Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:11648

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
7093574 AO VERZ 18-113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Uitzendovereenkomst. Opvolgend werkgeverschap? Welk ontslagregime is van toepassing? Ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig verleend, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Toekenning billijke vergoeding, transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 7093574 \ AO VERZ 18-113

Uitspraakdatum: 8 november 2018

Beschikking in de zaak van:

[naam] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. M.J. Hamer

tegen

De Poel Payroll Services B.V.,

gevestigd te Amsterdam

verwerende partij

verder te noemen: De Poel

gemachtigde: mr. M.C.E. Cransveld

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij beschikking te verklaren voor recht dat het door De Poel gegeven ontslag op staande voet onterecht is gegeven en gelast De Poel aan [eiser] het achterstallige loon te betalen en een billijke vergoeding toe te kennen. Daarnaast heeft [eiser] een verzoek gedaan om De Poel te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding.

1.2.

De Poel heeft een verweerschrift ingediend.

1.3.

Op 21 september 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

De Poel Payroll Services B.V. (hierna: De Poel) is een uitzendbureau waarvan de activiteiten bestaan uit het tijdelijk ter beschikking stellen van arbeidskrachten.

2.2.

Savannah B.V. is de moedermaatschappij van onder meer Werk & IK B.V., De Poel Payroll Services B.V., Paraplus B.V. en Para-plus B.V.

2.3.

Met ingang van 9 mei 2016 is [eiser] met Paraplus B.V., een zusterbedrijf van De Poel, een uitzendovereenkomst overeengekomen. Op de overeenkomst is de CAO-NBBU van toepassing.

2.4.

Vanaf 1 juni 2016 werd [eiser] tewerkgesteld als monteur bij Technisch Buro [K] B.V. (hierna: TBK) te Schiphol.

2.5.

Op 31 oktober heeft [eiser] een uitzendovereenkomst getekend met De Poel. Op de overeenkomst is de CAO-NBBU van toepassing.

2.6.

Vanaf 31 oktober 2016 is [eiser] tewerkgesteld als monteur bij TBK. De laatste functie die [eiser] vervulde is die van monteur bij TBK, met een salaris van € 445,79 bruto per week inclusief vakantiegeld.

2.7.

Op 6 december 2016 hebben partijen een uitzendbeding ondertekend dat van toepassing is op de uitzendovereenkomst van 31 oktober 2016.

2.8.

Op 11 februari 2018 heeft [eiser] een drie-partijenovereenkomst gesloten met Werk & Ik B.V. of Paraplus B.V of De Poel Payroll Services en Mployment Housing B.V. (hierna: Mployment). In de overeenkomst is bepaald dat de maandelijkse huur van [eiser] € 350,00 bedraagt.

2.9.

Omstreeks 24 mei 2018 is De Poel benaderd door Mployment met de mededeling dat [eiser] een huurachterstand had van vijf maanden, zijnde een bedrag van € 1.750,00.

2.10.

Op grond van de drie-partijenovereenkomst heeft De Poel een bedrag van € 746,50 netto ingehouden op de salarisuitbetaling van [eiser] van week 21 (2018).

2.11.

Op 13 juni 2018 heeft [eiser] een brief gestuurd aan Werk & Ik, waarin staat:

“Onlangs viel mij op dat u een groot deel van mijn vakantiegeld heeft ingehouden in verband met kosten voor huisvesting. Het is mij echter niet bekend dat ik u nog een dergelijk groot bedrag verschuldigd ben; naar mijn idee is alle huur betaald. Ook omdat er elke week al ca. € 90,0 wordt ingehouden, ben ik het overzicht kwijt. Zou u mij een kopie van mijn huurcontract kunnen toesturen en tevens een specificatie van de door mij betaalde / door u ingehouden bedragen inzake kosten huisvesting?”

2.12.

