Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:11651

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
15/860136-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is midden in de nacht, na een telefoontje van één van de medeverdachten, van Amsterdam naar Haarlem gereden. In een woonwijk met smalle straatjes is de bestelauto van het slachtoffer klem gereden door verdachte, zijn medeverdachten en anderen. Vervolgens is het slachtoffer aangevallen. Hierbij zijn de ramen van de bestelauto ingeslagen, is hij uit de bestelauto getrokken, geschopt en geslagen en met een ploertendoder tegen zijn hoofd geslagen. Hierdoor heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten een schedelbreuk. Tevens heeft verdachte op de openbare weg een geladen vuurwapen voorhanden gehad.

Overschrijding redelijke termijn behandeling zaak.

Gevangenisstraf van 135 dagen met aftrek en een taakstraf van 240 uren. Vuurwapen onttrokken aan het verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/860136-15 (P)

Uitspraakdatum: 1 mei 2018

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 april 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres]

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Kubbinga en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. K. Kasem, advocaat te Duivendrecht, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 22 juli 2015 in de gemeente Haarlem ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, een of meer ke(e)r(en) (met kracht) met een ploertendoder, althans een hard voorwerp, op het hoofd

van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 22 juli 2015 te Haarlem, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schedelfractuur en/of aangezicht fractuur), heeft toegebracht, door deze opzettelijk een of meer ke(e)r(en) (met kracht) met een ploertendoder, althans een hard voorwerp, op het hoofd en/of in het gezicht van die [slachtoffer] te slaan;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 22 juli 2015 te Haarlem, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Antoniestraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit

- het naar (de bestelbus van) die [slachtoffer] toelopen/rennen en/of

- een raam van de bestelbus van die [slachtoffer] intrappen en/of

- een of meer ramen van die bestelbus inslaan en/of

- het uit die bestelbus trekken van die [slachtoffer] en/of

- het één of meermalen (met kracht) met een ploertendoder, althans een hard voorwerp, slaan tegen het hoofd en/of elders op het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- het slaan en/of schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer] .

2.

hij op of omstreeks 22 juli 2015 te Haarlem een of meer wapens van categorie III, te weten vuurwapen (semi-automatisch double-action, merk FEG, model AP9), en/of munitie van categorie III, te weten zeven kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte van alle hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair en feit 1 subsidiair is ten laste gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van een poging doodslag dan wel subsidiair het medeplegen van zware mishandeling moet worden vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachten opzet (al dan niet in voorwaardelijke vorm) hebben gehad op de dood van het slachtoffer respectievelijk op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. Op 22 juli 2015 waren verdachte, zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en andere onbekend gebleven personen aanwezig in de Antoniestraat in Haarlem op het moment dat [slachtoffer] door meerdere personen is belaagd, uit een rode Mercedes bus van Bo-rent (hierna: de Mercedes bus) is getrokken en met kracht op zijn hoofd is geslagen met een ploertendoder. [slachtoffer] heeft daardoor ernstig hoofdletsel opgelopen.

Onder feit 1 primair en feit 1 subsidiair is ten laste gelegd dat het tegen [slachtoffer] gebruikte geweld erin heeft bestaan dat deze is geslagen met een ploertendoder. Dit betekent dat voor een bewezenverklaring vast moet komen te staan dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op het gebruik van de ploertendoder door hemzelf of een ander. Hoewel het dossier aanwijzingen bevat die wijzen in de richting van opzet op het gebruik van de ploertendoder, ook bij verdachte, kan de rechtbank op grond van de feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het dossier niet vaststellen wie met de ploertendoder heeft geslagen. Uit de verklaringen van onder meer getuige [getuige 1] en slachtoffer [slachtoffer] volgt dat er buiten verdachte en zijn medeverdachten nog meer onbekend gebleven personen in de Antoniestraat aanwezig waren op het moment dat [slachtoffer] werd belaagd.

