Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:10389

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-11-2018
Datum publicatie
29-11-2018
Zaaknummer
96/110228-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft na gebruik van cannabis en alcohol als bestuurder van een personenauto deelgenomen aan het verkeer. Door zijn handelen heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Zowel verdachte als andere weggebruikers liepen door toedoen van verdachte een verhoogd risico op verkeersongevallen.

Overschrijding termijn bloedafname. Volstaan met de vaststelling dat sprake is van een vormverzuim.

Overschrijding termijn toesturen resultaat bloedonderzoek. Gesteld noch gebleken is dat verdachte hierdoor in zijn belangen is geschaad. Het recht op tegenonderzoek kon verdachte immers blijkens de brief uitoefenen tot twee weken na dagtekening van de brief.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 30 (dertig) uren taakstraf, die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Politierechter

Parketnummer: 96/110228-18

Uitspraakdatum: 22 november 2018

Tegenspraak

Schriftelijk vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
8 november 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] .

De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.C.G. van den Ancker en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.G.Th. van de Weerd, advocaat te Dordrecht, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 18 april 2018 te Oostzaan een voertuig, te weten personenauto heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof en/of alcohol als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, in combinatie met een of meer andere van deze aangewezen stoffen, te weten alcohol terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en/of alcohol 11 microgram THC per liter bloed en 0,22 milligram ethanol per milliliter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stoffen en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 18 april 2018 te Oostzaan als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten 11 microgram THC per literbloed, en/of 0,22 milligram ethanol per milliliter bloed, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

2 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze politierechter is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat het feit dat bij verdachte niet binnen de termijn van anderhalf uur, zoals opgenomen in artikel 12, derde lid van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: het Besluit), bloed voor bloedonderzoek is afgenomen, niet dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de resultaten van het onderzoek. Er is geen sprake van schending van een strikte waarborg, nu de termijnoverschrijding geen gevolgen heeft voor de uitslag van het bloedonderzoek. Er kan worden volstaan met de constatering dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken, nu de resultaten van het bloedonderzoek uitgesloten dienen te worden van het bewijs. Primair wegens schending van strikte waarborgen en subsidiair op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het onderzoek heeft niet plaatsgevonden binnen de in artikel 12, derde lid van het Besluit gestelde termijn van anderhalf uur en er was geen sprake van een bijzondere omstandigheid. Daarnaast is sprake van nog een onherstelbaar vormverzuim, aangezien de termijn als bedoeld in artikel 17 van het Besluit met negen dagen is overschreden.

3.3.

Oordeel van de politierechter

3.3.1.

Overschrijding termijn bloedafname

In artikel 12, derde lid van het Besluit is onder meer bepaald dat de bloedafname geschiedt uiterlijk binnen anderhalf uur nadat verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek als bedoeld in artikel 8 (speekseltest) en dat van die termijn alleen vanwege bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken.

Op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de politierechter de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 19 april 2018 zien verbalisanten verdachte een personenauto besturen. Verdachte wordt in het kader van een verkeerscontrole staande gehouden. De verbalisanten nemen om 16:46 uur een voorlopig ademonderzoek bij verdachte af, waaruit een P/A indicatie komt. Om 16:47 uur heeft verbalisant verdachte gevorderd mee te werken aan een speekseltest. De verdachte heeft daaraan meegewerkt en de speekseltest gaf een indicatie voor cannabis. Verbalisanten nemen bij verdachte verder waar waterige/wazige ogen, een langzame pupilreactie en sloom gedrag. Verbalisanten vermoedden daarom dat verdachte niet alleen onder invloed was van alcohol maar ook van een andere stof als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Verdachte heeft vervolgens toestemming gegeven voor een bloedonderzoek. Om 18:32 uur nam een arts in aanwezigheid van een verbalisant bloed af bij verdachte. Het proces-verbaal vermeldt als bijzondere omstandigheid voor het overschrijden van de termijn van anderhalf uur: “Ik, verbalisant [verbalisant 1] heb telefonisch contact gehad met de GGD arts [arts] die mij verklaarde dat hij een bloedafname had in het ziekenhuis Zaans Medisch Centrum en hierdoor niet tijdig te kunnen komen naar politiebureau Zaandijk. Ook was er volgens [arts] geen andere GGD arts beschikbaar.”

De politierechter stelt vast dat in de onderhavige zaak de termijn voor bloedafname is aangevangen om 16:47 uur, nu dat het moment was dat verdachte werd gevorderd mee te werken aan een speekseltest. De bloedafname heeft plaatsgevonden om 18:32 uur, hetgeen betekent dat termijn als bedoeld in artikel 12, derde lid van het Besluit met vijftien minuten is overschreden.

Sprake van een bijzondere omstandigheid?

Vervolgens is de vraag aan de orde of deze overschrijding verschoonbaar is wegens bijzondere omstandigheden. Hierover is in de Nota van Toelichting bij het Besluit (hierna: de Nota) het volgende opgenomen:

“Een voorbeeld van een dergelijke omstandigheid is de situatie dat de verdachte ernstige verwondingen heeft opgelopen bij een verkeersongeval en een arts oordeelt dat bij hem tijdelijk geen bloed kan worden afgenomen omdat hij zo snel mogelijk moet worden behandeld. Een bijzondere omstandigheid kan ook zijn dat een arts of verpleegkundige buiten zijn toedoen, bijvoorbeeld omdat hij opgeroepen wordt voor het verrichten van een levensreddende handeling, niet op tijd beschikbaar is. Het enkele feit dat een arts of verpleegkundige tegen de met hem door de politie gemaakte afspraken niet aanwezig is om bloed af te nemen, maakt van die omstandigheid echter geen bijzondere omstandigheid. In het geval waarin de bloedafname bij de verdachte meer dan anderhalf uur na aanvang van de hiervoor genoemde termijn heeft plaatsgevonden, is het van belang dat de bijzondere omstandigheid die daaraan ten grondslag heeft gelegen, in het proces-verbaal wordt opgenomen opdat naderhand kan worden getoetst of inderdaad daarvan sprake is geweest. ”

In het proces-verbaal wordt als reden voor de termijnoverschrijding vermeld, kort samengevat, dat de arts elders was voor een bloedafname en er ook geen andere arts beschikbaar was. Dit is – gelet op hetgeen hiervoor uit de Nota is geciteerd – geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 12, derde lid van het Besluit.

Gevolg termijnoverschrijding

Vervolgens ziet de politierechter zich gesteld voor de vraag welk gevolg er moet worden verbonden aan de termijnoverschrijding.

Indien de termijn van bloedafname behoort tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in artikel 8 WVW 1994 is omringd, is bij een termijnoverschrijding geen sprake van “een onderzoek in de zin van artikel 8 WVW 1994”. Het gelijkluidende bestanddeel van de tenlastelegging kan dan niet worden bewezen, zodat verdachte alsdan van dat bestanddeel – en dus van de gehele tenlastelegging – moet worden vrijgesproken.

Echter, niet alle procedurele eisen zijn essentiële waarborgen. lndien de termijn van bloedafname geen onderdeel uitmaakt van het stelsel van strikte waarborgen, moet aan de hand van artikel 359a Sv worden bekeken of en, zo ja, welk rechtsgevolg er aan de termijnoverschrijding – zijnde een onherstelbaar vormverzuim – dient te worden verbonden.

Termijn bloedonderzoek geen strikte waarborg

Onder strikte waarborgen moeten volgens bestendige jurisprudentie1 worden verstaan, voorschriften die ertoe strekken de juistheid te waarborgen van het resultaat van het bloedonderzoek.

Blijkens de Nota is in artikel 12, derde lid van het Besluit het uitgangspunt neergelegd dat van een verdachte zo snel mogelijk bloed wordt afgenomen opdat de factor tijd zo min mogelijk in zijn voordeel is. Dit om te voorkomen dat een verdachte naar aanleiding van een bloedonderzoek vrijuit gaat, niet omdat hij niet boven de grenswaarde aan het verkeer heeft deelgenomen, maar louter doordat door het verstrijken van de tijd de concentratie van de werkzame van de stof van een drug onder de grenswaarde is gekomen. Dat wordt vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid ongewenst geacht. Dat nadeel kent volgens de toelichting bovendien als keerzijde dat die bestuurder, achteraf bezien, onnodig van zijn vrijheid is beroofd en de betrokken opsporingsambtenaar en arts of verpleegkundige onnodig inspanningen hebben geleverd (zie de Nota, p. 26).

Tegen deze achtergrond van de totstandkoming van het voorschrift van artikel 12, derde lid van het Besluit acht de politierechter geen grond aanwezig om de termijn van bloedafname te rekenen tot de strikte waarborgen van artikel 8 WVW 1994. Gelet op de toelichting strekt het voorschrift ertoe te waarborgen dat voortvarend wordt gehandeld zodat kostbare (opsporings- en onderzoeks)tijd en capaciteit alleen wordt besteed aan mensen die naar verwachting kunnen worden vervolgd en verdachten zo kort mogelijk en zo min mogelijk hun vrijheid wordt ontnomen. Het voorschrift ziet niet op het waarborgen van de juistheid en betrouwbaarheid van het bloedonderzoek (en daarmee de juistheid van het resultaat) als zodanig.

