Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:1033

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
19-03-2018
Zaaknummer
C/15/242229 / FA RK 16-2410
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht het zorgelijk dat, hoewel sinds april 2017 voor alle betrokkenen kenbaar is dat individuele specialistische hulpverlening aan [minderjarige] geïndiceerd is, deze feitelijk nog steeds niet van de grond is gekomen.

In deze procedure dient de rechtbank de standpunten van alle betrokkenen te toetsen aan het belang van [minderjarige]. Gezien de inhoud van de rapporten van de Raad concludeert de rechtbank dat van cruciaal belang voor [minderjarige] is dat de start en continuïteit van de geïndiceerde hulpverlening gewaarborgd wordt. De Raad adviseert dat een hoofdverblijfplaats van [minderjarige] in de gemeente die de hulpverlening financiert, in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank concludeert, gelet op de strekking van het advies van de Raad, dat de financiering van de noodzakelijke hulpverlening aan [minderjarige] buiten de invloedsfeer van de ouders dient te blijven. Niet in geschil is dat de gemeente waar de man woonachtig is, [plaats], deze hulpverlening financiert en dat de gemeente waar de vrouw met [minderjarige] is ingeschreven, [plaats], dit niet doet. De rechtbank zal daarom, in het belang van [minderjarige], diens hoofdverblijfplaats wijzigen en (voorlopig) bij de man bepalen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0090
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

zaaknummer / rekestnummer: C/15/242229 / FA RK 16-2410

Beschikking d.d. 14 februari 2018

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.W. Verhoef, gevestigd te Uithoorn,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. P.J. Montanus, gevestigd te Amsterdam.

1 De verdere procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van deze rechtbank d.d. 19 april 2017;

- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 25 oktober 2017;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 5 januari 2018.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 januari 2018.

Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw heeft pleitnotities met bijlagen overgelegd. Voor de man was ter zitting een tolk aanwezig. Ook was aanwezig [gezinsmanager] , gezinsmanager, namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in haar beschikking van 19 april 2017. Bij deze beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de zaak aangehouden ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de definitieve zorgregeling.

2.2.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats ] . De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Canadese nationaliteit en is Brits burger.

2.3.

Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats ] , hierna te noemen: [minderjarige] .

2.4.

De echtscheidingsbeschikking is op [datum] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.5.

Bij beschikking van 19 april 2017 heeft de rechtbank bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voorlopig bij de vrouw zal zijn. De rechtbank heeft de definitieve beslissing over de hoofdverblijfplaats en de definitieve zorgregeling aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) verzocht een onderzoek in te stellen en de rechtbank te adviseren over de definitieve vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de definitieve zorgregeling.

2.6.

De man heeft kort voor de mondelinge behandeling aanvullende (voorwaardelijke) zelfstandige verzoeken ingediend. Zijn eerste verzoek heeft betrekking op de start, continuering en aard van de voor [minderjarige] dringend noodzakelijke individuele specialistische therapie. Het tweede verzoek betreft de nadere invulling van de zorgregeling. Het derde verzoek betreft de verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Het vierde, vijfde en zesde verzoek van de man betreft vervangende toestemming voor een vakantie met [minderjarige] en (verlenging van) identiteitsdocumenten.

hoofdverblijf

2.7.

De beslissing van de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voorlopig vast te stellen was gebaseerd op het (eerdere) advies van de Raad, van 7 november 2016. De Raad adviseerde het hoofdverblijf tijdelijk vast te stellen, omdat [minderjarige] al langere tijd zijn hoofdverblijf bij zijn moeder heeft en de Raad wijziging op dat moment niet in het belang van [minderjarige] achtte. Hierbij heeft de Raad aangekondigd dat op een later tijdstip, als hulpverlening aan de ouders is gestart en de Raad meer zicht heeft of beide opvoedsituaties veilig zijn voor [minderjarige] , hij een definitief advies zal uitbrengen over de hoofdverblijfplaats.

Het rapport van de Raad van 25 oktober 2017 is een actualisatie van het rapport van

7 november 2016.

2.8.