Het signalement dat getuige [getuige 2] heeft gegeven van de persoon die hij met een metalen staaf - de rechtbank gaat ervan uit dat dit de ploertendoder betrof - [slachtoffer] heeft zien slaan komt ook niet overeen met verdachte of één van de medeverdachten. Aldus valt niet uit te sluiten dat een ander dan verdachte en zijn medeverdachten [slachtoffer] met de ploertendoder heeft geslagen. Evenmin kan uit de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte en zijn medeverdachten wetenschap hadden van de aanwezigheid van de ploertendoder of dat sprake was van een vooropgezet plan om bij de confrontatie met [slachtoffer] de ploertendoder te gebruiken. Hiermee bevat het dossier onvoldoende bewijs dat verdachte en zijn medeverdachten opzet hebben gehad op de dood van [slachtoffer] respectievelijk op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan die [slachtoffer] , zodat verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

3.3.2.

Ten aanzien van het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat geen sprake is van het in vereniging plegen van geweld. Verdachte was er niet van op de hoogte dat zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de bewuste nacht eveneens aanwezig waren in de Antoniestraat te Haarlem. Hij is op 22 juli 2015 gebeld door medeverdachte [medeverdachte 1] , die hem vertelde dat er in het huis van zijn neef was ingebroken en vervolgens is hij naar Haarlem gereden. Eenmaal in Haarlem aangekomen, hoorde verdachte achter zich twee auto’s op elkaar botsen. Hij hoorde allemaal kabaal, keek in zijn achteruitkijkspiegel en zag toen een rode Mercedes bus verderop in de straat staan. Hij is uitgestapt en voor zijn auto gaan staan. De rode Mercedes bus heeft daarna zijn auto geramd. Toen zag verdachte dat [slachtoffer] als bestuurder achter het stuur zat. [slachtoffer] is volgens verdachte uit zijn auto gestapt, waarna verdachte hem tegen de grond heeft gewerkt. Verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] vast te houden totdat de politie zou arriveren. Terwijl hij bovenop [slachtoffer] lag, hoorde hij meerdere schoten. In de consternatie wist [slachtoffer] te ontkomen. De betrokkenheid van verdachte voert niet verder dan het aanwezig zijn in de omgeving - op ongeveer 30 meter afstand van - waar de geweldshandelingen jegens [slachtoffer] hebben plaatsgevonden. Het is goed mogelijk dat er zich een geweldsincident heeft afgespeeld voordat verdachte naar [slachtoffer] is gelopen en dat het letsel door een ander of anderen aan [slachtoffer] is toegebracht. Verdachte heeft dit echter niet gezien, aldus de verdediging.

Oordeel van de rechtbank

Op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. Verdachte is op 22 juli 2015 gebeld door medeverdachte [medeverdachte 1] en naar aanleiding van dit telefoongesprek in zijn Audi naar Haarlem gereden. Getuige [getuige 1] (ZD, p. 120-121) ziet een Volkswagen Polo met daarin vier mannen rondjes rijden in de directe omgeving van de Antoniestraat. Eén van de mannen stapt op enig moment uit om hem iets te vragen en [getuige 1] ziet een ploertendoder in zijn hand. Deze persoon stapt weer in en even later ziet de getuige de Polo achter een rood busje rijden, waarbij de Polo het busje de hele tijd volgt. Vervolgens komt er een Audi bij en rijdt eerst de Audi, daarna de Mercedes bus en tot slot de Polo de Antoniestraat in. Vervolgens hoort [getuige 1] een botsing. Deze verklaring komt - voor wat betreft de volgorde waarin de auto’s de Antoniestraat inrijden - overeen met de beschrijving in de VerkeersOngevallenAnalyse over de aangetroffen situatie in de Antoniestraat (B1, p. 288). Uit de verklaring van [slachtoffer] (PD, p. 127) volgt dat verdachte en zijn medeverdachten de Mercedes bus met daarin [slachtoffer] tot stoppen hebben gedwongen. Getuige [getuige 2] (ZD, p. 109 en 110) verklaart dat de Audi plotseling stopt en daarbij geramd wordt door de Mercedes bestelbus. Zowel uit de verklaring van [slachtoffer] als getuige [getuige 2] volgt dat [slachtoffer] vervolgens uit de auto is getrokken en is geschopt en geslagen door ten minste twee personen. Getuige [getuige 2] verklaart verder dat de autoruit van het bestuurdersportier van de Mercedes bus is ingeslagen, dat [slachtoffer] met een staaf is geslagen en dat er een worsteling ontstond. Hij schat dat er zes of zeven mensen bij betrokken waren. Anders dan de raadsman van verdachte heeft aangevoerd, acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] voldoende betrouwbaar nu deze op belangrijke onderdelen steun vindt in de verklaring van getuige [getuige 2] en de bevindingen in de VerkeersOngevallenAnalyse. Medeverdachte [medeverdachte 1] (PD, p. 31 en 36) verklaart dat medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] uit de Polo zijn gesprongen om te vechten. Medeverdachte [medeverdachte 2] (PD, p. 62) verklaart dat hij de rechterachterruit van de Mercedes bus heeft ingetrapt. Verder zijn - mede gelet op voornoemde getuigenverklaringen in samenhang met de bevindingen van het NFI en de letselverklaring - de portierruit (aan de bestuurderszijde) en de linker-achterruit van de Mercedes bus ingeslagen met een naast de Mercedes bus aangetroffen ploertendoder en is [slachtoffer] daarmee met kracht op zijn hoofd geslagen.