Dat in de Nota onder meer is vermeld: “Na die termijn mag geen bloed meer van hem worden afgenomen en gaat hij vrijuit, tenzij er sprake is van een bijzondere omstandigheid” – naar welke passage de raadsvrouw herhaaldelijk heeft verwezen in haar betoog – maakt dit niet anders. Hieruit volgt naar het oordeel van de politierechter niet dat de wetgever heeft beoogd dat een verdachte bij een termijnoverschrijding die niet verschoonbaar is wegens bijzondere omstandigheden zonder meer moet worden vrijgesproken, zelfs als uit een nadien afgenomen bloedtest blijkt dat diegene wel degelijk onder invloed heeft gereden.

Artikel 359a Sv

Nu de termijn naar het oordeel van de politierechter geen onderdeel uitmaakt van het hiervoor vermelde stelsel van strikte waarborgen, dient aan de hand van artikel 359a Sv worden bekeken of aan het vormverzuim rechtsgevolgen moeten worden verbonden. Hierbij dient rekening te worden gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Nu, zoals hiervoor overwogen, het belang van het bedoelde voorschrift tevens omvat dat verdachte niet onnodig lang op het politiebureau wordt opgehouden, is het voor verdachte veroorzaakte nadeel dat hij vijftien minuten langer is opgehouden dan toegestaan. Dit nadeel is minimaal. Verdachte heeft bovendien niet gesteld welk (ander) nadeel hij hierdoor zou hebben geleden. Gelet hierop ziet de politierechter geen reden om op grond van artikel 359a Sv de resultaten van het bloedonderzoek vanwege de termijnoverschrijding uit te sluiten van het bewijs. Ook voor strafvermindering ziet de politierechter geen aanleiding, zodat wordt volstaan met het vaststellen dat sprake is van een vormverzuim. De uitslag van het bloedonderzoek kan dus worden gebruikt voor het bewijs.

3.3.2.

Overschrijding termijn toesturen resultaat bloedonderzoek

Op grond van artikel 17 van het Besluit moet de politie een verdachte binnen een week na ontvangst van het verslag van het resultaat van het bloedonderzoek schriftelijk in kennis stellen van dat resultaat en van het recht op tegenonderzoek.

Het rapport ‘alcohol en drugs in het verkeer’ is op 15 mei 2018 getekend door een medewerker van het NFI. Bij brief van 31 mei 2018 is verdachte door de politie in kennis gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en gewezen op het recht op tegenonderzoek. Uit het dossier blijkt niet wanneer het rapport van het NFI door de politie is ontvangen.

Zelfs als de politie het rapport eerder dan 24 mei 2018 heeft ontvangen en derhalve sprake zou zijn van een onherstelbaar vormverzuim, bestaat er geen reden om hieraan rechtsgevolgen te verbinden. Gesteld noch gebleken is dat verdachte hierdoor in zijn belangen is geschaad. Het recht op tegenonderzoek kon verdachte immers blijkens de brief uitoefenen tot twee weken na dagtekening van de brief. Gelet hierop ziet de politierechter dan ook geen aanleiding voor toewijzing van het subsidiaire verzoek van de officier van justitie om de zaak aan te houden, teneinde aan te tonen dat de resultaten van het bloedonderzoek binnen een week na ontvangst van het rapport door de politie aan verdachte is toegezonden.

3.4.

Bewijsmiddelen

De politierechter komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande en de volgende bewijsmiddelen.

De door de politierechter in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De inhoud van de opgenomen bewijsmiddelen wordt verkort en zakelijk weergegeven.

Het geschrift is gebruikt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Proces-verbaal rijden onder invloed van 19 april 2018, Dit proces-verbaal houdt in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisanten dan wel een (of meer) van hen:

Op donderdag 19 april 2018 om 16:45 uur bevonden wij ons op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Coentunnelweg 1, 1511 HX Oostzaan. Wij waren belast met een verkeerscontrole. Wij zagen dat [verdachte] als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit bestuurde. Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorschriften hebben wij, verbalisanten, de bestuurder zijn voertuig doen stilhouden

en een onderzoek ingesteld. Om 16:46 uur heb ik de bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig ademonderzoek). Als resultaat van deze test zag ik dat het ademtestapparaat een alcoholindicatie aangaf van: P/A. Het resultaat van de ademtest werd direct aan de verdachte meegedeeld. Dat resultaat leidde tot een verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 Wegenverkeerswet 1994.

