Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:11496

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
10-01-2019
Zaaknummer
15/092933-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich als passagier in een rijdende taxi zeer hinderlijk en provocerend aan de vrouwelijke taxichauffeur opgedrongen. Vervolgens heeft hij in haar borsten geknepen, zijn hand in haar broek gestoken en heeft hij haar geprobeerd te zoenen.

Gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/092933-18 en 15/094970-16 (TUL)
Uitspraakdatum: 13 november 2018

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 oktober 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

thans gedetineerd in PI Flevoland - HvB Almere Binnen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.G.T. Kramer en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J. Schepers,
advocaat te Maastricht, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1
hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 11 mei 2018 in een
taxiauto op een of meerdere weg(en) tussen Opperdoes, gemeente
Medemblik, en/of Hoorn, in elk geval in Nederland,
(telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een
andere feitelijkheid [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van een of
meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel
binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
- als passagier in een taxiauto heeft plaatsgenomen (waarin die [slachtoffer] de
bestuurster was) en/of
- (in een rijdende taxiauto) (onverhoeds) zijn, verdachtes, hand en/of
vinger(s) in de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] heeft gestopt en/of
zijn, verdachtes, hand en/of vinger(s), (verder) in de (onder)broek (in de
richting van de vagina) van die [slachtoffer] heeft gewurmd en/of heeft
bewogen en/of de schaamstreek van die [slachtoffer] heeft betast,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 2
hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 11 mei 2018 in een
taxiauto op een of meerdere weg(en) tussen Opperdoes, gemeente
Medemblik, en/of Hoorn, in elk geval in Nederland,
(telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met
geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het
plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten:
- het (over de kleding heen) knijpen in en/of duwen tegen en/of betasten
van de borst(en) van die [slachtoffer] en/of
- het (onder de kleding) betasten van de schaamstreek van die [slachtoffer] ,
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met
geweld of die andere feitelijkheid (telkens) uit het:
- in een taxiauto als passagier plaatsnemen (waarin die [slachtoffer] de
bestuurster was) en/of
- (in een rijdende taxiauto) die [slachtoffer] de woorden toe voegen: "Jij ziet er
wel lekker uit, je hebt lekkere tieten" en/of "Mag ik aan je tieten zitten, mag
ik aan je tieten likken", althans woorden van gelijke aard en/of strekking
en/of (onverhoeds) (over de kleding heen) in de borsten van die [slachtoffer]
knijpen en/of tegen de borsten van die [slachtoffer] duwen en/of de borsten
van die [slachtoffer] betasten en/of
- (in een rijdende taxiauto) (onverhoeds) zijn, verdachtes, hand en/of
vinger(s) in de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] stoppen en/of zijn,
verdachtes, hand en/of vinger(s), (verder) in de (onder)broek (in de richting
van de vagina) van die [slachtoffer] wurmen en/of bewegen en/of de
schaamstreek van die [slachtoffer] betasten,en/of (aldus) voor die [slachtoffer] (telkens) een zodanig bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich als bestuurster van een (rijdende) taxiauto niet aan de seksuele handeling(en) met verdachte kon onttrekken en/of
durfde te onttrekken;

Feit 3
hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 11 mei 2018 in een
taxiauto op een of meerdere weg(en) tussen Opperdoes, gemeente
Medemblik, en/of Hoorn, in elk geval in Nederland,
(telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf
om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of
een andere feitelijkheid [slachtoffer] te dwingen tot het plegen en/of dulden
van een of meer ontuchtige handelingen,
- als passagier in een taxiauto heeft plaatsgenomen (waarin die [slachtoffer] de
bestuurster was) en/of
- (in een rijdende taxiauto) (onverhoeds) zijn, verdachtes, gezicht voor het
gezicht van die [slachtoffer] heeft gehouden en/of zijn, verdachtes, hand achter
het hoofd van die [slachtoffer] heeft gehouden en/of aan het hoofd van die
heeft getrokken/het hoofd van die [slachtoffer] naar hem, verdachte,
toe heeft getrokken (en/of aldus die [slachtoffer] heeft geprobeerd te zoenen)
en/of die [slachtoffer] de woorden heeft gevoegd: "Geef eens een kusje",
althans woorden van gelijke aard en/of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de onder 1 ten laste gelegde poging tot seksueel binnendringen, omdat hiervoor in het dossier onvoldoende steunbewijs te vinden is. Het enkele feit dat het onderste knoopje van de blouse van aangeefster is afgescheurd is daartoe naar de mening van de officier van justitie niet voldoende.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit wegens gebrek aan (steun)bewijs.

