Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:10965

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
14-12-2018
Zaaknummer
C/15/275955 / HA ZA 18-456
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Art. 843a Rv incident: Eiser vordert afschrift dan wel inzage van de onder (bewijs)beslag liggende bescheiden. De vordering is afgewezen omdat rechtmatig belang ontbreekt. Eiser heeft in strijd met artikel 21 Rv noch bij het verzoek tot beslagverlof noch bij de dagvaarding in de hoofdzaak en het onderhavige incident de uitspraak van de beklagkamer van het hof Amsterdam overgelegd dan wel benoemd, waarin – kort samengevat – is overwogen dat niet, zoals eiser stelt, is gebleken dat bewijsmateriaal is achtergehouden en dat er geen aanwijzingen zijn voor de gestelde valsheid in geschrifte en meineed.

Bovendien heeft eiser niet inzichtelijk en concreet gemaakt van welke andere bescheiden dan waarover zij al beschikte afgifte werd gevorderd. Fishing expedition.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/275955 / HA ZA 18-456

Vonnis in incident van 21 november 2018

in de zaak van

1. vennootschap onder firma

WESTFRIESE METAALHANDEL V.O.F.,

gevestigd te Oosterblokker,

en haar vennoten

2. [eiser 1],

wonende te [woonplaats 1] ,

3. [eiser 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

eisers in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. P.W.M. Huisman te Bussum,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

NATIONALE POLITIE, EENHEID NOORD-HOLLAND,

gevestigd te Hoorn,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. R.D. Lubach te Arnhem,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

REGIONALE UITVOERINGSDIENST NOORD-HOLLAND,

gevestigd te Hoorn,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. L.M. Burger te 's-Gravenhage,

3. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HOORN,

zetelend te Hoorn,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. L.M. Burger te 's-Gravenhage,

4. [gedaagde sub 4]

wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. W. de Vis te Alkmaar,

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats 4] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. R.D. Lubach te Arnhem,

6. [gedaagde sub 6],

wonende te [woonplaats 5] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. B.M. Dijkstra te Alkmaar.

Eisers zullen hierna gezamenlijk WFM genoemd worden. Gedaagde sub 1 zal hierna de Politie genoemd worden. Gedaagde sub 2 zal hierna de RUD genoemd worden. Gedaagde sub 3 zal hierna de gemeente Hoorn genoemd worden. Gedaagden sub 4, 5 en 6 zullen hierna respectievelijk [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot afschrift van dan wel inzage in bescheiden;

  • -

    de akte houdende overlegging (24) producties;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord in het incident van de Politie en [gedaagde sub 5] ;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord in het incident van de RUD;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord in het incident van de gemeente Hoorn;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord in het incident van [gedaagde sub 4] ;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord in het incident van [gedaagde sub 6] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

2.1.

Op 21 februari 2008 werd op het bedrijfsterrein van WFM een integrale milieucontrole uitgevoerd door een multidisciplinair team bestaande uit de RUD (destijds Milieudienst West-Friesland), het Hoogheemraadschap Holland Noorderkwartier en de afdeling Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Hoorn. Voor de RUD waren aanwezig de milieu-inspecteurs [gedaagde sub 4] en [naam 1] . Voor het Hoogheemraadschap was aanwezig milieu-inspecteur [naam 2] en voor de gemeente Hoorn bouwkundig opzichter [gedaagde sub 6] . Zij werden vergezeld door [gedaagde sub 5] , destijds brigadier van de Politie, regio Noord-Holland Noord, afdeling Milieu en Bijzondere Wetten.

2.2.

[gedaagde sub 5] heeft van deze controle een ambtsedig proces-verbaal (hierna: het proces-verbaal) opgemaakt.

2.3.

Als gevolg van dit onderzoek en de daaruit voortgevloeide resultaten is WFM strafrechtelijk vervolgd wegens, kort gezegd, overtreding van de Wet Milieubeheer, de Wet bodemsanering, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de Woningwet.