Om 16:47 uur heb ik de bestuurder gevorderd mee te werken aan een speekseltest. Als resultaat van deze test zag ik, dat de speekseltest een indicatie aangaf voor de volgende stof: cannabis (tetrahydrocannabinol). Het resultaat van de speekseltest werd direct aan de verdachte meegedeeld. Dat resultaat leidde tot een verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 Wegenverkeerswet 1994.

Waarneming drugs en/of andere stof

Ik nam de volgende kenmerken waar bij de bestuurder:

Ogen : Waterig/wazig

Pupilreactie : Langzaam

Gedrag : Sloom

Vermoeden van andere stof in combinatie met alcohol

Wij vermoedden dat de verdachte naast alcoholhoudende drank, tevens onder invloed van een andere stof als bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid Wegenverkeerswet 1994 verkeerde. Dit bleek uit:

de positieve uitslag van het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht.

de positieve uitslag van de afgenomen speekseltest.

de eerder bij "Waarneming drugs en/of andere stof" vermelde kenmerken.

Ik heb de verdachte gevraagd toestemming te verlenen tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. De verdachte verleende daartoe toestemming.

Op donderdag 19 april 2018 om 18:32 uur, heeft de arts, [arts] in aanwezigheid

van mij, [verbalisant 2] (NHN51717), de verdachte bloed afgenomen conform Besluit

alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Ik heb de bloedmonsters voorzien van een genummerde en op naam gestelde SIN-sticker "Analyse" met het nummer TAAT3520NL en

verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag.

Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het NFI, van 15 mei 2018, inhoudende:

Tabel Resultaten onderzoek in bloed van [verdachte]

Aangewezen stof Meetbare stof Grenswaarde Grenswaarde Eindresultaat Rapportage eenheid

indien indien in in bloed

enkelvoudig combinatie [TAAT3520NL]

gebruikt gebruikt

alcohol ethanol 0,50 of 0,20 0,20 0,22 milligram per illiliter

cannabis THC 3,0 1,0 11 microgram per liter

3.5.

Bewezenverklaring

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij, op of omstreeks 18 april 2018 te Oostzaan een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof en/of alcohol als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, in combinatie met een of meer andere van deze aangewezen stoffen, te weten alcohol terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW 1994 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en/of alcohol 11 microgram THC per liter bloed en 0,22 milligram ethanol per milliliter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stoffen en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en alcohol 11 microgram THC per liter bloed en 0,22 milligram ethanol per milliliter bloed bedroeg.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden met aftrek, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit een eventuele taakstraf geheel voorwaardelijk op te leggen en met betrekking tot de ontzegging van de rijbevoegdheid aan te sluiten bij de officier van justitie.

6.3.

Oordeel van de politierechter

Bij het bepalen van de straf heeft de politierechter rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de politierechter het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft na gebruik van cannabis en alcohol als bestuurder van een personenauto deelgenomen aan het verkeer. Door zijn handelen heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Zowel verdachte als andere weggebruikers liepen door toedoen van verdachte een verhoogd risico op verkeersongevallen.

Bij haar beslissing heeft de politierechter ook in aanmerking genomen een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 11 oktober 2018.

Verder houdt de politierechter rekening met de omstandigheid dat het rijbewijs van verdachte, als gevolg van de onderhavige zaak, sinds juni 2018 is geschorst door het CBR. Voor de hoogte van de strafmaat heeft de politierechter gelet op de mate waarin de grenswaarden zijn overschreden.

De politierechter houdt er bij het opleggen van de straf ook rekening mee dat verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde op 12 juli 2018 is veroordeeld voor een ander feit. De politierechter heeft de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk.

Alles afwegende is voor een dergelijk feit een geldboete een aangewezen straf. Gelet op de draagkracht van verdachte – die thans een uitkering ontvangt – zal in plaats van een geldboete een taakstraf worden opgelegd bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren. Daarnaast zal verdachte een voorwaardelijke rijontzegging van hierna te noemen duur worden opgelegd.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 Beslissing

De politierechter:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 30 (dertig) uren taakstraf, die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat deze bijkomende straf, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van de op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.D. Overbeek, politierechter,

in tegenwoordigheid van de griffier R. Winter,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 november 2018.

De griffier is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Hoge Raad 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:2502