Ten aanzien van feit 1 is aangevoerd dat de verklaring van aangeefster, inhoudende dat verdachte zijn hand in haar onderbroek heeft gestoken, wordt weersproken door de rapportage van het NFI van 26 september 2018. Daarin is vermeld dat er geen DNA-sporen van verdachte zijn gevonden op of in de onderbroek van aangeefster.

Met betrekking tot de feiten 2 en 3 geldt dat verdachte een alternatief scenario heeft geschetst. Verdachte heeft met aangeefster gesjanst omdat hij geen geld had om de taxirit te betalen. Daarbij is hij niet verder gegaan dan een enkele aanraking van aangeefster op haar wang. Hij heeft haar niet op een onzedelijke of ontuchtige wijze aangeraakt, in elk geval niet opzettelijk. Voor het politiebureau heeft een worsteling plaatsgevonden omdat verdachte de taxi wilde verlaten zonder voor de rit te betalen, waarop aangeefster hem wilde tegengehouden.

3.3.

Vrijspraak
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte ontkent dit feit te hebben gepleegd en dat de verklaringen van aangeefster onvoldoende steun vinden in de overige stukken van het strafdossier. Dat steunbewijs is evenmin te vinden in de rapportage van het NFI, dat heeft geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor de aanwezigheid van DNA van verdachte in de bemonsteringen die van de onderbroek van aangeefster zijn genomen.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden

De door de rechtbank als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.


Het geschrift onder V is slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

I. Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [slachtoffer] d.d. 11 mei 2018 (dossierpagina’s 15-22):

Ik ben taxichauffeur. Op 11 mei 2018 startte de rit in Opperdoes. Er stapte een jongen voorin mijn taxi. Al vrij snel zei hij: "Jij ziet er wel lekker uit, je hebt lekkere tieten". Op de snelweg begon hij echt aan me te zitten en riep hij: "Mag ik aan je tieten zitten, mag ik aan je tieten likken". Ik heb hem steeds weggeduwd.
Hij ging met zijn hoofd voor mijn hoofd en zei steeds: "Geef me een kusje dan". Ik moest
echt mijn best doen om ervoor te zorgen dat ik niet in de berm belandde omdat hij
volledig in mijn zicht zat. Hij bleef in mijn tieten knijpen en ik bleef hem maar
wegduwen. Hij zei dat ik hem aan moest kijken en dat ik hem wel lekker vond. Op dat moment deed hij zijn hand in mijn broek.
Hij was zo bezig met mij en zo dronken dat hij niet door had dat we naar het politiebureau in Hoorn reden.

V: Kan je beschrijven hoe hij aan je borsten heeft gezeten?
A: Hij kneep en duwde in mijn rechterborst. Dat deed zeer.

Hij pakte mij boven mijn kleding bij mijn borst.

V: Je zei dat hij zijn gezicht voor jouw gezicht deed en dat hij zei: "Geef eens een kusje". Hoe is dit precies gegaan?

A: Hij deed zijn hand achter mijn hoofd, hij hing over mij heen. Hij probeerde mijn gezicht naar die van hem toe te trekken.


II. Het proces-verbaal van bevindingen door verbalisant I.A.C.T. Engelaar d.d.

11 mei 2018 (dossierpagina’s 69-70):

Op 11 mei 2018 opende ik de voordeur van het politiebureau te Hoorn. Ik zag de mij ambtshalve bekende [verdachte] .
Ik zag dat de vrouw, die naast [verdachte] was komen staan, huilde. Ik zag dat zij wat ineen kromp en probeerde wat weg te draaien van [verdachte] .


Ik hoorde de vrouw, [slachtoffer] , zeggen: het knoopje is van mijn blouse gescheurd. Ik zag dat het onderste knoopje van de blouse weg was. Ik zag dat de stof van de blouse gescheurd was op de plek waar de knoop hoort te zitten.

III. Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] bij de rechter-commissaris d.d. 23 juli 2018 (los bijgevoegd):

Pas toen ik bij het politiebureau stond, merkte ik dat de knoop van de blouse af was gegaan. Die knoop is in de taxi op de grond aan de bijrijderskant gevonden.


IV. De verklaring van verdachte afgelegd bij de politie d.d. 11 mei 2018 (dossierpagina’s 60-66):

Op 11 mei 2018 ben ik afgezet bij mijn tante in Opperdoes. Ze hebben een taxi voor mij gebeld. Ik zat rechtsvoor in de taxi. Op de snelweg kan het zijn dat ik met mijn vinger over de wang van de vrouwelijke taxichauffeur ben gegaan.

“Je ziet er lekker uit, je hebt lekkere tieten” zou gezegd kunnen zijn.

Het zou best zo kunnen zijn dat ik haar bij haar hoofd heb gepakt en met mijn gezicht voor haar gegaan ben en heb gezegd: “Ik wil je een kusje geven”.

Het zou zo kunnen zijn dat ik aan haar borsten heb gezeten zonder dat ze dat wilde.

V. Een schriftelijk bescheid, te weten een letselrapportage gedateerd 11 mei 2018 opgemaakt door S.B. Broertjes, als forensisch arts werkzaam bij GGD Hollands Noorden (dossierpagina’s 28-29):


datum maken letselbeschrijving 11-05-2018

medische informatie betreffende [slachtoffer]

Betrokkene is door onderstaande arts gezien in het kader van een letselonderzoek.
Opgegeven toedracht Mw verklaart tijdens haar werk als taxichauffeuse door de dader aangerand te zijn. De dader zou haar onder andere in haar rechter borst geknepen hebben.


Letsel beschrijving(en)
lichaamdeel borst
beschrijving op de voorzijde van de rechter borst, rechts naast het borstbeen, is een vaag zichtbare, matig scherp begrensde, grillig gevormde, blauw/paarse verkleuring van de huid zichtbaar van ongeveer 3,5:3,5cm
soort Bloeduitstorting
past bij toedracht Het geconstateerde letsel kan goed passen bij de door de onderzochte persoon aangegeven toedracht.

3.5.

Bewijsoverweging feiten 2 en 3

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat slechts verdachte en het slachtoffer aanwezig waren bij de beweerde seksuele handelingen en dus ook zij alleen daarover kunnen verklaren. Indien deze verklaringen uiteen lopen, dient te worden bezien of het dossier en/of het verhandelde ter zitting aanknopingspunten bevatten die één van beide lezingen (meer) ondersteunt. Daarbij geldt dat met name in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaringen van het slachtoffer voldoende wettig bewijs kan opleveren. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting moet de rechtbank wel onverminderd de overtuiging krijgen dat de feiten zijn gepleegd, zoals deze verdachte worden verweten.

De rechtbank is van oordeel dat aangeefster (zowel bij de politie als ten overstaan van de rechter-commissaris) consistent en helder heeft verklaard dat verdachte over haar kleding heen aan haar borsten heeft gezeten, in haar borsten heeft geknepen, met zijn hand in haar broek heeft gezeten en heeft geprobeerd om haar te zoenen. Daarnaast heeft aangeefster verklaard dat verdachte seksueel getinte opmerkingen heeft gemaakt.
Deze verklaringen worden genoegzaam ondersteund door de overige inhoud van het dossier, waaronder hetgeen verdachte zelf bij de politie heeft verklaard over wat er tijdens de taxirit zou kunnen zijn gebeurd. [verdachte] , de tante van verdachte, heeft als getuige verklaard dat verdachte op 11 mei 2018 voordat hij in de taxi stapte “geile praatjes had” en onder andere tegen haar heeft gezegd dat zij dikke tieten had. Het feit dat de onderste knoop van de blouse die aangeefster die nacht droeg is afgescheurd en deze knoop is teruggevonden in de taxi aan de passagierszijde, biedt steun aan de verklaring van aangeefster dat verdachte onverhoeds zijn hand in haar broek heeft gestopt. Dat verdachte nog verder is gegaan en zijn hand ook in haar onderbroek heeft gewurmd, kan op grond van de bewijsmiddelen niet worden vastgesteld.

Het standpunt van de verdediging, inhoudende dat verdachte niet met opzet heeft gehandeld, wordt door de rechtbank gelet op het bovenstaande, niet gevolgd. Uit de gedragingen van verdachte leidt de rechtbank af dat hij het opzet op deze feiten heeft gehad.
Ook wordt het door de verdediging geschetste alternatieve scenario als niet aannemelijk terzijde gesteld. Bij de politie heeft verdachte niets verklaard over een worsteling met aangeefster die voor het politiebureau zou hebben plaatsgevonden. Ook aangeefster heeft hier geen melding van gemaakt, behoudens het door haar vastpakken van de kleding van verdachte. Ter terechtzitting heeft verdachte desgevraagd verklaard dat hij aangeefster van zich af heeft geduwd nadat zij hem had vastgepakt omdat hij met één been uit de taxi stapte en wilde weggaan zonder te betalen. De bij aangeefster geconstateerde bloeduitstorting boven haar rechterborst en de afgescheurde knoop passen niet bij deze duw. Daarnaast heeft verdachte geen enkele verklaring gegeven voor het gegeven dat aangeefster niet naar de opgegeven bestemming, station Hoorn Kersenboogerd, is gereden maar naar het politiebureau te Hoorn. Dit past niet bij zijn verhaal dat de onmin tussen hen beiden pas na het stoppen van de taxi zou zijn ontstaan.

3.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 2
hij op 11 mei 2018 in een taxiauto op wegen tussen Opperdoes, gemeente
Medemblik, en Hoorn, door feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten:
- het over de kleding heen knijpen in en duwen tegen en betasten
van de borsten van die [slachtoffer] ,
en bestaande die feitelijkheden uit het:
- in een taxiauto als passagier plaatsnemen waarin die [slachtoffer] de
bestuurster was en
- in een rijdende taxiauto die [slachtoffer] de woorden toe voegen: "Jij ziet er
wel lekker uit, je hebt lekkere tieten" en "Mag ik aan je tieten zitten, mag
ik aan je tieten likken", en onverhoeds over de kleding heen in de borsten van die [slachtoffer]
knijpen en tegen de borsten van die [slachtoffer] duwen en de borsten van die [slachtoffer] betasten en
- in een rijdende taxiauto onverhoeds zijn, verdachtes, hand en/of
vinger(s) in de broek van die [slachtoffer] stoppen en aldus voor die [slachtoffer] een zodanig bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich als bestuurster van een rijdende taxiauto niet aan de seksuele handelingen met verdachte kon onttrekken;

Feit 3
hij op 11 mei 2018 in een taxiauto op wegen tussen Opperdoes, gemeente
Medemblik, en Hoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf
om door feitelijkheden [slachtoffer] te dwingen tot het dulden
van ontuchtige handelingen,
- als passagier in een taxiauto heeft plaatsgenomen waarin die [slachtoffer] de
bestuurster was en
- in een rijdende taxiauto onverhoeds zijn, verdachtes, gezicht voor het
gezicht van die [slachtoffer] heeft gehouden en zijn, verdachtes, hand achter
het hoofd van die [slachtoffer] heeft gehouden en het hoofd van die [slachtoffer] naar hem, verdachte, toe heeft getrokken en die [slachtoffer] heeft geprobeerd te zoenen
en die [slachtoffer] de woorden heeft gevoegd: "Geef eens een kusje", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 2

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Feit 3

Poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.

6.2.