2.4.

Het proces-verbaal is doorgezonden naar de officier van justitie te Alkmaar. Deze heeft WFM gedagvaard ter zitting van de economische politierechter van 11 december 2008. De economische politierechter heeft bij vonnis van 11 december 2008 WFM veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,-, waarvan € 5.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar voor, onder andere en kort samengevat, het feit dat zij op 21 februari 2008 op haar terrein opzettelijk een hoeveelheid gebroken asbestplaat heeft gedeponeerd en laten liggen, terwijl zij redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan, en toen niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

2.5.

WFM heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het Hof Amsterdam. In het kader van deze procedure zijn door de raadsheer-commissaris de volgende getuigen onder ede gehoord: asbestsaneerder [naam 3] , [naam 4] , [gedaagde sub 5] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 6] , [naam 1] en [naam 2] voornoemd. Op 20 februari 2015 is de zaak door het hof inhoudelijk behandeld. Op 6 maart 2015 heeft het Hof eindarrest gewezen. Dit arrest luidt voor zover relevant als volgt:

“(…)

Het hof stelt vervolgens vast dat naar zijn oordeel uit hetgeen hiervoor is opgemerkt (…) kan worden opgemaakt dat de verbalisanten tijdens het onderzoek asbestdelen hebben verplaatst, waarover niet is geverbaliseerd.

(…)

Op grond van het bovenstaande kan het Hof niet vaststellen of, en zo ja waar op het terrein (op de onbeschermde bodem), losse asbestdelen lagen en evenmin of, en zo ja op welke wijze, deze zijn verplaatst.

(…)

Bij deze stand van zaken komt het Hof tot de conclusie, dat de genoemde verbalisant bewust niet volledig dan wel niet juist heeft gerelateerd.

(…)

Nu het genoemde proces-verbaal met bijlagen voor alle ten laste gelegde feiten het enige bewijsmiddel is dat zich in het dossier bevindt en nu het Hof vaststelt dat dit bewijsmiddel niet naar (de volledige) waarheid is opgemaakt en dat voorst met bewijsstukken is gemanipuleerd, kan niet meer worden achterhaald hoe de situatie per plekke was ten tijde van de pleegdatum. Naar het oordeel van het Hof is er daarom in dit geval sprake van een onherstelbaar vormverzuim (…).

Er is niet alleen sprake van handelen in strijd met de wet, maar ook van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van haar zaak is tekortgedaan. (…)

Het Hof zal aan deze schending als rechtsgevolg de meest vergaande sanctie verbinden, namelijk de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (…).”

Het Hof heeft het vonnis waarvan beroep vernietigd en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging.

2.6.

WFM heeft vervolgens aangifte tegen [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 4] gedaan van meineed en valsheid in geschrifte. Na de beslissing van het openbaar ministerie om naar aanleiding van deze aangifte geen vervolging in te stellen heeft WFM een klacht op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering bij het Hof Amsterdam ingediend. Bij beschikking van 11 mei 2017 heeft het hof Amsterdam de klacht afgewezen. Deze beschikking luidt, voor zover in deze zaak relevant, als volgt:

“ (…)

De beoordeling van het beklag

(…)

Naar aanleiding van de beslissing in de strafzaak in hoger beroep – het Openbaar Ministerie is op 6 maart 2015 niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging – en het door klaagster ingestelde beklag is door de Afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) van de politie (strafrechtelijk) onderzoek verricht naar de handelwijze van beklaagden. In dit onderzoek is een vijftal personen die betrokken waren bij het onderzoek als getuige gehoord; beklaagden zijn op 21 augustus 2015 als verdachte gehoord.

Dit onderzoek was voornamelijk gericht op het bestaan van meer of andere foto’s dan de in het strafdossier gevoegde afbeeldingen.