[eiser] heeft naar aanleiding van de toegezonden specificaties het volgende appbericht gestuurd aan De Poel, waarin staat:

“Problems.. I’m afraid from this moment I have to stop all my work here. Werk&ik every week take money from my salary. And also my money for vacation. Sorry but I cannot work for nothing…..And something else, they want to keep more money. I have all my translations and I see I’m in the front with my rent. But they say I have more and more and more. [P] having to pay one month and told him. You have to pay 960. This is ridiculous…Really”

2.13.

Op 14 juni 2018 heeft De Poel het volgende appbericht gestuurd aan [eiser] :

“Goodevening sir. We had the overview of payments done to mployment. You paid everything untill January. February untill june where not paid. That means you have a open amount of 1750,0 off course we take your holiday money( with the three party agreement you signed on 11-2-2018) also we deducted money from your normal payment. The exact amount I need to check wat is left, but it is around the 900,- thats left. From week 26 you suppose toget a contract in phase 3. We decided not to give you this contract. Also we made the decission not to continue with you anymore from today. I want ask you kindly to give us the badge from schiphol or give it to somebody from the house. If not we need to tell authoritys you took the badge and we need to charge you for the badge.”

2.14.

Bij brief van 20 juni 2018 heeft [eiser] geprotesteerd tegen het verleende ontslag op staande voet.

2.15.

Op 21 augustus 2018 heeft [eiser] de Schipholpas geretourneerd aan De Poel.

3 Het verzoek

3.1.

[eiser] heeft een verzoek gedaan om ten laste van De Poel een billijke vergoeding toe te kennen van € 23.1818,08, op grond van artikel 7:681 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens [eiser] moet een billijke vergoeding worden toegekend, omdat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en het ontslag dus in strijd is met artikel 7:671 BW. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij sinds 9 mei 2016 in dienst is bij De Poel, omdat De Poel als opvolgend werkgever van Paraplus B.V. moet worden beschouwd. [eiser] heeft 98 weken lang dezelfde arbeid bij dezelfde opdrachtgever verricht. Fase drie – zoals omschreven in de toepasselijke NBBU-CAO voor uitzendkrachten – is op hem van toepassing. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst [eiser] naar alle salarisbetalingen tot en met einde dienstverband en het bijbehorende overzicht waaruit blijkt van wie de salarisbetalingen afkomstig zijn.

3.2.

[eiser] heeft daarnaast ook een verzoek gedaan om De Poel te veroordelen tot betaling van het achterstallige loon, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding te betalen. [eiser] stelt dat De Poel een bedrag van € 1.232,37 netto aan achterstallig loon verschuldigd is. Volgens [eiser] is De Poel op grond van artikel 7:672 lid 10 BW eveneens een vergoeding wegens onregelmatige opzegging verschuldigd, gelijk aan het bedrag aan loon over de opzegtermijn, te weten € 2.962,00 bruto. [eiser] stelt verder dat De Poel op grond van artikel 7:673 lid 1 BW een transitievergoeding verschuldigd is van € 1.287,84 bruto.

4 Het verweer

4.1.

De Poel verweert zich tegen het verzoek. De Poel weerspreekt de stellingen van [eiser] en stelt – kort gezegd – dat [eiser] zelf de uitzendovereenkomst heeft opgezegd, danwel de ontslagregels niet hoefden te worden nagekomen omdat [eiser] zich in fase twee bevond. Op 31 oktober 2016 is [eiser] in dienst getreden bij De Poel op basis van een uitzendovereenkomst. Uit de administratie van De Poel blijkt dat [eiser] 74 weken heeft gewerkt voor De Poel. De Poel stelt zich op het standpunt dat de voorwaarde uit artikel 13 lid 2 is vervuld en zij terecht op 14 juni 2018 aangeeft dat zij niet langer gebruik wenst te maken van [eiser] zijn diensten. Daarbij heeft [eiser] bij ondertekening van de uitzendovereenkomst aangekruist tenminste de laatste 26 weken niet voor opdrachtgever te hebben gewerkt en heeft De Poel hierop gerechtvaardigd mogen vertrouwen. Er is geen sprake van opvolgend werkgeverschap noch van een onterecht gegeven ontslag op staande voet.

