Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:10975

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-12-2018
Datum publicatie
17-12-2018
Zaaknummer
C/15/269115 / KG ZA 18-34
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onvoldoende gewichtige redenen om zorgovereenkomst te beëindigen en ook op dit moment onvoldoende redenen om zorg niet te hervatten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/269115 / KG ZA 18-34

Vonnis in kort geding van 14 december 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. K. Kasem te Amsterdam-Duivendrecht,

tegen

de stichting

STICHTING SIG,

gevestigd te Beverwijk,

gedaagde,

advocaat mr. M.F. van der Mersch te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [zoon] en Sig genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties

  • -

    de door Sig ingezonden vier producties

  • -

    de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 1 februari 2018

  • -

    de pleitnota van [zoon] van 1 februari 2018

  • -

    de pleitnota van Sig van 1 februari 2018

  • -

    het proces-verbaal met daarin de gemaakte afspraken en de aanhouding tot september 2018 ten behoeve van het maken van nieuwe afspraken

  • -

    informatie van partijen met betrekking tot het doorlopen traject na de mondelinge behandeling;

  • -

    de aantekeningen van de voortzetting van de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser] van 27 november 2018

  • -

    de pleitnota van Sig van 27 november 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[zoon] is een man van 29 jaar met een verstandelijke beperking. [zoon] was voorheen, tot ongeveer 2016, geïndiceerd door het Centraal Indicatieorgaan Zorg voor zorgzwaartepakket 3. Vanaf 2016 is dat zorgzwaartepakket 6.

2.2.

Sig is een zorginstelling die ondersteuning en zorg biedt aan mensen met een beperking, waaronder dagbesteding, verzorging en begeleiding.

2.3.

Sig verleent sinds 2009 zorg aan [zoon] via een zogenaamde “modelzorgovereenkomst met een zorginstelling.” [zoon] heeft van 2009 tot 2016 gewoond in een woonvoorziening aan de [adres], waarvoor een gecombineerde woon-zorgovereenkomst was gesloten. Sig was in die woonvoorziening de zorgverlener.

2.4.

De ouders en zus van [zoon] zijn bij de zorgverlening aan [zoon] nauw betrokken. Zij zullen hierna ook gezamenlijk worden aangeduid als “het gezin [eiser]”. De ouders zullen worden aangeduid als “de ouders van [zoon]”. De vader van [zoon] zal worden aangeduid als [eiser]. Waar de vader van [zoon] wordt opgevoerd als woordvoerder van [zoon] als formele procespartij zal [zoon] worden aangeduid als “[eiser]”.

2.5.

In een gespreksverslag van 11 december 2015 staat onder meer het volgende: “(…) [A.] (medewerker Sig) vraagt naar hoe het alcohol gebruik is gegaan voor het oppakken. [zoon] vertelt dat het altijd met periodes beter en slechter ging. Maar dat na de zomervakantie hij elke dag wilde drinken en stiekem alcohol haalde. (…) [zoon] geeft aan dat hij heel veel drang voelt om drugs en alcohol te gebruiken om zijn negatieve gevoelens mee te onderdrukken. (…)”

2.6.

Op 27 juni 2016 schrijft Sig aan het gezin [eiser] onder meer het volgende: “(…) De afgelopen periode is er veel ingezet op de agressie die uw zoon uit te kunnen reguleren en er zicht op te krijgen hoe dit voorkomen kan worden. Er zijn veel gesprekken geweest waarin u als ouders een rol in “de driehoek” (overleg tussen [zoon], de zorgverleners en het gezin [eiser], vzr) heeft en hierin niet aflatend samenwerkt. Desalniettemin zijn er inmiddels gesprekken geweest over de voortgang van de behandeling via PMT (voorzieningenrechter: psychomotorische therapie) en het punt waarop dit lijkt te stagneren. Dit uit zich in agressie en inmiddels in een dusdanige vorm dat dit niet langer houdbaar is in de [adres]. (…) Vanuit de thuissituatie bij jullie kan er wel begeleiding plaatsvinden. Dit wordt verder vorm gegeven met de persoonlijk begeleider en mevrouw [B.]. Ook de inzet van PMT kan doorgaan. We praten hier dus over een overbruggingsperiode omdat we het woonproject [woonplaats] nog steeds als optie zien. (…) De SIG heeft besloten niet volgens de richtlijn van VWS met betrekking tot politiebetrokkenheid bij agressie te handelen. We gaan geen politie betrekken bij de agressie tot nu toe. (…) ”

2.7.

Na een aantal incidenten, waarbij ook de politie betrokken is geweest, heeft [zoon] van juli 2016 tot november 2017 bij zijn ouders gewoond. [zoon] had op dat moment extra zorg nodig, iets wat zijn ouders en zijn zus hem konden bieden. Sig heeft daarbij gezinsbegeleiding geboden.

2.8.

De ouders van [zoon] hebben samen met andere ouders van zorgvragers gedurende een tiental jaren gewerkt aan de realisatie van een voorziening voor begeleid wonen. Doel van de voorziening is het bieden van een fijne en veilige woonomgeving aan de bewoners/zorgvragers, waarbij sprake is van voldoende zorg en dienstverlening om voor de zorgvrager een maximale zelfstandigheid en eigen regie in zijn of haar leven te waarborgen. De voorziening is gelegen aan de [adres] 3 te Heiloo en wordt geëxploiteerd door de Stichting Zelfstandig Wonen [woonplaats] (hierna: SZWH). Sig is bij de voorziening op basis van een samenwerkingsovereenkomst als zorgverlener betrokken. In de overeenkomst die de bewoners met het oog op hun bewoning met SWZH afsluiten is de voorwaarde gesteld dat de betrokken bewoner een zorgovereenkomst met Sig heeft afgesloten.

2.9.