Uit de verhoren van beklaagden komt naar voren dat asbestscherven door beklaagden uit de container omhoog gehaald zijn om deze beter te kunnen fotograferen. Ook elders op het terrein gevonden asbestscherven zijn verzameld en op de betonschollen in de container gelegd om deze te fotograferen. [gedaagde sub 5] heeft erkend dat hij die handelingen niet goed heeft omschreven in zijn proces-verbaal; hij heeft ontkend dat hij met asbestscherven gemanipuleerd heeft. Die waren immers al aanwezig op het terrein. Het niet vermelden van het verplaatsen van asbestscherven was niet om de rechter te misleiden.

(…)

Na de behandeling van de beklagkamer op 14 oktober 2015 is op verzoek van de advocaat van klaagster nader onderzoek verricht door de afdeling VIK. Er zijn nog twee getuigen gehoord en processen-verbaal van bevindingen opgemaakt. Hieruit komt naar voren dat alle foto’s zijn overgelegd aan de rechter en dat er geen notities of mailcorrespondentie voorhanden zijn.

(…)

Het proces-verbaal van 11 juni 2008

Het hof moet constateren dat aan dit proces-verbaal van beklaagde [gedaagde sub 5] betreurenswaardige gebreken kleven. (…)

Het verwijt dat klaagster [gedaagde sub 5] maakt, gaat echter veel verder: klaagsters stelling moet immers – kort gezegd – zo begrepen worden dat tijdens de controle opzettelijk asbestmateriaal van (dak)beplating is afgebroken en zodanig is neergelegd dat daarmee kon worden aangetoond dat sprake was van overtreding van wettelijke bepalingen en/of vergunningsvoorwaarden. Deze handelwijze levert valsheid in geschrift op omdat daardoor sprake is van misleiding.

Klaagster onderbouwt haar stelling aan de hand van foto’s en een brief van [naam 3] (…).

(…)

Wat er zij van deze verklaring, zij biedt steun aan hetgeen door beklaagden is erkend (het op hoopjes leggen van los aangetroffen asbestdelen). De verklaring is niet voldoende als strafrechtelijk bewijs dat door beklaagden, of een van hen, dak- of gevelbeplating is losgetrokken om zo het bewijs van overtredingen te fingeren.

(…).

Er is niet gebleken van getuigen die hebben gezien dat de beklaagden platen asbest hebben losgetrokken of gebroken.

(…)

Het hof ziet geen reden aan deze verklaring te twijfelen en daarmee zijn er onvoldoende aanwijzingen om aan te kunnen nemen dat hij ( [gedaagde sub 5] , rb) opzettelijk heeft nagelaten te vermelden dat ten behoeve van foto’s asbestdelen verplaatst zijn. Aanwijzingen voor het oogmerk tot misleiding ontbreken; het hof neemt daarbij in ogenschouw dat niet kan worden vastgesteld dat wezenlijke veranderingen zijn aangebracht in de situatie ter plaatse, maar slechts dat sprake is van het verplaatsen van reeds aanwezig bewijsmateriaal. (…)

Naar het oordeel van hof zijn er geen reële mogelijkheden voor nader onderzoek; het beklag zal daarom op dit punt worden afgewezen.

(…)

Het hof ziet ook overigens geen aanwijzingen die aanleiding geven aan te nemen dat beklaagden tegenover de economische politierechter opzettelijk een valse, meinedige, verklaring hebben afgelegd.

(…)

Het hof wijst het beklag af.”

2.7.

