Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:1113

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2101
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WMO 2015. Huishoudelijke hulp. Verweerder heeft voldoende geconcretiseerd op welke wijze invulling wordt gegeven aan de compensatieverplichting.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/2101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.S. Eisenberger),

en

het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal, verweerder

(gemachtigden: mr. A.P. van Delden en mr. C.C. Uilenberg).

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) huishoudelijke ondersteuning toegekend van 6 september 2016 tot 5 september 2018, met als resultaat een schoon en leefbaar huis en het beschikken over schone kleding.

Bij besluit van 20 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2017. Eiseres werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [naam] . Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigden en S. Post en R. Vernooij.

Overwegingen

1.1.

Eiseres ontving huishoudelijke ondersteuning, laatstelijk op grond van de Wmo 2015 voor 5,5 uur per week.

1.2.

In verband met een herbeoordeling en het aflopen van de indicatie heeft op 31 augustus 2016 een gesprek met eiseres plaatsgevonden. Vervolgens heeft verweerder met het primaire besluit aan eiseres huishoudelijke ondersteuning toegekend met als resultaat een schoon en leefbaar huis en het beschikken over schone kleding. Daarbij is aangegeven dat de huishoudelijke ondersteuning is gericht op het volgende:

Ruimten:

Woonkamer

Keuken

Slaapkamer(s) in gebruik door personen binnen de gezamenlijke huishouding

Verkeersruimten, zoals hal, overloop en bijkeuken

Badkamer

Toilet

Trap, mits een van de hierboven genoemde ruimten zich op een andere etage bevinden

Uitgezonderd zijn:

Ruimten zoals een berging, logeerkamer, zolder en de buitenruimten

Activiteiten schoon en leefbaar huis:

Frequentie:

Zwaar huishoudelijk werk

Dweilen

Eenmaal per week

Stofzuigen

Tweemaal per week

Bed verschonen

Eenmaal per week

Sanitair schoonmaken

Eenmaal per week

Opruimen huishoudelijk afval

Eenmaal per week

Keuken schoonmaken

Eenmaal per 2 weken

Sanitair schoonmaken

Eenmaal per week

Ramen zemen binnen

Eenmaal per 13 weken

Licht huishoudelijk werk

Afstoffen opruimen

Tweemaal per week

Afwassen

Tweemaal per week

Activiteiten schone kleding:

Frequentie

Was sorteren

Eenmaal per week

Was in/uit wasmachine/droger

Eenmaal per week

Was ophangen/afhalen

Eenmaal per week

Was opvouwen en opbergen

Eenmaal per week

Eiseres is in het primaire besluit ook gewezen op een aanvullende regeling: De Huishoudelijke Hulp Toelage (de HHT). Op grond hiervan kan eiseres volgens verweerder met de zorgaanbieder afspraken maken over het uitvoeren van aanvullende activiteiten zoals onder meer balkon/terras/paden vegen.

Verder heeft verweerder eiseres erop gewezen dat zij per vier weken een bijdrage in de kosten verschuldigd is voor de huishoudelijke ondersteuning en dat het uurtarief € 20,68 is. De hoogte van de eigen bijdrage is afhankelijk van haar inkomen en vermogen, haar leeftijd en de samenstelling van haar huishouden, maar is nooit hoger dan € 20,68.

1.3.

Tussen eiseres en de zorgverlener T-zorg is op grond van het bovenstaande een ondersteuningsplan opgesteld. De feitelijke inzet van T-zorg komt neer op 5 uur en 36 minuten huishoudelijke ondersteuning per week.

2. Verweerder heeft met het bestreden besluit het primaire besluit gehandhaafd. Hiertegen richt zich het beroep van eiseres.

3.1.

De rechtbank overweegt ambtshalve allereerst het volgende. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874) volgt dat pas sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

3.2.

Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat eiseres zelf te kennen heeft gegeven tevreden te zijn met de huishoudelijke ondersteuning die zij nu ontvangt. Namens eiseres is ter zitting toegelicht dat zij op dit moment weliswaar tevreden is met de huishoudelijke hulp die zij krijgt (twee en een half uur op dinsdag en drie uur op vrijdag), maar dat het besluit zoals het nu is geformuleerd onvoldoende waarborgen biedt dat dit zo blijft, omdat niet in tijd is geïndiceerd. Daarbij komt dat volgens eiseres eveneens het doen van boodschappen en de verzorging van de buitenruimtes bij de indicatie hadden dienen te worden betrokken. De rechtbank is van oordeel dat eiseres hiermee voldoende belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.

4. De rechtbank overweegt ten aanzien van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden als volgt.

5.1.

Eiseres heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat het onderzoek zoals door verweerder is verricht en de daaruit voortvloeiende toekenning incompleet is en niet voldoet aan de eisen die de Wmo 2015 daaraan stelt.

5.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiseres stelt volgt uit het opgestelde gespreks- en onderzoeksverslag van 31 augustus 2016 dat de gebieden zoals genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wmo 2015 in het onderzoek van verweerder aan de orde zijn gekomen. Voorts voldoet het besluit aan het bepaalde in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015, in die zin dat met het verstrekken van de maatwerkvoorziening rekening is gehouden met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek. Daarbij wordt opgemerkt dat in het toekenningsbesluit niet alle levensgebieden besproken hoeven te worden. Indien het onderzoek heeft geleid tot de conclusie dat de betrokkene alleen ondersteuning nodig heeft voor bijvoorbeeld het voeren van een huishouden, hoeft het besluit niet te vermelden dat op alle overige terreinen betrokkene geen ondersteuning nodig heeft. Wel moeten alle terreinen aan bod zijn gekomen in het onderzoek, hetgeen terug te vinden moet zijn in het gespreksverslag of de opgestelde rapportage. In dit geval is daaraan voldaan. Daarbij wijst de rechtbank er nog op dat het huidige onderzoek een vervolg was op het onderzoek van
18 januari 2016. Dit onderzoek had reeds geleid tot het toekennen van een scootmobiel, teneinde eiseres te compenseren in haar vervoersbehoefte (naast het toekennen van huishoudelijke ondersteuning).

6.

6.1.

Eiseres heeft voorts betoogd dat de toegekende huishoudelijke ondersteuning niet is geobjectiveerd en onvoldoende concreet is, zodat sprake is van strijd met de toepasselijke regelgeving. Volgens eiseres is de toekenning van huishoudelijke hulp naar resultaat niet toegestaan en had in tijdseenheden moeten worden geïndiceerd. Daardoor is onduidelijk of voldoende wordt tegemoetgekomen aan de behoeften van eiseres. Ook vindt eiseres dat het indiceren in tijd haar meer waarborgen biedt.

6.2.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat huishoudelijke hulp ook kan worden toegekend op basis van resultaat, mits voldoende concreet wordt gemaakt hoeveel zorg moet worden verleend. Dat hoeft niet alleen door het noemen van tijdeenheden, maar kan volgens verweerder ook door concreet te maken welke activiteiten moeten worden verricht, in welke frequentie, om het resultaat (een schoon en leefbaar huis en het beschikken over schone kleding) te behalen. Op deze manier kan volgens verweerder meer maatwerk worden geleverd, hetgeen in geval van eiseres ook daadwerkelijk is gebeurd.

6.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit rechtspraak van de CRvB (zie de uitspraken van 18 mei 2016, o.a. ECLI:NL:CRVB:2016:1491) volgt dat toekenning van huishoudelijke hulp in resultaatsgebieden een duidelijke maatstaf mist. Verweerder heeft zich in dit geval echter niet beperkt tot het noemen van de resultaatsgebieden, maar heeft ook nader gespecificeerd zoals weergegeven onder 1.2. welke werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, in welke ruimtes en met welke frequentie. Bij het bestreden besluit heeft verweerder voor de grondslag hiervan verwezen naar de Verordening maatschappelijke ondersteuning Bloemendaal 2015 en de Uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning 2016. In artikel 4.4.4 van deze Uitvoeringsregels is per resultaatgebied aangegeven welke activiteiten daar onder kunnen vallen en welke ruimten. Bepaald is dat in de beschikking aan de cliënt dient te worden aangegeven voor welke resultaatgebieden de huishoudelijke ondersteuning wordt verstrekt en welke activiteiten (met welke frequentie) daartoe gerekend kunnen worden. Anders dan in de hiervoor genoemde uitspraak van de CRvB verschaffen verweerders Uitvoeringsregels en het toekenningsbesluit hier inzicht in de vraag op welke concrete wijze invulling wordt gegeven aan het bereiken van het resultaat een schoon en leefbaar huis en het kunnen beschikken over schone kleding. Naar het oordeel van de rechtbank kan ook op andere wijze dan uitsluitend door het noemen van een tijdseenheid worden geconcretiseerd op welke wijze invulling wordt gegeven aan de compensatieverplichting in de zin van de Wmo 2015 en moet per individueel geval naar de inhoud van de afspraken worden gekeken ter beantwoording van de vraag of voldoende wordt gecompenseerd. Dat leidt in dit geval tot het volgende.

7.

6.4.

Eiseres heeft recht op huishoudelijke ondersteuning zoals omschreven onder 1.2, waarbij is aangegeven welke activiteiten moeten worden uitgevoerd, in welke ruimtes en met welke frequentie. Vastgesteld wordt voorts dat ter uitvoering hiervan eiseres in de praktijk twee en een half uur op dinsdag en drie uur op vrijdag aan huishoudelijke ondersteuning ontvangt. Eiseres heeft zelf berekend dat zij 6,3 uur huishoudelijke hulp per week nodig heeft. Eiseres heeft toegelicht dat deze urenbegroting gebaseerd is op de onderzoeksresultaten (op basis van de HETUS-richtlijnen) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) naar tijdsbesteding in huishoudelijke taken en zorg zoals die voor een bepaald huishouden geldt, en de uitval in die taken door de vastgestelde beperkingen. Ter zitting is vastgesteld dat eiseres bij haar berekening ook rekening heeft gehouden met het doen van boodschappen en klusjes buitenshuis, terwijl verweerder deze activiteiten bij de toekenning buiten beschouwing heeft gelaten. Wat er verder ook zij van de door eiseres voorgestane berekeningssystematiek, een nadere beschouwing van de noodzakelijke activiteiten die eiseres noemt en de activiteiten die volgens verweerder nodig zijn, leert dat met name in geschil is of eiseres ook recht heeft op compensatie voor het doen van boodschappen en voor werkzaamheden buitenshuis.

6.5.

Verweerder heeft zich ten aanzien van de boodschappen op het standpunt gesteld dat eiseres in staat is om zelf lichte boodschappen te doen met haar scootmobiel of met de auto en dat zij voor de zware boodschappen reeds gebruik maakt van een vrijwilligersorganisatie, zodat zij op dit punt niet hoeft te worden gecompenseerd. Verweerder kan in dit standpunt worden gevolgd. Eiseres is voor het doen van boodschappen voldoende zelfredzaam. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat compensatie voor het doen van boodschappen zekerheidshalve in het toekenningsbesluit had dienen te worden opgenomen, omdat het zeer wel mogelijk is dat eiseres (in de toekomst) geen gebruik meer kan maken van de vrijwilligersorganisatie of dat zij zelf niet meer in staat is om de boodschappen te doen. Dit betoog leidt echter niet tot een ander oordeel. Dat de kans aanwezig is dat eiseres in de toekomst misschien niet meer zelf boodschappen kan doen of dat de vrijwilliger niet voorhanden is, maakt niet dat eiseres nu al ondersteuning bij het doen van boodschappen had moeten worden toegekend. Bovendien heeft verweerder ter zitting benadrukt dat als er wijzigingen zijn in de situatie van eiseres, zij hierover direct contact kan opnemen met verweerder.

6.6.

Wat betreft de (onderhouds/schoonmaak)werkzaamheden buitenshuis heeft verweerder gesteld dat deze werkzaamheden niet vallen onder de huishoudelijke ondersteuning in de zin van de Wmo 2015 en dat dit extra werkzaamheden zijn die op basis van de HHT kunnen worden ingekocht. Eiseres vindt dat deze werkzaamheden onderdeel zijn van de huishoudelijke ondersteuning, zodat deze werkzaamheden in de maatwerkvoorzieningen hadden moeten worden meegenomen. Eiseres heeft verder aangevoerd dat er geen verordening is waarin de HHT is uitgewerkt. Toepassing daarvan is daarom in strijd met de wet. Voorts is de HHT als tijdelijk bedoeld en kan dus niet in de plaats komen van een maatwerkvoorziening. De voor de HHT in aanmerking komende werkzaamheden betreffen onder meer het onderhouden van een tuin en het schoonhouden van de stoep.

6.7.

De rechtbank stelt vast dat de HHT niet in de plaats komt van een maatwerkvoorziening. Verweerder kan voorts worden gevolgd in zijn standpunt dat de huishoudelijke ondersteuning zich beperkt tot de binnenkant van het huis. Hierdoor vallen tuinonderhoud en het schoonhouden van bijvoorbeeld tegelpaden niet onder de Wmo-aanspraken. Zoals uit uitspraak van de CRvB van 22 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:885) is af te leiden behoeft het tuinonderhoud geen onderdeel van de huishoudelijke ondersteuning te zijn. Verweerder hoefde eiseres wat betreft het buitenonderhoud dan ook niet te compenseren in het toekenningsbesluit.

6.8.

Voor de overige activiteiten die eiseres heeft benoemt, waarbij zij ondersteuning behoeft, heeft verweerder eiseres gecompenseerd in het toekenningsbesluit. Daarmee heeft verweerder in geval van eiseres voldoende maatwerk geleverd. Zoals overwogen onder 6.3 is de rechtbank van oordeel dat ook op andere wijze dan uitsluitend door het noemen van een tijdseenheid kan worden geconcretiseerd op welke wijze invulling wordt gegeven aan de compensatieverplichting. Het betoog van eiseres dat het indiceren in tijd meer zekerheid biedt dan het benoemen van een activiteit en frequentie, wordt niet gevolgd. Bovendien is gebleken dat de zorgaanbieder in de praktijk 5 uur en 36 minuten per week nodig heeft voor de door verweerder in het toekenningsbesluit genoemde activiteiten. Eiseres heeft aan verweerder bevestigd dat dit voldoende tijd is om alle benodigde werkzaamheden te verrichten en dat er zelfs tijd is voor extra’s. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk gemotiveerd op welke concrete wijze hij in het geval van eiseres invulling heeft gegeven aan de verplichting om haar te compenseren. Dat zij onvoldoende is gecompenseerd is de rechtbank niet gebleken.

8.

7.1

Eiseres heeft verder nog aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte heeft beperkt tot noemen van een maximum eigen bijdrage. Daardoor onthoudt verweerder betrokkene de mogelijkheid de financiële gevolgen van de toekenning te beoordelen en dat is strijdig met de wet, aldus eiseres. Deze beroepsgrond slaagt niet.

7.2.

In de uitspraak van de CRvB van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3358) is het volgende overwogen:

“Uit de hiervoor weergegeven wettelijke systematiek volgt, net zoals dat bij de Wet maatschappelijke ondersteuning voor een individuele voorziening het geval was (zie de uitspraak van de Raad van 7 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1321), dat het college beslist of degene aan wie een maatwerkvoorziening wordt verleend daarvoor een bijdrage verschuldigd zal zijn en dat de hoogte van de bijdrage, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en geïnd door CAK. Uit de wettelijke systematiek, gelet ook op de aangehaalde toelichting, volgt verder het uitgangspunt dat het besluit waarbij de maatwerkvoorziening wordt toegekend het laatste moment is waarop een betrokkene kennis kan nemen van de verschuldigdheid van een bijdrage en wat de kostprijs van de voorziening is die de maximaal verschuldigde bijdrage begrenst. Ten laatste bij het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening moet duidelijk zijn welke rechten en plichten daaraan zijn verbonden, zodat een betrokkene – alles overziend – nog kan besluiten daarvan af te zien.”

7.3.

De rechtbank leest deze uitspraak zo dat verweerder niet gehouden is de exacte eigen bijdrage in het besluit op te nemen, maar daarin wel de grens van de maximaal verschuldigde bijdrage mee te delen, namelijk de kostprijs van de maatwerkvoorziening. De CRvB overweegt immers dat het besluit het laatste moment is waarop “betrokkene kennis kan nemen van de verschuldigdheid van een bijdrage en wat de kostprijs van de voorziening is die de maximaal verschuldigde bijdrage begrenst”.

7.4.

Het standpunt van eiseres, dat uit deze uitspraak volgt dat verweerder de exacte hoogte van de eigen bijdrage in het toekenningsbesluit zou moeten vermelden, volgt de rechtbank dan ook niet. Voldoende is dat de maximaal verschuldigde eigen bijdrage (de kostprijs van de voorziening) in het besluit wordt vermeld. Dit heeft verweerder gedaan. De exacte hoogte van de eigen bijdrage wordt vastgesteld door het CAK, zodat verweerder hierover ook geen besluit kan nemen.

9.

8.1.

Eiseres heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat dat het toekennen van een maatwerkvoorziening voor bepaalde tijd in haar geval in strijd is met de uitgangspunten van de Wmo 2015.

8.2

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Ingevolge artikel 2.1.1, tweede lid, van de Wmo 2015 dient verweerder zorg te dragen voor de kwaliteit en de continuïteit van Wmo-voorzieningen. Verweerder heeft door aan eiseres een maatwerkvoorziening toe te kennen tot 5 september 2018 niet in strijd heeft gehandeld met de Wmo 2015. Verweerder heeft ten aanzien hiervan beleidsvrijheid. Toegelicht is dat verweerder tijdig evalueert en indien nodig eveneens tijdig een nieuwe indicatie afgeeft. Er is geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Verweerder waarborgt gelet hierop de continuïteit van de maatwerkvoorziening.

9. Het bestreden besluit houdt gelet op het voorgaande stand. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Buiskool, rechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.