5 De beoordeling

5.1.

Voor de beantwoording van de vraag of [eiser] ten onrechte door De Poel op staande voet is ontslagen, is het van belang om te beoordelen of De Poel als opvolgend werkgever moet worden beschouwd, nu partijen twisten over de vraag welk ontslagregime van toepassing is.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] vanaf 9 mei 2016 tot en met 14 juni 2018 werkzaamheden heeft verricht als monteur bij TBK. Voorts zijn er geen onderbrekingen in de werkzaamheden geweest die meer dan zes maanden hebben bedragen. Hieruit concludeert de kantonrechter dat [eiser] nagenoeg al die jaren dezelfde werkzaamheden heeft verricht voor hetzelfde bedrijf.. [eiser] heeft dezelfde werkzaamheden in dienst van verschillende juridische eenheden (Paraplus en De Poel) van eenzelfde organisatie (Savannah B.V.) uitgevoerd voor deze inlener (TBK), als gevolg waarvan Paraplus en De Poel als elkaars opvolgend werkgever moeten worden beschouwd.

5.3.

Dat [eiser] heeft gezwegen over zijn arbeidsverleden maakt dit niet anders. De kantonrechter is van oordeel dat weliswaar voldoende vaststaat dat onjuiste informatie omtrent het arbeidsverleden is verstrekt doch dat voor de vraag of de uitzendonderneming de toepasselijkheid van artikel 7:668a BW had kunnen voorzien, ook andere omstandigheden meewegen. Gelet op de gang van zaken kan niet gezegd worden dat De Poel er niet van op de hoogte was dat [eiser] eerder voor TBK als opdrachtgever had gewerkt, nu Paraplus B.V. een zusterbedrijf van haar is. Daarbij brengt naar het oordeel van de kantonrechter artikel 7 NBBU-CAO met zich mee dat het aan de uitzendonderneming is om een aspirant-uitzendkracht actief te bevragen naar zijn of haar arbeidsverleden teneinde vast te kunnen stellen of de uitzendonderneming als opvolgend werkgever zou kunnen worden beschouwd. De Poel was er ook mee bekend dat [eiser] de Nederlandse taal niet beheerst en daarom niet wist wat hij tekende. De uitzendonderneming die de aspirant-uitzendkracht niet bevraagt omtrent het arbeidsverleden kan naar het oordeel van de kantonrechter de uitzendkracht niet tegenwerpen dat deze heeft gezwegen omtrent zijn of haar arbeidsverleden.

5.4.

Nu sprake is van opvolgend werkgeverschap moet het arbeidsverleden van [eiser] worden berekend, zodat de kantonrechter het ontslagregime van fase twee of drie kan toepassen. Voor de berekening van het arbeidsverleden van [eiser] , moeten de opgebouwde weken bij Paraplus worden meegerekend. [eiser] heeft als productie 7 de loonstaten overgelegd. Uit het bijbehorende overzicht blijkt dat de betalingen afkomstig zijn van Werk & ik, PBC, De Poel en Paraplus. Vaststaat dat [eiser] op 9 mei 2016 in dienst is getreden en zijn dienstverband op 14 juni 2018 is geëindigd. Op deze termijn heeft de kantonrechter de tussengelegen periodes van verlof en dubbele tellingen in mindering gebracht en komt daarmee uit op een arbeidsverleden van 84 weken. Aldus heeft [eiser] voldoende gesteld dat hij in ieder geval 78 weken heeft gewerkt en dus wordt fase twee gepasseerd.

5.5.

Nu fase drie van toepassing is, moet worden beoordeeld of De Poel gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat [eiser] ontslag wilde nemen. Uit de appberichten die [eiser] heeft gestuurd zoals weergegeven onder 2.11, blijkt dat [eiser] het oneens was met de inhoudingen die in zijn ogen ten onrechte op zijn salaris werden gedaan. Daarom zag hij zich gedwongen om te stoppen met werken. In reactie hierop heeft De Poel de uitzendovereenkomst met [eiser] onmiddellijk opgezegd op 14 juni 2018.

