Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:1048

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5067
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de hoogte van de verschuldigde overdrachtsbelasting. De rechtbank gaat uit van een civielrechtelijke benadering van de Wet BRV, in plaats van, zoals eiseres voorstaat, een economische benadering. Geen sprake van een te verdelen gemeenschap zoals omschreven in artikel 3:182 BW, daardoor geen toepassing van de artikelen 7 en 12 van de Wet BRV en de doorkijkarresten van de Hoge Raad. Toekenning immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding.

Wetsverwijzingen
Wet op belastingen van rechtsverkeer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/415
V-N 2018/23.24.1
Belastingadvies 2018/9.5
Viditax (FutD), 23-02-2018
FutD 2018-0527 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 15/5067

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 februari 2018 in de zaak tussen

[X] N.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. K.R. de Vries),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres op 10 november 2014 een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van € 3.850.162. Zij heeft daartegen op

18 december 2014 bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 augustus 2015 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2018 te Haarlem. Ter zitting is tevens behandeld de zaak van [A BEDRIJF] Investments B.V., met nummer HAA 15/4677.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, alsmede [A] en [B] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O. Schlaman en mr. A.H.M. Buis.

Overwegingen

Feiten

1. De familie [C ] , bestaande uit [D] , [E] en [F] , allen woonachtig in [A PLAATSNAAM] , bezitten ieder via hun houdstervennootschappen vastgoedbeleggingen in onder andere Nederland en België.

2. De situatie tot 2013 was als volgt. [B BEDRIJF] Investments N.V. (hierna: [B BEDRIJF] ) met enig aandeelhouder [D] bezat 2.053 aandelen in [A BEDRIJF] Beleggingsmaatschappij B.V. (hierna: [A BEDRIJF] Beleggingsmaatschappij) en 216 aandelen in Maatschappij [C BEDRIJF] B.V. (hierna: Maatschappij [C BEDRIJF] ). Eiseres met enig aandeelhouder [E] bezat 2.053 aandelen in [A BEDRIJF] Beleggingsmaatschappij en 216 aandelen in Maatschappij [C BEDRIJF] . [D BEDRIJF] Investments N.V. met enig aandeelhouder [F] bezat 2.053 aandelen in [A BEDRIJF] Beleggingsmaatschappij en 218 aandelen in Maatschappij [C BEDRIJF] . Mevrouw [G] bezat één aandeel in [A BEDRIJF] Beleggingsmaatschappij. [E BEDRIJF] Sarl met enig aandeelhouden [E] bezat 20 aandelen in Maatschappij [C BEDRIJF] .

3. Begin 2013 heeft de familie [C ] onderling overeenstemming bereikt over een verdeling van de bezittingen. Met betrekking tot de verdeling van het Nederlandse vastgoed is afgesproken dat [B BEDRIJF] 100% aandeelhouder zal worden van [A BEDRIJF] Beleggingsmaatschappij en dat eiseres 100% aandeelhouder zal worden van Maatschappij [C BEDRIJF] .

4. In 2013 is het aandeel van mevrouw [G] in [A BEDRIJF] Beleggingsmaatschappij ingekocht. Tevens zijn de aandelen die [E BEDRIJF] Sarl in Maatschappij [C BEDRIJF] hield, overgedragen aan eiseres.

5. [B BEDRIJF] heeft [A BEDRIJF] Investments B.V. (hierna: [A BEDRIJF] Investments) opgericht, waarin [B BEDRIJF] haar belang in Maatschappij [C BEDRIJF] en [A BEDRIJF] Beleggingsmaatschappij heeft ingebracht.

6. Op 22 januari 2014 heeft eiseres 434 aandelen Maatschappij [C BEDRIJF] verkregen (zijnde een belang van 64,78%) en heeft [A BEDRIJF] Investments 4.106 aandelen [A BEDRIJF] Beleggingsmaatschappij verkregen.

7. Tot de gedingstukken behoort de akte van levering van de aandelen. In de akte van levering wordt gesproken over de koop en verkoop van aandelen.