WFM heeft bij verzoekschrift van 16 mei 2018 (waarbij alle gedaagden met uitzondering van [gedaagde sub 6] gerekwestreerden waren) de voorzieningenrechter te Alkmaar verzocht WFM verlof te verlenen conservatoir bewijsbeslag tot afgifte te doen leggen op alle foto’s die door gerekwestreerden of in opdracht van gerekwestreerden tijdens de milieucontrole op 21 februari 2008 op het bedrijfsterrein van WFM zijn gemaakt met een toestel Canon type Powershot A95 en met een toestel Sony type DSC P-8 en op vóór 21 februari 2008 gemaakte luchtfoto’s, alsmede op foto’s gemaakt met een derde toestel die op een DVD staan, alsmede op afschriften van het fotomateriaal en overige stukken zoals onderzoeksverslagen en interne rapportages die op diezelfde de milieucontrole betrekking hebben. WFM heeft verzocht hierbij af te zien van het vooraf horen van gerekwestreerden.

2.8.

Bij beschikking van 18 mei 2018 heeft de voorzieningenrechter WFM, kort samengevat, verlof verleend conservatoir bewijsbeslag te leggen ten laste van gerekwestreerden op alle foto’s die door of in opdracht van gerekwestreerden tijdens de milieucontrole zijn gemaakt met de genoemde fototoestellen alsmede op de DVD, alsmede op de luchtfoto’s die zijn gemaakt vóór 21 februari 2008 voor zover deze zich bevinden op de in de beschikking onder 3.1 genoemde adressen.

2.9.

Op 5 juni 2018 is door de deurwaarder beslag gelegd op bescheiden die bij DigiJuris in gerechtelijke bewaring zijn gegeven.

3 De vordering in de hoofdzaak

3.1.

WFM vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

  1. te verklaren voor recht dat gedaagden sub 1 t/m 6 onrechtmatig hebben gehandeld jegens WFM;

  2. gedaagden te veroordelen tot vergoeding van alle als gevolg van dat onrechtmatig handelen door WFM geleden en nog te lijden schade, voor zover deze nog niet kan worden vastgesteld, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

gedaagden hoofdelijk te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis

  1. in de kosten van het conservatoir bewijsbeslag, begroot op € 5.579,20;

  2. in de kosten van de gerechtelijke bewaring, begroot op € 3.533,50;

  3. in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van in deze te wijzen vonnis en vermeerderd met nakosten tot een bedrag van € 157,00 dan wel, indien betekening plaatsvindt, van € 239,00.

4 De vordering in het incident

4.1.

WFM vordert bij vonnis, op de voet van artikel 209 Rv eerst en vooraf te beslissen:

A. Afschrift, inzage

primair:

Gedaagden te laten gehengen en gedogen dat WFM binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, door middel van tussenkomst van DIGIJURIS B.V. een afschrift wordt verstrekt van de zich bij DIGIJURIS B.V. te Amersfoort in gerechtelijke bewaring bevindende afschriften van de bij gedaagden in beslag genomen bescheiden als hiervoor aangeduid, althans

subsidiair:

Te bepalen dat aan een onafhankelijke deskundige inzage wordt verleend in hetgeen ingevolge het bewijsbeslag is gekopieerd door de deurwaarder teneinde de bescheiden te beschrijven, althans

meer subsidiair:

Te bepalen dat afschrift, inzage of uittreksel wordt verschaft op een door uw rechtbank te bepalen wijze.

verklaring voor recht

Voor recht te verklaren dat DIGIJURIS B.V. als gerechtelijk bewaarder gerechtigd en gehouden is haar medewerking te verlenen aan de onder A. beschreven verstrekking van, althans verschaffing van inzage in, de bescheiden aan WFM.

Kosten

Gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit incident.

4.2.

Aan de vordering in het incident heeft WFM - samengevat - het volgende ten grondslag gelegd.

4.2.1.

