeten worden van aansprakelijkheid van [gedaagde] , zouden de kosten van Ploum Lodder Princen schade kunnen zijn. De rechtbank komt op dit punt terug in r.o. 5.25 e.v.

5.16.

Ad g. PwC rapport 30 mei 2013

5.16.1.

Tegen deze post heeft [gedaagde] aangevoerd dat, hoewel de nota is verzonden naar Holland Lift, de opdracht voor het verrichten van het onderzoek is gegeven door Riwal. Dat blijkt uit de inleiding van het onderzoeksrapport. De kosten voor het onderzoek kunnen derhalve niet zomaar bij Holland Lift in rekening worden gebracht als zij de opdracht niet heeft verstrekt. Deze kosten kunnen daarom niet op [gedaagde] worden verhaald.

5.16.2.

De rechtbank stelt vast dat – indien Holland Lift en SMP zouden slagen in het benodigde bewijs – dit in beginsel kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid van [gedaagde] zijn. Het rapport is weliswaar uitgebracht in opdracht van Riwal Holding Group B.V., maar onbetwist is dat deze aan Holland Lift in rekening zijn gebracht. Indien na bewijslevering uitgegaan zou moeten worden van aansprakelijkheid van [gedaagde] , zouden deze kosten schade kunnen zijn. De rechtbank komt op dit punt terug in r.o. 5.25 e.v.

5.17.

Ad h. PwC schaderapport

5.17.1.

[gedaagde] voert aan dat dit rapport is opgemaakt in opdracht van Pro Delta Holding B.V. Deze vennootschap is geen partij in deze procedure. Bovendien zijn de kosten voor de vervaardiging van dit rapport niet bij Holland Lift, dan wel SMP in rekening gebracht. Deze kosten kunnen niet als schade van Holland Lift en SMP worden gekwalificeerd.

5.17.2.

De rechtbank stelt vast dat dit rapport voor het overgrote deel betrekking heeft op de onderbouwing van de post ‘gemiste bruto winstmarge’. Juist deze post is hierboven niet als schade toewijsbaar geoordeeld. Dit brengt mee dat de kosten in verband met dit schaderapport niet als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid zijn te beschouwen. Deze post is niet als schade te beschouwen.

5.18.

Ad i. EY extra kosten jaarrekening 2011

5.18.1.

[gedaagde] stelt dat indien EY haar werkzaamheden ter zake van de controle van de jaarrekeningen over de boekjaren 2010 en 2011 juist had uitgevoerd, geen extra werkzaamheden hadden hoeven plaatsvinden. Het is voor [gedaagde] bovendien onbegrijpelijk dat JAN in deze procedure wordt aangesproken, terwijl EY de dans lijkt te ontspringen. Voor de goede orde merkt [gedaagde] op dat een groot deel van de door EY gedeclareerde kosten bestaat uit werkzaamheden voor het herstellen van fouten. [gedaagde] ziet niet in waarom hij dient op te draaien voor deze kosten. Over het algemeen geldt de regel dat degene die een fout maakt, deze fout herstelt. Voor het herstellen van fouten behoren geen kosten in rekening te worden gebracht. Het was immers EY die haar werkzaamheden niet naar behoren heeft uitgevoerd.

5.18.2.

Blijkens de stellingen van Holland Lift en SMP gaat het hier niet om herstel van eigen fouten van EY, maar om extra werk voor de jaarrekeningen 2010 en 2011 om de vermeende fouten van [gedaagde] (en het gestelde effect op de jaarrekening) ter herstellen. De lezing van [gedaagde] wordt niet gesteund door de stellingen van Holland Lift en SMP, zeker in onderlinge samenhang bezien. Indien na bewijslevering uitgegaan zou moeten worden van aansprakelijkheid van [gedaagde] , geldt het volgende. Zoals hiervoor reeds overwogen mocht JAN bij de controle van de jaarrekeningen afgaan op het (vermeend onjuiste) beeld dat de administratieve verwerking gaf van de voorraden. Dit geldt des te meer voor EY. Extra kosten ter correctie van de jaarrekeningen aan de hand van een nadien verkregen (vermeend) juist beeld staan dan in voldoende rechtstreeks verband met de aan [gedaagde] gemaakte verwijten. Deze kosten zouden dus eventueel schade kunnen zijn. De rechtbank komt op dit punt terug in r.o. 5.25 e.v.

5.19.

Ad j. Deloitte kosten jaarrekening 2012

5.19.1.

[gedaagde] is met ingang van 1 augustus 2012 volledig ziek geworden. Hij is derhalve niet betrokken geweest bij het opstellen van de jaarrekening 2012. In elk geval is hij niet anderszins verantwoordelijk voor de controle over 2012 door Deloitte. [gedaagde] ziet derhalve niet in waarom deze kosten op hem zouden kunnen worden verhaald. Bovendien is een deel van de nota’s gericht aan Pro Delta Lifting B.V. Deze kosten zijn derhalve niet door Holland Lift of SMP gemaakt, zodat die kosten ook niet kunnen worden gekwalificeerd als door hen geleden schade, aldus [gedaagde] .

5.19.2.

Voor deze post geldt, net als voor de vorige, dat indien vast zou komen te staan dat [gedaagde] de gestelde fouten heeft gemaakt, extra kosten ter correctie van de jaarrekeningen aan de hand van een nadien verkregen (vermeend) juist beeld dan in voldoende rechtstreeks verband staan met de aan [gedaagde] gemaakte verwijten. Deze kosten zouden dus eventueel schade kunnen zijn. De rechtbank komt op dit punt terug in r.o. 5.25 e.v.

5.20.

Ad k. Kosten Krüger en Partners

5.20.1.

[gedaagde] heeft deze post betwist, waarbij hij erop wijst dat het betreffende onderzoeksrapport niet in geding is gebracht. De rechtbank stelt het volgende vast. Uit het rapport van PwC van mei 2013 (punt 235) blijkt dat Krüger & Partners zich bezig houdt met bedrijfsadviezen bij onder meer liquiditeitsvraagstukken en dat zij eind 2011 een onderzoek is gestart naar de processen en financiële situatie van Holland Lift. Duidelijk is dus dat het onderzoek niet specifiek betrekking had op het punt van de waarde van de voorraad of op de taakuitoefening door [gedaagde] . Zoals eerder al in verband met de schadepost brutomarge aan de orde kwam, kende Holland Lift al langer liquiditeitsproblemen en afnemende orderaantallen. Aan te nemen valt dat het onderzoek daarop was gericht. Onder verwijzing naar wat eerder is overwogen over een verband tussen de verwijten en de bedrijfsresultaten, hebben Holland Lift en SMP ook hier het causaal verband tussen deze post en de verwijten aan het adres van [gedaagde] onvoldoende onderbouwd om deze post als schade te kunnen toewijzen.

5.21.

Ad l. en m. Boer & Croon Interim CFO en Interim CEO

5.21.1.

Tegen deze posten voert [gedaagde] aan dat uit de overgelegde facturen van Boer & Croon (bijlagen 37 en 38) blijkt dat alle facturen zijn gezonden aan Riwal Holding Group BV. en aan Pro Delta lnvestments Partners B.V. Derhalve is door Holland Lift en/of SMP geen schade geleden, zo betoogt [gedaagde] .

5.21.2.

De rechtbank zal de kosten voor een interim CFO Faber en interim CEO Sijs afwijzen omdat Holland Lift en SMP onvoldoende hebben onderbouwd waaruit blijkt dat deze kosten het gevolg zijn van het handelen dat Holland Lift en SMP [gedaagde] verwijten. Dit omdat onbetwist vaststaat dat [gedaagde] in maart 2012 is uitgevallen na een TIA en hij daarna niet meer volledig arbeidsgeschikt is geweest.

5.22.

Ad n. [naam 7] Interim Financieel Management

5.22.1.

Ook ten aanzien van deze kosten stelt [gedaagde] dat zij in rekening zijn gebracht bij Riwal Holding Group B.V., dan wel Pro Delta Lifting B.V. en dat deze kosten niet kunnen worden gekwalificeerd als schade.

5.22.2.

De rechtbank zal ook de kosten voor de interim financieel manager afwijzen. Ook hier geldt wat voor de vorige post is overwogen, met dien verstande dat [naam 7] in september 2012 is begonnen nadat [gedaagde] in augustus 2012 volledig arbeidsongeschikt was geworden. Holland Lift en SMP hebben onvoldoende onderbouwd waarom deze kosten het gevolg zijn van het handelen waarvoor zij [gedaagde] aansprakelijk houden. Bovendien blijkt niet dat deze kosten zijn gemaakt door Holland Lift of SMP.

5.23.

Ad o. DB&S herstructurering Holland Lift businessplan

5.23.1.

Ook deze post ligt voor afwijzing gereed. In de eerste plaats blijkt niet dat Holland Lift of SMP deze kosten hebben gemaakt. Bovendien hebben Holland Lift en SMP nagelaten te onderbouwen waarom deze posten als schade zijn te beschouwen waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. Blijkens het PwC-schaderapport gaat het hier immers om kosten voor de herstructurering van het businessplan van Holland Lift. Vergelijkbaar met de kosten van Krüger & Partners kan ook hier het vereiste causaal verband niet worden vastgesteld.

5.24.

Ad p. Ebbinge & Company search nieuwe CEO

5.24.1.

Kortheidshalve, met verwijzing naar het overwogene onder 5.21, overweegt de rechtbank dat ook deze schadepost door Holland Lift en SMP onvoldoende is onderbouwd.

schade gedelgd?

5.25.

Uit het voorgaande volgt dat veruit de grootste schadepost en een groot deel van de overige schadeposten voor afwijzing gereed liggen. Van een beperkt aantal kostenposten is op zich voorstelbaar dat deze schade vormen voor Holland Lift en SMP en dat deze een gevolg zijn van eventuele toerekenbare tekortkoming(en) en/of onrechtmatig handelen van [gedaagde] , indien de verwijten na een deskundigenonderzoek vast zouden komen te staan. Concreet gaat het dan om de mogelijk ten onrechte aan [gedaagde] en [naam 1] betaalde bonussen over 2007 en 2008 (posten b. en c. ad € 125.359,88), kosten van Ploum Lodder Princen (post f. ad € 32.500,-), de kosten van het PwC rapport van mei 2013 (post g. ad € 50.000,-) en de extra kosten van EY en Deloitte (posten i. ad € 58.338,- en j. ad € 25.440,-).

5.26.

[gedaagde] heeft echter ten aanzien van de schade ook aangevoerd dat Holland Lift en SMP tevens [naam 1] verantwoordelijk hebben gehouden voor de door PwC onderzochte gang van zaken bij Holland Lift. Holland Lift en SMP hebben met [naam 1] een regeling getroffen, waarvan de precieze inhoud [gedaagde] onbekend is, maar waarvan volgens [gedaagde] voor de hand ligt dat compensatie voor de vermeende schade van Holland Lift daarvan onderdeel is. Deze compensatie moet in mindering komen op de toewijsbare schade, aldus [gedaagde] .

5.27.

De rechtbank beoordeelt dit verweer, dat neerkomt op een beroep op het bepaalde in artikel 6:7 lid 2 BW, als volgt. Weliswaar rust de stelplicht (en bewijslast) voor dit bevrijdende verweer op [gedaagde] , maar op Holland Lift en SMP rust een verzwaarde motiveringsplicht voor de betwisting hiervan. Immers, voor de concretisering van zijn stellingen is [gedaagde] afhankelijk van gegevens die geheel in het domein van Holland Lift en SMP liggen. Zij hebben met [naam 1] afspraken gemaakt, zij kennen de inhoud daarvan en zij zullen over de betreffende stukken (kunnen) beschikken. De rechtbank constateert echter dat Holland Lift en SMP nauwelijks op dat relevante verweer hebben gereageerd, terwijl van hen mocht worden verwacht dat zij dat wel zouden doen. In hun spreekaantekeningen staat niet meer dan dat er geen minnelijke regeling is en dat [naam 1] slechts zijn lening (en zijn aandelen in SMP) heeft overgedragen waarvoor hij een bedrag heeft ontvangen. Holland Lift en SMP hebben evenwel geen enkel stuk ter onderbouwing van de (inhoud van de) afspraken met [naam 1] overgelegd, bijvoorbeeld een kopie van de met [naam 1] gesloten overeenkomst(en). Dat Holland Lift en SMP hun betwisting van het verweer van enig bewijsstuk zouden voorzien, lag wel in de rede. Ter zitting hebben Holland Lift en SMP desgevraagd nog toegelicht dat met [naam 1] is afgesproken dat zijn vordering door SMP voor een bedrag van twee ton euro is overgenomen en dat de discussie met [naam 1] zonder vergoeding is opgelost. Ter zitting heeft [gedaagde] in reactie daarop nog aangevoerd dat onderdeel van de regeling dus kennelijk was dat de lening van € 800.000,- die [naam 1] aan Holland Lift en SMP had verstrekt is kwijtgescholden. Holland Lift en SMP hebben ter zitting de door [gedaagde] genoemde (hoogte van de) lening niet bestreden. De rechtbank constateert verder dat in de jaarrekening 2010 van SMP per 31 december 2010 als passivum inderdaad is opgenomen een schuld uit lening aan [naam 1] ( [naam 1] Beheer B.V.) ter hoogte van € 840.000,-. Afgaande op dit gegeven en gekoppeld aan de eigen stelling van Holland Lift en SMP dat voor de vordering door SMP aan [naam 1] € 200.000,- is betaald, is voldoende aannemelijk geworden dat [naam 1] niet de volledige waarde van zijn vordering betaald heeft gekregen en dat in zoverre feitelijk inderdaad een voordeel voor SMP is afgesproken (wat [gedaagde] ‘kwijtschelding’ noemt). Als onbetwist kan er daarbij worden uitgegaan van een verschil dat circa zes ton euro bedraagt. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat met dit voordeel (indirect) een deel van de schade is gedelgd in de zin van artikel 6:7 lid 2 BW. Immers, niet alleen hebben Holland Lift en SMP niet bestreden dat hun (eerdere) uitgangspunt was hoofdelijke aansprakelijkheid van [naam 1] en [gedaagde] (zoals gezegd hebben zij enkel bloot betwist dát zij met [naam 1] een vergoeding hebben afgesproken). Ook blijkt uit het eerste rapport van PwC dat destijds de verwijten zich (grotendeels) ook richtten tegen [naam 1] als bestuurder van Holland Lift en SMP.

5.28.

De rechtbank heeft hierboven al iedere schadepost besproken en een groot deel daarvan niet toewijsbaar geoordeeld. De resterende schadeposten die in beginsel toewijsbaar kunnen zijn, belopen opgeteld een bedrag van € 291.637,88. Nu de rechtbank in de vorige overweging voldoende aannemelijk acht dat de schade is gedelgd met het verschil tussen de hoogte van de vordering die [naam 1] had en de ‘overnameprijs’ die hij ervoor gekregen heeft en nu het totale bedrag aan toewijsbare posten ruimschoots lager is dan het hierboven genoemde verschil van 6 ton euro, treft het verweer van [gedaagde] doel. De rechtbank concludeert dat de schade tot in elk geval de hoogte van de toewijsbare posten reeds is gedelgd, zodat geen door [gedaagde] te vergoeden schade resteert.

conclusie in conventie

5.29.

Als gevolg van al het vorengaande moet het gevorderde in conventie geheel worden afgewezen.

In reconventie

5.30.

De vorderingen in reconventie betreffen deels Holland Lift deels Holland Lift en SMP. De vordering van JAN op Holland Lift betreft onbetaald gebleven facturen van JAN tot een bedrag van € 45.097,96. Deze facturen zijn verstuurd in verband met werkzaamheden die JAN in opdracht van Holland Lift heeft verricht. Holland Lift heeft de hoogte van de facturen op zich niet betwist. Zij heeft slechts aangevoerd dat zij de facturen niet hoeft te betalen omdat JAN ernstig tekort is geschoten in de nakoming van haar werkzaamheden. Subsidiair wil Holland Lift deze vordering verrekenen met de vordering die zij op JAN heeft wegens die tekortkomingen. Het betreft, kort gezegd, de verwijten die ook aan de orde zijn in de zaak in conventie.

5.31.

Gelet op hetgeen hiervoor in conventie is overwogen en beslist faalt het verweer van Holland Lift. De vordering van JAN is derhalve toewijsbaar. De gevorderde wettelijke handelsrente is toewijsbaar vanaf 30 dagen na de factuurdatum voor het betreffende bedrag.

5.32.

JAN vordert tevens vergoeding door Holland Lift en SMP van gemaakte buitengerechtelijke kosten op basis van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (hierna: het Besluit) en de daarbij behorende staffel. Hiertegen hebben Holland Lift en SMP geen afzonderlijk verweer gevoerd. Overeenkomstig de tarieven van het Besluit die gelden voor handelszaken die onder de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten vallen zal de rechtbank als buitengerechtelijke kosten op de hoofdsom van € 45.097,96 een bedrag van € 1.225,98 aan buitengerechtelijke kosten toewijzen jegens Holland Lift. Voor (hoofdelijke) aansprakelijkheid van SMP terzake die kosten is geen enkele grondslag gesteld. Jegens haar zal dit deel van de vordering daarom worden afgewezen.

In conventie en in reconventie

5.33.

Als de in het ongelijk gestelde partij, zullen Holland Lift en SMP de proceskosten moeten dragen, met dien verstande dat in reconventie geen grondslag tot veroordeling van SMP is gesteld en geen veroordeling van haar in de proceskosten kan volgen. Omdat per 1 mei 2018 de liquidatietarieven zijn geïndexeerd en deze tarieven gelden voor alle zaken waarin vanaf 1 mei 2018 vonnis wordt gewezen, zullen de onderhavige proceskosten op basis van de gewijzigde tarieven worden toegewezen.

De kosten in conventie aan de zijde van JAN worden in conventie begroot op:

- griffierecht € 3.864,00

- salaris advocaat 7.712,00 (2 punten × tarief € 3.856,00)

Totaal € 11.576,00

Wegens de samenhang met de zaak in conventie zullen de proceskosten in reconventie aan de zijde van JAN worden begroot op € 1.074,00 (1 punt x € 1.074,00).

5.34.

De kosten aan de zijde van [gedaagde] in conventie worden begroot op:

- griffierecht € 1.548,00

- salaris advocaat 7.712,00 (2 punten × tarief € 3.856,00)

Totaal € 9.260,00

6 De beslissing

De rechtbank

in de zaak tegen [gedaagde] :

6.1.

wijst de vordering af,

6.2.

veroordeelt Holland Lift en SMP in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 9.260,00,

6.3.

veroordeelt Holland Lift en SMP in de na dit vonnis ontstane kosten van [gedaagde] , begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Holland Lift en SMP niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

6.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak tegen JAN:

in conventie

6.5.

wijst de vordering af,

6.6.

veroordeelt Holland Lift en SMP in de proceskosten, aan de zijde van JAN tot op heden begroot op € 11.576,00,

6.7.

veroordeelt Holland Lift en SMP in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 246,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Holland Lift en SMP niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

in reconventie

6.8.

veroordeelt Holland Lift om aan JAN te betalen een bedrag van € 45.097,86 (vijfenveertig duizendzevenennegentig euro en zesentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW over het toegewezen bedrag telkens vanaf 30 dagen na de factuurdatum waarop het betreffende bedrag betrekking heeft, tot de dag van volledige betaling,

6.9.

veroordeelt Holland Lift om aan JAN te betalen een bedrag van € 1.225,98 aan buitengerechtelijke kosten,

6.10.

veroordeelt Holland Lift in de proceskosten, aan de zijde van JAN tot op heden begroot op € 1.074,00,

in conventie en in reconventie

6.11.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.12.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf, mr. P.E. van der Veen en mr. M.C.J. Lommen en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2018.