8. Het totale geplaatste kapitaal van Maatschappij [C BEDRIJF] bestond voor de aandelenoverdracht uit 670 aandelen. Eiseres hield voor de aandelenoverdracht reeds 236 aandelen in Maatschappij [C BEDRIJF] (zijnde een belang van 35,22%).

9. [A BEDRIJF] Beleggingsmaatschappij en Maatschappij [C BEDRIJF] kwalificeren als fictieve onroerende zaken in de zin van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: Wet BRV).

10. De waarde van de bezittingen [A BEDRIJF] Beleggingsmaatschappij en Maatschappij [C BEDRIJF] is als volgt opgebouwd:

[A BEDRIJF] Beleggingsmaatschappij

Maatschappij [C BEDRIJF]

Totaal

Woningen

€ 52.772.625

€ 18.700.000

€ 71.472.625

Niet-woningen

€ 84.813.375

€ 92.830.000

€ 177.643.375

Totaal

€ 137.586.000

€ 111.530.000

€ 249.116.000

Geschil
11. In geschil is de hoogte van de verschuldigde overdrachtsbelasting. Meer specifiek is in geschil of de artikelen 7 en 12 van de Wet BRV, dan wel de zogenoemde ‘doorkijkarresten’ van de Hoge Raad van 23 februari 2007 (nr. 41591, ECLI:NL:HR2007:AU8559) en van 10 juni 2011 (nr. 10/00498, ECLI:NL:HR:2011:BQ7580) toepassing vinden.

12. Niet in geschil is dat op 22 januari 2014 de vennootschappen Maatschappij [C BEDRIJF] en [A BEDRIJF] Beleggingsmaatschappij kwalificeren als zogenoemde vastgoedvennootschappen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, letter a, van de Wet BRV.

Evenmin is in geschil dat over de verkrijging van de aandelen [A BEDRIJF] Beleggingsmaatschappij overdrachtsbelasting is verschuldigd aangezien het een verkrijging van een kwalificerend belang betreft ex artikel 4, derde lid van de Wet BRV.

Cijfermatig stemmen partijen in met de wederzijdse uitwerking van hun standpunten.

13. Eiseres beantwoordt de in geschil zijnde vragen bevestigend en stelt zich op het standpunt dat de verschuldigde overdrachtsbelasting moet worden gesteld op € 2.179.889.

Daartoe heeft zij – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. In de eerste plaats is eiseres van mening dat de verdeling van de onroerende zaken kwalificeert als een verdeling van een gemeenschap zoals bedoeld in de artikelen 7 en 12 van de Wet BRV. Hiervoor vindt eiseres steun in artikel 4, eerste lid, letter a van de Wet BRV, de parlementaire geschiedenis en een economische benadering van de Wet BRV.

De verdeling van een gemeenschap die bestaat uit aandelen in vastgoedvennootschappen dient gelijk te worden behandeld als de situatie waarin de gemeenschap bestaat uit rechtstreeks door natuurlijke personen gehouden vastgoed. Op grond van de artikelen 7 en 12 van de Wet BRV zou de waarde van de verkrijging verminderd dienen te worden met het aandeel dat eiseres reeds had in de verdeelde goederen.

Subsidiair stelt eiseres dat op basis van de doorkijkarresten de conclusie dient te worden getrokken dat niet is beoogd een verkrijging van aandelen in een vastgoedlichaam zwaarder te belasten dan de verkrijging van de onroerende zaak zelf.

Op grond van de doorkijkarresten dient de juridische structuur te worden weggedacht en als gevolg daarvan zou sprake zijn van gezamenlijk eigendom waarop de artikelen 7 en 12 van de Wet BRV van toepassing zijn. Dit zou leiden tot vermindering van de waarde met hetgeen eiseres, de bovenliggende vennootschap(pen) dan wel de uiteindelijk gerechtigden in totaliteit aan onroerende zaken bezaten voorafgaand aan de verkrijging van de aandelen in [A BEDRIJF] Beleggingsmaatschappij.