In beide rapporten van de Raad staat centraal dat [minderjarige] zelf niet wil / kan kiezen. [minderjarige] wil met beide ouders contact. Hij mist zijn vader als hij bij zijn moeder is, mist zijn moeder en oma (mz) als hij bij zijn vader is. [minderjarige] is een kwetsbaar kind dat geen leeftijdsadequate ontwikkeling doormaakt. Er is sprake van een gegeneraliseerde angststoornis en van loyaliteitsproblemen. [minderjarige] is aan zijn ouders gehecht en zeer afhankelijk van zijn ouders in hoeverre zij hem toestaan om een band met de andere ouder te behouden. De onduidelijkheid over de hoofdverblijfplaats drukt op de al kwetsbare ontwikkeling van [minderjarige] . Duidelijkheid over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders zal tegemoetkomen aan het verminderen van de angsten die [minderjarige] ervaart. De reeds ingezette hulpverlening in het gedwongen kader kan ouders ondersteunen in het vormgeven van een veilig en voorspelbaar opvoedklimaat waar [minderjarige] optimaal van een therapie kan profiteren.

2.9.

De vader laat zien, aldus de Raad, dat hij begrip heeft voor de pijnlijke gevoelens van de moeder. Hij is bereid om aan elke vorm van hulpverlening mee te werken om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] af te wenden. Hij stelt hiermee [minderjarige] vrij van zijn loyaliteitsproblemen en komt tegemoet aan de ontwikkeltaken van [minderjarige] . Deze houding van de vader maakt dat het in het belang van [minderjarige] is als hij vaker bij zijn vader kan zijn.

2.10.

Voor de moeder is het, aldus de Raad, moeilijk om het belang van [minderjarige] centraal te stellen. De moeder heeft weerstand tegen de begeleiding van de jeugdbeschermer en wil de geïndiceerde hulp op haar voorwaarden aangaan. De moeder vindt het moeilijk om [minderjarige] los te laten en bespreekt haar angsten met hem. De Raad benadrukt dat bij de weging in de besluitvorming over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de angsten van [minderjarige] een grote rol spelen. Het is in het belang van [minderjarige] om met zijn angsten rekening te houden. Voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken acht de Raad het daarom geïndiceerd dat een uitbreiding stapsgewijs en onder begeleiding van hulpverlening zal plaatsvinden.

2.11.

De Raad is van oordeel dat beide ouders over voldoende mogelijkheden beschikken voor de hoofdverblijfplaats. In het concept advies heeft de Raad opgenomen dat het wenselijk is om de hoofdverblijfplaats bij moeder vast te stellen, omdat de vader minder zwaar trekt aan het vaststellen van de hoofdverblijfplaats bij hem, zodat hierover geen strijd (meer) wordt gevoerd. Naar aanleiding van de reacties van de ouders op het concept heeft de Raad bij het advies de kanttekening geplaatst dat als ter zitting duidelijk mocht zijn dat de gemeente [plaats ] de geïndiceerde hulpverlening niet financiert, een hoofdverblijfplaats van [minderjarige] in een gemeente die de hulpverlening wel financiert, in het belang van [minderjarige] is.

2.12.

Ter zitting hebben de vrouw en haar advocaat aangevoerd dat het goed gaat met [minderjarige] . [minderjarige] gaat inmiddels naar een andere school ( [school] ) en heeft meer zelfvertrouwen. Zijn klasselerares heeft zijn moeder bericht dat het uitstekend gaat met [minderjarige] op [school] .

Bepleit wordt voorts om de uitkomst van de hulpverlening af te wachten alvorens te beslissen over een andere (definitieve) omgangsregeling dan de thans bestaande omgangsregeling. Volgens de moeder is het niet in het belang van [minderjarige] is om de huidige omgangsregeling uit te breiden zoals de man heeft verzocht. De vrouw heeft voorts ter zitting benadrukt dat de man een zeer hoog inkomen heeft. Volgens de vrouw kunnen en behoren de ouders de kosten van de therapie voor [minderjarige] voor hun rekening te nemen.
Met een beroep op de wens van [minderjarige] dat de bestaande zorgregeling wordt gecontinueerd, heeft (de advocaat van) de vrouw de kinderrechter nogmaals dringend verzocht om [minderjarige] hierover zelf buiten partijen om te horen.

2.13.

De man heeft ter zitting benadrukt dat het van groot belang is dat [minderjarige] zo snel mogelijk kan starten met de geïndiceerde specialistische hulpverlening en dat de continuïteit hiervan gewaarborgd is. Hij heeft voorts het standpunt ingenomen dat het niet in het belang van [minderjarige] is dat zijn ouders kunnen beïnvloeden of de noodzakelijke therapie al dan niet gefinancierd wordt. Een praktische oplossing kan zijn dat [minderjarige] wordt ingeschreven in een gemeente die de hulp wel financiert, bijvoorbeeld [plaats ] , de gemeente waar hij feitelijk woont, of in de woonplaats van de man, [plaats ] .