In het licht van voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, slaagt het verweer van verdachte dat hij niet bij de geweldshandelingen jegens [slachtoffer] aanwezig was, niet. De door meerdere personen jegens [slachtoffer] gepleegde geweldshandelingen hebben plaatsgevonden direct nadat de Mercedes bus op de Audi waarin verdachte reed, is gebotst. Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat de geweldshandelingen eerder door andere personen moeten hebben plaatsgevonden en dat verdachte op 30 meter afstand stond, acht de rechtbank niet aannemelijk en vindt ook geen steun in het dossier. Daarbij komt dat verdachte blijkens zijn eigen verklaring wel degelijk met [slachtoffer] heeft gevochten en dus heeft deelgenomen aan het geweld jegens laatstgenoemde.

Tevens is sprake van het in vereniging plegen van het geweld. Verdachte rijdt na telefonisch contact met [medeverdachte 1] naar Haarlem. Uit de waarnemingen van getuige [getuige 1] maakt de rechtbank op dat de personen in de Polo - bestuurd door medeverdachte [medeverdachte 1] - voorafgaand aan de geweldshandelingen jegens [slachtoffer] naar iets of iemand zochten. In het half uur voorafgaand aan de gebeurtenis in de Antoniestraat hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] meermalen telefonisch contact (B2, p. 18). Vervolgens wordt [slachtoffer] in de Antoniestraat tot stoppen gedwongen en vinden de geweldshandelingen jegens hem plaats. Onder deze omstandigheden is sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen in ieder geval verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , waarbij zij welbewust de confrontatie met [slachtoffer] hebben opgezocht. Deze confrontatie met [slachtoffer] heeft uiteindelijk ook daadwerkelijk plaatsgevonden in de Antoniestraat in Haarlem. Dat verdachte niet wist dat zijn medeverdachten daarbij ook aanwezig waren, wordt door de rechtbank - gelet op het voorgaande - als ongeloofwaardig terzijde geschoven.

Er is sprake van een significante bijdrage aan het geweld door verdachte omdat hij als bestuurder van de Audi een belangrijke rol heeft gehad bij het tot stoppen dwingen van de Mercedes bus van [slachtoffer] . Daarnaast heeft verdachte met [slachtoffer] gevochten.

De rechtbank komt ook tot bewezenverklaring van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op het gebruik van de ploertendoder. Anders dan bij het onder feit 1 primair en feit 1 subsidiair ten laste gelegde dient bij openlijke geweldpleging in de zin van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht het opzet van verdachte te zijn gericht op het plegen van geweld tegen personen of goederen. Hiertoe hoeft niet te worden bewezen dat het opzet van verdachte gericht was op de afzonderlijke geweldshandelingen, zoals het slaan met de ploertendoder, en evenmin op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel of de dood. Verdachte en zijn medeverdachten hebben samen met andere onbekend gebleven personen welbewust de confrontatie met [slachtoffer] opgezocht en zijn meegegaan in de aanval op [slachtoffer] . Ieder voor zich hebben zij een voldoende significante bijdrage geleverd aan deze geweldpleging. Hierbij is niet van belang wie welke geweldshandeling heeft begaan. Evenmin is vereist dat alle medeplegers weten wat anderen doen of aan wapens bij zich hebben. Dat [slachtoffer] met een ploertendoder is geslagen, volgt uit de inhoud van de bewijsmiddelen en kan daarom als onderdeel van de geweldpleging worden bewezen verklaard.

