Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:10378

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
29-11-2018
Zaaknummer
HAA 17/3333
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek om inzage.

Het bestreden besluit omtrent het verzoek om inzage niet voldoet aan artikel 7 van de Regeling, het bestreden besluit kan, voor zover betrekking op het verzoek om correctie, niet in stand blijven. De rechtbank leidt uit de artikelen 2 en 8 van de Regeling af dat een verzoek om correctie immers pas op juiste wijze kan worden beoordeeld indien conform artikel 7 van de Regeling uitvoering is gegeven aan het verzoek om inzage.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:5
Wet bescherming persoonsgegevens 35
Wet bescherming persoonsgegevens 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/3333

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Ritsma).

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat aan haar verzoek om inzage in haar dossiers zal worden voldaan en dat haar een kopie van het dossier Handhaving zal worden toegezonden.

Bij besluit van eveneens 24 februari 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat aan haar verzoek tot correctie van bepaalde gegevens uit haar dossier niet zal worden voldaan.

Bij besluit van 27 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen bovengenoemde besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2017. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft vervolgens aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en verweerder om een nadere reactie te verzoeken. Na ontvangst van nadere reacties van partijen en nadat geen van de partijen heeft verzocht om een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op 11 november 2015 heeft eiseres verweerder op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) verzocht om inzage in haar dossiers en op 12 november 2015 heeft zij verzocht om correctie van bepaalde gegevens in het dossier Handhaving. Op deze verzoeken heeft verweerder met de primaire besluiten van 24 februari 2016 beslist. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd.

1.2

Verweerder heeft met betrekking tot het verzoek om inzage in de dossiers als volgt overwogen. In 2013 en 2014 heeft eiseres reeds inzage gehad in het dossier, dat betrekking heeft op haar. Het gaat hierbij om het dossier Handhaving, zoals dat over eiseres in aangelegd. Dat dossier is vanaf 2008/2009 samengesteld in het kader van een onderzoek naar het recht op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) van eiseres. Er zijn destijds ook afschriften van stukken aan haar toegezonden. Behoudens brieven van eiseres, de reactie van verweerder daarop en stukken met betrekking tot diverse beroepsprocedures, bevatten de dossiers geen gegevens, die betrekking hebben op de periode na 1 november 2010. Na deze datum is geen sprake meer van een uitkeringsrelatie tussen eiseres en verweerder. Aan de dossiers, zoals die aan eiseres tijdens de inzage in 2013 en 2014 zijn gepresenteerd, zijn geen nieuwe gegevens toegevoegd, behalve de door eiseres ingediende herzieningsverzoeken en de reacties daarop. Dat met het voldoen aan het verzoek van eiseres een groot aantal stukken aan eiseres is gestuurd, was niet te vermijden, omdat niet duidelijk was over welke gegevens eiseres reeds beschikte.

1.3

Voorts heeft verweerder met betrekking tot het verzoek om correcties van gegevens in het dossier Handhaving als volgt overwogen. Dat uit het onderzoek naar de activiteiten van eiseres tijdens het ontvangen van de WW-uitkering medio 2008 naar voren is gekomen dat geen sprake was van schending van de inlichtingenplicht, maakt niet dat de gegevens in het dossier Handhaving onjuist zijn of correctie behoeven. Over de vraag of artikel 25 van de WW destijds op eiseres van toepassing was, heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) reeds meermalen uitspraken (zie de uitspraken van 8 december 2010 en 25 augustus 2014) gedaan. Dat eiseres zich niet in deze uitspraken kan vinden, maakt niet dat correctie is aangewezen. Verder ontbreekt in het verzoek van eiseres een limitatieve en exacte opsomming van de gegevens die naar haar mening correctie behoeven. Bovendien heeft eiseres aangegeven dat zij een kopie van haar verzoek aan de CRvB en aan het Openbaar Ministerie heeft gezonden, in verband met een lopend onderzoek naar ambtsmisdrijven en een onderzoek naar mogelijke vervalsingen van uitspraken van de rechtbank Noord-Holland. Gelet hierop worden door verweerder geen wijzigingen aangebracht in de dossiers bij het UWV.

1.4

Tot slot heeft verweerder overwogen dat de betrokkenheid van de medewerker van het UWV, [naam 1] , bij de bezwaarschiftprocedure niet in strijd is met artikel 7:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu van enige betrokkenheid van genoemde medewerker bij de totstandkoming van de primaire besluiten geen sprake is. De primaire besluiten zijn immers door andere personen, te weten [naam 2] en [naam 3] , opgesteld en genomen.

2.1

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 7:5 van de Awb. De medewerker van het UWV, [naam 1] , heeft opgetreden als voorzitter van de bezwarencommissie, terwijl deze medewerker ook betrokken is geweest bij de voorbereiding en besluitvorming van de primaire besluiten.