In het gespreksverslag van het oudergesprek van 11 oktober 2016 staat onder meer het volgende: “(…) Ouders geven aan dat [zoon] de afgelopen periode de grenzen blijft opzoeken. Dit doet hij ten opzichte van ouders en begeleiding. Ouders geven aan dat de valkuilen van zichzelf bekend zijn en ze worden zich hier ook steeds bewuster van. Voorbeelden hiervan zijn:

* het geven van te veel informatie waar [zoon] niets mee kan

* onderwerpen te groot laten.

Ouders zijn steeds bewuster bezig met het kleiner houden en kaderen van onderwerpen en elkaar hierin te steunen en feedback geven, dit werkt positief voor [zoon]. Volgende stap is dat hij hier zijn eigen verantwoordelijkheid oppakt, communiceert, leert vragen stellen en hierop te vertrouwen.

De crisis van afgelopen periode is terug te leiden naar onduidelijkheid, [zoon] verwacht dat bepaalde dingen op bepaalde manier lopen en wanneer dit niet gaat zoals hij in zijn hoofd heeft, bouwt de spanning op. Het was een opeenstapeling van stressmomenten, dit bouwde zich al op voor de vakantie.

Bekende valkuilen van ouders zijn snel zoeken naar een oplossing. Ouders willen dan direct antwoord geven op de vragen die bij [zoon] spelen ook over grote onderwerpen. Dit is een herkenbaar punt, wat ook bij begeleiding een voortdurend onderwerp van gesprek blijft. Hierbij is het belangrijk om deze onderwerpen kleiner te maken en op die manier tijd te winnen voor een passend antwoord zonder direct op te lossen. Bij oplopende spanning ook direct terugkoppelen aan [zoon] wat zijn rol kan zijn hierin: vragen om verduidelijking. Kan dit niet dan op later moment terug komen. (...)

De verwachte oplevering van [woonplaats] is vervroegd naar December. [C.] heeft bij [zoon] aangegeven dat hij pas naar [woonplaats] zal gaan als hij hier klaar voor is. Om dit nog duidelijker en kleiner te maken is het een optie hier een duidelijkere afspraak van te maken bijv.: tot maart blijft [zoon] thuis wonen, dan gaan we kijken of je er klaar voor bent in een gesprek. Dit om het overzicht van misschien januari of februari etc. te verkleinen.

[D.] geeft aan dat [E.] en [C.] dit moeten bespreken met de ouders van het woonproject [woonplaats]. Dit omdat er met de ouders een collectief systeem is afgesproken waarbij [zoon] wel zijn pgb moet inzetten, ook al blijft [zoon] nog langer thuis wonen. Of dit ook mogelijk consequenties heeft voor de AO begeleiding thuis kan [D.] niet aangeven. (…)”

2.10.

[zoon] huurt, met ingang van 20 januari 2017 een huurwoning met zorgbepaling aan de [adres] 3 te Heiloo (hierna: de woning). Hij is daar niet onmiddellijk gaan wonen.

2.11.

Sig en [zoon] hebben op 20 februari 2017 een zorgovereenkomst met [zoon] gesloten, op basis waarvan aan [zoon] met ingang van 1 maart 2017 zorg wordt verleend indien hij in zijn woning aan de [adres] verblijft. De overeenkomst is voor onbepaalde tijd aangegaan. In de daarop volgende maanden is Sig intensief betrokken geweest bij de voorbereidingen van [zoon] op de verhuizing naar de [adres].

2.12.

Bij e-mail van 26 maart 2017 schrijft Sig onder meer het volgende aan [eiser]: “(…) Op 14 maart hebben wij bij elkaar gezeten om de opbouw voor [zoon] naar het woonproject te bespreken. Dit plan is gemaakt. (…) De afspraak lag er dat jullie, [E.] en [C.] (in het bijzijn van SIG), het bestuur en andere ouders zouden inlichten. Deze afspraak is tot op heden nog niet gemaakt. Het starten met de opbouw kan niet zonder dat het bestuur en de ouders op de hoogte zijn. Mocht voor 6 april dit gesprek niet geweest zijn zal het opbouwen voor [zoon] niet op 6 april kunnen starten. (…)”

2.13.

In een e-mail van 30 maart 2017 wordt namens Sig aan onder andere [eiser] geschreven: “(…) Gisteren, 29 maart 2017, hebben [E.] en [C.] , aan de voorzitter van het bestuur Zelfstandig wonen [woonplaats], (…) informatie gedeeld over hun zoon [zoon] (…) Het werken in de driehoek is essentieel om voor [zoon] de veiligheid te kunnen bieden die hij nodig heeft. Het is ouders niet gelukt de afspraak na te komen betreft het aangegeven dat ouders met [zoon] naar het woonproject komen. Hierdoor heeft [F.] Ruiter (teamleider gezinsondersteuning SIG Zuid-Kennemerland en Woonproject [woonplaats]) zich niet aan haar stuk van de afspraak kunnen houden ten opzichte van [zoon] en het team [woonplaats]. Naar afspraak is het starten van de begeleiding van [zoon] in het woonproject uitgesteld. In het overleg op 14 maart 2017 is afgesproken dat als er ruis is in de driehoek dat het starten van de opbouw vertraging oploopt. Tijdens de evaluatie van 18 april 2017 zullen we de ruis verder bespreken en afspraken maken hoe dit in het vervolg te voorkomen. (…)”

2.14.

[zoon] is vanaf medio april 2017 begonnen met een opbouwschema, met als uiteindelijk doel het wonen op de [adres] in [woonplaats]. In die periode heeft [zoon] in overleg met Sig de [adres] bezocht, zijn woning ingericht en schoongemaakt en kennis gemaakt met verschillende begeleiders. Uit de vele e-mailberichten tussen [eiser] en Sig blijkt dat [zoon] op verschillende momenten erg enthousiast heeft gereageerd, waarop ouders hem graag wilden stimuleren door extra contactmomenten voor te stellen. Sig heeft er daarbij steeds op aangedrongen dat ouders zich houden aan gemaakte afspraken en [zoon] hierin begeleiden, om te voorkomen dat [zoon] terug valt en opnieuw agressief of seksueel overschrijdend gedrag laat zien, dan wel verdovende middelen (waaronder alcohol en wiet) gaat gebruiken.