5.6.

De kantonrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak voor opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring is vereist, die erop is gericht om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Het voorgaande dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kunnen hebben. De werkgever heeft onder omstandigheden een onderzoekplicht ten aanzien van de vraag of de wil van de werknemer daadwerkelijk op beëindiging van de arbeidsovereenkomst was gericht.

5.7.

Gesteld noch gebleken is, dat [eiser] zich de gevolgen van eenzijdige ontslagname bewust was of hierop is gewezen door De Poel. , Voorts is gesteld noch gebleken dat [eiser] zich van rechtskundige bijstand had voorzien op het moment dat hij de appberichten stuurde. In het licht van de omstandigheden van het geval, waaronder de taalbarrière van [eiser] en het feit dat het sociale netwerk van [eiser] overwegend bestaat uit mede werknemers van Roemeense afkomst, is de kantonrechter van oordeel dat De Poel de appberichten van [eiser] niet mocht opvatten als een ontslagname. De kantonrechter zal voor recht verklaren dat het gegeven ontslag op staande voet op 14 juni 2018 niet rechtsgeldig is verleend.

5.8.

[eiser] heeft aangegeven dat hij zich neerlegt bij het einde van de arbeidsovereenkomst, maar dat hij een financiële compensatie wenst te ontvangen voor het feit dat hij ten onrechte op staande voet is ontslagen. Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Gelet op de wetsgeschiedenis is (ook) in het kader van artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW voor toekenning van een billijke vergoeding ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever vereist, maar is in een geval als bedoeld in dat artikel reeds invulling gegeven aan de ernstige verwijtbaarheid, als de werkgever de voor een rechtsgeldig ontslag geldende voorschriften niet heeft nageleefd en in strijd met artikel 7:671 heeft opgezegd (zie: Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113). Een ontslag op staande voet dat niet rechtsgeldig wordt geacht, is dus als zodanig al ernstig verwijtbaar, omdat dan is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, moet het verzoek van [eiser] om toekenning van een billijke vergoeding dan ook worden toegewezen.

5.9.

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. De billijke vergoeding moet – naar haar aard – in relatie staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever. Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding komt het verder aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval (zie: HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR: 2017:1187 (New Hairstyle)). Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. Het gaat er uiteindelijk erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De billijke vergoeding heeft echter geen specifiek punitief karakter en bij het begroten daarvan kan dus geen rol spelen welk bedrag voor de werkgever een ‘bestraffend’ effect heeft.

5.10.

Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding, neemt de kantonrechter het hiernavolgende in acht. Op het moment van opzegging was [eiser] gehuisvest in een woning die Mployment aan hem ter beschikking had gesteld. Op aandringen van De Poel heeft [eiser] de woning op zeer korte termijn moeten verlaten. Nog los van de vraag of [eiser] zich op huurbescherming had kunnen beroepen, zou hij de woning bij een rechtsgeldige opzegging pas moeten verlaten bij het einde van de arbeidsovereenkomst. Voorts heeft De Poel ten onrechte het vakantiegeld van [eiser] niet uitbetaald en verrekend met de gestelde huurachterstand bij Mployment, hetgeen heeft bijgedragen aan het ontstaan van een krappe financiële situatie van [eiser] . Daartegenover staat dat [eiser] aan De Poel de Schipholpas, na twee maanden einde dienstverband heeft ingeleverd. Onduidelijk is gebleven waarom [eiser] niet eerder de Schipholpas heeft overhandigd aan De Poel. Deze omstandigheden maken dat de kantonrechter een billijke vergoeding van € 4.000,00 bruto op zijn plaats acht, nu aan [eiser] eveneens een transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging worden toegekend.

5.11.

Voorts heeft [eiser] verzocht om De Poel te veroordelen een transitievergoeding te betalen van € 1.287,84. Op grond van artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW is de transitievergoeding niet verschuldigd, indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. De Poel heeft met een beroep op dit artikel betaling van de transitievergoeding geweigerd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer gaat om bijvoorbeeld de situatie waarin de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt, of de situatie waarin de werknemer controlevoorschriften bij ziekte herhaaldelijk, ook na toepassing van loonopschorting, niet naleeft en hiervoor geen gegronde reden bestaat (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 39). De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Hoewel een dringende reden niet zonder meer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, valt bij gebreke aan een dringende reden en de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden niet in te zien dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Dat betekent dat de kantonrechter voor recht zal verklaren dat De Poel aan [eiser] de transitievergoeding verschuldigd is. De Poel zal worden veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding tot een bedrag van € 1.287,84 bruto. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding worden toegewezen te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 14 juli 2016.

5.12.

Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen. Op grond van artikel 7:672 lid 10 BW is De Poel die vergoeding verschuldigd aan [eiser] , omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. Vaststaat dat De Poel de arbeidsovereenkomst met [eiser] onterecht onverwijld heeft opgezegd. Daarmee heeft zij opgezegd tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt. Tegen het door [eiser] gevorderde bedrag van € 2.962,00 bruto heeft De Poel geen afzonderlijk verweer gevoerd. De verzochte veroordeling tot betaling van € 2.962,00 bruto wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn zal dan ook worden toegewezen. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding worden toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 14 juni 2016.

5.13.

De vordering van [eiser] tot betaling van achterstallig loon van € 1.232,37 netto, zal eveneens worden toegewezen. De Poel heeft hiertegen geen afzonderlijk verweer gevoerd. De kantonrechter ziet met het oog op de gegeven omstandigheden aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 10%. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment van verzuim.

5.14.

Ten aanzien van de huurachterstand, overweegt de kantonrechter als volgt. Uit het verhandelde ter zitting is duidelijk geworden dat De Poel vanaf aanvang van het dienstverband van [eiser] , hem en een aantal Roemeense collega’s in het kader van hun werkzaamheden, via een driepartijen-overeenkomst met Mployment huisvesting ter beschikking heeft gesteld. [eiser] stelt dat er geen sprake is van een huurachterstand en door De Poel wordt dit betwist. [eiser] heeft daarop niet aangetoond dat de huurachterstand volledig is voldaan, maar wel is gebleken dat één maand in mindering moet worden gebracht op de huurachterstand. Daarmee resteert er een huurachterstand van vier maanden van € 1.400,00. Eveneens staat vast dat De Poel ten onrechte € 746,50 heeft ingehouden op het salaris van De Poel. De kantonrechter zal deze kostenposten met elkaar verrekenen en wijst de vordering tot betaling van de huurachterstand toe voor een bedrag van € 653,50.

5.15.

De proceskosten komen voor rekening van De Poel, omdat zij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

verklaart voor recht dat het op 14 juni 2018 gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is verleend;

6.2.

veroordeelt De Poel tot betaling aan [eiser] van € 1.232,37 netto aan loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 10 %, en te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van verschuldigdheid tot aan de dag van de gehele betaling;

6.3.

veroordeelt De Poel om aan [eiser] een billijke vergoeding te betalen van € 4.000,00 bruto;

6.4.

verklaart voor recht dat De Poel een transitievergoeding verschuldigd is aan [eiser] ;

6.5.

veroordeelt De Poel om aan [eiser] een transitievergoeding te betalen van € 1.287,84 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van verschuldigdheid tot aan de dag van de gehele betaling;

6.6.

veroordeelt De Poel om aan [eiser] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 2.962,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van verschuldigdheid tot aan de dag van de gehele betaling;

6.7.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de huurachterstand van € 653,50;

6.8.

veroordeelt De Poel tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op € 679,00, te weten:

griffierecht € 79,00

salaris gemachtigde € 600,00;

6.9.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze beschikking is gewezen door mr. M.Y.H.G. Erkens, kantonrechter en op 8 november 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier bij ontstentenis van de kantonrechter getekend door mr. L.M. de Vries