Uit het standpunt van de minister van Financiën (Kamerstukken II 1969/70, 10 560, nr. 3 en het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 10 juli 2013, nr. BLKB/2013/1130M, Staatscourant 2013, 20282) volgt volgens eiseres dat ten aanzien van de juridische splitsing van een vastgoedvennootschap de verdelingsgedachte waarbij slechts overdrachtsbelasting wordt geheven over verkrijgingen waarbij een aandeelhouder een groter materieel belang heeft gekregen bij het vastgoed dan hij vóór splitsing had op basis van zijn aandelenbelang. Vanuit economisch oogpunt is deze situatie gelijk te stellen met de onderhavige casus en zou derhalve niet anders moeten uitwerken.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de verschuldigde overdrachtsbelasting, toekenning van een proceskostenvergoeding en toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

14. Verweerder heeft de standpunten van eiseres weersproken en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Daartoe heeft verweerder – eveneens zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd. Voor de toepassing van artikel 7 van de

Wet BRV wordt aangesloten bij artikel 3:182 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). In het onderhavige geval worden 4.106 vermogensrechten verkregen, 4.106 vermogensrechten die voor de verkrijging daarvan niet toebehoorden aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk. Van een verdeling op grond van het bepaalde in artikel 3:182 BW is dan geen sprake en daarom is artikel 7 van de Wet BRV niet van toepassing. Civielrechtelijk is er geen sprake van een gemeenschappelijk bezit van fictieve onroerende zaken. Eiseres had de onverdeelde eigendom van te onderscheiden aandelen in het kapitaal van andere rechtspersonen. Van het gemeenschappelijk dan wel gezamenlijk bezitten van te onderscheiden aandelen met anderen is geen sprake. De door eiseres gehouden aandelen behoorden niet aan twee of meer personen toe, maar enkel aan eiseres. Wanneer er geen sprake is van een verkrijging krachtens verdeling, is artikel 12 van de Wet BRV niet aan de orde.

De wettekst van artikel 4 van de Wet BRV wijst aandelen in een fictieve onroerende zaak aan als zaken bedoeld in artikel 2 van de Wet BRV. Deze uitbreiding van het begrip (onroerende) zaken is enkel beoogd om de verkrijging van fictieve onroerende zaken te kunnen belasten met overdrachtsbelasting; het creëren van een belastbaar feit. Deze uitbreiding is beperkt tot artikel 2 van de Wet BRV en strekt zich niet uit tot het civiele recht. In casu is er geen sprake van een bijzondere overdracht op basis van een verdeling. De artikelen 7 en 12 van de Wet BRV zijn enkel van toepassing wanneer er sprake is van een verdeling in civielrechtelijke zin. Daarvan is hier geen sprake. Een veronderstelde economische benadering ten aanzien van de Wet BRV maakt dat niet anders. Dat leidt tot de conclusie dat de verkrijging van de aandelen in [A BEDRIJF] Beleggingsmaatschappij civielrechtelijk niet is aan te merken als een verkrijging uit hoofde van een verdeling van een gemeenschap van goederen. De artikelen 7 en 12 van de Wet BRV zijn niet van toepassing.

De doorkijkarresten hebben betrekking op de analoge toepassing van een tweetal vrijstellingen, namelijk de monumentenvrijstelling (voormalig artikel 15, eerste lid, onderdeel p, van de Wet BRV) en de samenloopvrijstelling omzetbelasting (artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de Wet BRV), bij de verkrijging van de aandelen in een fictieve onroerende zaak in plaats van een directe verkrijging van de onroerende zaken die eigendom zijn van de fictieve onroerende zaak zelf. De toepassing van de doorkijkarresten ten aanzien van de fictiebepaling in artikel 4 van de Wet BRV kan niet zodanig worden uitgelegd dat daarmee de begrippen ‘verdeling’ en ‘gemeenschap’ als bedoeld in de artikelen 3:166 en 3:182 BW en daarmee de toepassing van de artikelen 7 en 12 van de Wet BRV een andere invulling krijgen. De doorkijkarresten hebben namelijk enkel betrekking op analoge toepassing van een tweetal specifieke vrijstellingen. Ze hebben geen doorwerking naar de artikelen 7 en 12 van de Wet BRV, enkel al omdat er geen sprake is van ‘de verdeling van een gemeenschap van onroerende zaken’ in civielrechtelijke zin. Er is in casu geen sprake van het verkrijgen, ten titel van koop, van (in onverdeeldheid verkerende) aandelen in besloten vennootschappen waarin onroerende zaken aanwezig zijn. Er bestaat geen aanleiding om te veronderstellen dat de doorkijkarresten zodanig kunnen worden uitgelegd dat deze zich uitstrekken tot de artikelen 7 en 12 van de Wet BRV.

15. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

16. Overdrachtsbelasting wordt op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet BRV geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen.

17. Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet BRV worden als zaken als bedoeld in artikel 2 mede aangemerkt aandelen in een rechtspersoon, waarvan de bezittingen op het tijdstip van de verkrijging of op enig tijdstip in het daaraan voorafgaande jaar grotendeels bestaan of hebben bestaan uit onroerende zaken en tegelijkertijd ten minste 30% van de bezittingen bestaat of heeft bestaan uit in Nederland gelegen onroerende zaken, mits de onroerende zaken, als geheel genomen, op dat tijdstip geheel of hoofdzakelijk dienstbaar zijn of waren aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken (hierna ook: fictieve onroerende zaken).

18. Op grond van artikel 10 van de Wet BRV is, voor zover hier van belang, de maatstaf van heffing bij de verkrijging van fictieve onroerende zaken niet de waarde van de aandelen, maar de waarde van de onroerende zaak of onroerende zaken die door die aandelen wordt vertegenwoordigd.

19. De achtergrond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet BRV is te voorkomen dat een heffing van het recht van overdracht werd ontgaan door de feitelijke beschikkingsmacht over een onroerende zaak over te dragen door middel van een verkoop van aandelen in een rechtspersoon waarin die onroerende zaak was ingebracht:

"De regeling ziet dus door het juridische gordijn van de vennootschappen heen door de machtsoverdracht ten aanzien van het vennootschappelijke onroerend goed voor de heffing van overdrachtsrecht als een eigendomsoverdracht van dat goed te beschouwen."

(Kamerstukken II 1969/70, 10 560, nr. 3, p. 18)

20. De redactie van artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet BRV is met ingang van 28 december 2000 aangepast. Blijkens de Memorie van Toelichting wordt daarmee recht gedaan aan de oorspronkelijke bedoeling van de bepaling (Kamerstukken II 1999/2000, 27 030, nr. 3, p. 2). Voorts wordt over de strekking van de bepaling opgemerkt:

"De strekking van de bepaling is enerzijds te voorkomen dat door middel van het tussenschuiven van rechtspersonen de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan en anderzijds om het in wezen gelijke ook fiscaal gelijk te behandelen door een meer economische benadering."

(Kamerstukken II 1999/2000, 27 030, nr. 3, p. 3)

Toepassing artikelen 7 en 12 van de Wet BRV

21. Partijen houdt in de eerste plaats verdeeld of het complex van rechtshandelingen welke heeft geleid tot de feitelijke verdeling van de aandelen in diverse beleggingsvennootschappen kan worden geduid als een verdeling van een gemeenschap als bedoeld in de artikelen 7 en 12 van de Wet BRV. Daarbij wordt opgemerkt dat geen sprake is van een verdeling als omschreven in artikel 3:182 BW, nu geen sprake is van een rechtstreeks bezit van de onroerende zaken. Eiseres bepleit een economische benadering van de term verdeling van een gemeenschap zodat uit dien hoofde slechts overdrachtsbelasting dient te worden voldaan over hetgeen zij meer heeft ontvangen dan reeds feitelijk in haar bezit was. Verweerder heeft het vorenstaande gemotiveerd weersproken (zie onder 14).