3.3.3.

Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat het wapen dat is aangetroffen op het wegdek van de Antoniestraat, niet aan verdachte toebehoort en dat hij het niet voorhanden heeft gehad. De op het wapen aangetroffen DNA-sporen kunnen worden verklaard doordat hij het wapen abusievelijk heeft opgepakt en - na een opmerking van getuige [getuige 3] - weer heeft neergelegd.

Oordeel van de rechtbank

Op het wapen zijn verschillende sporen, zowel bloed- als contactsporen aangetroffen, die een match met het DNA-profiel van [verdachte] hebben opgeleverd (1 op 1 miljard). Gelet op de omstandigheid dat dit celmateriaal onder andere in de binnenzijde van de loop van het wapen is aangetroffen, acht de rechtbank het door de verdediging geschetste alternatieve scenario inhoudende dat deze sporen op het wapen zijn gekomen door het enkel oprapen en weer neerleggen van het wapen door verdachte, onwaarschijnlijk, terwijl dit scenario verder ook geen steun vindt in het dossier. In aanmerking nemend de op het wapen aangetroffen van verdachte afkomstige sporen en de door getuige [getuige 3] waargenomen handeling dat verdachte het wapen heeft opgeraapt, kan het niet anders dan dat [verdachte] het wapen en de zich daarin bevindende munitie op 22 juli 2015 voorhanden heeft gehad.

3.4.

Bewijsmiddelen en bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage bij dit vonnis vervatte bewijsmiddelen en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1. meer subsidiair

hij op 22 juli 2015 te Haarlem, met anderen, op de openbare weg, de Antoniestraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit

- een raam van de bestelbus van die [slachtoffer] intrappen en

- ramen van die bestelbus inslaan en

- het uit die bestelbus trekken van die [slachtoffer] en

- het met kracht met een ploertendoder slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer] en

- het slaan en schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer] ;

2.

hij op 22 juli 2015 te Haarlem een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (semi-automatisch double-action, merk FEG, model AP9), en munitie van categorie III, te weten zeven kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan verdachte onder 1 meer subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Ten aanzien van feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren met aftrek van het voorarrest.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht in het geval zij tot een bewezenverklaring komt, rekening te houden met de omstandigheid dat de afgelopen jaren zwaar zijn geweest voor verdachte en dat hij lang op zijn berechting heeft moeten wachten. Daarbij heeft hij een aanzienlijk deel van zijn voorarrest in beperkingen doorgebracht, terwijl hij niet eerder in detentie had gezeten. Verdachte heeft een stabiele thuissituatie en een vaste baan. Een op te leggen gevangenisstraf zou dit alles doorkruizen. De raadsman verzoekt daarom een eventuele op te leggen gevangenisstraf de duur van het voorarrest niet te laten overstijgen.

6.3.

Motivering van de hoofdstraf

Bij de beslissing over de hoofdstraf die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is midden in de nacht, na een telefoontje van één van de medeverdachten, van Amsterdam naar Haarlem gereden. In een woonwijk met smalle straatjes is de bestelauto van het slachtoffer klem gereden door verdachte, zijn medeverdachten en anderen. Vervolgens is het slachtoffer aangevallen. Hierbij zijn de ramen van de bestelauto ingeslagen, is hij uit de bestelauto getrokken, geschopt en geslagen en met een ploertendoder tegen zijn hoofd geslagen. Hierdoor heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten een schedelbreuk. Bij de politie en later bij de rechter-commissaris heeft het slachtoffer verklaard over de gevolgen van de aanval. Hij is aan zijn hoofd geopereerd waarbij een plaat in zijn schedel is gezet. Zijn zicht is lange tijd slecht geweest, maar uiteindelijk hersteld. Hij heeft nog steeds last van hoofdpijnen. Door zijn handelen heeft verdachte samen met anderen een situatie gecreëerd, waarin een grove inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast brengt openlijke geweldpleging gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg in de samenleving.