2.14.

De rechtbank overweegt als volgt.
Zij stelt voorop dat in de onderhavige procedure beslist moet worden over de (definitieve) zorgregeling en het (definitieve) hoofdverblijf van [minderjarige] . Voor zover de naar voren gebrachte standpunten van de ouders, met name van de moeder, het verloop van de ondertoezichtstelling en de handelwijze van de gezinsmanager betreffen, zal de rechtbank deze onbesproken laten, aangezien deze buiten het beoordelingskader van dit geding vallen.

2.15.

De rechtbank acht het zorgelijk dat, hoewel sinds april 2017 voor alle betrokkenen kenbaar is dat individuele specialistische hulpverlening aan [minderjarige] geïndiceerd is, deze feitelijk nog steeds niet van de grond is gekomen. Voor [minderjarige] is specialistische GGZ therapie geïndiceerd. De rechtbank acht het essentieel dat de financiering van de therapie die [minderjarige] nodig heeft, gewaarborgd is. De rechtbank acht het niet wenselijk dat de (continuïteit van de) therapie afhankelijk is van de medewerking van de ouders. Dat, zoals uit de stukken en ter zitting naar voren komt, tussen ouders geen enkel constructief overleg mogelijk is, acht de rechtbank een contra-indicatie om de financiering van de therapie aan de welwillendheid van de ouders over te laten.

2.16.

Wat de financiering van overheidswege betreft is relevant dat ten gevolge van de decentralisatie van de jeugdzorg naar de door gemeenten gefinancierde jeugdhulp, de gemeente waar [minderjarige] is ingeschreven en waar hij feitelijk woont, een contract dient te hebben met de geïndiceerde therapeut. Op dit moment is [minderjarige] ingeschreven in de gemeente [plaats ] en woont hij feitelijk in [plaats ] . De gemeente [plaats ] heeft geen contract met de voor [minderjarige] aangewezen specialistische hulpverlener. Dat [minderjarige] is ingeschreven in de gemeente [plaats ] is een gevolg van de beslissing van de vrouw om in die gemeente formeel haar woonadres te hebben, teneinde een vergunning voor permanente bewoning van haar huis in [plaats ] te behouden. Hoewel de vrouw feitelijk met [minderjarige] in [plaats ] woont, in de woning van haar moeder, heeft zij tot op heden geweigerd zich aldaar in te schrijven, om haar moverende redenen.

2.17.

Hoewel de advocaat van de vrouw ter zitting heeft toegezegd dat de vrouw toch bereid zou zijn om zich met [minderjarige] in de gemeente [plaats ] te doen inschrijven, legt deze enkele toezegging onvoldoende gewicht in de schaal. Immers, de vrouw heeft in de afgelopen maanden geen enkel signaal gegeven dat zij daadwerkelijk bereid zou zijn om, in het belang van (hulpverlening aan) [minderjarige] , aan wijziging van de gemeente van inschrijving mee te werken. De toezegging van de advocaat van de vrouw staat bovendien lijnrecht tegenover het standpunt zoals vermeld in diens pleitnota ter zitting, waarin zonder voorbehoud het uitgangspunt is neergelegd dat de ouders de hulpverlening kunnen / moeten financieren.

2.18.

In deze procedure dient de rechtbank de standpunten van alle betrokkenen te toetsen aan het belang van [minderjarige] . Gezien de inhoud van de rapporten van de Raad concludeert de rechtbank dat van cruciaal belang voor [minderjarige] is dat de start en continuïteit van de geïndiceerde hulpverlening gewaarborgd wordt. De Raad adviseert dat een hoofdverblijfplaats van [minderjarige] in de gemeente die de hulpverlening financiert, in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank concludeert, gelet op de strekking van het advies van de Raad, dat de financiering van de noodzakelijke hulpverlening aan [minderjarige] buiten de invloedsfeer van de ouders dient te blijven. Niet in geschil is dat de gemeente waar de man woonachtig is, [plaats ] , deze hulpverlening financiert en dat de gemeente waar de vrouw met [minderjarige] is ingeschreven, [plaats ] , dit niet doet. De rechtbank zal daarom, in het belang van [minderjarige] , diens hoofdverblijfplaats wijzigen en (voorlopig) bij de man bepalen.

zorgregeling

2.19.

In de beschikking van 19 april 2017 heeft de rechtbank een tijdelijke zorgregeling bepaald die, na een opbouwfase, resulteert in een voorlopig definitieve regeling waarbij [minderjarige] eens in de twee weken bij de man is van vrijdag uit school tot dinsdag naar school.

(basis-)zorgregeling

2.20.

Zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.8, 2.9 en 2.10 is neergelegd, is het in het belang van [minderjarige] dat er duidelijkheid komt over de zorgregeling. [minderjarige] wil niet kiezen tussen zijn ouders en houdt van hen allebei. De rechtbank is, in navolging van het advies van de Raad, van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij het contact met zijn vader kan versterken en meer tijd met hem kan doorbrengen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de bestaande zorgregeling vooralsnog met twee dagen in de twee weken wordt uitgebreid, waarbij op den duur gestreefd wordt naar een verdeling bij helfte. [minderjarige] zal bij de man verblijven eens in de twee weken van donderdag uit school tot woensdag naar school, zodat er meer rust in zijn situatie kan komen.

De rechtbank zal deze zorgregeling als tijdelijke zorgregeling vastleggen en de beslissing over de definitieve zorgregeling aanhouden.

Kinderen Uit de Knel

2.21.

Bij de wisseling van [minderjarige] van school, van het [school] naar het [school] , heeft het [school] als voorwaarde gesteld dat de ouders meewerken aan Kinderen uit de Knel (KUK). Daarnaast biedt de nieuwe school [minderjarige] ook extra ondersteuning. Ouders zijn met deze voorwaarde van de school akkoord gegaan. Kinderen uit de Knel heeft ten doel ouders te leren samenwerken in de opvoeding van [minderjarige] op een manier waarop [minderjarige] niet belast wordt door de oude pijn van zijn ouders. Ouders moeten beide leren open te staan voor de inbreng en mening van de andere ouder in het ouderschap zodat [minderjarige] niet meer het gevoel heeft dat hij moet kiezen tussen twee personen van wie hij houdt. Inmiddels is de intake van ouders voor KUK geweest. Voor een doeltreffend verloop van het traject bij KUK is vereist dat lopende procedures “on hold” worden gezet en ouders geen nieuwe procedures starten.


vakanties

2.22.

De man heeft de rechtbank verzocht een zorgregeling voor vakanties en (bijzondere) feestdagen vast te stellen en heeft een voorstel hiervoor geformuleerd. De vrouw heeft hierop nog niet gereageerd. De rechtbank zal de beslissing hierover aanhouden.

2.23.

De man heeft de rechtbank verzocht om vervangende toestemming te verlenen voor een reis met [minderjarige] naar Canada, omdat daar een groot deel van zijn familie woont en [minderjarige] daar nog nooit is geweest. De vrouw heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij bang is dat de man [minderjarige] zal ontvoeren en dat zij haar kind voorgoed kwijt zal raken. Zij is wel bereid in te stemmen met een vakantie binnen Europa.
De rechtbank overweegt dat ouders van elkaar schriftelijke toestemming nodig hebben voor een reis met [minderjarige] naar het buitenland. Indien een ouder toestemming weigert, kan de andere ouder de rechtbank – kort gezegd – verzoeken om te beoordelen of de weigeringsgronden van de ouder gegrond zijn of zo mogelijk zelf bepalen of het in het belang van een minderjarige is dat deze met zijn andere ouder met vakantie kan gaan en zo ja hoe lang.

Gelet op de uiterst wankele verstandhouding tussen de ouders, het nog niet ten volle gevoerde partijdebat over dit onderwerp, acht de rechtbank het prematuur om op het verzoek van de man te beslissen en zal zij de beslissing aanhouden.

identiteitsdocumenten

2.24.

De man heeft verzoeken ingediend tot vervangende toestemming voor het verlengen van het Canadese paspoort en afgifte van de staatsburgerschapspapieren van [minderjarige] . Subsidiair heeft hij de rechtbank verzocht om te bepalen dat de vrouw hem een gelegaliseerde kopie van het paspoort van [minderjarige] zal verstrekken.

