Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:10381

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
03-12-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 642
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Goedkeuring van de “Gedragscode Natuurinclusief renoveren, bestemd voor projecten met het Nul op de Meter (NOM) Keur” op basis van artikel 3.31 van de Wet natuurbescherming (Wnb) door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 18/642 en HAA 18/616

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 november 2018 in de zaken tussen

1. Stichting Ecologisch Vleermuis Onderzoek Nederlandte Heemstede,

(gemachtigde: mr. J. Gundelach),

2. Huismus Bescherming Nederland Stichting Witte Muste Andijk,

(gemachtigde: mr. B.N. Kloostra),

eiseressen

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. W.L.C. Rijk, C. Crutzen en Van Aalst).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Vereniging “ [de vereniging] ”, te Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder op basis van artikel 3.31 van de Wet natuurbescherming (Wnb) de door derde-partij vastgestelde “Gedragscode Natuurinclusief renoveren, bestemd voor projecten met het Nul op de Meter (NOM) Keur” (de Gedragscode) goedgekeurd voor een periode van vijf jaar.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben aanvullende beroepschriften ingediend.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2018. Eiseres sub 1 is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, [naam 1] en [naam 2] . Eiseres sub 2 is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [naam 3] . Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Derde-partij is vertegenwoordigd door [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] .

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

Formeel

1.1

De rechtbank is gehouden de ontvankelijkheid van de beroepen ambtshalve te beoordelen.

1.2

De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure zoals opgenomen in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Awb op 18 december 2017 is bekendgemaakt door toezending aan derde-partij.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:8, vierde lid, van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, van de Awb ter inzage is gelegd.

1.3

De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit niet overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, van de Awb ter inzage is gelegd. In de kennisgeving van het bestreden besluit van 2 januari 2018 (Staatscourant 2018, nummer 198) is niet vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen. Dit is op grond van artikel 3:12, derde lid, onderdeel a, van de Awb, waarnaar in artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, van de Awb is verwezen, wel vereist.

1.4

Het voorgaande betekent dat de beroepstermijn niet is aangevangen. De beroepschriften van eiseres sub 1 en eiseres sub 2 zijn op 14 februari 2018 onderscheidenlijk 12 februari 2018 en dus voor aanvang van de beroepstermijn ingediend. De rechtbank ziet aanleiding de niet-ontvankelijkheid van de beroepen vanwege voortijdige indiening ervan achterwege te laten op de voet van artikel 6:10, eerste lid, onder a, van de Awb. Het bestreden besluit was ten tijde van de indiening van de beroepschriften immers reeds tot stand gekomen en aan derde-partij op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

1.5

De rechtbank ziet aanleiding het voornoemde aan het bestreden besluit klevende gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Zij neemt daarbij in aanmerking dat aannemelijk is dat eiseressen en andere belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld. De rechtbank acht daarbij doorslaggevend dat wel aan de overige vereisten van artikel 3:12 Awb is voldaan en aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen hebben ingediend een exemplaar van het bestreden besluit is toegezonden.

2.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beroepsgronden die niet vallen onder de gronden die reeds in de zienswijzen naar voren zijn gebracht, gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb, buiten bespreking dienen te blijven.

2.2

Op grond van artikel 6:13 van de Awb, voor zover van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

Dit artikel moet, gelet op de geschiedenis van totstandkoming ervan (Kamerstukken II, 2003/04, 29421, nr. 3, p. 5 e.v. en nr. 11) aldus worden uitgelegd dat een belanghebbende slechts beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waartegen hij zienswijzen heeft ingebracht.

2.3

Het bestreden besluit dient naar het oordeel van de rechtbank voor de toepassing van artikel 6:13 Awb te worden aangemerkt als één besluit, dat zich niet laat opdelen in meerdere besluitonderdelen. Artikel 6:13 van de Awb staat er dus niet aan in de weg dat in beroep nieuwe gronden tegen het bestreden besluit worden aangevoerd. Er is dan ook geen aanleiding beroepsgronden buiten bespreking te laten. De rechtbank volgt verweerder niet in diens standpunt.

Inhoudelijk

3. De relevante bepalingen uit de Wnb, de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (de Habitatrichtlijn) en de Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (de Vogelrichtlijn) zijn opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

4. De Gedragscode geldt voor NOM-renovatieprojecten waarbij gewerkt wordt onder het zogeheten NOM-keur. Het betreft het zogeheten “Stroomversnellingsproject”. Een NOM-renovatie is een renovatie van een woning waarbij de gerenoveerde woning evenveel duurzame energie opwekt als dat de woning op jaarbasis gebruikt. Het gaat om de renovatie van rijwoningen en flats die tussen 1945 en 1990 zijn gebouwd. Werkzaamheden die onder de Gedragscode vallen betreffen onder meer het verwijderen van zelf aangebrachte voorzieningen, dakpannen, latten, kozijnen, ramen, cv-ketels, het ophangen en plaatsen van gevel- en dak-elementen, het plaatsen van panelen en luchtwaterwarmtepompen en het aftimmeren van de binnenkant van de woning. De isolatie wordt aan de buitenkant van de woningen aangebracht. De projectlocaties liggen verspreid over heel Nederland. Uit de oplegger behorende bij de Gedragscode blijkt dat het kan gaan om het renoveren van 50.000 tot 200.000 woningen per jaar. De Gedragscode beperkt zich tot de soorten genoemd in de artikelen 3.1, 3.5, eerste lid, en 3.10, eerste lid, van de Wnb. De soorten die het betreft zijn vleermuizen (verschillende soorten daarvan), gierzwaluw, huismus, steenmarter en algemene soorten.

5. De beroepen van eiseressen richten zich, zo is ter zitting door hen ook bevestigd, uitsluitend op die elementen van de Gedragscode die zien op en gevolgen hebben voor vleermuizen en de huismus. De beoordeling door de rechtbank zal zich dan ook hiertoe beperken.

6. Niet in geschil is, zoals ook de rechtbank vaststelt, dat de handelingen die in paragraaf 1.4 van de Gedragscode zijn omschreven plaatsvinden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting als bedoeld in artikel 3.31, eerste lid en onder d, van de Wnb.

7.1.1

Eiseres sub 1 betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH0446, dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 16 van de Habitatrichtlijn. Het volgens eiseres sub 1 door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde belang van de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting is namelijk geen belang dat is genoemd in artikel 16 van de Habitatrichtlijn op basis waarvan van de verbodsbepaling van artikel 12 van de Habitatrichtlijn kan worden afgeweken.

7.1.2

Eiseres sub 2 betoogt dat het bestreden besluit dan wel artikel 3.31, eerste lid en onder d, van de Wnb in strijd is met artikel 9 van de Vogelrichtlijn, omdat de goedgekeurde werkzaamheden niet plaatsvinden op grond van een van de in artikel 9 van de Vogelrichtlijn genoemde redenen.

7.2

De rechtbank stelt vast dat alle in de Gedragscode genoemde vleermuissoorten, gelet op bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, onder de Habitatrichtlijn vallen. De rechtbank stelt verder vast dat de eveneens in de Gedragscode genoemde huismus, gelet op artikel 1 van de Vogelrichtlijn, onder de Vogelrichtlijn valt. Eiseressen kunnen dus elk op zichzelf bezien een beroep doen op de hiervoor genoemde bepalingen uit die richtlijnen.

7.3

De rechtbank overweegt als volgt. Ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2009 alsmede die van de Afdeling van 30 juni 2010, ECLI:RVS:2010:BM9649 was “ruimtelijke ontwikkeling en inrichting” niet alleen als kader vermeld in het destijds geldende artikel 16b, eerste lid en onder d, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (het Vrijstellingsbesluit), maar ook als belang in het destijds geldende artikel 2, derde lid en onder j, van het Vrijstellingsbesluit. Het belang “ruimtelijke ontwikkeling en inrichting” was ten grondslag gelegd aan de in die zaken spelende verleende ontheffingen. Omdat dat belang niet werd (en wordt) genoemd in artikel 16 van de Habitatrichtlijn en artikel 9 van de Vogelrichtlijn kon dat belang volgens de Afdeling niet als grondslag voor het verlenen van de ontheffingen worden gehanteerd.

“Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting” is thans in artikel 3.31, eerste lid en onder d, van de Wnb uitsluitend genoemd als kader waarbinnen in een gedragscode genoemde handelingen kunnen worden uitgevoerd. “Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting” is niet (meer) tevens als een belang genoemd in een bepaling in de Wnb die als grondslag voor besluitvorming (met betrekking tot het goedkeuren van een gedragscode) kan dienen. Verweerder heeft “ruimtelijke ontwikkeling en inrichting” ook niet als belang aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, maar, zoals ook uit hetgeen hierna onder 8 is overwogen volgt, uitsluitend de belangen “bescherming van flora en fauna”, “volksgezondheid en openbare veiligheid” en “dwingende redenen van groot openbaar belang”.

Hetgeen eiseressen hebben aangevoerd en onder 7.1 is weergegeven biedt dan ook geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit dan wel artikel 3.31, eerste lid en onder d, van de Wnb in strijd is met de Habitat- dan wel Vogelrichtlijn.

7.4

De betogen van eiseressen slagen niet.

8.1.1

Eiseres sub 1 betoogt dat met de in de Gedragscode omschreven handelingen geen van de in artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb en artikel 16 van de Habitatrichtlijn genoemde belangen is gemoeid. Hoewel de Gedragscode is gelieerd aan het Stroomversnellingsproject, maakt niet dat met iedere handeling op zich een in de Habitatrichtlijn genoemd belang is gemoeid. De Gedragscode kan immers ook voor kleine, individuele renovaties worden toegepast. Eiseres sub 1 betoogt voorts dat niet alle isolatiemaatregelen die met de Gedragscode mogelijk worden gemaakt zijn terug te voeren op het belang “dwingende reden van groot openbaar belang”. Voor het klimaatbelang is het immers niet schadelijk wanneer huizen met belangrijke verblijfplaatsen of zeldzame soorten niet direct geïsoleerd of slechts met maatwerk geïsoleerd worden.

8.1.2

Eiseres sub 2 betoogt dat de in de Gedragscode omschreven handelingen niet plaatsvinden ten behoeve van een van de in artikel 3.3, vierde lid, van de Wnb en artikel 9 van de Vogelrichtlijn genoemde belangen. Zij voert daartoe aan dat verweerder op geen enkele wijze heeft aangetoond dat de volksgezondheid in het geding is. Verder is niet gemotiveerd dat en waarom woningisolatie onder NOM dwingend nodig is om de klimaatdoelstellingen te realiseren en wat de relatie is met de ingeroepen volksgezondheid.

Inzicht in en cijfers over hoe woningisolatie onder NOM de luchtkwaliteit en dus de volksgezondheid zouden kunnen beïnvloeden ontbreken. Evenmin is onderzocht hoe de eventuele gezondheidsvoordelen van de voorgestane wijze van isolatie onder een Gedragscode zich verhouden tot eventuele gezondheidsvoordelen van woningisolatie indien deze per individuele ontheffing zou worden toegestaan.

8.2

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de Gedragscode bijdraagt aan de verbetering van de volksgezondheid door woningen dusdanig te isoleren dat vocht en tocht in huis beperkt worden. Het binnenmilieu wordt verbeterd en dat is in het belang van de volksgezondheid.

De Gedragscode is volgens verweerder eveneens in het belang van de bescherming van flora en fauna. Om de op mondiaal niveau spelende problematiek van het broeikaseffect aan te pakken, zal ook op nationaal niveau dienen te worden geïnvesteerd. Het project Stroomversnelling vormt een onderdeel van een dergelijke investering. De nadelige effecten van het broeikaseffect zijn divers. Zonder maatregelen om de effecten een halt toe te roepen dan wel te minimaliseren zullen de gevolgen voor veel soorten groot zijn met als worstcase scenario het (lokaal) uitsterven tot gevolg. Door het klimaatprobleem bij de bron aan te pakken (vermindering uitstoot broeikasgassen) kunnen hier op den duur velerlei soorten baat bij hebben.

Wat betreft het belang “dwingende redenen van groot openbaar belang” stelt verweerder zich op het standpunt dat met de omvang van de NOM-renovaties een reductie in CO2-uitstoot en daarmee een afname in het gebruik van fossiele brandstoffen en een substantiële bijdrage aan het beperken van klimaatverandering worden bereikt. Het beperken van de gevolgen van klimaatverandering dient een groot maatschappelijk belang. Klimaatverandering kan tot economische schade leiden als gevolg van onder meer zeespiegelstijging, bedreiging van de energievoorziening en een toenemend risico op ziekten en plagen.

Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat juist de schaalgrootte van de onder de Gedragscode vallende handelingen zorgt voor een reductie van de CO2-uitstoot. Volgens verweerder dient naar het totaalbeeld te worden gekeken en niet naar het resultaat dat per individueel project kan worden bereikt.

8.3

De rechtbank stelt voorop dat zij – met verweerder – van oordeel is dat voor de vraag of met de in de Gedragscode omschreven handelingen belangen als bedoeld in de voornoemde artikelen van de Wnb en de Habitat- en Vogelrichtlijnen zijn gemoeid, uit moet worden gegaan van een totaalbenadering. De goedkeuring van de voorliggende Gedragscode door verweerder heeft niet het karakter van een individuele ontheffing voor een specifieke werkzaamheid, maar brengt met zich dat categorieën werkzaamheden, voor zover deze aantoonbaar overeenkomstig de Gedragscode plaatsvinden, op landelijke schaal worden toegestaan vanuit de Wnb. Gelet op dit landelijke karakter van de Gedragscode ligt het in de rede ook bij de beoordeling van de vraag of daarmee een of meer van genoemde belangen wordt gemoeid uit te gaan van het brede toepassingsbereik. De Gedragscode dient in dit verband dus in zijn totaliteit te worden beschouwd en niet per (klein) individueel project dat op basis van de Gedragscode mogelijk is.

8.4

De rechtbank stelt vast dat de door verweerder ingeroepen belangen van “de bescherming van de flora en fauna” en “de volksgezondheid” belangen zijn die genoemd worden in artikel 3.3, vierde lid, van de Wnb en in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vogelrichtlijn. Deze belangen zijn daarmee relevant voor de beoordeling voor zover die ziet op de huismus. De genoemde belangen zijn eveneens vermeld in artikel 3.8, vijfde lid, aanhef, onder b en onder 1 en 3 van de Wnb en in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Habitatrichtlijn en daarmee ook relevant voor de beoordeling voor zover die ziet op de vleermuis. Daarnaast is in artikel 3.8, vijfde lid, aanhef, onder b en onder 3, van de Wnb en artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Habitatrichtlijn het door verweerder ingeroepen belang van “andere dwingende redenen van groot openbaar belang” genoemd. Dit belang is dus uitsluitend relevant voor de beoordeling voor zover die ziet op de vleermuis.

De rechtbank is van oordeel dat door verweerder voldoende is gemotiveerd dat het tegengaan van klimaatverandering zowel in het belang van de bescherming van de flora en fauna kan zijn als kan bijdragen aan de volksgezondheid. Voor dit laatste acht de rechtbank doorslaggevend dat de onderhavige gestandaardiseerde aanpak tot gevolg heeft dat de woningvoorraad sneller gerenoveerd kan worden en dat dit, zoals ook niet wordt betwist, een significante reductie in CO2-uitstoot oplevert. Hiermee wordt niet alleen beoogd de klimaatverandering als zodanig tegen te gaan, maar ook leiden lagere emissies tot een verbeterde luchtkwaliteit. In hetgeen eiseressen hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat dit standpunt van verweerder niet kan worden gevolgd.

De rechtbank kan verweerder ook volgen in zijn standpunt dat met het beperken van de gevolgen van klimaatverandering een groot openbaar belang is gediend.

De rechtbank heeft voor haar conclusie aanknopingspunten gevonden in de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1227.

8.5

Ook deze betogen van eiseressen slagen niet.

9. De rechtbank overweegt verder dat afwijking ten aanzien van onder de richtlijnen vallende soorten met het oog op de in artikel 16, eerste lid, van de Habitatrichtlijn en artikel 9, eerste lid, van de Vogelrichtlijn vermelde belangen slechts toelaatbaar is indien geen andere bevredigende oplossing bestaat en geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

10. De rechtbank overweegt voorts dat artikel 9 van de Vogelrichtlijn en artikel 16 van de Habitatrichtlijn, waarin nauwkeurig de criteria zijn geformuleerd aan de hand waarvan de lidstaten mogen afwijken van de in de richtlijnen gestelde verboden, uitzonderingsbepalingen vormen in het door de richtlijnen opgezette beschermingsstelsel en bijgevolg restrictief moeten worden uitgelegd.

11.1.1

Eiseres sub 1 betoogt dat in de Gedragscode niet is ingegaan op de vraag of er alternatieven voorhanden zijn. Volgens eiseres sub 1 is het veel zorgvuldiger om woningen waar zich aantoonbaar kwetsbare kolonies bevinden of waar deze zonder zorgvuldig onderzoek niet naar alle redelijkheid kunnen worden uitgesloten voorlopig niet te isoleren totdat duidelijk is welke vorm van mitigatie werkt. In Tilburg is gebleken dat er een alternatief is voor de Gedragscode. Na een degelijk onderzoek, waarbij de kansen en knelpunten van verschillende vleermuissoorten in beeld zijn gebracht, konden op voorhand op de juiste locaties mitigerende maatregelen worden getroffen. Niet valt in te zien waarom bij de NOM-renovaties niet op die manier zou kunnen worden gewerkt. Bij de afweging omtrent een andere bevredigende oplossing moet dus niet alleen worden gekeken naar het doel of de locatie van de ingreep, maar ook naar de uitvoeringsmodaliteit. Verweerder had vooraf moeten onderzoeken of de renovatie- en isolatiewerkzaamheden ook denkbaar en uitvoerbaar zouden kunnen zijn met een minder grof raamwerk als de Gedragscode. Een dergelijk onderzoek is niet verricht, aldus eiseres sub 1.

11.1.2

Eiseres sub 2 betoogt dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat geen sprake is van een andere bevredigende oplossing. Er zijn volgens eiseres sub 2 alternatieven die voor minder schade aan de huismussenpopulatie en aan de individuele huismussen en hun nesten zorgen. Eiseres sub 2 noemt daarbij het van binnenuit werken, waarbij de gevel en het dak niet onder plastic platen verdwijnen. Zij noemt verder het isoleren van het dak vanuit de buitenkant met terugplaatsing van dakpannen en gevelisolatie door inspuiten.

Volgens eiseres sub 2 is en wordt bovendien niet per woning getoetst of er alternatieven zijn, terwijl te isoleren woningen en hun omgeving sterk onderling kunnen verschillen. Het per project volgen van de ontheffingsprocedure is een alternatief. Per situatie kan dan worden bezien wat de beste isolatiemethode is.

11.2

In het bestreden besluit is vermeld dat in de fase van planning van werkzaamheden rekening dient te worden gehouden met de vraag of een andere bevredigende oplossing bestaat voor de werkzaamheden.

Bij de vraag naar alternatieven speelt volgens verweerder, zo heeft hij in het verweerschrift verwoord, ook de doelmatigheid een rol. Verweerder verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM9649. In dit geval gaat het volgens verweerder om renovatieprojecten met een landelijke reikwijdte. Het zou ondoelmatig zijn om met gebiedsontheffingen te werken zoals in Tilburg is gebeurd.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat ook is beoordeeld of het van binnenuit isoleren van woningen een optie is, maar gebleken is dat dat niet het geval is. Die manier van isoleren is volgens verweerder minder effectief dan het van buitenaf isoleren van woningen. Hoewel er een hoge isolatiewaarde mee kan worden bereikt, leidt het van binnenuit isoleren wel tot een extra dikke laag isolatiemateriaal waardoor ruimte wordt ingeperkt. Het isoleren van de buitengevel is een effectieve en betaalbare manier om woningen te isoleren. Verder leiden de werkzaamheden aan de buitengevel bij bewoners tot minder overlast en wordt de levensduur van de woningen hierdoor verlengd. Er is een klimaatakkoord gesloten. Met circa 40 organisaties is afgesproken dat de bebouwde omgeving in 2050 klimaatneutraal moet zijn. Met de in de Gedragscode gekozen wijze van isoleren kan dat doel volgens verweerder worden bereikt.

11.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met diens in het verweerschrift en ter zitting gegeven nadere toelichting deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het door eiseres sub 2 aangedragen alternatief van het binnenuit isoleren van woningen geen reële optie is.

Daarnaast speelt, zoals uit de genoemde uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2010 volgt, de doelmatigheid van eventuele alternatieven een rol. Zoals hiervoor is overwogen brengt het goedkeuren van de Gedragscode met zich dat categorieën werkzaamheden, voor zover deze aantoonbaar overeenkomstig de Gedragscode plaatsvinden, op landelijke schaal worden toegestaan vanuit de Wnb. Een alternatief zou zijn dat per afzonderlijke werkzaamheid of per werkzaamheden in nader te omschrijven gebieden voor alle betrokken soorten een ontheffing op grond van de Wnb zou moeten worden aangevraagd. Met het oog op de bescherming van de flora en fauna en de volksgezondheid, kan dat alternatief naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende doelmatig worden geacht. Ook omdat, zoals verweerder ter zitting nader heeft toegelicht, juist de schaal waarop de renovaties plaatsvinden zorgt voor een reductie van de CO2-uitstoot. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de eis uit zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn dat geen andere bevredigende oplossing bestaat, voor de Gedragscode met een landelijk handelingskarakter niet zover strekt dat alle denkbare situaties vooraf concreet behoeven te worden ingevuld.

11.4

Ook deze betogen van eiseres slagen niet.

12.1.1

Eiseres sub 1 betoogt voorts dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van meerdere betrokken vleermuissoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Volgens eiseres sub 1 is niet voldaan aan de in artikel 3.31, tweede lid, onderdeel c, van de Wnb genoemde voorwaarde dat in de Gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven waarmee afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de vleermuizen zorgvuldig wordt gehandeld. Niet kan worden gezegd dat op basis van de Gedragscode slechts handelingen worden verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de vleermuizen. Ter onderbouwing van haar standpunt voert eiseres sub 1 het navolgende aan.

Als gevolg van de in de Gedragscode voorgeschreven onderzoeksmethode bestaat volgens eiseres sub 1 voorafgaand aan het verrichten van de handelingen onvoldoende kennis over voorkomende vleermuissoorten in het projectgebied. Er had volgens het Vleermuisprotocol gewerkt moeten gaan worden. Als gevolg van de gebrekkige inventarisatie zijn bijzondere situaties niet te ontdekken. Daarnaast is er te weinig kennis en aandacht voor de soorten die al in een ongunstige staat van instandhouding verkeren. Voorts is de ecologische effectiviteit van compenserende maatregelen niet bewezen en is als gevolg van de gebrekkige inventarisatie sprake van ondercompensatie in plaats van overcompensatie. Bovendien is onvoldoende zicht op cumulatieve effecten, niet alleen op lokaal, maar ook op regionaal en landelijk niveau. Daarenboven is door gebreken in monitoring onvoldoende inzicht in de effecten van de praktijk op de staat van instandhouding van soorten en populaties vleermuizen. Ten slotte is in de Gedragscode het aantal te renoveren projectlocaties niet beperkt.

12.1.2

Eiseres sub 2 voert hetzelfde aan, maar dan ten aanzien van de huismus. De staat van instandhouding van de huismus in Nederland gaat volgens eiseres sub 2 al jaren achteruit en is landelijk matig ongunstig. Met de voorgeschreven omgevingscheck kan uitsluitend worden vastgesteld of huismussen aanwezig zijn, maar bijvoorbeeld niet het aantal en ook wordt geen inzicht verkregen in de aanwezigheid van de voor de overleving van de huismus noodzakelijke habitatelementen. De Gedragscode bevat ook nergens voorschriften voor inventarisatie en compensatie van nesten rond woningen die zich niet in gevel, goot of onder het dak bevinden. Cruciaal is te omschrijven hoe te compenseren natuurwaarden moeten worden geïnventariseerd. Als voorbeeld kan het Vleermuisprotocol dienen. De werkprotocollen en het ecologisch werkprotocol waarnaar is verwezen hadden vooraf inzichtelijk moeten zijn. De Gedragscode biedt niet de garantie dat in gebruik zijnde vaste verblijfsplaatsen niet worden vernield. Het verwijderen of sluiten van nesten of vaste verblijfplaatsen zou volgens de Gedragscode tot uiterlijk half februari kunnen worden uitgevoerd, ongeacht of deze in gebruik zijn of niet. De enige maand waarin dit echter zou kunnen is de maand oktober. Daarbij komt dat in de Gedragscode een onjuist uitgangspunt is gehanteerd wat betreft de aanvang van het broedseizoen van de huismus. Uitgegaan is van medio februari, terwijl de broedtijd van de huismus al begin januari een aanvang neemt.

De gevolgen van de isolatie zullen niet voldoende worden gecompenseerd omdat een inventarisatieprotocol ontbreekt. Van de Gedragscode maakt een compensatieplan geen deel uit. In de Gedragscode wordt weliswaar onderkend dat het noodzakelijk is dat de huismus binnen 50 meter van zijn verblijfplaats beschikt over alle habitatelementen die voor zijn overleving noodzakelijk zijn, maar er wordt een uitzondering toegestaan tot 120 meter. Dit leidt ertoe dat compensatie niet effectief en dekkend zal zijn.

Ook ontbreekt een monitoringsprotocol. Het monitoringsplan was ten tijde van het bestreden besluit nog niet opgesteld.

12.2.1

De rechtbank stelt wat betreft de op basis van de Gedragscode te verrichten onderzoeksinspanningen het volgende vast.

12.2.2

In paragraaf 3 “Het Activiteitenplan” van de Gedragscode is beschreven welke activiteiten moeten worden uitgevoerd in het kader van een NOM-project, teneinde te borgen dat de populaties van de verschillende soorten qua grootte en duurzaamheid in stand worden gehouden. Aangegeven is dat per project een omgevingscheck dient te worden uitgevoerd, een omgevingsplan en een ecologisch werkprotocol dienen te worden opgesteld en dat een ecologische vrijgave en uitvoering van het werkprotocol plaats dienen te vinden. Bij het uitvoeren van deze activiteiten dient gebruik te worden gemaakt van de richtlijnen voor mitigerende en compenserende maatregelen die de afgelopen twee jaar zijn ontwikkeld (de bijlagen A (mitigerende maatregelen) en B (compenserende maatregelen) bij de Gedragscode). Voorts is het verplicht een ecologisch deskundige op het gebied van soorten in te huren die de Gedragscode uitvoert en toezicht houdt op een goede naleving. Deze ecologische deskundige dient bij elk project op een aantal momenten aanwezig te zijn (bij het vrijmaken van de eerste twee woningen, tijdens het aanbrengen van de eerste vervangende verblijfplaatsen, in de loop en na afloop van het project).

12.2.3

In paragraaf 3.2 “Het uitvoeren van de omgevingscheck” is aangegeven dat de omgevingscheck een quickscan is die ten doel heeft de situatie in en om het projectgebied te verkennen en te onderzoeken of de kans reëel is dat sprake is van een bijzondere situatie. De check heeft voorts ten doel de toekomstige ontwikkelingen rondom het projectgebied in kaart te brengen. De omgevingscheck bestaat minimaal uit een literatuuronderzoek en een eenmalig veldbezoek.

Indien uit de omgevingscheck blijkt dat zich een bijzondere situatie voordoet, dient maatwerk te worden geleverd en dient contact te worden opgenomen met de provincie. In overleg met de provincie dient te worden bepaald of een aanvullend onderzoek nodig is volgens de bestaande kennisdocumenten en het Vleermuizenprotocol of dat nieuwe maatregelen moeten worden ontwikkeld.

Wat onder bijzondere situaties wordt verstaan is omschreven in paragraaf 3.2.3 van de Gedragscode.

12.2.4

In paragraaf 3.3 “Het opstellen van een omgevingsplan” is aangegeven dat een omgevingsplan moet worden opgesteld waarin, op basis van de resultaten uit de omgevingscheck en geplande renovatiewerkzaamheden, een analyse wordt gemaakt van het effect op aanwezige soorten. In het omgevingsplan dient te worden aangegeven welke mitigerende en compenserende maatregelen genomen moeten worden.

12.2.5

In paragraaf 3.4 “Ecologisch werkprotocol” is aangegeven dat het ecologische werkprotocol de vertaling van het omgevingsplan naar een praktische handleiding voor de uitvoerder van het project op de bouwplaats vormt. In het protocol staan alle maatregelen beschreven die genomen worden ten aanzien van de beschermde soorten.

12.2.6

In paragraaf 3.5 “Ecologische vrijgave en uitvoering van het werkprotocol” is aangegeven dat het werkgebied voorafgaand aan de werkzaamheden ecologisch dient te worden vrijgegeven door de ecologische deskundige. Aangegeven is voorts dat indien zich onvoorziene omstandigheden voordoen ten aanzien van beschermde soorten direct contact dient te worden opgenomen met de ecologisch deskundige. Incidenten dienen te worden gemeld bij het bevoegd gezag.

12.3.1

De rechtbank stelt wat betreft de op basis van de Gedragscode te nemen maatregelen het volgende vast.

12.3.2

In bijlage A “Mitigerende maatregelen” zijn per soort de kwetsbare seizoenen vermeld. Aangegeven is dat de periode waarin voor de huismus mitigerende maatregelen kunnen worden getroffen loopt van oktober tot en met medio februari. In die periode kunnen de nestlocaties en gezamenlijke slaapplaatsen ongeschikt worden gemaakt, behalve als het vriest. Dan kunnen er geen mitigerende maatregelen worden getroffen.

Wat betreft de vleermuizen is vermeld dat mitigerende maatregelen kunnen worden getroffen met ingang van augustus tot en met oktober of na de winter, in april.

Vervolgens is zowel voor de huismus als voor de vleermuizen aangegeven welke mitigerende maatregelen mogelijk zijn en worden nadere uitvoeringsvoorschriften gesteld.

Verder is per type woning beschreven welke soorten daar voor kunnen komen en wat de kans is dat dat ook werkelijk het geval zal zijn. Per type woning worden ook de mogelijke mitigerende maatregelen beschreven om te voorkomen dat de soorten zich in de woning gaan voortplanten. In deze beschrijving wordt ook aangegeven in welke situatie en periode tijdelijke verblijfplaatsen moeten worden aangebracht. Het aantal aan te brengen tijdelijke verblijfplaatsen dient door de deskundige te worden bepaald.

12.3.3

In bijlage B “Compenserende maatregelen” is ingegaan op nestvoorzieningen. Aangegeven is dat er twee verschillende mogelijkheden zijn om goedgekeurde nestvoorzieningen toe te passen. In de eerste plaats kan gebruik worden gemaakt van een voorziening uit factsheets die in de afgelopen twee jaar door het kennisplatform zijn goedgekeurd. In de factsheets van de goedgekeurde voorzieningen staat onder meer in welk materiaal de voorzieningen dienen te worden uitgevoerd, zijn technische eisen vermeld, is aangegeven waar de voorziening dient te worden geplaatst, hoeveel per woning en wat de afstand tussen de voorzieningen dient te zijn.

In de tweede plaats worden nieuwe factsheets ontwikkeld aan de hand van criteria die zijn vastgesteld door het kennisplatform.

Onderkend is in bijlage B dat er nog weinig bekend is over de ecologie en de daarmee samenhangende verblijfseisen van de laatvlieger. Daarom is nog geen kennisdocument ontwikkeld voor deze vleermuissoort. De vleermuiskast uit de Gedragscode is ontwikkeld als een startpunt voor de taylor-made voorziening voor de laatvlieger.

12.4.1

De rechtbank stelt wat betreft de op basis van de Gedragscode uit te oefenen monitoring het volgende vast.

12.4.2

In bijlage F “Monitoring” is aangegeven dat de Gedragscode de gehele periode dat deze in werking is (voor de duur van vijf jaar) wordt gemonitord. De monitoring bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel ziet op een borging op een goede uitvoering van de gedragscode door het NOM-keur (er vindt controle plaats op propositie, toepassing en levensduur). Daarnaast bestaat monitoring uit het in kaart brengen van de functionaliteit van de aangebrachte compenserende maatregelen en het effect op populaties.

In paragraaf 2.4 “Analyseren en conclusies” is aangegeven dat de monitoringsresultaten zullen worden gebruikt om de Gedragscode te optimaliseren en kunnen leiden tot aanpassing ervan. Verder is aangegeven dat het doel van de monitoring is om door middel van een gestandaardiseerde wijze zoveel mogelijk relevante gegevens te verzamelen bij projecten die onder de Gedragscode worden uitgevoerd, zodat in de loop van vijf jaar inzicht wordt verkregen in welke mate de aangebrachte voorzieningen en verblijven functioneel zijn. Door in de eerste twee jaar maximaal te monitoren en zo veel mogelijk informatie te verzamelen wordt steeds meer informatie opgebouwd. Het monitoringstraject zal op basis van kennisopbouw en ervaring aangepast en verder uitgewerkt worden.

12.5.1

De rechtbank overweegt ook hier, onder verwijzing naar de genoemde uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2010, dat een Gedragscode een breed handelingskader moet kunnen bieden, in welk licht niet alle denkbare situaties vooraf concreet behoeven te worden ingevuld. Volstaan mag worden met het voorschrijven van minimumnormen waaraan deelnemers van een gedragscode in concrete gevallen aantoonbaar moeten voldoen.

Dat de Gedragscode de deelnemers in dit geval de ruimte biedt om maatregelen door middel van individuele omgevingsplannen en werkprotocollen toe te spitsen op de specifieke situaties, verzet zich dan ook niet tegen goedkeuring door verweerder van de voorliggende Gedragscode.

12.5.2

Hetgeen eiseressen overigens hebben aangevoerd biedt evenmin grond voor het oordeel dat verweerder de Gedragscode niet had mogen goedkeuren. De rechtbank neemt hierbij het navolgende in aanmerking.

Volgens de Gedragscode wordt in beginsel weliswaar geen fundamenteel of toegepast onderzoek gestart, maar daar staat tegenover dat de binnen het Activiteitenplan voorgeschreven, hiervoor omschreven, te doorlopen stappen waarborgen dat een voldoende dekkend en actueel overzicht van nesten, verblijfplaatsen en de aanwezigheid van beschermde soorten wordt verkregen, waarop de deelnemers in samenspraak met de verplicht in te schakelen ecologisch deskundige hun handelen dienen af te stemmen. In de Gedragscode is er rekening mee gehouden dat zich bijzondere situaties kunnen voordoen, welke bijzondere situaties ook nader zijn omschreven. In geval sprake is van een bijzondere situatie dient in overleg met het bevoegd gezag te worden bezien of een aanvullend onderzoek overeenkomstig het door eiseressen genoemde Vleermuizenprotocol moet worden verricht om de aanwezigheid van soorten uit te sluiten. Er wordt dan maatwerk geleverd. De ecologische deskundige heeft bij de verplicht te doorlopen stappen voortdurend een controlerende functie. Een project wordt niet eerder vrijgeven dan na goedkeuring van de ecologische deskundige. Daarmee worden van de standaard afwijkende situaties ondervangen, bijvoorbeeld het (niet al zichtbaar beginnen met voorbereidingen voor het) broeden van een huismus buiten het gangbare broedseizoen om. Daarnaast dient elk project bij het bevoegd gezag gemeld te worden, zodat betrokkenheid van het bevoegd gezag is gewaarborgd. Voorts is een kennisplatform betrokken. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat de Gedragscode in voldoende onderzoeksinspanningen voor de deelnemers voorziet.

Wat de op basis van de Gedragscode te treffen maatregelen betreft worden standaard per woning drie voorzieningen getroffen ten behoeve van de huismus en per acht woningen een voor de vleermuizen. Zoals ter zitting is toegelicht is de Vogelbescherming betrokken (geweest) bij het bepalen van de te treffen voorzieningen voor de huismus en de Zoogdierbescherming bij het kiezen van een type kast voor de vleermuizen. In de Gedragscode is verder zeer concreet omschreven welke maatregelen getroffen moeten worden. Er is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewaarborgd dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de onder de Gedragscode vallende vleermuizen en huismus in een gunstige staat van instandhouding te laten voorbestaan.

Voor zover op bepaalde onderdelen, bijvoorbeeld ten aanzien van de laatvlieger, sprake is van leemte in kennis, wordt dit naar het oordeel van de rechtbank voldoende ondervangen door de verplichte continue aanwezigheid van de ecologische deskundige in samenhang bezien met de verplicht voorgeschreven monitoring gedurende de looptijd van de Gedragscode.

De rechtbank komt tot de conclusie dat voldoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de vleermuizen en de huismus zorgvuldig wordt gehandeld als bedoeld in artikel 3.31, derde lid, van de Wnb, zodat ook op dat punt is voldaan aan artikel 3.31, tweede lid en onder c, van Wnb. Dat in de Gedragscode termen als “zoveel mogelijk”, “ bij voorkeur” en “in beginsel” worden gebruikt maakt het voorgaande niet anders. De op de desbetreffende plaatsen beschreven maatregelen dienen als concreet na te leven gedragsregels te worden beschouwd. Afwijkingen daarvan vallen niet onder de reikwijdte van de goedkeuring.

De rechtbank acht ten slotte van betekenis dat verweerder het bestreden besluit kan intrekken op grond van artikel 5.4, negende lid, van de Wnb indien naar zijn oordeel de staat van instandhouding van de vleermuizen en de huismus of de trend in de staat van instandhouding van die soorten daartoe noodzaakt.

12.5.3

Ook deze betogen van eiseressen slagen niet.

13.1

Eiseres sub 2 betoogt dat de Gedragscode niet uitvoerbaar en handhaafbaar is, omdat deze te ingewikkeld is om gedurende de uitvoering van werk als handleiding voor wat wel en niet is toegestaan te gebruiken. Voor handhavers en derden is de Gedragscode verder ook onduidelijk.

13.2

De rechtbank stelt vast dat het inherent is aan een gedragscode dat deze een breed handelingskader biedt. De rechtbank is daarmee van oordeel dat daarin niet de uitwerking van alle te verrichten stappen alsmede te treffen maatregelen concreet behoeven te worden omschreven. Zoals hiervoor is overwogen mag worden volstaan met het voorschrijven van minimumnormen. Dit betekent niet dat de Gedragscode daarom in strijd met de rechtszekerheid is. Het is de provincie als bevoegd gezag die in deze een rol heeft op het gebied van toezicht en handhaving. Van alle projecten die onder de Gedragscode (gaan) plaatsvinden dient melding te worden gedaan bij de provincie. Daarmee is haar betrokkenheid gewaarborgd. Het is vervolgens aan de provincie om te bezien hoe zij vorm en invulling geeft aan haar toezichthoudende taak. Na te gaan door de provincie is in ieder geval of de in de Gedragscode omschreven verplicht te doorlopen stappen zijn gezet en de in bepaalde situaties verplicht te treffen maatregelen zijn genomen.

13.3

Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

14. De beroepen zijn ongegrond. Hetgeen eiseressen overigens hebben aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. van Velsen, voorzitter, mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. D.M. de Feijter, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Wet natuurbescherming

Artikel 3.1

1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.

2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

3 Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.

4 Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.

5 Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Artikel 3.3

1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 of artikel 3.2, zesde lid, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

4 Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

b. zij is nodig:

1°. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

2°. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

3°. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

4°. ter bescherming van flora of fauna;

5°. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of

6°. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.

Artikel 3.5

1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2 Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

3 Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

Artikel 3.8

1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6, tweede lid, ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten.

5 Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

b. zij is nodig:

1°. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

2°. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

3°. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

4°. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of

5°. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Artikel 3.31

1. De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van:

a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw;

c. een bestendig gebruik, of

d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

2 Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor:

1°. ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op vogels, één van de in artikel 3.3, vierde lid, genoemde redenen;

2°. ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, genoemde redenen;

3°. ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, of van planten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, of in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f of g, genoemde redenen;

b. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, geen benutting of economisch gewin plaatsvindt;

c. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, zorgvuldig wordt gehandeld.

3 Van zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en

b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat:

1°. dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood;

2°. nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en

3°. eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of

c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield.

4 Alvorens een gedragscode als bedoeld in het eerste lid, of een wijziging daarvan, goed te keuren of in te trekken, overlegt Onze Minister met gedeputeerde staten over zijn voornemen daartoe.

Artikel 5.4

9 Onze Minister kan een goedkeuring als bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, aanhef, intrekken indien naar zijn oordeel de staat van instandhouding van soorten als bedoeld in artikel 3.1, 3.5 of 3.10, eerste lid, of de trend in de staat van instandhouding van die soorten daartoe noodzaakt.

De Habitatrichtlijn

Artikel 12

1. De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, letter a), vermelde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied, waarbij een verbod wordt ingesteld op:

a. a) het opzettelijk vangen of doden van in het wild levende specimens van die soorten;

b) het opzettelijk verstoren van die soorten, vooral tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek;

c) het opzettelijk vernielen of rapen van eieren in de natuur;

d) de beschadiging of de vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen.

Artikel 16

1. Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, mogen de Lid-Staten afwijken van het bepaalde in de artikelen 12, 13, 14 en

15, letters a) en b):

a. a) in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

b) ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom;

c) in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

d) ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie van deze soorten, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten;

e) ten einde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, door de bevoegde nationale instanties vastgesteld aantal van bepaalde specimens van de in bijlage IV genoemde soorten te vangen,

te plukken of in bezit te hebben.

De Vogelrichtlijn

Artikel 1

1. Deze richtlijn heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. Zij betreft de bescherming, het beheer en de regulering van deze soorten en stelt regels voor de exploitatie daarvan.

2. Deze richtlijn is van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en hun leefgebieden.

Artikel 5

Onverminderd de artikelen 7 en 9 nemen de lidstaten de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten; deze maatregelen omvatten met name de volgende verbodsbepalingen:

a. a) een verbod om, ongeacht de gebruikte methode, opzettelijk de bedoelde vogels te doden of te vangen;

b) een verbod om opzettelijk hun nesten en eieren te vernielen of te beschadigen of hun nesten weg te nemen;

c) een verbod om in de natuur eieren van deze vogels te rapen en deze — zelfs leeg — in bezit te hebben;

d) een verbod om deze vogels, met name gedurende de broedperiode, opzettelijk te storen, voor zover een dergelijke storing, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn, van wezenlijke invloed is;

e) een verbod om vogels te houden van soorten die niet mogen worden bejaagd of gevangen.

Artikel 9

1. De lidstaten mogen, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande redenen afwijken van de artikelen 5 tot en met 8:

a. a)

— in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid,

— in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer,

— ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren,

— ter bescherming van flora en fauna;

b) voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs, het uitzetten en herinvoeren van soorten en voor de met deze doeleinden samenhangende teelt;

c) teneinde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.