2.2

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, geschiedt het horen door een persoon die niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest. De rechtbank stelt vast dat de primaire besluiten in mandaat zijn genomen door [naam 3] en zijn opgesteld door [naam 2] . Uit de stukken is de rechtbank niet gebleken dat [naam 3] bij de voorbereiding hiervan betrokken is geweest. De rechtbank is daarom van oordeel dat artikel 7:5 van de Awb niet is geschonden. Dat [naam 3] als medewerker van het UWV betrokken is geweest bij andere procedures in geschillen tussen eiseres en het UWV betekent niet dat in strijd met artikel 7:5 van de Awb is gehandeld.

3.1

Voorts heeft eiseres – samengevat – aangevoerd dat verweerder ten onrechte nog steeds niet aan beide verzoeken heeft voldaan. Verweerder heeft slechts stukken uit het dossier Handhaving aan haar toegezonden. Verweerder heeft de verzoeken niet conform de Regeling inzage- en correctierecht UWV (hierna: de Regeling) behandeld. Verweerder heeft informatie over eiseres verzameld, die overbodig en onzinnig is en die niet is gebaseerd op uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doelen.

3.2

Verweerder heeft aangegeven dat eiseres in 2013 en 2014 inzage heeft gehad in haar dossier, dat aan haar op 10 maart 2016 het dossier per aangetekende post is toegezonden en dat aan haar op 2 februari 2018 alsnog het gehele Handhavingsdossier is toegezonden. Eiseres heeft hiermee alle stukken, met inbegrip van de stukken die verweerder om moverende redenen niet uit het dossier heeft verwijderd, ontvangen, die op haar betrekking hebben. Indien eiseres van mening is dat zij niet het gehele dossier heeft ontvangen, heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld om haar dossier op het kantoor van het UWV in te zien.

3.3

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1, onder g, van de Regeling wordt onder een verzoek om inzage verstaan: een verzoek van of namen betrokkene om aan verzoeker mede te delen of, en zo ja welke, de betrokkene betreffende persoonsgegevens worden verstrekt, conform artikel 35 van de Wbp.

Ingevolge artikel 1, onder h, van de Regeling wordt onder een verzoek om correctie verstaan: een verzoek van of namens betrokkene om, conform artikel 36 Wbp, persoonsgegevens van betrokkene te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen, indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt.

Ingevolge artikel 2, vierde lid, van de Regeling kan een verzoek om correctie slechts worden ingediend nadat de verzoeker inzage heeft genomen in de betreffende gegevens waarop correctie wordt verzocht. Een verzoek om correctie bevat de aan te brengen wijzigingen.

Ingevolge artikel 7, tweede lid van de Regeling (Uitvoering inzageverzoek) stelt het UWV, indien het verzoek wordt ingewilligd, de volgende gegevens ter beschikking:

  • -

    een volledige en begrijpelijk overzicht van de verwerkte gegevens;

  • -

    een omschrijving van

 het doel of de doeleinde van de verwerking;

 de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft;

 de ontvangers of categorieën ontvangers;

- alle beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Regeling (Uitvoering correctieverzoek) kan het UWV een verzoek om correctie slechts honoreren voor zover de opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn of voor het doel of doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift zijn verwerkt.

3.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen juiste uitvoering heeft gegeven aan bovenstaande bepalingen uit de Regeling. Verweerder heeft immers bij het primaire besluit op het verzoek om inzage in de dossiers geen opgave gedaan van de eiseres betreffende persoonsgegevens, met vermelding van herkomst en ontvangers van deze gegevens en doelstelling van de onderscheiden verwerkingen, terwijl eiseres daar uitdrukkelijk om had verzocht. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Staat (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 oktober 2015, ECLI:NL:RVS: 2015:3153) volgt dat het uitgangspunt van de Wbp is dat een ieder in de gelegenheid moet zijn om na te kunnen waar gegevens over hem zijn vastgelegd en verwerkt. Verweerder is, ook gelet op artikel 7 van de Regeling, gehouden tot verstrekking van een overzicht van zodanige gegevens, alsmede informatie over het doel van de verwerking, de ontvangers en de herkomst van die gegevens. Dit betekent dat verweerder niet kon volstaan met de mededeling dat alle stukken uit het dossier Handhaving aan eiseres zijn toegezonden. Deze mededeling voldoet immers niet aan het bepaalde van artikel 7, tweede lid, van de Regeling. Ook de in beroep alsnog door verweerder overgelegde lijst van aan eiseres toegezonden stukken voldoet niet aan genoemde bepaling. De reactie van verweerder van 15 maart 2018 naar aanleiding van de heropening door de rechtbank geeft hieromtrent ook geen duidelijkheid.

3.5

Nu het bestreden besluit omtrent het verzoek om inzage niet voldoet aan artikel 7 van de Regeling, kan het bestreden besluit, voor zover betrekking op het verzoek om correctie, eveneens niet in stand blijven. De rechtbank leidt uit de artikelen 2 en 8 van de Regeling af dat een verzoek om correctie immers pas op juiste wijze kan worden beoordeeld indien conform artikel 7 van de Regeling uitvoering is gegeven aan het verzoek om inzage.

4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 7 en 8 van de Regeling. Verweerder dient opnieuw, met inachtneming van deze uitspraak, te beslissen op de bezwaren van eiseres.

5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling, nu niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 168,- aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Fortuin, rechter, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.