De rechtbank zal ook de beslissing op deze verzoeken aanhouden. Gelet op de toezegging ter zitting van de zijde van de vrouw dat zij geen bezwaar heeft tegen een vakantie van [minderjarige] met zijn vader binnen Europa, gaat de rechtbank er vanuit dat partijen erin zullen slagen deze kwestie, althans voor de komende vakantieperioden, in onderling overleg te regelen. In de lijn der verwachting ligt dat het traject KUK hen daarbij kan helpen.

Indien partijen hier samen niet uitkomen, zal de rechtbank hierover nadien beslissen.

horen [minderjarige]

2.25.

De advocaat van de vrouw heeft de rechtbank verzocht om [minderjarige] te horen. [minderjarige] is nu 10 jaar. De advocaat van de vrouw wijst erop dat [minderjarige] volgens dr. [dr.] te vergelijken is met een kind van 12 jaar. Volgens de vrouw heeft [minderjarige] zelf heeft aangegeven dat hij met de kinderrechter wil praten om te zeggen waar hij wil wonen en wat hij van de zorgregeling vindt.

2.26.

De gezinsmanager heeft ter zitting benadrukt dat in deze zaak de stem van [minderjarige] gehoord is, omdat in het kader van het Raadsonderzoek uitgebreid met hem is gesproken. [minderjarige] alsnog door de rechtbank laten horen heeft volgens haar geen meerwaarde.

2.27.

De rechtbank overweegt dat minderjarigen onder de twaalf jaar op een door de rechter te bepalen wijze gehoord kunnen worden maar daar geen recht op hebben. De Hoge Raad heeft onderstreept dat een rechter niet verplicht is om een kind onder de twaalf te horen en deze beslissing niet hoeft te motiveren behoudens bijzondere omstandigheden (HR 29 maart 2002, NJ 2002/269, r.o. 3.6).
De rechtbank is in dit geval van oordeel dat het horen van [minderjarige] geen meerwaarde heeft en in strijd is met zijn belang. Doorslaggevend hierbij is dat de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende duidelijk maken dat [minderjarige] op zeer ernstige wijze klem zit tussen zijn ouders. Het is dan ook onontkoombaar dat hij weer betrokken zal worden bij de problemen van zijn ouders als de kinderrechter hem naar zijn mening en wensen zou vragen. Dit zal [minderjarige] belasten met de vraag hoe hij het moet doen en zal hem zichtbaar deel laten uitmaken van de dynamiek en de strijd tussen zijn ouders. Dit alles tezamen genomen zou het belang van [minderjarige] ernstige schade toebrengen, zodat het verzoek van de vrouw om [minderjarige] te horen zal worden afgewezen.

kinderbijdrage

2.28.

De man heeft de rechtbank verzocht om, als de zorgregeling bij helfte wordt gedeeld, in zijn aandeel in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] rekening te houden met een zorgkorting en de kinderbijdrage te verlagen. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

2.29.

De rechtbank stelt vast partijen in de vaststellingsovereenkomst die is aangehecht aan de beschikking van 19 april 2017, een onvoorwaardelijke en definitieve afspraak hebben opgenomen over – onder andere – de door de man te betalen kinderbijdrage. Indien de man wijziging van de overeengekomen kinderbijdrage wenst, zal hij hiertoe een nieuw verzoek moeten indienen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

Bepaalt, met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van deze rechtbank van 19 april 2017 dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige] :

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats ] ,

voorlopig bij de man zal zijn.

3.2.

Bepaalt, met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van

19 april 2017, dat de tijdelijke zorgregeling als volgt zal zijn:

[minderjarige] zal bij de man verblijven eens in de twee weken van donderdag uit school tot woensdag naar school, met inachtneming van wat hierover onder r.o. 2.20 is opgemerkt.

3.3.

Wijst af het verzoek van de man tot wijziging van de kinderbijdrage.

3.4.

Houdt de beslissing over de definitieve hoofdverblijfplaats en de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede over de verzoeken betreffende de (toestemming voor) vakanties en identiteitsdocumenten aan tot 8 augustus 2018 PRO FORMA.

Verzoekt de advocaten van partijen de rechtbank schriftelijk te berichten omtrent het verloop van de therapie van [minderjarige] en de resultaten van Kinderen uit de Knel en de daaraan te verbinden gevolgen.

Bepaalt dat het schriftelijk bericht uiterlijk op 1 augustus 2018 door de rechtbank ontvangen dient te zijn.

Wijst er op dat de rechtbank daarna zal beslissen over de verdere voortgang van de procedure.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Stefels, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Kroon op 14 februari 2018.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..