Tijdens een integrale milieucontrole op het bedrijfsterrein van WFM op 21 februari 2008 zijn wijzigingen in de situatie ter plaatse aangebracht ten nadele van WFM. [gedaagde sub 5] heeft van deze controle een proces-verbaal opgemaakt. Ter zake van een ernstige verdenking jegens WFM betreffende asbestvervuiling is dit proces-verbaal niet naar waarheid opgemaakt en hebben [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 4] bewijsstukken gemanipuleerd. Naar aanleiding van dit proces-verbaal is WFM aan strafrechtelijke vervolging blootgesteld. Bij het gerechtshof Amsterdam is in hoger beroep na onderzoek vast komen te staan dat [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 4] tegenstrijdige en kennelijk leugenachtige verklaringen hebben afgelegd. Het Hof Amsterdam heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard en daartoe geoordeeld dat het proces-verbaal niet naar waarheid is opgemaakt en dat de belangen van WFM daardoor onherstelbaar zijn beschadigd.

[gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hebben de gedragingen verricht onder verantwoordelijkheid en in opdracht van gedaagden 1, 2 en 3. WFM houdt ook [gedaagde sub 6] aansprakelijk voor het manipuleren van bewijsstukken (waaronder het achterhouden van fotomateriaal).

4.2.2.

Gedaagden hebben foto’s en andere ontbrekende bescheiden ten aanzien van de oorspronkelijk aangetroffen situatie buiten de gerechtelijke beoordeling gehouden. Het alsnog verkrijgen van alle foto’s die door gedaagden of in opdracht van gedaagden tijdens de multidisciplinaire controle bij WFM op 21 februari 2008 zijn gemaakt is voor WFM van belang voor de onderhavige civiele hoofdprocedure. Het gaat om alle foto’s en daarop betrekking hebbende bescheiden die de oorspronkelijke situatie weergeven voordat gedaagden daarin ten nadele van WFM wijzigingen hebben aangebracht. Uit die foto’s zal blijken dat op het bedrijfsterrein van WFM wijzigingen ten nadele van WFM zijn aangebracht.

4.2.3.

Op grond van het voorstaande heeft de voorzieningenrechter een verzoek tot het leggen van bewijsbeslag en tot het bevelen van een gerechtelijke bewaring toegewezen. Uit de processen-verbaal ter zake van de gerechtelijke bewaring kan worden opgemaakt dat bij [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] digitale bestanden in beslag zijn genomen en dat bij gedaagde 2 digitale bestanden zich op een laptop en een cd-rom bevonden en dat bij gedaagde 3 de in beslag genomen bestanden zich op een tweetal computers bevonden. Er moet vanuit worden gegaan dat de in beslag genomen bestanden binnen de reikwijdte van het beslagverlof vallen.

4.2.4.

Er is dus voldaan aan de cumulatieve vereisten van artikel 843a Rv; WFM heeft een rechtmatig belang, de bescheiden waarover WFM wil beschikken zijn exact beschreven in het verzoekschrift van 16 mei 2018 en er bestaat een rechtsbetrekking waarin WFM partij is zijnde een verbintenis uit onrechtmatige daad.

4.3.

Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling van het incident

5.1.

De rechtbank constateert dat de verweren van gedaagden in het incident grotendeels gelijkluidend zijn. De gelijkluidende verweren (of onderdelen daarvan) zullen gezamenlijk worden behandeld, waarna de door partijen gevoerde specifieke verweren, voor zover relevant in dit incident, afzonderlijk zullen worden besproken.

5.1.1.

Met uitzondering van [gedaagde sub 6] hebben gedaagden primair een beroep op verjaring gedaan. De rechtsvordering tot schadevergoeding in de hoofdzaak is verjaard, nu de periode van vijf jaar uit artikel 3:310 BW is verstreken. Eind 2008, sinds het vonnis van 11 december 2008 van de rechtbank Noord-Holland, in ieder geval in de loop van 2009, is WFM bekend geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke personen. De vordering is niet gestuit binnen de daarvoor geldende termijn. Dat leidt ertoe dat WFM geen rechtmatig- of procesbelang heeft bij de incidentele vordering, die er immers (uitsluitend) toe strekt bescheiden te verkrijgen waarmee de hoofdvordering kan worden onderbouwd.

5.1.2.

Alle zes gedaagden hebben een verweer gevoerd, dat er in de kern op neerkomt dat WFM heeft gehandeld in strijd met de waarheidsplicht zoals die is neergelegd in artikel 21 Rv. WFM heeft bij haar verzoekschrift tot het leggen van bewijsbeslag de beschikking van 11 mei 2017 van de beklagkamer van het Hof Amsterdam onthouden aan de voorzieningenrechter. Door in haar verzoekschrift te vermelden dat er sprake is van meineed en valsheid in geschrifte door [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 4] en dat bewijsmateriaal achtergehouden heeft WFM niet alleen onvolledige maar ook evident onjuiste informatie verstrekt. De voorzieningenrechter heeft aldus op basis van onjuiste informatie overwogen dat bewijsbeslag noodzakelijk was gelet op de ernst en aard van de verweten handelingen. Dat had de voorzieningenrechter niet gedaan bij verstrekking van de juiste informatie. Ook had de voorzieningenrechter niet geoordeeld dat niet uitgesloten kan worden dat [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 4] bij een verzoek tot meewerken aan bewijslevering bewijsmateriaal zouden vernietigen of verduisteren en had hij om die reden het verzoek af te zien van het horen van gerekwestreerden niet gehonoreerd.

In de onderhavige dagvaarding heeft WFM haar feiten op eenzelfde wijze geformuleerd en opnieuw de uitspraak van de beklagkamer niet genoemd en overgelegd, zodat sprake is van een dermate ernstige schending van artikel 21 Rv dat niet kan worden volgehouden dat WFM een rechtmatig belang of procesbelang bij de incidentele vordering heeft.

Daarnaast hebben gedaagden allen betoogd dat de door het bewijsbeslag te verkrijgen bescheiden reeds allemaal in bezit van WFM zijn. Het uitgebreide onderzoek naar aanleiding van de artikel 12-procedure bij het Hof Amsterdam heeft namelijk tot de conclusie geleid dat er geen foto’s in bezit van gedaagden zijn die niet bij WFM bekend zijn. De beklagkamer overweegt immers dat alle foto’s zijn overgelegd aan de rechter en dat er geen andere notities of emailcorrespondentie zijn.

Door WFM is niet gesteld dat zij op zoek is naar ander materiaal dan waarover zij in het kader van de beklagzaak reeds de beschikking had. Voor zover WFM van mening is dat destijds niet alle bescheiden in de beklagprocedure zijn overgelegd dient zij concreet aan te geven welke informatie zou ontbreken. Ook op deze grond is niet in te zien welk rechtmatig belang WFM heeft bij de incidentele vordering. Bij slechts een vermoeden van ontbrekende informatie moet een vordering op grond van artikel 843a Rv worden afgewezen.

5.2.

De rechtbank overweegt het volgende.

5.2.1.

Artikel 843a Rv voorziet erin dat degene die daarbij een rechtmatig belang heeft inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden, waaronder begrepen op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is. Hierbij gaat het om gevallen waarin de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel wel bekend is maar deze dat stuk niet in haar bezit heeft, terwijl zij het desbetreffende stuk bijvoorbeeld in een procedure zou willen overleggen. De bijzondere exhibitieplicht van artikel 843a Rv geldt zowel in als buiten rechte. Artikel 843a Rv bindt de toewijsbaarheid van de vordering aan drie cumulatieve voorwaarden, te weten: (i) de eiser of verzoeker dient een rechtmatig belang te hebben, het moet gaan om (ii) bepaalde bescheiden (iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of verzoeker of zijn rechtsvoorganger partij is. Door deze voorwaarden kunnen zogenoemde 'fishing expeditions' worden voorkomen. Artikel 843a Rv dient er namelijk niet toe om stukken op te vragen waarvan slechts het vermoeden bestaat dat die mogelijk in de procedure van pas zouden kunnen komen.

5.2.2.

Naar aanleiding van het verweer dat het verlof op onjuiste gronden is verleend, stelt de rechtbank het volgende voorop. Het verlof tot het leggen van bewijsbeslag als zodanig is geen onderwerp van deze procedure. Het verlof heeft slechts gelegitimeerd dat de deurwaarder op de in het verlof aangegeven plaatsen tot inbeslagname is overgegaan. Het verlof brengt op zich niet met zich dat de door WFM in het inleidend rekest aangedragen feiten en omstandigheden in dit geding voor juist zouden moeten worden gehouden.

5.2.3.

Voor beoordeling van de aanwezigheid van een rechtmatig belang is relevant of voldoende concreet is onderbouwd in hoeverre de gevraagde stukken voor WFM van nut kunnen zijn bij een eventuele bewijslevering. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

5.2.4.

Vaststaat dat WFM de uitspraak van de beklagkamer van het hof Amsterdam d.d. 11 mei 2017 niet aan de voorzieningenrechter heeft overgelegd bij haar verzoekschrift tot conservatoir (bewijs)beslag. Evenmin heeft zij deze uitspraak bij de dagvaarding in de onderhavige hoofdzaak en bij de vordering in het incident gevoegd dan wel op enige wijze melding daarvan gemaakt.

5.2.5.

WFM heeft in haar verzoekschrift tot beslagverlof uitvoerig aan de hand van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 maart 2015 (waarbij het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard) betoogd dat [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 4] in strijd met de op hen rustende wettelijke plicht hebben gehandeld, in strijd met de door hen afgelegde ambtseed en in strijd met de waarheid proces-verbaal hebben opgemaakt en als getuige in strijd met de waarheid hebben verklaard. Verder heeft WFM in het verzoekschrift gesteld dat uit het arrest van het hof van 6 maart 2015 volgt dat gedaagden bewijsmateriaal hebben achtergehouden door niet alle foto’s in de procedures te hebben overgelegd.

5.2.6.

WFM heeft, door in haar verzoekschrift tot beslagverlof de gevoerde artikel 12 Sv- procedure en de beslissing van de beklagkamer in het geheel niet te noemen, de voorzieningenrechter onvolledig en onjuist geïnformeerd. Immers, in de beschikking van de beklagkamer is expliciet overwogen dat na onderzoek en nader onderzoek is gebleken dat “alle foto’s zijn overgelegd aan de rechter en dat er geen notities of mailcorrespondentie voorhanden zijn”. Voorts heeft de beklagkamer geoordeeld dat geen aanwijzingen voor de door WFM gestelde valsheid in geschrifte en meineed zijn gevonden en dat het beklag wordt afgewezen.

Nu het verzoek tot het leggen van conservatoir (bewijs)beslag met name is gegrond op de stellingen dat bewijsmateriaal is achtergehouden en dat [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 4] meineed hebben gepleegd heeft WFM door het achterhouden van een zeer relevante rechterlijke uitspraak de voorzieningenrechter bewust onjuist en onvolledig voorgelicht. Het achterhouden van dermate essentiële informatie voor de beoordeling van het verzoek is, gelet op de beslissing van de beklagkamer en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen (zie r.o. 2.6), misleidend en verwijtbaar. Dat levert strijd op met het bepaalde in artikel 21 Rv.

5.2.7.

Datzelfde geldt voor de onderhavige incidentele vordering. De rechtbank moet constateren dat WFM zich opnieuw schuldig maakt aan schending van artikel 21 Rv door de bewuste uitspraak van de beklagkamer niet te vermelden c.q. in het geding te brengen. Door deze herhaalde ernstige schending van artikel 21 Rv heeft WFM geen rechtmatig belang bij afgifte of inzage van de onder beslag liggende bescheiden.

5.2.8.

Daarbij komt dat WFM niet inzichtelijk heeft gemaakt en/of concreet benoemd van welk ander fotomateriaal dan waarover zij reeds beschikt afgifte dan wel inzage wenst.

5.2.9.

Naar het oordeel van de rechtbank moeten in het licht van de overwegingen en conclusies van de beklagkamer aan WFM hogere eisen worden gesteld ten aanzien van het concreet maken van de gevraagde afschriften. Aan die eisen heeft WFM naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan.

De toelichting van de vordering in het incident luidt dat het gaat om alle foto’s en de daarop betrekking hebbende bescheiden die de oorspronkelijke situatie weergeven voordat gedaagden daarin ten nadele van WFM wijzigingen hebben aangebracht. Uit die foto’s zal, volgens WFM, blijken dat op het bedrijfsterrein van WFM wijzigingen ten nadele van WFM zijn aangebracht.

De vordering tot afgifte dan wel inzage van alle zich in gerechtelijke bewaring bevindende stukken, zonder daarbij te stellen welk (foto)materiaal zich daaronder zou bevinden waarover zij nog niet de beschikking heeft, is onvoldoende concreet, zeker in het licht van de uitspraak van de beklagkamer. De beklagkamer heeft immers, na uitvoerig onderzoek door de afdeling VIK, concreet gericht op de vraag of er meer of andere foto’s bestaan dan de in het strafdossier gevoegde afbeeldingen, en na het horen van vele getuigen, vastgesteld dat “alle foto’s zijn overgelegd aan de rechter en dat er geen notities of mailcorrespondentie voorhanden zijn”. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat er geen ander (foto)materiaal is dan dat waarover WFM reeds beschikt.

De uitspraak van de beklagkamer in ogenschouw nemend heeft WFM naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld van welk ander (foto)materiaal zij kennis wil nemen dan het materiaal waarover zij reeds beschikt.

5.2.10.

Kennelijk vermoedt WFM, zulks in weerwil van de uitspraak van de beklagkamer, dat er meer (foto)materiaal bestaat dan zij in haar bezit heeft. Dat betekent dat de incidentele vordering tot het verstrekken van afschriften van het onder beslag liggende materiaal feitelijk neerkomt op een fishing expedition, hetgeen, zoals hierboven onder 5.2.1. is overwogen, niet kan worden toegestaan. Aan het vereiste in artikel 843a Rv dat het moet gaan om kennisneming van bepaalde bescheiden is derhalve evenmin voldaan.

5.2.11.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering in het incident van WFM bij gebrek aan een rechtmatig belang bij afgifte of inzage zal worden afgewezen.

5.2.12.

Op het gevoerde verjaringsverweer, dat in beginsel een verweer in de hoofdzaak is, kan de rechtbank nog geen beslissing nemen omdat het debat hierover nog plaats dient te vinden.

5.2.13.

Ook de overige verweren behoeven na het bovenstaande geen bespreking meer.

5.3.

WFM zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De Politie en [gedaagde sub 5] hebben gezamenlijk verweer gevoerd. De proceskosten zullen aan hun zijde worden begroot op € 543,-. De proceskosten van de overige gedaagde partijen zullen voor ieder van hen worden begroot op € 543,-. De wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal worden toegewezen als door gedaagden (met uitzondering van [gedaagde sub 6] ) gevorderd.

6 De beslissing

De rechtbank

In het incident

6.1.

wijst de vorderingen in het incident af;

6.2.

veroordeelt WFM tot betaling van de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van de Politie en [gedaagde sub 5] gezamenlijk begroot op € 543,- en aan de zijde van de overige gedaagden ieder op € 543,-, ten aanzien van elk van de gedaagden, met uitzondering van [gedaagde sub 6] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;

6.3.

verklaart dit vonnis voor wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad

In de hoofdzaak

6.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol van 9 januari 2019 zal komen voor conclusie van antwoord aan de zijde van gedaagden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2018.1

1 type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. coll: