Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:11402

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
28-12-2018
Zaaknummer
C/15/270007 / rekestnummer: HA RK 18/23
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek om wraking toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

C/15/270007 / rekestnummer: HA RK 18/23

Beslissing van 22 februari 2018

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoeker] ,

thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad,

verzoeker,

raadsman mr. T.H. Kapinga.

Het verzoek is gericht tegen:

mr. W. Veldhuijzen van Zanten,

hierna te noemen: de rechter.

1 Procesverloop

1.1

De raadsman van verzoeker heeft op 25 januari ter zitting de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, afdeling publiekrecht, sectie Straf, locatie Haarlem, aanhangige zaak met als parketnummer 15/205235-17 (hierna te noemen: de hoofdzaak).

1.2

De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. De officier van justitie heeft eveneens schriftelijk gereageerd.

1.3

Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 16 februari 2018. Verzoeker, de rechter en de officier van justitie zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De raadsman van verzoeker en de rechter zijn verschenen. De officier van justitie is, met bericht, niet verschenen.

2 Het standpunt van verzoeker

Namens verzoeker heeft zijn raadsman ter onderbouwing van het verzoek – samengevat – aangevoerd dat het wrakingsverzoek op de volgende twee gronden berust:

Allereerst heeft de rechter tijdens het onderzoek ter terechtzitting stukken voorgehouden die geen deel uitmaken van de strafzaak tegen verzoeker, te weten de verklaring die medeverdachte [naam medeverdachte] ) in raadkamer in zijn eigen zaak heeft afgelegd en de verklaring die [medeverdachte] tijdens het onderzoek ter terechtzitting in zijn eigen zaak heeft afgelegd. De verdediging beschikte niet over deze stukken.

Vervolgens heeft de rechter opgemerkt dat [medeverdachte] ter terechtzitting heeft verklaard dat hij zijn verklaring heeft aangepast omdat hij bang is voor verzoeker en daarbij heeft de rechter gezegd dat ‘hij daar wel eens gelijk in kan hebben’.

Volgens de raadsman heeft de rechter door deze gang van zaken de schijn van vooringenomenheid gewekt over de rol van verzoeker bij het ten laste gelegde feit, omdat daaruit volgt dat zij de voor [verzoeker] ontlastende verklaring op basis van stukken die niet in het dossier aanwezig zijn, niet van waarde achtte en dat de ontlastende verklaring op basis van druk dan wel bedreigingen door verzoeker tot stand kan zijn gekomen.

3 Het standpunt van de rechter

De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat het klopt dat zij een stuk heeft voorgehouden dat niet in het dossier van verzoeker bleken te zitten. [medeverdachte] heeft zowel bij de KMAR als bij de rechter-commissaris als in raadkamer verklaard dat verzoeker opdracht had gegeven tot de drugssmokkel. De verklaring van [medeverdachte] bij de KMAR zat in het dossier, maar de verklaring die de medeverdachte in raadkamer heeft afgelegd, niet. Deze verklaring bestond uit één zin en week inhoudelijk niet af van de verklaring die [medeverdachte] bij de KMAR had afgelegd. De behandeling van de zaak [medeverdachte] was gelijktijdig met die van verzoeker gepland. Omdat mr. Kapinga zich had vergist in de zittingslocatie, heeft de rechtbank besloten om – uit oogpunt van efficiëntie – de zaak tegen [medeverdachte] alvast te behandelen; direct daarna is de zaak van verzoeker alsnog behandeld. De rechter wilde verzoeker in de gelegenheid stellen om een reactie te geven op de verklaring die [medeverdachte] tijdens zijn eigen zitting heeft afgelegd, omdat hij daarin verklaarde dat hij bang was voor verzoeker en daarom zijn verklaring had aangepast. Hoewel deze verklaring niet als bewijs kan dienen in de zaak van verzoeker, is de rechter van mening dat het juist en toelaatbaar is om deze verklaring – in het kader van zoveel mogelijk transparantie – aan verzoeker voor te leggen en hem in de gelegenheid te stellen hier op te reageren.

Ten aanzien van de door de rechter uitgesproken zin ‘dat zij denkt, als zij de verklaringen van [medeverdachte] zo leest, dat hij daar wel eens gelijk in kan hebben’, geeft zij aan dat zij midden in de opbouw naar een vraag zat, toen ze deze opmerking maakte. Haar bedoeling was om de wisselende verklaringen van [medeverdachte] in openheid voor te leggen en aan verzoeker te vragen wat de mogelijke redenen van deze wisselende verklaringen zouden kunnen zijn. Het gaat derhalve om de context waarin deze opmerking is gemaakt.

4 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in een schriftelijke reactie laten weten dat zij zich niet precies de zin kan herinneren naar aanleiding waarvan de rechter is gewraakt en dat zij zich hierover daarom niet verder zal uitlaten. Zij merkt nog op dat de rechter voorafgaande aan deze zin tijdens de behandeling van de zaak op geen enkel moment de schijn van partijdigheid heeft gewekt.

5 De beoordeling

5.1

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (de zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (zogenaamde objectieve toets).

Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

5.2

Het gaat hier om het aan verzoeker voorhouden van een voor hem belastende verklaring van een medeverdachte, welke verklaring geen deel uitmaakt van het dossier van verzoeker, en de wijze waarop de rechter deze verklaring aan verzoeker heeft gepresenteerd. In het algemeen is er geen grond aanwezig voor wraking wanneer een rechter al heeft geoordeeld in de zaak tegen een medeverdachte, zelfs niet als uit de bewezenverklaring ten aanzien van de eerder berechte medeverdachte een standpunt van valt af te leiden van de rechter over de betrokkenheid van de verdachte bij de strafzaak (NJ 1998, 187). Er is ook geen rechtsregel die verbiedt om een verdachte stukken of verklaringen voor te houden die geen deel uitmaken van het dossier en daarom geen bewijsmiddel kunnen zijn. De verdachte is immers niet tot antwoorden verplicht.

Echter, het is ook de taak van de rechtbank om uitsluitend te oordelen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in de zaak van de verdachte en daarbij hetgeen de rechtbank heeft beslist in andere zaken van andere verdachten buiten beschouwing te laten.

5.3

Verzoeker heeft als eerste wrakingsgrond aangevoerd dat de rechter verklaringen heeft voorgehouden die niet tot het procesdossier behoren. Die grond kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet tot wraking leiden. Met het voorhouden van die verklaringen is slechts getracht verzoeker in alle openheid en in het kader van de waarheidsvinding daarop te laten reageren. Dit lag temeer in de rede nu de zaak tegen [medeverdachte] oorspronkelijk gelijktijdig met de zaak tegen verzoeker zou worden behandeld.

5.4

Bij het voorhouden van de verklaringen van [medeverdachte] heeft de rechter echter gezegd ‘dat [medeverdachte] ter zitting heeft aangegeven zijn verklaringen te hebben aangepast uit angst voor [naam verzoeker] (verzoeker) en dat zij denkt dat hij daarin wel eens gelijk kan hebben’. Uit die opmerking kan worden afgeleid dat de rechter zich over die voor verzoeker belastende verklaring (en daarmee ook over de voor hem ontlastende verklaring) al een oordeel had gevormd. Daarbij moet worden bedacht dat de rechter twee voor verzoeker belastende verklaringen heeft voorgehouden die niet tot het procesdossier behoorden – en dus niet tot het bewijs zouden kunnen dienen – en direct daarop de opmerking heeft gemaakt dat ze denkt dat [medeverdachte] wel eens gelijk kan hebben (de rechtbank begrijpt: dat hij uit angst zijn verklaring heeft aangepast). De omstandigheid dat de rechter werd onderbroken in haar vraagstelling en dat zij alleen de bedoeling had om de verklaringen in alle openheid aan verzoeker voor te houden, kan aan de eenmaal gewekte schijn niet meer afdoen.

5.5

Gelet op het voorgaande is sprake van feiten en omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter, grond kunnen geven om te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is. Deze feiten en omstandigheden leveren zwaarwichtige redenen op voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid. Het wrakingsverzoek is op die grond dan ook toewijsbaar.

6 Beslissing

De rechtbank

6.1

wijst het verzoek om wraking toe,

6.2

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de officier van justitie een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

6.3

bepaalt dat de hoofdzaak verder zal worden behandeld door een andere rechter en beveelt dat die zaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van het team Straf, locatie Haarlem.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.J. Dijk, voorzitter, mr. A.C. Terwiel en mr. H.M. van Dam , leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. L.L. de Vries griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2018.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.