Standpunt van de verdediging

Indien en voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, dient het advies van de reclassering om de ISD-maatregel op te leggen naar de mening van de raadsman niet te worden gevolgd. Aangezien de reclassering geen deugdelijke rapportage heeft uitgebracht, is niet voldaan aan de (formele) criteria die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht hieraan stelt. Daarnaast is op 4 augustus 2017 een eerder aan verdachte opgelegde ISD-maatregel door de rechtbank beëindigd, omdat er na ongeveer een jaar nog geen behandeling had plaatsgevonden. Na deze beëindiging is verdachte slechts éénmaal veroordeeld voor een nieuw strafbaar feit. Verder is het ongebruikelijk om deze ten laste gelegde zedendelicten, waarvoor verdachte een “first offender” is, ten grondslag te leggen aan een ISD-maatregel.
De raadsman heeft bepleit geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich midden in de nacht, zwaar onder invloed van alcohol, als passagier in een rijdende taxi zeer hinderlijk en provocerend aan het slachtoffer [slachtoffer] , een vrouwelijke taxichauffeur, opgedrongen. Vervolgens heeft hij in haar borsten geknepen, zijn hand in haar broek gestoken en heeft hij haar geprobeerd te zoenen. Door aldus te handelen heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer.
Uit de onderbouwing van de immateriële schadevordering en de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat de aanranding veel indruk heeft gemaakt op [slachtoffer] . Sinds het voorval heeft zij last van nachtmerries, slapeloosheid en haar vertrouwen in de medemens en haar veiligheidsgevoel is beschadigd. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Taxichauffeurs die gewoon hun werk doen, dienen van dergelijk gedrag
verschoond te blijven. Daarnaast is door de handelingen van verdachte een onveilige situatie op de openbare weg ontstaan.

Reeds de ernst van de hiervoor beschreven feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van langere duur. Daarbij komt dat uit het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 6 september 2018, blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld, zij het niet ter zake van zedendelicten, en dat hij bovendien nog in een proeftijd liep. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Het strafblad van verdachte (28 jaar) telt reeds 22 pagina’s. In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank bovendien mee dat hij tot op heden geen enkel inzicht heeft getoond in de laakbaarheid van zijn handelen.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 6 juli 2018 opgesteld door N. Bakker als reclasseringswerker verbonden aan GGZ Reclassering Fivoor. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

Vanuit het dossier zien wij dat een verplicht reclasseringscontact (diverse malen opgelegd) en het opleggen van een ISD-maatregel niet hebben geleid tot de gewenste gedragsverandering. Nadat de ISD-maatregel is opgeheven in augustus 2017 zien wij dat de heer [verdachte] met justitie in aanraking blijft komen.

Binnen de proeftijd wordt hij inmiddels verdacht van drie nieuwe delicten. Contact met de reclassering in het kader van de werkstraf verloopt zeer moeizaam.
Betrokkene staat bij de reclassering bekend als een persoon die hulp stelselmatig weigert, maar door zijn leefstijl wel een hoog recidive- en gevaarsrisico heeft.

GGZ reclassering Fivoor acht diagnostiek, met aansluitend intramurale behandeling gevolgd door een begeleide woonvorm noodzakelijk. De heer [verdachte] weigert hieraan mee te werken. Naar zijn zeggen omwille van de zorg voor zijn zieke moeder. Vooralsnog leidt de zorg voor zijn moeder echter niet tot het maken van andere keuzes en het veranderen van zijn pro criminele houding. De heer [verdachte] weigert reeds jarenlang zijn medewerking aan het uitvoeren van een gedegen/noodzakelijk intensief plan van aanpak en toezicht door de reclassering. Ook tijdens het opstellen van dit reclasseringsadvies blijft betrokkene weigeren mee te werken aan het uitvoeren van een passend plan van aanpak.
Enkel het opleggen van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel kan betrokkene naar onze mening bewegen tot gedragsverandering.


De rechtbank acht oplegging van de door reclassering geadviseerde en door de officier van justitie gevorderde ISD-maatregel in dit geval thans niet gerechtvaardigd. Daarbij is in aanmerking genomen dat verdachte zich niet eerder heeft schuldig gemaakt aan feiten zoals de onderhavige. Ook is in aanmerking genomen dat in het recente verleden aan verdachte een ISD-maatregel is opgelegd, waarvan hij een groot deel heeft uitgezeten, en dat deze ISD-maatregel medio 2017 is mislukt als gevolg van omstandigheden die in belangrijke mate niet aan verdachte zijn te wijten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Mr. F.W. Brugman, advocaat te Wognum, heeft namens de benadeelde partij [slachtoffer] een vordering tot schadevergoeding van € 3.911,13 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
1. behandeling psycholoog ad € 950,-;

2. verlies aan verdienvermogen ad € 300,-;

3. reiskosten ad € 88,11;

4. zelfmedicatie ad € 73,02.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Ad 1 behandeling psycholoog

Hoewel het slachtoffer in verband met een revalidatietraject vanwege whiplashklachten na een aanrijding die in 2016 heeft plaatsgevonden al een intake had gehad bij een psycholoog, blijkt uit de brief van Y. Jongma, GZ-psycholoog, van 4 oktober 2018, dat gedurende dit traject de onderhavige aanranding heeft plaatsgevonden en dat hiervoor EMDR therapie is ingezet. Daar komt bij dat mr. Brugman tijdens de terechtzitting desgevraagd onweersproken heeft verklaard dat het slachtoffer ten tijde van voormelde intake nog werkzaam was als taxichauffeur, welke werkzaamheden zij nadien heeft moeten staken.
Het verweer dat de kosten voor de psychologische behandelingen mogelijk door een ziektekostenverzekeraar worden vergoed, gaat niet op, reeds omdat de raadsman heeft meegedeeld dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Deze post is toewijsbaar.

Ad 2 verlies aan verdienvermogen


Vaststaat dat het slachtoffer voorheen nachtdiensten draaide en dat zij daartoe na de aanranding niet meer in staat was. Dat zij hiervoor naast haar reguliere salaris ook fooien ontving, blijkt genoegzaam uit de overgelegde werkgeversverklaring van [werkgever] . Overigens is het een feit van algemene bekendheid dat in de taxibranche fooien worden gegeven. Dat het slachtoffer in de periode vanaf 11 mei 2018 tot 1 augustus 2018, de datum waarop haar dienstverband bij [werkgever] is beëindigd, vijf nachtdiensten heeft gemist en daardoor 5 x € 50,- per avond aan fooi heeft misgelopen komt de rechtbank aannemelijk voor. Daarnaast is nog een bedrag van € 50,- opgevoerd in verband met een wachtdag na ziekmelding. Ook dit acht de rechtbank redelijk. Deze post kan worden toegewezen.

Ad 3 en 4

De gevorderde reiskosten en de kosten voor door een huisarts voorgeschreven slaapmedicatie zijn niet betwist en onderbouwd met stukken, waaronder aankoopbonnen van de apotheek, en dus toewijsbaar.


Immateriële schade


Tevens komt de rechtbank vergoeding van de gestelde immateriële schade billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat het slachtoffer als gevolg van het gebeuren haar werk inmiddels niet meer kan uitvoeren.

De vordering zal dan ook integraal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 2 en 3 bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: aanranding en poging hiertoe) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 11 januari 2018 in de zaak met parketnummer 15/094970-16 heeft deze rechtbank, locatie Alkmaar, verdachte ter zake van openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 29 januari 2018 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 26 januari 2018 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich evenwel op het standpunt gesteld dat, indien aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd, de vordering tot tenuitvoerlegging behoort te worden afgewezen.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 45, 57, 246 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 3.911,13 (zegge: drieduizendnegenhonderdelf euro en dertien cent), bestaande uit € 1.411,13 als vergoeding voor de materiële schade en € 2.500,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.911,13, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 49 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/094970-16 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van één week, opgelegd bij vonnis van deze rechtbank, locatie Alkmaar, d.d. 11 januari 2018.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.S. Lamboo, voorzitter,

mr. P.H.B. Littooy en mr. N.O.P. Roché, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. P.L. Ypma,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 november 2018.

mr. N.O.P. Roché is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.