Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:10437

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-12-2018
Datum publicatie
10-04-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 904
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. In geschil is of de bti voor de juiste GS-post is afgegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2019/1089
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/904

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 3 december 2018 in de zaak tussen

[X] S.A., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigden: mr. J.H. Peek en mr. V.A. Burgers),

enerzijds en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam Rijnmond, verweerder,

en

de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister,

anderzijds

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres op 12 april 2016 een bindende tariefinlichting afgegeven, met kenmerk NL RTD- [A NUMMER] (hierna: de bti).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 december 2016 het tegen de bti ingediende bezwaar afgewezen.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder door de rechtbank in de gelegenheid is gesteld om schriftelijk te dupliceren.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2018 te Haarlem.

Namens eiseres is haar gemachtigde mr. V.A. Burgers verschenen, bijgestaan door drs. ing. [A] en drs. [B] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. A.A. Kop, bijgestaan door dr. T. Peelen en Y.J.G.E van Soest-Bes BSc.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op 17 februari 2016 een bti aangevraagd voor een product met de handelsbenaming [A BENAMING] . De omschrijving van het product in de aanvraag luidt:

“Het product is een lichtgele visolie, verpakt en verscheept onder beschermende atmosfeer in stalen vaten met een inhoud van 190 kilogram. Het betreft een fractie van geraffineerde veresterde dierlijke (vis) vetten en oliën in de vorm van ethyl-esters, doch niet verder bereid.”

In de aanvraag is als beoogde indeling vermeld de TARIC-code 1516 10 90 10 .

2. In de door verweerder afgegeven bti is het product ingedeeld onder TARIC-code 2106 90 92 60 . In de bti is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“7 Omschrijving van het goed

Een visolie met onder meer de volgende kenmerken en ingrediënten:

- een lichtgele vloeistof;

- visolie gewonnen uit vissoorten zoals ansjovis, sardine en makreel;

- geraffineerd, veresterd en gefractioneerd;

- in de vorm van ethyl-esters;

- wordt aangeboden in stalen vaten met een inhoud van 190 kg;

- bestemd om verder bewerkt te worden voor de voedingsindustrie, dierenvoeding- en farmaceutische industrie. Het betreft een product voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen, bevattende geen of minder dan 1,5% van melk afkomstige vetstoffen en geen of minder dan 5% sacharose, isoglucose, glucose of zetmeel zoals bedoeld bij GN-onderverdeling 21069092 van de gecombineerde nomenclatuur.

8 Handelsbenaming en aanvullende gegevens

[A BENAMING]
Advies van het laboratorium:

Het product bestaat voor 93% uit ethylesters en kan hierdoor niet worden aangemerkt als een product van hoofdstuk 15 van de gecombineerde nomenclatuur. Met opnieuw veresteren als bedoeld bij GS-post 1516 wordt bedoeld opnieuw veresterd aan glycerol, zodat er triglyceride ontstaat.

9 Motivering voor de indeling van het goed

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 2106, 2106 90 en 2106 90 92. Met toepassing van de GS-toelichting op post 1516 letter B punt 2 en post 2309 letter C.”

Geschil en standpunten van partijen
3. In geschil is of de bti voor de juiste GS-post is afgegeven.

4. Eiseres stelt primair dat het product ingedeeld dient te worden onder GS-post 1516. De door haar gebruikte grondstof wordt in GS-post 1516 genoemd en zij voert in haar productieproces geen andere bewerkingen uit dan die welke volgens de bewoordingen van deze post mogen worden uitgevoerd. De bewoordingen van de post beperken de wijze van verestering niet. Subsidiair stelt eiseres dat het product moet worden ingedeeld onder GS-post 3824, omdat het uit natuurlijke producten bestaat die eerder een chemisch proces hebben ondergaan. Indeling onder GS-post 2106 kan volgens eiseres niet aan de orde zijn omdat het product ten tijde van invoer niet bestemd is voor menselijke consumptie, maar verdere bewerking vereist. Bovendien is GS-post 2106 een restpost die enkel toepassing vindt als het product niet elders in het tarief is genoemd of begrepen. Nu verweerder zich bovendien onzorgvuldig heeft voorbereid alvorens de bti af te geven, kan ook daarom de bti niet in stand blijven.

5. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en verzoekt de rechtbank de uitspraak op bezwaar te vernietigen en daarbij te bepalen dat het product in de bti dient te worden ingedeeld onder GS-post 1516, subsidiair onder GS-post 3824. Voorts verzoekt eiseres om vergoeding van de (integrale) proceskosten in de bezwaar- en beroepsprocedure alsmede om schadevergoeding voor de overige door haar geleden en te lijden schade, waaronder immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de zaak moet worden behandeld.

6. Verweerder voert aan dat het product dat in de bti is omschreven door de wijze van veresteren niet is aan te merken als een olie in de zin van GS-post 1516. Bij indeling onder hoofdstuk 15 moet het volgens verweerder gaan om producten die, ook na de genoemde bewerkingen, nog immer kunnen worden aangemerkt als esters van glycerol met vetzuren. De wijze van verestering van de geraffineerde visolie gaat verder dan is toegestaan in GS-post 1516, omdat de triglyceride wordt omgezet in een ethyl-ester. Omdat het product volgens verweerder niet onder GS-post 1516 kan worden ingedeeld en het product is bestemd voor menselijke consumptie dient het product onder GS-post 2106 te worden ingedeeld.

7. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

8. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Relevante regelgeving

9. GS-post 1516 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Dierlijke en plantaardige vetten en oliën, alsmede fracties daarvan, geheel of gedeeltelijk gehydrogeneerd, veresterd, opnieuw veresterd of geëlaïdiniseerd, ook indien geraffineerd, doch niet verder bereid:”

10. GS-post 2106 luidt, voor zover van belang, als volgt:

"Producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen:”

11. GS-post 3824 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Bereide bindmiddelen voor gietvormen of voor gietkernen; chemische producten, en

preparaten van de chemische of van aanverwante industrieën (mengsels van natuurlijke

producten daaronder begrepen), elders genoemd noch elders onder begrepen:”

12. De toelichting IDR op hoofdstuk 15 (Vetten en oliën (dierlijke en plantaardige) en dissociatieproducten daarvan; bewerkt spijsvet; was van dierlijke of plantaardige oorsprong) luidt, voor zover van belang, als volgt

“A. Dit hoofdstuk omvat:

1. vetten en oliën van dierlijke of van plantaardige oorsprong, in ruwe staat, dan wel gezuiverd, geraffineerd of op een bepaalde wijze behandeld (bijvoorbeeld gekookt, gezwaveld, gehydrogeneerd);(...)

Met uitzondering van spermolie en jojobaolie, zijn de dierlijke en plantaardige vetten en oliën esters van glycerol met vetzuren, in het bijzonder van palmitinezuur, stearinezuur en oliezuur.

(…)”

13. De toelichting IDR op GS-post 1516, letter B punt 1 luidt:

“B. Veresterde, opnieuw veresterde of geëlaïdiniseerde vetten en oliën

1. Veresterde vetten en oliën.

De vastheid van een olie of een vet kan verhoogd worden door het op de juiste wijze hergroeperen van de vetzuurradicalen in de in het product aanwezige triglyceriden. De reactie en de hergroepering van de esters kan door aanwezigheid van katalysators gestimuleerd worden.

2. Opnieuw veresterde vetten en oliën zijn triglyceriden die zijn verkregen door rechtstreekse synthese van glycerol met mengsels van vrije vetzuren (…).”1

Toelichting IDR

A. Dit hoofdstuk omvat:

1. vetten en oliën van dierlijke of van plantaardige oorsprong, in ruwe staat, dan wel gezuiverd, geraffineerd of op een bepaalde wijze behandeld (bijvoorbeeld gekookt, gezwaveld, gehydrogeneerd);

2. bepaalde uit vetten of oliën verkregen producten en in het bijzonder sommige dissociatieproducten van oliën en vetten (bijvoorbeeld ruwe glycerol);

3. bereide vetten en oliën voor menselijke consumptie, zoals margarine;

4. was van dierlijke of van plantaardige oorsprong;

5. afvallen afkomstig van de bewerking van vetstoffen of van dierlijke of plantaardige was.

Met uitzondering van spermolie en jojobaolie, zijn de dierlijke en plantaardige vetten en oliën esters van glycerol met vetzuren, in het bijzonder van palmitinezuur, stearinezuur en oliezuur.

1

Toelichting IDR

A. Dit hoofdstuk omvat:

1. vetten en oliën van dierlijke of van plantaardige oorsprong, in ruwe staat, dan wel gezuiverd, geraffineerd of op een bepaalde wijze behandeld (bijvoorbeeld gekookt, gezwaveld, gehydrogeneerd);

2. bepaalde uit vetten of oliën verkregen producten en in het bijzonder sommige dissociatieproducten van oliën en vetten (bijvoorbeeld ruwe glycerol);

3. bereide vetten en oliën voor menselijke consumptie, zoals margarine;

4. was van dierlijke of van plantaardige oorsprong;

5. afvallen afkomstig van de bewerking van vetstoffen of van dierlijke of plantaardige was.

Met uitzondering van spermolie en jojobaolie , zijn de dierlijke en plantaardige vetten en oliën esters van glycerol met vetzuren, in het bijzonder van palmitinezuur, stearinezuur en oliezuur.

Beoordeling van het geschil

14. Voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de postonderverdelingen, de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken en de algemene indelingsregels. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) dat, in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in het algemeen moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de GN-posten en in de aantekeningen op de afdelingen en de hoofdstukken zijn omschreven. Hierbij vormen de GS- en de GN-toelichtingen nuttige aanwijzingen voor de tariefindeling, ook al zijn deze toelichtingen slechts uitleggingen en rechtens niet bindend (zie recent HvJ 26 april 2017, C-51/16 (Stryker EMEA Supply Chain Services BV), r.o. 39 en 45).

15. Tussen partijen is niet in geschil dat de grondstof van het product bestaat uit visolie. Het productieproces bestaat uit een aantal stappen. Als eerste stap wordt ruwe visolie geraffineerd om deze te zuiveren van ongewenste geuren en onzuiverheden, daarbij wordt de visolie tevens ontkleurd. Bij de tweede productiestap, het veresteren, wordt een verbinding aangegaan tussen de geraffineerde visolie en ethanol. Hierdoor wordt de geraffineerde visolie in de vorm van een triglyceride omgezet naar een visolie in de vorm van een ethyl-ester. Dat gebeurd omdat een ethyl-ester beter fractioneerbaar is dan een triglyceride. Vervolgens wordt de ethyl-ester gefractioneerd om de ongewenste fracties te scheiden van de gewenste omega-3 fracties van de visolie. Aldus ontstaat het onderhavige product.

16. De rechtbank stelt vast dat de door eiseres uitgevoerde bewerkingen van de ruwe visolie genoemd worden in de bewoordingen van GS-post 1516. Naar het oordeel van de rechtbank beperken de bewoordingen van GS-post 1516 de wijze van verestering niet (vgl. Tariefcommissie 17 april 2001, nr. 0101/98 TC (UTC 2001/31). Op grond van de bewoordingen van de post is ook veresteren van olie aan ethanol toegestaan. De hiervoor genoemde IDR toelichtingen op hoofdstuk 15 en op GS-post 1516 waar verweerder zich op beroept, zijn slechts een toelichting en rechtens niet bindend. Bovendien volgt uit de IDR toelichting op GS-post 1516, letter B punt 1 niet dat hetgeen na het veresteren van olie ontstaan ook een triglyceride moet zijn. Nu het onderhavige product niet opnieuw veresterd is, is de IDR-toelichting op GS-post 1516, letter B punt 2 niet van belang.

17. Op grond van het voorafgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de bti niet voor de juiste goederencode is afgegeven. Ook als het product voor menselijke consumptie geschikt is, is indeling onder GS-post 2106 niet aan de orde nu het product elders, te weten onder GS-post 1516, is genoemd. Het gelijk is derhalve aan eiseres. De overige standpunten van eiseres strekkende tot vernietiging van de bti behoeven geen bespreking, aangezien zij daardoor niet in een fiscaal gunstiger positie kan komen te verkeren.

18. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de bti vernietigen, waarbij de rechtbank er op wijst dat het niet aan haar is om een nieuwe bti af te geven dan wel verweerder daartoe opdracht te geven.

Vergoeding immateriële schade

19. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de zaak moet worden behandeld.

20. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252) kan in belastingzaken aanspraak bestaan op schadevergoeding met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), indien het belastinggeschil niet binnen een redelijke termijn wordt beslecht. De redelijke termijn is overschreden als na indiening van het bezwaar meer dan twee jaren zijn verstreken voordat op dat bezwaar en, indien vervolgens beroep is ingesteld, op dat beroep is beslist. Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding geven tot verkorting of verlenging van die termijnen. Als de bezwaar- en beroepsfase samen te lang hebben geduurd, vindt de toerekening als volgt plaats. De bezwaarfase heeft onredelijk lang geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

21. Tussen partijen is niet in geschil dat de redelijke termijn is aangevangen op 23 mei 2016 en eindigt met de datum van de uitspraak van de rechtbank, 3 december 2018. Verweerder heeft niet gesteld en het is de rechtbank ook niet gebleken dat bij het bepalen van de overschrijding een bepaalde periode buiten beschouwing moet blijven. Er is een tijdsverloop van afgerond 2 jaren en 7 maanden, totaal 31 maanden. De redelijke termijn is derhalve met 7 maanden overschreden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000.

22. Van voornoemd tijdsverloop dient een periode vanaf de datum van de uitspraak op bezwaar van 27 december 2016 tot de datum van de uitspraak van de rechtbank van 3 december 2018, derhalve een tijdsverloop van afgerond 24 maanden, te worden toegerekend aan de beroepsfase. Een tijdsverloop van afgerond (31 – 24 =) 7 maanden moet worden toegerekend aan de bezwaarfase. Van de overschrijding van de redelijke termijn dient een periode van (7 – 6 =) 1 maand aan verweerder te worden toegerekend en een periode van (24 – 18 =) 6 maanden aan de Minister. Verweerder dient daarom van de schadevergoeding van € 1.000 een bedrag van € 142,86 (1/7 deel van € 1.000) te vergoeden en de Minister

€ 857,14 (6/7deel van € 1.000).

Proceskosten en griffierecht

23. Eiseres heeft verzocht verweerder te veroordelen in de integrale proceskosten van zowel de bezwaar- als de beroepsprocedure. Verweerder is van mening dat er geen gronden zijn voor een vergoeding van proceskosten. Indien de rechtbank wel aanleiding ziet om over te gaan tot een proceskostenveroordeling dan dient deze zich naar de mening van verweerder te beperken tot een vergoeding volgens het forfait.

24. Verweerder heeft ter zitting er op gewezen dat eiseres in de bezwaarprocedure niet heeft verzocht om vergoeding van proceskosten, hetgeen eiseres ter zitting heeft erkend. Nu eiseres in de bezwaarprocedure niet heeft verzocht om vergoeding van proceskosten zal de rechtbank het verzoek van eiseres om verweerder te veroordelen in de proceskosten in de bezwaarprocedure afwijzen.

Nu het beroep van eiseres gegrond zal worden verklaard is er wel aanleiding om verweerder in de beroepsprocedure te veroordelen in de proceskosten.

25. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) kan in bijzondere omstandigheden bij een veroordeling in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand een van de in de bijlagen bij het Besluit opgenomen forfaitaire tarief afwijkende vergoeding worden vastgesteld. Daarvoor is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking neemt of een uitspraak doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen gestelde procedure geen stand zal houden (vgl. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Daarnaast kan ook in andere gevallen aanleiding bestaan om, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Besluit.

26. Het is aan eiseres om de feiten en omstandigheden te stellen die het oordeel rechtvaardigen dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Eiseres stelt dat het bij de aanvraag van de bti voor verweerder al duidelijk had moeten zijn dat het product onder GS-post 1516 ingedeeld had moeten worden.

27. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheid oplevert die een hogere dan een forfaitaire proceskostenvergoeding in beroep rechtvaardigt. Verweerder heeft bij het afgeven van de bti geen standpunt ingenomen waarvan op grond van de op dat moment geldende wet- en regelgeving en de op dat moment kenbare jurisprudentie duidelijk was of moest zijn dat dit in rechte geen stand zou houden.

28. Gelet hierop stelt de rechtbank de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek,1 punt voor het verschijnen ter zitting van 22 oktober 2018 met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Tevens dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 333 te vergoeden.

29. Eiseres heeft voorts verzocht om toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb. De rechtbank stelt voorop dat blijkens artikel V van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Staatsblad 2013, 50), artikel 8:88 van de Awb, vooralsnog niet van toepassing is op besluiten of andere handelingen van de Belastingdienst/Douane. Hieruit volgt dat het verzoek om schadevergoeding moet worden beoordeeld in het licht van artikel 8:73 (oud) van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen recht heeft op een schadevergoeding nu zij geen opgave van de aard van de geleden schade heeft gedaan, geen bedrag van de schade heeft genoemd en ook geen specificatie daarvan heeft overgelegd.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de bti met kenmerk NL RTD- [A NUMMER] ;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 142,86 aan vergoeding van immateriële schade;

- veroordeelt de Minister tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 857,14 aan vergoeding van immateriële schade;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.252,50;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Kleefmann voorzitter, mr. M.H.L.C Bijvoet en mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. Carter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.