Tevens heeft verdachte op de openbare weg een geladen vuurwapen voorhanden gehad. Het bezit van vuurwapens kan gemakkelijk leiden tot het gebruik ervan, in het bijzonder wanneer het voorhanden is tijdens een bewust opgezochte confrontatie. Het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen is maatschappelijk onacceptabel vanwege de grote dreiging die daarvan uitgaat voor anderen.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in aanmerking genomen het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 14 maart 2018waaruit blijkt dat verdachte eerder voor geweldsdelicten onherroepelijk is veroordeeld. Anderzijds heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte en zijn medeverdachten die bewuste nacht door anderen zijn beschoten, waarbij één van hen gewond is geraakt.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat acht geslagen op wat in soortgelijke gevallen aan straf wordt opgelegd, waarbij de rechtbank benadrukt dat voor deze feiten en de omstandigheden waaronder ze zijn begaan doorgaans een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele maanden wordt opgelegd.

Redelijke termijn

De rechtbank houdt rekening met het tijdsverloop in deze zaak, nu het recht van verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 22 juli 2015, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld.

Uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Bijzondere omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur afhankelijk is, zijn onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop.

Het enkele feit dat de verdediging op 18 februari 2016 en ter gelegenheid van de bij de rechter-commissaris gehouden regiebijeenkomst op 24 oktober 2016 heeft verzocht enkele onderzoekshandelingen te verrichten, betreft naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheid zoals hiervoor vermeld. Hoewel de procesvoering van de verdediging een overschrijding van het uitgangspunt voor de redelijke termijn kan rechtvaardigen, is daarvan - gelet op de beperkte omvang van genoemde onderzoekswensen en de substantiële overschrijding van dit uitgangspunt voor de redelijke termijn - in onderhavig geval geen sprake. Nu ook geen sprake is van andere genoemde bijzondere omstandigheden en dit vonnis dateert van 1 mei 2018, betekent dit een overschrijding van de redelijke termijn met ruim negen maanden.

De rechtbank zal voornoemde overschrijding van de redelijke termijn compenseren door de beoogde straf als volgt te matigen. De rechtbank zal een vrijheidsbenemende straf gelijk aan het voorarrest opleggen en daarnaast - ook in verband met de geschetste persoonlijke omstandigheden van verdachte - een taakstraf opleggen in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

6.4.

Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een vuurwapen, merk Browning en zeven kogels, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 22c, 22d, 36d, 57 en 141 van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

8 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 meer subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de onder 3.4. bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van honderdvijfendertig (135) dagen;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt verdachte tot het verrichten van tweehonderdveertig (240) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 dagen hechtenis.

onttrekt aan het verkeer:

- een vuurwapen, merk Browning;

heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Hoendervoogt, voorzitter,

mr. H.D. Overbeek en mr. J.J. Maarleveld, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier D.L. Meyer,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 mei 2018.

Mr. Overbeek en mr. Maarleveld zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij het vonnis van 1 mei 2018 in de strafzaak tegen verdachte [verdachte]

BEWIJSMIDDELEN

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal van politie is - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

De inhoud van de in deze bijlage opgenomen bewijsmiddelen wordt verkort en zakelijk weergegeven.

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebezigd voor het bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

De geschriften zijn (telkens) gebruikt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Proces-verbaal van verhoor d.d. 22 juli 2015 (dossier ZD, p. 120-121), inhoudende als de door getuige [getuige 1] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

Vanochtend zat ik op een bankje vlak bij de Antoniestraat. Ik zag de Polo eerst een rondje rijden. Ik zag dat er vier mannen inzaten die aan het kijken waren. Het leek alsof ze iets aan het zoeken waren. Toen reden ze weg. Daarna kwamen ze terug.

Er stapten 4 mannen uit. Eentje rende richting ons. Ik hoorde ineens een geluid, dat klonk als ‘rats’. Ik zag dat die man een ploertendoder, zo’n stok, zilverkleurig in zijn hand had. Hij liep op ons af en vroeg of wij iemand hadden gezien, weg zien rennen zoiets.

Hij rende in de richting van de Antoniestraat. Hij sprintte echt. Bij de Antoniestraat stopte hij even en keek de Antoniestraat in. Even later, ik denk een minuutje, kwam hij weer terug gerend en ging hij weer naar de auto. De andere mannen renden van ons af, vanaf die Polo. Die mannen kwamen rond dezelfde tijd als die ene man weer bij de auto. De auto ging keren op de weg. Daarna reed de auto weg in de richting van de Antoniestraat en reed verder de gracht op. Toen was er denk ik een minuut of 5 niets. Toen hoorden we hem weer aankomen. Hij kwam uit de richting van de Amsterdamse poort aangereden. Hij kwam met slippende banden. Toen reed de auto de Antoniestraat in. Er was toen nog geen andere auto bij. Toen kwam hij weer vanaf de andere kant langs ons. Hij ging daarna denk ik de brug over. Ik denk dat een minuut of 5 later de auto weer terug kwam over de brug en toen reed die achter dat rode busje. Ze reden achter de bus hetzelfde rondje dat de auto 5 minuten daarvoor had gereden. Toen kwam de Audi erbij. De Audi reed eerst de Antoniestraat in. Daarna de bus ook en daarna de Polo. Toen hoorde ik een botsing.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 augustus 2015 (dossier ZD, p. 29), inhoudende als relaas van de verbalisanten:

Op 22 juli 2015 heeft de vriendin van [slachtoffer] gebeld naar het servicecentrum van de politie-eenheid Noord-Holland met de mededeling dat [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt [slachtoffer]) vannacht is mishandeld in Haarlem.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 juli 2015 (dossier PD, p. 127), inhoudende de uitwerking van het verhoor van [slachtoffer]:

Ik ben klem gereden en ik werd uit de bus getrokken. Voor mijn bus stond een Audi van [verdachte] . Hierin zaten, naast [verdachte] , nog drie man.

Er stapten 4 man voor mij uit de auto, 4 man achter. Achter werden de ruiten ingegooid. Daarna de portierruit aan mijn kant. De portier werd opengedaan en ik werd eruit getrokken en kreeg daarna klappen. Daarna ging het licht bij mij uit. Ik ben door 8 man geschopt en geslagen.

Een ander geschrift, te weten een beschrijving van het letsel van [slachtoffer] van 10 september 2015 (dossier PD, p. 131), inhoudende als verklaring van D. Schakenraad, SEH-arts KNMG en J. Meintjens, SEH-arts KNMG, namens hen ondertekend door [naam] , medisch secretaresse spoedeisende hulp MCA Alkmaar:

[slachtoffer] bezocht op 22-7-2017 de afdeling Spoedeisende hulp.

Reden van komst: hoofdletsel.

Hematoom links occipitaal met hierover crushwond 5 cm gehecht.

CT-h: impressie# met gedisloceerd fragment intracraniaal.

Fractuur schedel/aangezicht

Impressie# links occipitaal

Behandeling: OK + opname. Ok bij gedisloceerd fragment, verkoever op MCU.

De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 17 april 2018, inhoudende:

In de nacht van 22 juli 2015 heb ik gebeld met [medeverdachte 1] .

Ik heb het vuurwapen opgepakt en weer neergelegd.

Proces-verbaal van verhoor d.d. 23 juli 2015 (dossier PD, p. 101), inhoudende als de door verdachte [verdachte] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring::

Ik werd op 22 juli 2015 door een vriend gebeld die mij vertelde dat bij zijn neefje was geprobeerd in te breken. Mijn vriend vroeg of ik langs wilde komen. Ik ben toen naar Haarlem gereden in een zwarte Audi station.

Ik hoorde op een gegeven moment achter mij twee auto’s tegen elkaar aan rijden.

Ik keek in mijn achteruitkijkspiegel en zag een rode auto wat verderop in de straat staan. Ik ben toen uitgestapt. [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer]) kwam uit zijn auto en ik heb hem toen tegen de grond gewerkt.

Proces-verbaal van verhoor d.d. 22 juli 2015 (dossier ZD, p. 109, 110 en 111), inhoudende als de door getuige [getuige 2] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

Afgelopen nacht heb ik in de Antoniestraat in Haarlem twee botsingen gezien. De tweede botsing was de botsing tussen auto nummer 3 [rode auto] tegen nummer 4 [zwarte Audi]. Nummer 4 stopte plotseling en werd geramd.

Er waren twee mensen, man 1 en man 2, ik weet niet uit welke auto deze kwamen. Zij trokken de man uit de rode auto en sloegen hem met een staaf. Ik zag dat de man probeerde de auto dicht te houden, en dat man 1 en 2 de auto open probeerden te trekken. Ik zag ook dat man 1 en man 2 de autoruit insloegen. Ze sloegen de ruit volgens mij in met de staaf. Toen de man uit de auto was gehaald is hij daarna op de grond gevallen. Er ontstond een worsteling. Er waren meerdere personen bij betrokken. Ik schat dat er zes of zeven personen bij betrokken waren. Het was duidelijk dat er twee groepen aan het vechten waren.

Proces-verbaal van verhoor d.d. 22 juli 2015 (dossier PD, p. 56), inhoudende als de door verdachte [medeverdachte 2] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

Ik was met [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1]) en [medeverdachte 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3]). Wij reden achter een rode Caddy aan. Wij reden in een blauwe Polo. Wij reden met zijn drieën rondjes met de auto. Wij reden toen achter de rode Caddy. Wij gingen achter de Caddy aan. In de straat waar de auto staat, ben ik samen met [medeverdachte 3] uitgestapt. De rode Caddy reed ineens vol gas achteruit. Daardoor werd ik agressief. Ik ben toen naar de Caddy gelopen. Ik heb toen met mijn rechterbeen een trap tegen het achterraam van deze Caddy gegeven. Ik trapte met mijn been door dit raam heen. Het raam is door deze trap stuk gegaan.

Proces-verbaal van verhoor d.d. 23 juli 2015 (dossier PD, p. 35) inhoudende als de door verdachte [medeverdachte 1] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

We reden de Antoniestraat in. Toen stopte de Bo-rent bus en reed ineens vol achteruit en raakte mijn auto. [medeverdachte 3] sprong uit mijn auto en wilde vechten.

Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 29 oktober 2015 (dossier B1, p. 2-3 en p. 5-6 en fotomap dossier B1, p. 65, 68 en 69), inhoudende als relaas van de verbalisanten:

Omschrijving plaats delict

De Antoniestraat in Haarlem betreft een openbare straat gelegen in het centrum van Haarlem. Aan beide zijdes van de Antoniestraat waren in een aaneengesloten bebouwing woningen gelegen.

Op de stoep links van de Mercedesbus, aan de linkerzijde van de Antoniestraat, lagen een ploertendoder en een vuurwapen (foto 089 en 090 – genummerd 23 en 25).

De ploertendoder was uitgeklapt (foto 94 – genummerd 25). Op het handvat zat bloed.

De ploertendoder werd voorzien van SIN AAHB9834NL.

Het vuurwapen werd voorzien van SIN AAHB9839NL.

Een deskundigenverslag van het NFI van 26 oktober 2015, zaaknummer 2015.07.23.220, aanvraag 006, (los opgenomen) opgemaakt door ing. [deskundige 1] , inhoudende:

De ploertendoder (AAHB9834NL) is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Op één plaats op het slaggedeelte en op meerdere plaatsen op het handvat is bloed aangetroffen. De bemonsteringen AANB9834NL (de rechtbank begrijpt: AAHB9834NL) #04 en #07 op het handvat zijn veilig gesteld. Hierop is het DNA-profiel van [slachtoffer] aangetroffen. De matchkans van het DNA-profiel is kleiner dan 1 op 1 miljard, hetgeen betekent dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig onbekend persoon matcht met het gevonden DNA-profiel kleiner is dan 1 op 1 miljard.

Het pistool AAHB9839NL is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Op twee plaatsen is bloed aangetroffen. Dit bloed is bemonsterd. De bemonstering is als AAHB9839NL#09 (onderzijde patroonhouder) veilig gesteld.

Het pistool is bemonsterd gericht op het verzamelen van eventueel aanwezig celmateriaal van diegenen die in aanraking zijn geweest met het pistool. De bemonsteringen zijn als AAHB9839NL#11 (ruwe delen pistool) en #12 (binnenzijde loop) veilig gesteld.

Dit onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek. De SIN AAHB9839NL#09 #11 en #12 geven een DNA-profiel van [verdachte] . De matchkans van het DNA-profiel is kleiner dan 1 op 1 miljard, hetgeen betekent dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig onbekend persoon matcht met het gevonden DNA-profiel kleiner is dan 1 op 1 miljard.

Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 29 oktober 2015 (dossier B1, p. 4), inhoudende als relaas van de verbalisant:

De achterruiten en het ruit van de linker voorportier van de Mercedes bus waren verbroken. Van de verbroken ruiten werden uit de sponning monsters genomen. Deze monsters werden veiliggesteld en voorzien van SIN AAHB9829NL en AAHB9830NL.

Een deskundigenverslag van het NFI van 2 november 2015, zaaknummer 2015.07.23.220, aanvraag 006 (los opgenomen) opgemaakt door [deskundige 2] (glasonderzoek), inhoudende:

Op de ploertendoder (AAHB9834NL) zijn glasdeeltjes aangetroffen. Het referentieglas AAHB9830NL is afkomstig van de linker achterruit van de Mercedesbus en het referentieglas AAHB9829NL is afkomstig van de linker voorportier van de Mercedesbus.

Uiteindelijk zijn 19 glasdeeltjes in sporenelementsamenstelling met het referentieglas vergeleken. Bij het vergelijkend glasonderzoek is vastgesteld dat 11 van de 19 onderzochte glasdeeltjes in sporenelementsamenstelling overeenkomen met het referentieglas AAHB9829NL en 8 van de 19 onderzochte glasdeeltjes in sporenelementsamenstelling overeenkomen met referentieglas AAHB9830NL. Voor de combinatie van alle 19 onderzochte glasdeeltjes vanaf de ploertendoder (AAHB9834NL) geldt dat de resultaten van het glasvergelijkend onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer deze deeltjes afkomstig zijn van de vernielde autoruiten, waartoe het referentieglas AAHB9829NL en AAHB9830NL heeft behoord dan wanneer ze afkomstig zijn van een willekeurige andere ruit of glazen voorwerp.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 oktober 2015 (dossier B1, p. 207 e.v.), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Het is een vuurwapen in de vorm van een semi automatisch double action pistool, kaliber van 7.65 x 17 mm (.32 ACP). Het wapen is van het merk FEG, model AP9.

Dit pistool is een vuurwapen, in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

Bij het wapen zijn zeven stuks scherpe munitie aangetroffen. Deze kogelpatronen in het kaliber 7.65x17 millimeter (.32 ACP) zijn voorzien van het bodemstempel “G.F.L 7.65”. Deze patronen zijn bestemd en geschikt om in bovenomschreven vuurwapen gebruikt te worden. Voornoemde patronen zijn munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 Categorie III van de Wet Wapens en munitie.

Proces-verbaal van verhoor d.d. 22 juli 2015 (dossier ZD, p. 149), inhoudende als de door getuige [getuige 3] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

Ik lag vannacht te slapen. Vanuit mijn slaapkamer kijk ik uit op de Antoniestraat. Ik werd wakker van twee harde knallen en hoorde eigenlijk meteen dat dit botsingen waren van twee auto’s die op elkaar knalden. Hierna ben ik naar buiten gelopen. Toen ik in de portiek stond, zag ik een persoon die midden op straat stond te bellen. Deze persoon zei dat er geschoten was en hij wees hierbij naar een pistool dat een meter of drie van hem vandaan op de stoep lag. Ik zag dat deze persoon naar het pistool liep en het pistool oppakte en omhoog tilde. Ik zag dat deze persoon het pistool weer neerlegde, ongeveer op dezelfde plek.