22. De rechtbank stelt voorop dat de Wet BRV uitgaat van een civielrechtelijke benadering van de rechtshandelingen alsmede het begrip onroerende zaak. Dat oordeel vindt steun in het enkele gegeven dat de wetgever het nodig heeft gevonden om artikel 4 van de Wet BRV in te voeren teneinde een eenvoudige ontgaansmogelijkheid door het tussenschuiven van een besloten vennootschap uit te sluiten. Tevens verwijst de rechtbank naar de wijziging van de Wet BRV teneinde bepaalde varianten een economische eigendomsoverdracht van onroerende zaken onder de reikwijdte van de Wet BRV te brengen. Ook de hierna aan de orde te stellen zogenoemde doorkijkarresten (vergelijk 25 en volgende hierna) geven naar het oordeel van de rechtbank geen steun aan het standpunt van eiseres dat de Hoge Raad, zulks in afwijking van de wetsgeschiedenis van de Wet BRV, in het algemeen een meer economische benadering van rechtshandelingen en de daarop toe te passen vrijstellingen respectievelijk vermindering van de heffingsmaatstaf, voorstaat. De rechtbank verwerpt derhalve het standpunt van eiseres dat de wetgever ten principale uitgaat van een economische benadering in de Wet BRV.

23. Eiseres heeft zich in het verlengde van het vorenstaande op het standpunt gesteld dat sprake is van indirecte eigendom van gezamenlijk gehouden onroerende zaken en dat uit dien hoofde de artikelen 7 en 12 van de Wet BRV in onderling verband en samenhang bezien de aandelenpakketten een zelfde behandeling dienen te krijgen als een verdeling van een gemeenschap welke niet uit aandelen maar uit de onroerende zaken zelf bestaat.

24. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt van eiseres geen steun vindt in de tekst van voormelde bepalingen noch in doel en strekking van deze bepalingen. In het bijzonder is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gesproken van een of meerdere gemeenschap(pen) zoals omschreven in artikel 3:182 BW, welke zijn verdeeld. Immers, de verkregen aandelen zijn evenzovele (genummerde) vermogensrechten die voorafgaand aan het complex van rechtshandelingen niet onderdeel van enige gemeenschap vormden en nadien in een daarop gevolgde verdeling zijn betrokken. Dat oordeel vindt mede steun in de titel van overdracht van de verkregen aandelenpakketten zoals die blijkens de notariële akten van levering (koop/verkoop) door de onderscheiden rechthebbenden zijn verkregen. In zoverre faalt het beroep.

Toepassing doorkijkarresten

25. Eiseres heeft voorts een beroep gedaan op de zogenoemde doorkijkarresten

– de arresten van de Hoge Raad van 23 februari 2007, nr. 41594, ECLI:NL:HR:2007:AU8559 en van 10 juni 2011, nr. 10/00498, ECLI:NL:HR:2011:BQ7580 – welke arresten, zo stelt zij, ook in het voorliggende geschil van overeenkomstige toepassing moeten worden geacht te zijn. Verweerder heeft dat standpunt gemotiveerd bestreden (zie onderdeel 14 hiervoor).

26. De rechtbank heeft zich rekenschap gegeven van deze arresten alsmede de nadien gewezen jurisprudentie van lagere rechters, te weten de uitspraak van het Hof

Arnhem-Leeuwarden van 15 augustus 2017, nr. 16/01058, ECLI:NL:GHARL:2017:6787, en de rechtbank Noord-Holland van 26 juni 2017, nr. 15/4224, ECLI:NL:RBNHO:2017:5723. In deze uitspraken is de toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de Wet BRV (de overdracht van een materiële onderneming en de met het drijven van de onderneming verbonden onroerende zaken) onderwerp van geschil. Bij dit laatste merkt de rechtbank op dat beide uitspraken thans nog niet onherroepelijk zijn, zodat een voorbehoud omtrent de daaraan te geven uitleg geboden is.

27. Voorts is de rechtbank van oordeel dat, nu niet kan worden gesproken van een te verdelen gemeenschap, het beroep op deze arresten strandt. Het via de gemeenschappelijke vennootschappelijke structuur met al haar kruisverbanden gehouden indirecte belang in onroerende zaken kan niet als een gemeenschap worden aangemerkt. Dit betekent dat eiseres bij een rechtstreekse verkrijging van de onroerende zaken ook overdrachtsbelasting zou zijn verschuldigd. Ook heeft naar het oordeel van de rechtbank te gelden dat de doorkijkarresten niet zover gaan dat de volledige structuur van vennootschapen louter voor de toepassing van de Wet BRV moet worden genegeerd. De aan deze arresten te geven uitleg gaat naar het oordeel van de rechtbank ook overigens niet zover dat in beginsel een volkomen transparantie aan (het complex van) de rechtspersonen moet worden toegekend. Een zodanige interpretatie van deze arresten komt de rechtbank als onjuist voor. Daarbij merkt de rechtbank op dat de tot op heden gewezen jurisprudentie in alle gevallen betrekking heeft op de mogelijke toepassing van een vrijstelling. In het onderhavige geval is sprake van een vermindering van de heffingsmaatstaf. Naar het oordeel verzetten de voormelde arresten zich in beginsel niet tegen toepassing in het voorliggende geval, alwaar sprake is van een vermindering van de heffingsmaatstaf. Gelet op de duiding van het complex van vennootschappen aan het begin van de rechtshandelingen en de bereikte eindstructuur mist artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de Wet BRV toepassing. Ook in zoverre faalt het beroep.

Verzoek om immateriële schadevergoeding

28. Niet in geschil is dat de redelijke termijn van twee jaar waarbinnen geschillen over de heffing van belastingen behoren te worden beslecht, is overschreden. In belastingzaken wordt, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden, verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie.

29. De in aanmerking te nemen termijn begint als regel te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet.

30. In het onderhavige geval is het bezwaarschrift op 19 december 2014 door verweerder ontvangen. Op 14 augustus 2015 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan. Het (pro-forma) beroepschrift hiertegen is op 24 september 2015 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant ontvangen. Per brief van 3 november 2015 heeft eiseres verzocht om gevoegde behandeling met de zaak van [A BEDRIJF] Investments B.V. (zaaknummer HAA 15/4677) bij de rechtbank Noord-Holland. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het beroepschrift op 16 november 2015 doorgestuurd naar de rechtbank, daar is het ontvangen op 18 november 2015. De rechtbank doet op 9 februari 2018 uitspraak.

31. Tussen het moment van ontvangst van het bezwaarschrift op 19 december 2014 en de uitspraak van de rechtbank op 9 februari 2018 zit drie jaar en twee maanden. De redelijke termijn van twee jaar is met een jaar en twee maanden overschreden. Er is niet gesteld noch gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen, zodat eiseres recht heeft op een immateriële schadevergoeding.

32. Bij overschrijding van de redelijke termijn dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. In het onderhavige geval dient de overschrijding te worden afgerond op anderhalf jaar.

33. In gevallen waarin de bezwaar- en de beroepsfase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden, dient de rechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade vanwege dat tijdsverloop te beoordelen op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. Daardoor wordt immers bepaald in hoeverre de immateriële schade is toe te rekenen aan het bestuursorgaan respectievelijk de rechter. Bij deze toerekening heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt.

34. In het onderhavige geval is de periode tussen het moment van ontvangst van het bezwaarschrift op 19 december 2014 en het doen van uitspraak op bezwaar op 14 augustus 2015, acht maanden. Daarmee is de duur van de bezwaarfase met twee maanden overschreden. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het beroepschrift ontvangen op 24 september 2015 en de rechtbank doet uitspraak op 9 februari 2018. Daarmee is de duur van de beroepsfase met elf maanden overschreden.

35. Gelet op het voorgaande is de overschrijding van de redelijke termijn met, afgerond, een half jaar toe te rekenen aan de bezwaarfase en met, afgerond, een jaar toe te rekenen aan de beroepsfase. De rechtbank zal daarom verweerder veroordelen tot betaling van een vergoeding van immateriële schade van € 500 en de Staat der Nederlanden (de Minister van Rechtsbescherming) veroordelen tot betaling van een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000.

Slotsom

36. Gelet op hetgeen hiervoor onder 16 tot en met 27 is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

Nu de rechtbank een immateriële schadevergoeding aan eiseres heeft toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn, is er aanleiding verweerder op de voet van

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501 en een factor 0,5 voor het gewicht van de zaak nu verweerder slechts wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres omdat aan eiseres een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend (vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660)). Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding, aangezien de uitspraak op bezwaar volledig in stand is gebleven (idem Hoge Raad 20 maart 2015).

De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister van Rechtsbescherming) tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.000;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 501;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, voorzitter, en mr. A.A. Fase en

mr. J. Gooijer, leden, in aanwezigheid van mr. R.A. Brits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.