2.15.

I. Ruiter geeft, namens Sig, op 15 juni 2017 een weergave van de stand van zaken op dat moment, inhoudende: “(…) De afgelopen periode is het met [zoon] goed gegaan in de opbouw naar het woonproject. [zoon] is ontspannen en laat vanuit die situatie zien dat hij toe is aan de volgende stap. We hebben in de evaluatie gesproken over de successen die er behaald zijn en hoe dit komt. Ouders vertellen dat [zoon] blijft communiceren als dingen toch iets anders gaat dan zijn planning en dat ouders de situatie voor hem structureren waardoor [zoon] weer kan ontspannen. We hebben ook de valkuilen besproken en deze moeten we goed in de gaten houden met elkaar.

Omdat [zoon] een groei laat zien en zelf initiatieven neemt in activiteiten is er de neiging van ouders en [zoon], naast de gemaakt afspraken extra activiteiten in [woonplaats] te doen. De valkuil is dat er in de driehoek niet goede afspraken gemaakt zijn en dat niet iedereen goed voorbereid is op de nieuwe situatie. Als we zien dat het goed gaat met [zoon] en de wens is af te wijken van de gemaakte afspraken, dan bellen ouders met [F.] en bespreken we wat er op dat moment wenselijk is. We hebben om deze reden ook snel weer een evaluatie afspraak met elkaar gemaakt. Mocht het goed gaan kan er ook snel uitgebreid worden, mocht het minder goed gaan kan er ook een stap teruggedaan worden.

[zoon] heeft aan [H.] (T. [H.], therapeut PMT, vzr) aangegeven welke volgende stap hij graag zou willen zetten. [zoon] geeft aan dat hij graag een avond, nacht, ochtend in zijn appartement zou willen zijn. We hebben de verschillende stappen op een rij gezet en komen gezamenlijk tot de conclusie dat de stap die [zoon] wilt zetten nog iets te groot is. We zijn het erover eens dat het goed is als [zoon] eerst alle begeleiders leert kennen en dat alle begeleiding meegenomen gaan worden in het programma van [zoon]. Als dit gebeurd is en dit gaat goed kan er naar een volgende stap gekeken worden.(…)”

2.16.

De weken na 15 juni 2017 wordt tussen Sig en de ouders [eiser] gediscussieerd over de vraag of het zinvol is om [zoon], terwijl dit niet is besproken, te laten meegaan met een uitje naar Amsterdam en een barbecue met andere bewoners. De toonzetting van de discussie is redelijk en men lijkt vanuit de onderscheiden rollen goed naar elkaar te luisteren, totdat de moeder van [zoon] een meer emotioneel getinte mail stuurt op 7 juli 2017: “(…) Ik leg mij neer bij het besluit dat [zoon] alleen meedoet met de BBQ maar wel onder 1 voorwaarde! Ik zou het zeer op prijs stellen als [F.] aan de groep uitlegt waarom [zoon] niet meegaat naar Amsterdam. Dit wil ik omdat er is afgesproken is dat als bewoners met vragen komen hij die mag beantwoorden met: Vraag maar aan [F.].!

Want als [zoon] bij de BBQ verschijnt wil ik niet hebben dat hij zich moet verantwoorden tegenover de groep, want dat gaat uiteraard gebeuren. Nogmaals ik vind het erg jammer dat hij zelf niet betrokken wordt bij het geheel. Ik voel aan hem dat het te lang gaat duren. Hij ging vanmorgen ook met tegenzin naar zijn appartement omdat het niks toevoegt volgens hem. Er is daar niks te doen als je er niet woont, dus voor de 3de keer gaat

hij stoffen, zuigen en de wc schoonmaken voor Jan met de korte achternaam. (…)

2.17.

Bij e-mail van 11 juli 2017 schrijft I. Ruiter van Sig het volgende aan [eiser] “(…)Tijdens ons vorige overleg hebben we een opbouw afgesproken in het belang van [zoon]. We hebben toen ook nog uitvoerig stil gestaan bij het belang van het vasthouden aan de afspraken in verband met de driehoek en de betrouwbaarheid ervan. Zoals ik in het vorige overleg ook heb aangegeven lijken we dingen te hebben afgesproken en iedere keer worden er andere dingen voorgesteld dan afgesproken. Ik heb niet het idee dat het werken in de driehoek zo werkt. Ik probeer een team in te werken op [zoon], zodat wat hij de afgelopen tijd thuis heeft geleerd met steun van ouders, broer, zus, [G.] en [H.] door kunnen zetten in het woonproject. Dit wordt vanuit jullie als netwerk ook verwacht, zo ook van de voorzitter en dit doen we uiteindelijk allemaal voor [zoon]. Als we door blijven gaan in iedere keer het wijzigen van de afspraken kan ik mij niet aan die afspraak houden en [zoon] een veilig woonplek bieden. (…)”

De moeder van [zoon] heeft hierop dezelfde dag gereageerd en geschreven: “(…) In een driehoek werken betekent volgens mij niet vast=vast. Zeker als iemand in een opbouw zit zal er hier en daar het een en ander veranderen in afspraken. De valkuil is het moment dat er geen overleg is en daar houden wij ons allemaal aan, volgens mij. En helemaal met iemand die zulke grote stevige stappen vooruit heeft geboekt als [zoon]. En ik snap ook dat dit onze verdienste is maar hij kan altijd terugvallen op ons en dat weet hij maar al te goed. ( …)”

2.18.

In een e-mail van 13 juli 2017 schrijft T. [H.] (therapeut PMT), aan Sig en familie [eiser]: “(…) Ik ben ws niet compleet en het kan zijn dat jullie er een andere visie over hebben. Hierover wil ik het graag met jullie hebben.

Enkele uitgangspunten zijn volgens mij.

- Het programma van N. wordt vooraf voorbereid en met elkaar gedeeld op haalbaarheid, voordat dit met N. in zijn programma als optie kan komen.

Zowel plan a, als b. hebben we voorbereid, zodat wij een kader kunnen aanbrengen voor N. en deze kunnen delen en overdragen aan anderen.

- Voor de opbouw hebben we te maken met een complexe situatie,

*omdat alle betrokkenen goed op de hoogte moeten zijn om zorgvuldig met N. te kunnen communiceren (familie, persoonlijk begeleiders en teamleden).

*We hebben te maken met sprake met wensen, met programma’s (van gezin/N./woonlocatie) en personen (familie, [G.], begeleiders, huisgenoten vrienden etc) op verschillende plekken (vanuit de woonplek, vanuit thuis sportvereniging etc.) en vanuit de wensen en behoefte van N, maar ook van anderen. Hierbij weten we dat het van belang is dat de steunende kaders betrouwbaar nageleefd moeten worden om te voorkomen dat N. overvraagd wordt (het hebben van overzicht en onthouden).

- N. doet het erg goed met dit steunende kader en is toe aan nieuwe stappen..

- Bij ontstaan van ruis, loopt N. risico om in een oude spiraal te komen.

Het lukt hem niet om situaties dan nog te overzien en om zaken te onthouden, omdat de associatie reeks niet meer betrouwbaar is (N. kan terug vallen en blokkeren).

De ruis ontstaat de afgelopen periode volgens mij uit:

1. Er is een wens voor uitbouw vanuit thuis en N. en ons allemaal. Er worden geen initiatieven genomen om te komen tot concrete en uitgewerkte voorstellen om de opbouw te versnellen (door dit van te voren goed voor te bereiden en te delen). Ik denk dan “er wordt verwacht dat de ander dat doet”, deze gedachte kan onjuist zijn. Een ieder heeft dezelfde verantwoordelijkheid m.b.t. het voorbereiden en delen van kaders.

2. Een leuke activiteit wordt gezien, als een nieuwe uitbouw en hierop wordt impulsief gehandeld.

3. Vanuit familie wordt er door drie personen gecommuniceerd, vanuit een eigen idee of mening.

4. Even bellen met elkaar om ruis weg te halen is volgens mij nog niet gedaan. Dit wordt wel benoemd in de mail.

Toch wordt een onderwerp steeds groter.

5. Vanuit een gevoel (frustratie, onmacht, oneigenlijke redenen), wordt bewust/onbewust druk uit geoefend op de ander. Hierdoor lijkt het of het probleem voortkomt, omdat iemand niet wil mee werken. De opbouw van het probleem speelt al verschillende weken en niet pas op dat moment. Wie heeft daarin welke rol?

Ik ervaar nu dat de samenwerking onder druk wordt gezet. Voor N. kan hierdoor splitting ontstaan (als spiegel van onze samenwerking, wij tegen zij).

Voor een opbouw hebben we een basis van vertrouwen naar elkaar toe nodig. Ik vraag mij af of deze basis er is. In het belang van N. zullen we het onderling vertrouwen moeten opbouwen door de samenwerking binnen de spelregels vorm te geven en na te leven. (…)”

2.19.

In een door Sig gemaakt gespreksverslag van een gesprek op 27 juli 2017 tussen [eiser], de zus van [zoon], en Sig staat onder meer het volgende: “(…) Aanleiding voor het gesprek zijn de afspraken die er rondom [zoon] gemaakt moet worden om de begeleiding goed vorm te geven en waarvan de afgelopen weken is gebleken dat deze door ouders niet ingevuld en nagekomen worden zoals afgesproken. (…) Omdat het invullen van de rol van ouders in de driehoek niet lijkt te lukken, kunnen wij de begeleiding niet bieden die nodig is De boodschap in dit gesprek is dus dat wij het teruggeven aan het bestuur van SZWH. (…) Astrid zegt dat ze ziet dat het voor het gezin moeilijk is en zij vult daarbij aan dat dit waarschijnlijk komt omdat het gezin in een structuur zit, wat volledig om zou moeten en dat dit niet lukt. Dat je je ook kunt afvragen of dat nou zo heel erg is, behalve dat hierdoor de voorwaarden die nodig zijn voor het goede begeleidingsklimaat voor [zoon], niet haalbaar zijn. (…)

2.20.

Sig heeft de zorgovereenkomst telefonisch opgezegd. Naar aanleiding van deze opzegging heeft [eiser] onder meer het volgende per e-mail van 4 augustus 2017 aan Sig geschreven: “(…) Wij willen daarom graag op korte termijn in ieder geval een gesprek met de verantwoordelijke behandelaren waaronder de orthopedagoog en de PMT er [H.]. (…)”

Sig antwoordt per e-mail van dezelfde datum: “(…) Op 27 juli jl. hebben we een gesprek gevoerd over de wijze waarop jullie als gezin de kaders en afspraken - die nodig waren voor een goede begeleidingssituatie van [zoon] in [woonplaats] - onvoldoende kunnen bieden. Het gaat hier concreet om het werken in de driehoek. Het voorstructureren, het signaleringsplan en de afspraken zijn voorbeelden die steeds terug komen in ruis en wij hebben daarop gezegd dat wij het terugleggen bij het bestuur omdat wij [zoon] niet kunnen begeleiden. We hebben verschillende voorbeelden gegeven. Jullie hebben aangegeven te wachten op de reactie vanuit het bestuur. De vraag die jullie nu bij ons neerleggen, gaat voorbij aan het besluit dat wij onvoldoende grond zien om [zoon] goed te begeleiden. (...)”

2.21.

[zoon] woont sinds november 2017 aan de [adres] 3, te [woonplaats]. Hij ontvangt daar begeleiding en zorg van twee andere zorgverleners.

2.22.

Sig en [eiser] hebben veelvuldig met elkaar gecorrespondeerd over de beëindiging van de zorgovereenkomst, waarbij [eiser] zich op het standpunt heeft gesteld dat er geen gewichtige redenen zijn om de zorgovereenkomst op te zeggen. Sig stelt zich in de brief van 31 oktober 2017 van Sig aan de gemachtigde van [eiser] op het standpunt dat: “(…) er geen zorgovereenkomst is. De enige geëffectueerde zorgovereenkomst die er - in het kader van de voorbereiding op het woonproject [woonplaats] was, was alleen op basis van gezinsondersteuning. Voor de begeleiding in het woonproject [woonplaats] hebben wij nooit een overeenkomst gesloten en zullen wij dit ook niet doen, gezien onze bevindingen dat de heer [eiser] ([zoon], vzr) hier door ons niet begeleid kan worden. De overeenkomst betrof slechts de ambulante ondersteuning aan huis. (…) De heer [eiser] heeft in de [adres] gezorgd voor een onveilige situatie voor medebewoners en begeleiders. Vanwege de onveilige situatie is het wonen in de [adres] geëindigd. De heer [eiser] is vervolgens bij zijn ouder thuis gaan wonen en heeft gezinsondersteuning gekregen. Naast de gezinsondersteuning is de therapie PMT (Psychomotore Therapie) ingezet ter voorbereiding op het wonen aan de [adres].

Samen met de extra ingezette zorgverleners is een besluit genomen om de heer [eiser] hier verder niet in te overvragen. Wonen aan de [adres] in [woonplaats] zal geen haalbaar doel zijn. Door het besluit is het doel van de begeleiding weg gevallen en is ook de gezinsbegeleiding gestopt. De heer [eiser] heeft niet gewoond op de [adres] en heeft hier ook geen begeleiding genoten. Dat uw cliënt heeft aangegeven dat het stopzetten van de voorbereiding op het zelfstandig wonen als een grote verrassing is ervaren, verbaasd ons. In het dossier van de heer [eiser] zijn voortdurend alle ontwikkelingen vastgelegd. Samenvattend: de SIG heeft geen overeenkomst tot begeleiding van uw cliënt in het woonproject Stichting Zelfstandig Wonen [woonplaats] en zal deze - op basis van de beschikbare informatie - ook niet gaan aanbieden. (…)”

In een brief van 4 januari 2018 van Sig aan de gemachtigde van [eiser] is hieraan nog toegevoegd: “(…) Ten tijde van het maken van de overeenkomst -07-06-2017- stond de heer [eiser] in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op de [adres] maar woonde daar niet. Op de rekeningen (…)kunt u ook aflezen dat daar staat “Gezinsondersteuning Midden Kennemerland”. De overeenkomst voor begeleiding in het woonproject, onder beheer van Stichting Zelfstandig Wonen [woonplaats], is nooit tot stand gekomen, daar er geen levering is geweest, alsmede geen betaling voor deze overeenkomst heeft plaatsgevonden. (…)”

2.23.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling in februari jl. een vaststellingsovereenkomst gesloten, onder meer inhoudende: “Partijen zullen in overleg met elkaar een inhoudelijk deskundig bemiddelaar zoeken die de opdracht krijgt om partijen te begeleiden in een proces dat is gericht op hervatting van de ondersteuning en begeleiding door het SIG van het wonen van [zoon] in [woonplaats]”

2.24.

Partijen hebben na de mondelinge behandeling contact gezocht met mediator S. Distelbrink. Na vier gevoerde gesprekken hebben partijen een voorstel aan het bestuur van SZWH voorgelegd, inhoudende dat [zoon] met de huidige zorg, dus zonder begeleiding vanuit Sig, blijft wonen in zijn woning. Het bestuur van SZWH heeft met dit voorstel niet ingestemd.

2.25.

[I.] (bestuurder van Sig) heeft op 24 augustus 2018 onder meer het volgende aan [eiser] geschreven: “(…) Wij zijn gezien (…) de reeds moeizame voorgeschiedenis niet bereid wederom in gesprek te gaan om te komen tot een zorgovereenkomst. Ook uw voorstel om de huidige zorgverleners als onderaannemer van SIG zorg te laten verlenen, is geen oplossing, nu SIG in dat geval nog steeds (eind)verantwoordelijk is voor het zorgplan, de financiering en de communicatie met u. Juist ten aanzien van die punten kunnen u en SIG helaas al enkele jaren niet tot overeenstemming komen. Wij vinden het van belang te benadrukken dat ook de wijze waarop de bemiddeling is verlopen geen vertrouwen geeft voor een goede samenwerking die noodzakelijk is voor de zorgverlening aan [zoon]. (…) Er is van begin af aan discussie geweest over wie van uw zijde zou deelnemen aan de gesprekken. De aangewezen mentoren werden op een belangrijk moment verruild voor de moeder van [zoon] als contactpersoon. Dit hebben wij uitdrukkelijk niet geaccepteerd omdat dit niet in lijn was met de opdracht van de rechter. (…) Wij hebben herhaaldelijk gemerkt dat ons informatie is onthouden en er geen volledigheid is betracht in het geven van informatie. Afspraken hierover zijn ook door u niet nagekomen. Zo werd in de bemiddelingsgesprekken onverwacht een nieuwe zorgaanbieder bekend waarvan wij niet op de hoogte waren. Één van deze organisaties (die volgens onze informatie ingehuurd was om ondersteuning op het gebied van sport te geven) bleek als met een zorgaanbod te zijn begonnen toen SIG nog dacht zorgaanbieder te zijn. Hier zijn wij nooit van in kennis gesteld.

Wij hebben al eerder geconstateerd dat het vanuit twee zorgaanbieders maken van afspraken over zorgverlening, zonder dat deze afgestemd zijn, voor [zoon] spanningsverhogend werkt. Verder ontvingen wij tijdens de bemiddeling geen informatie over belangrijke gebeurtenissen rond [zoon] die bij het vaststellen van een zorgplan belangrijk zijn. In de bemiddeling bijeenkomsten werd teruggekomen op afspraken en is huiswerk niet uitgevoerd. Gemaakte afspraken werden in latere gesprekken weer herroepen. Een voorbeeld is dat wij rapportages en evaluaties zouden ontvangen van de huidige zorgverleners. (…) Evaluaties (…) hebben ons niet bereikt. (…) Dit werd vervolgens verdedigd onder de noemer: ‘verkeerd begrepen’ of ‘dit is een leerproces’ (…) Onze conclusie is dan ook dat de bemiddeling niet heeft geholpen om het gebrek aan vertrouwen weg te nemen. Sterker nog, dat gebrek aan vertrouwen is door de bemiddeling en de wijze waarop die is verlopen bevestigd. (…)”

2.26.

Het bestuur van SZWH heeft de huurovereenkomst met [zoon] opgezegd en vordert in een procedure voor de kantonrechter van deze rechtbank locatie Alkmaar, ontruiming van de woning. Grondslag voor die vordering is het ontbreken van een zorgovereenkomst tussen [zoon] en Sig.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad- om Sig

  • -

    te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, althans een in goede justitie te bepalen termijn, de zorgovereenkomst na komen, gebaseerd op een actueel zorg- en begeleidingsplan dat in samenwerking met de mentoren is opgesteld,

  • -

    op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 250.000,00, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, dat Sig in gebreke blijkt aan een daartoe veroordelend vonnis te voldoen,

  • -

    met veroordeling van Sig in de proceskosten, te vermeerderen met eventuele nakosten.

3.2.

Sig voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] stelt dat de zorgovereenkomst een behandelovereenkomst is in de zin van artikel 7:460 BW. De opdrachtnemer mag de overeenkomst alleen opzeggen indien daarvoor gewichtige redenen zijn. Daarvan is volgens [eiser] geen sprake. Het onderliggende conflict heeft niet primair betrekking op de situatie van [zoon] maar op de communicatie tussen de ouders/mentoren van [zoon] en Sig. Sig stelt zich immers op het standpunt dat niet samen te werken zou zijn met de ouders van [zoon] in de zogenoemde driehoek. Een conflict met de ouders kan slechts in zeer uitzonderlijke situaties een gewichtige reden tot opzegging van de overeenkomst opleveren. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. Aan de opzegging is ook geen schriftelijke waarschuwing voorafgegaan. Ouders zijn er op geen enkel moment op gewezen dat het niet nakomen van afspraken tot opzegging van de zorgovereenkomst kon leiden. Daarbij komt dat Sig de overeenkomst zonder het in acht nemen van de opzegtermijn heeft opgezegd, aldus [eiser].

4.2.

Sig erkent dat de overeenkomst gezien de aard van de relatie alleen kan worden opgezegd indien gewichtige redenen aanwezig zijn. Van een behandelovereenkomst is echter geen sprake, aldus Sig. De overeenkomst dient te worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht. Sig voert aan dat [zoon] zijn vordering slechts stoelt op de overeenkomst van zorgbegeleiding en dat [zoon] aldus geen belang meer heeft bij zijn vordering. Vast staat immers dat [zoon] niet meer thuis woont. Sig erkent dat geen opzegtermijn in acht is genomen, maar voert aan dat die omissie er niet toe leidt dat de zorgovereenkomst moet worden voortgezet. Ten aanzien van de overeenkomst met betrekking tot het project in [woonplaats] heeft te gelden dat er nog geen zorgbeschrijving of begeleidingsplan is opgesteld. Aldus is geen uitvoering gegeven aan de overeenkomst. Ondanks het ontbreken van die zorgovereenkomst hebben de ouders van [zoon] hem verhuisd naar [woonplaats].

4.3.

Het verweer van Sig dat [zoon] geen belang meer heeft bij zijn vordering wordt verworpen. Het miskent dat op 20 februari 2017 een zorgovereenkomst is gesloten die ertoe strekte [zoon] voor te bereiden op een verhuizing naar de [adres] in [woonplaats]. Gelet op de bij Sig bekende voorwaarde die voor het wonen aldaar is gesteld, lijdt het geen twijfel dat Sig op basis van die overeenkomst met de zorg en begeleiding zou zijn doorgegaan als zij daar perspectief in had gezien. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de in februari gesloten overeenkomst mede strekte tot zorg en begeleiding van [zoon] op de [adres].
De door Sig verdedigde opvatting zou tot een ernstige verslechtering van de rechtsbescherming van zorgbehoevenden leiden en is daarom maatschappelijk niet aanvaardbaar.

4.4.

[zoon] woont inmiddels op de [adres], maar Sig heeft geweigerd de contractueel voorziene rol van zorgverlener op zich te nemen, waardoor de ouders noodgedwongen hulp van derden hebben ingehuurd.. [zoon] ziet zich in een ander kort geding geconfronteerd met een vordering tot ontruiming van de door hem bewoonde woning op de grond dat hij niet die contractueel voorgeschreven zorgovereenkomst met het Sig heeft.

Aldus bezien is sprake van een tekortkoming in de nakoming van de genoemde zorgovereenkomst, tenzij Sig aannemelijk maakt dat er gewichtige redenen waren om die overeenkomst op te zeggen. Evident is dat [zoon] spoedeisend belang heeft bij een beoordeling van deze kwestie in dit kort geding.

Gelet op de ingestelde vordering moet daarbij ook worden bezien of Sig gewichtige redenen heeft om de zorg op dit moment niet te hervatten.

4.5.

Het antwoord op de vraag of de zorgovereenkomst (in alle opzichten) kwalificeert als een geneeskundige behandelingsovereenkomst kan daarbij in het midden blijven. Partijen gaan er immers beide vanuit dat een zorgovereenkomst alleen kan worden opgezegd indien daartoe gewichtige redenen zijn. De aard van de overeenkomst en het profiel van [zoon] brengen mee dat het in de rede ligt bij de inkleuring van die gewichtige redenen aansluiting te zoeken bij de uitgangspunten die gelden voor de opzegging van geneeskundige behandelingsovereenkomsten, waaronder het uitgangspunt dat met opzegging op gronden die niet zijn gerelateerd aan het handelen of de toestand van de betrokkene zelf, uiterste voorzichtigheid moet worden betracht.

4.6.

Aannemelijk is dat [zoon] in ieder geval sinds 2016 een verhoogde zorgbehoefte had en dat als gevolg daarvan zijn zorgzwaartepakket aanzienlijk is verhoogd. De voorzieningenrechter acht echter ook aannemelijk dat [zoon] in de jaren daarvoor beter heeft gefunctioneerd.

[zoon] maakt onderdeel uit van een betrokken gezin, waarvan ook een volassen dochter deel uitmaakt. Ook die dochter is al jaren bij de zorg en begeleiding van [zoon] betrokken. De ouders van [zoon] hebben jaren lang energie gestoken in de totstandkoming van het begeleid wonen project aan de [adres]. Met het tot stand brengen daarvan werd toegewerkt naar een situatie waarin [zoon] op korte afstand van de rest van het gezin begeleid zou kunnen wonen, daarin ondersteund door het gezin en Sig.

Opzegging van de zorgovereenkomst heeft tot gevolg dat [zoon] niet langer op de [adres] kan wonen. Onder die omstandigheden moeten aan die opzegging hoge eisen worden gesteld. Uitgangspunt is daarbij dat de gronden voor opzegging moeten zijn gerelateerd aan de zorgverlening zelf. Dit brengt met zich dat Sig als professioneel zorg verlenende stichting in beginsel alleen tot beëindiging van een zorgovereenkomst kan komen, indien daaraan ten grondslag ligt dat de begeleiding die zij geacht wordt te leveren niet langer aansluit bij de behoefte van [zoon] of moet worden geleverd in een setting die niet meer past bij het profiel of de problematiek van [zoon].

Bij dit laatste is mede van belang dat de instelling waar [zoon] thans verblijft geen 24-uurs zorg biedt, zodat in de zorgverlening ook een rol voor het gezin is weggelegd. Voor de haalbaarheid van die zorgverlening is daarom mede van belang of met het gezin omtrent hun rol afspraken zijn te maken en hoe de invulling van die rol aansluit op de zorgverlening door de instelling. Daarbij verdient echter wel aantekening dat van Sig als professionele instelling mag worden verwacht dat zij zich hierin professioneel opstelt, ook waar het gaat om het omgaan met fouten, tegenvallers en miscommunicatie.

4.7.

Uit het dossier rijst het beeld op dat Sig er strak op stuurt dat niet wordt afgeweken van de afspraken die in de driehoek zijn gemaakt en dat zij daarbij van doen heeft met ouders die wellicht op sommige momenten wat teveel oog hebben voor de positieve ontwikkelingen die zij zien wat betreft de ontwikkeling in het gedrag van [zoon] en te weinig voor de zorgen die bij anderen leven. Het mailverkeer illustreert dat het gezin [eiser] vanuit een grote mate van betrokkenheid heeft geparticipeerd in het traject dat tot verhuizing van [zoon] naar de [adres] moet leiden. Zij waren bereid te luisteren naar de voorstellen, wensen en opvattingen van Sig, maar waren het daarmee niet op alle momenten eens.

Waar verschillen van opvatting aan het licht traden kan niet gezegd worden dat de ouders apert onredelijke standpunten innamen. De verschillen van opvatting zijn overwegend terug te voeren tot een verschil in beeld omtrent wat [zoon] aan kan, wat hij nodig heeft en/of waar hij aan toe is.

4.8.

Zoals de voorzieningenrechter Sig op de zitting in februari 2018 al heeft voorgehouden, is hij, alles overziende, van opvatting dat Sig onvoldoende oog heeft gehad voor de omstandigheid dat het traject waarin men met elkaar heeft geprobeerd de verhuizing van [zoon] naar de [adres] gestalte te geven complex was. Aan die complexiteit heeft bijgedragen dat het een nieuwe voorziening is waarin mede rekening diende te worden gehouden met de wensen van het bestuur en van andere betrokken ouders, die er belang bij hebben dat het woonklimaat voor hun kinderen niet wordt beïnvloed door participanten van wie de zorgvraag mogelijk groter is dat waar de voorziening op is toegerust. Sig had het gezin [eiser] meer ruimte en tijd moeten bieden om te wennen aan de strakke kaders waarmee Sig wenste te opereren. Gelet op het grote belang dat [zoon] bij het wonen op de [adres] heeft kan het niet zo zijn dat een instelling die op 15 juni 2017 nog schrijft dat het met [zoon] goed is gegaan in de opbouw naar het woonproject en dat hij toe is aan een volgende stap, in het eerstvolgende evaluatiegesprek meedeelt dat de begeleiding van die opbouw wordt gestaakt. Er was overduidelijk nog sprake van een situatie waarin de betrokkenen over en weer moesten wennen aan de setting waarin zij met elkaar van doen hadden, van elkaar moesten leren en dat ook deden.

De voorzieningenrechter kent in dit verband veel betekenis toe aan de, onder 2.18 van de feiten weergegeven, observaties van [H.], die als psychomotorisch therapeut bij de hulpverlening aan [zoon] is betrokken.

4.9.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen in het licht van het voorgaande nieuwe afspraken gemaakt. Doel daarbij was om alsnog met elkaar toe te werken naar een daadwerkelijke nieuwe start. Hier lijkt echter geen sprake van te zijn geweest. De voorzieningenrechter heeft de indruk dat Sig het ingezette traject vooral heeft gebruikt om nieuwe argumenten te vinden waarom het aanvaardbaar en begrijpelijk moet worden geacht dat zij de handdoek in de ring heeft gegooid. Zo valt op dat het standpunt van Sig dat er gewichtige redenen zijn waarom zij de zorg aan [zoon] niet kan hervatten uitsluitend is gemotiveerd met argumenten die betrekking hebben op de -volgens Sig- moeizame communicatie met het gezin [eiser]. Van een professionele zorgverlener die onder de hiervoor geschetste omstandigheden een stap zet die voorzienbaar tot gevolg heeft dat [zoon] zijn plek op de [adres] verliest mag echter worden verwacht dat zij allereerst nagaat of dat gevolg met het oog op de belangen en mogelijkheden van [zoon] aanvaardbaar is. De tijd staat immers niet stil. [zoon] woont inmiddels, mede dankzij de begeleiding van twee andere zorgverleners, een jaar in [woonplaats]. Sig heeft niet weersproken dat het in dat jaar goed met hem is gegaan. Hij heeft zijn verslavingsproblematiek achter zich gelaten, heeft een uitlaatklep gevonden in het sporten en werkt vier dagen per week bij [werkgever], een bedrijf dat op korte afstand van zijn woning is gelegen.

4.10.

Bij die stand van zaken kan Sig zich niet op het standpunt stellen dat communicatieproblemen met de ouders voldoende grond zijn om de begeleiding niet te hervatten. Sig is hier de professional. Zij moet doen wat nodig is om zich een actueel, betrouwbaar en volledig beeld te vormen over de zorgvraag van [zoon]. Zij had zich in de geest van de hiervoor geciteerde observaties van [H.] kunnen afvragen of de inzet van andere functionarissen in dit traject, die met een frisse blik naar het dossier hadden kunnen kijken wellicht aangewezen was. Zij had zelf met de andere zorgverleners kunnen praten. Dat was afgesproken dat die input schriftelijk zou worden ingebracht ontneemt Sig niet van haar verantwoordelijkheid om er voor zorg te dragen dat zij die input in ieder geval krijgt. Onbegrijpelijk is waarom dat niet is gebeurd, terwijl zowel Sig als de andere hulpverleners bij de gang van zaken in het zorgcentrum intensief betrokken zijn en daar dagelijks over de vloer komen.

4.11.

Aan Sig kan ondertussen wel worden toegegeven dat de ouders inderdaad niet alle afspraken zijn nagekomen en op afspraken zijn teruggekomen en dat de communicatie nog steeds niet goed gaat. Dat zal echter niet alleen aan de ouders liggen en mag er op dit moment niet toe leiden dat [zoon] hiervan het slachtoffer wordt. De belangen bij continuering van zijn verblijf op de [adres] dienen te prevaleren.

Dat [zoon] zorgzwaarte indicatie 6 heeft is geen reden om hierover anders te oordelen. Die indicatie is gegeven op een moment waarop het slecht met hem ging. Nu [zoon] al een jaar zonder 24-uurszorg op de [adres] heeft gewoond en Sig zichzelf van de actuele stand van zaken met betrekking tot zijn zorgbehoefte geen beeld heeft gevormd, kan Sig zich niet op die indicatie beroepen.

4.12.

Gelet op al het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat Sig in juli 2017 geen gewichtige redenen had om de zorgovereenkomst op te zeggen en thans geen gewichtige redenen heeft om de zorg niet te hervatten. De zorgovereenkomst dient dan ook vooralsnog te worden voortgezet.

4.13.

De voorzieningenrechter realiseert zich dat hij partijen met deze beslissing tegenover elkaar plaatst in een situatie die niet eenvoudig is. De voorzieningenrechter hecht eraan partijen nog het volgende mee te geven.

De voorzieningenrechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het proces dat partijen de afgelopen periode met elkaar zijn doorgegaan heeft geleden onder het feit dat daarin van beide zijden is geparticipeerd door personen, de heren [eiser] en [I.], die een lang en op momenten moeizaam verleden met elkaar hebben. Zij zouden er beide voor kunnen kiezen dat zij gedurende de komende zes maanden met de hervatting van de zorg door Sig geen bemoeienis zullen hebben.

De ouders moeten zich realiseren dat de wens van een zorginstelling dat de ouders zich committeren aan een strak ingeregeld traject als zodanig niet onredelijk is, indien dat traject nodig is om de zorg en begeleiding adequaat te kunnen verlenen. Zij zouden een bijzonder curator kunnen aanstellen die moeder de komende maanden vergezelt in de gesprekken die over het begeleidingsplan en andere aangelegenheden met Sig moeten worden gevoerd. In dat plan dienen de rollen duidelijk omschreven te worden, zowel de rol van Sig als die van de ouders en de andere betrokkenen. De ouders zouden de bijzonder curator, als deze wordt aangesteld, kunnen vragen te bewaken dat degenen die van het gezin Duijkersoot in de zorg en begeleiding participeren, in de door Sig gewenste rol en rolopvatting blijven opereren.

4.14.

Op grond van het voorgaande wordt Sig veroordeeld tot nakoming van de zorgovereenkomst. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om een dwangsom op te leggen die gaat lopen indien de zorg niet uiterlijk op 1 maart 2019 overeenkomst een zorg- en begeleidingsplan door Sig wordt verleend.

4.15.

Sig zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,21

- griffierecht 291,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.206,21

4.16.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Sig om met onmiddellijke ingang de zorgovereenkomst na te komen door zich te zetten aan de opstelling van een zorg- en begeleidingsplan dat in samenwerking met de huidige mentoren is opgesteld, welk plan op 1 maart 2019 gereed moet zijn, en door de zorg en begeleiding vanaf die datum overeenkomstig dat plan uit te voeren, op straffe van een dwangsom van € 250,-- per dag voor iedere maand dat vanaf maart 2019 de zorg en begeleiding niet overeenkomstig dat plan door Sig wordt verleend, tot een maximum van € 25.000,--.

5.2.

veroordeelt Sig in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.206,21,

5.3.

veroordeelt Sig in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Sig niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 14 december 2018.1

1 type: 1053 coll: